![]() |
| Homepage | Ascese en zelfkwelling | Shiva en zijn volgelingen | |||
| Vishnoe: Rama & Krishna | Sadhvi's: vrouwelijke sadhoes | Vreemdeling sadhoes | |||
| Kumbha mela's | Noten & Bibliografie | Verhalen |
| Ascese en zelfkwelling |
| Sadhoes: het subcontinent India telt ze bij honderdduizenden, zo niet miljoenen. Welke rol vervult de ascese, de zware weg van onthouding, onthechting en armoede - tot in de meest extreme vormen van zelfkwelling - binnen de Hindoe traditie? In dit artikel worden de westerse opvattingen over ascese met de hindoeïstische metafysica en psychologie vergeleken en uiteengezet welke vormen deze ascese bij de verschillende sekten kan aannemen. |
| Asceten en atleten | |
| Ons woord ascese stamt uit het Grieks en onze huidige opvattingen erover en gevoelens erbij zijn door christelijk denken en doen gevormd. Het is afgeleid van askèsis, 'oefening' of 'training'. Dit woord werd geïntroduceerd door de stoïcijnen, omdat die de overeenkomsten wilden benadrukken tussen de training, gericht op lichamelijke perfectie (atleten), en oefeningen, gericht op geestelijke volmaaktheid (asceten). Beide woorden hebben een gemeenschappelijke etymologische basis, askeo, 'ik bewerk een stof, snijd, (be)oefen' (ook het woord 'sekte' is hiervan afgeleid). Het begrip ascese is door latere filosofen, theologen en mystici meer uitgebreid en toegespitst, waardoor het de betekenis verkreeg van systematische ontkenning, onderwerping en beheersing van lichamelijke behoeften of begeerten door onthouding, zelfdiscipline en zelfkwelling. In de praktijk komt dit neer op een afwijzing van alle lustbevrediging en comfort, een streven naar totale onverschilligheid tegenover zintuiglijke indrukken, zowel genot als pijn, en het opzettelijk kiezen van onaangename leefsituaties en het zelf veroorzaken van lichamelijke pijn. Het doel van de ascese is het bereiken van een staat van morele volmaaktheid en wijsheid, bevrijding van het aardse, verwerving van magische krachten en mystieke inzichten, en uiteindelijk de spirituele eenwording met de Absolute Zijnsgrond (God, Brahma, Allah). |
|
| Voor de massa en voor de specialist | |
| Deze omschrijving is in het algemeen van toepassing op alle vormen van. ascese die in meer of minder extreme mate onder alle volken en in alle godsdiensten voorkomen. Een onderscheid dient gemaakt te worden tussen enerzijds de beperkingen en onthoudingen die gelden voor de grote massa of bepaalde groepen van een bevolking, die in het algemeen milder zijn en niet als ascese maar als de 'gewone' moraal gepresenteerd en beleefd worden; anderzijds is er de radicale levenswijze van de ware asceet die als mystiek 'specialist' de extremere vormen van ascese systematisch beoefent. De ascese van de massa vond haar oorsprong in het verkrijgen en in stand houden van cultische reinheid door de onthouding, al dan niet permanent, van bepaalde spijzen en soms ook de se+ualiteit. In de categorie van permanente onthouding vallen het verbod op varkensvlees voor joden en moslims, het vegetarisme van Hindoes en het verbod op alcoholgebruik door moslims en Hindoes. Als voorbeelden van tijdelijke onthouding kunnen de mohammedaanse Ramadan en het christelijke vasten op Aswoensdag en Goede Vrijdag genoemd worden. |
| Christelijke ascese | |
| De asceet als mystiek 'specialist' heeft in het christendom zeker een belangrijke rol gespeeld, hoewel deze individuen op zijn zachtst gezegd nooit erg populair waren bij het centrale gezag van de Kerk. Enkele bekende christelijke asceten zijn: de Heilige Antonius die als twintigjarige een kluizenaarsleven ging leiden in verschillende woestijnen in Egypte (zijn demonische verzoekingen hebben tot op heden veel kunstenaars geïnspireerd), Simeon Stylitus de Oudere die zevenendertig jaar op een pilaar (die eerst drie, maar uiteindelijk twintig meter hoog was) heeft doorgebracht, Simeon Stylitus de Jongere die vijfenveertig jaar op dezelfde zuil verbleef, Franciscus van Assisi die verkoos in armoede te leven en door bedelen in zijn onderhoud te voorzien en Suster Bertken uit Utrecht die zich levenslang liet insluiten in een kluis van de Buurkerk aldaar. n het Westen bestaat i.h.a. de indruk dat ascese een Christelijke uitvinding is (met eventueel een vleugje Griekse invloed) en dat de Heilige Antonius de eerste beoefenaar daarvan is een indruk die destijds (±400 n.C.) door de kerkvaders werd gevestigd en vervolgens door de Kerk en theologen in stand werd gehouden. Ik ben daarentegen van mening dat ascese evenals de mystiek als individuele weg tot het goddelijke zonder tussenkomst van een priester een Indiase uitvinding is, die zijn wortels heeft in de Indus Vallei Cultuur en die zich verder in confrontatie met de Vedische cultuur ontwikkeld heeft. Zie ook hier beneden, bij de 'Gehoornde God' en bij de muni's. |
de Heilige Antonius |
| Onthoudingen, boetedoeningen en zelfkwellingen, die lange tijd het leven van monniken en priesters bepaald hebben, verliezen geleidelijk aan hun betekenis en worden steeds verder afgezwakt of afgeschaft. Er zijn nog wel enkele overblijfselen van deze traditie, zoals het celibaat van de rooms-katholieke priesters en enkele kloosterorden waar. nonnen en monniken in afzondering, zwijgend en celibatair hun dagen met contemplatie vullen, maar waarschijnlijk zullen deze ascetische resten op den duur verdwijnen. | |
| Anarchie en kaste | |
| Het Hindoeïsme laat een geheel andere ontwikkeling zien. De duizenden jaren oude traditie van mysticisme en ascese is van generatie op generatie ononderbroken voortgezet, zodat er ook heden ten dage nog levende boetedoeners en zelfkwelIers zijn. Of dat zo zal blijven nu India zich openstelt voor westerse invloeden valt moeilijk te voorspellen. Dit voortbestaan van mystiek en ascese zou verband kunnen houden met de unieke 'anarchistische' kenmerken van het Hindoeïsme, als een 'religie' die niet gedomineerd wordt door één Absolute God, geen centraal gezag van één Kerk kent, niet de waarheid van één heilig Boek erkent en geen onaantastbare vergoddelijkte Stichter heeft. Daardoor kunnen alle mogelijke metafysische opvattingen (één God, een Drie-eenheid, duizend goden en godinnen, geen god) naast elkaar blijven bestaan en kunnen alle mogelijke godsdienstige praktijken beoefend worden zonder dat een centraal gezag zulke anti-autoritaire, individualistische strevingen als mysticisme en ascese zou kunnen inperken. Dat wil overigens niet zeggen dat er geen spanningen en tegenstellingen bestaan tussen de asceten als individuele mystici (sadhoes, yogi's, sannyasins) en de gevestigde religieuze groeperingen van de priesterkaste (de brahmanen). Integendeel. Aan de andere kant hebben juist de rigide kaste-instelling en de daarbij behorende maatschappelijke taakverdeling ertoe bijgedragen de beoefening van mystiek en ascese door de daarvoor ingerichte sociale niche in stand te houden. |
|
| Shiva en het Hindoe pantheon | |
| In dit verband is de volgende mythe uit de Mahabharata heel illustratief. Daksha is bezig met een typisch brahmaanse priesteractiviteit: het plegen van een uitgebreid offer op een bergtop in de Himalaya. Alle goden met hun echtgenoten zijn uitgenodigd, behalve de goddelijke asceet Shiva en zijn vrouw Uma. Hij is onaanvaardbaar voor dit illustere gezelschap omdat hij naŚkt loopt, zich in de jungle tussen de wilde beesten ophoudt, zich inwrijft met as, een schedel draagt, andere onreine praktijken uitoefent en zich als een dronkeman gedraagt. Uma is zeer beledigd en neemt geen genoegen met de opmerking van Shiva dat zijn volgelingen hem aanbidden met de ware meditatieve wijsheid waarbij geen brahmanen en hun offerandes nodig zijn. Meegesleurd door haar kwaadheid neemt Shiva vervolgens de gestalte van de verschrikkelijke Virabhadra aan om, samen met Uma, in de gestalte van de allesvernietigende Mahakali, het offer te verwoesten. Dan erkent Daksha zijn fout, draagt zijn offer ook aan Shiva op, en zo loopt het verhaal met een sisser af. |
|
| De "Gehoornde God" | |
|
De in deze mythe weergegeven tegenstelling tussen brahmaanse priesters en asceten is van historische oorsprong. Het wordt aangenomen, in ieder geval door mijzelf, dat de ascetische en mystieke traditie met Shiva als prototypische asceet zijn wortels heeft in de cultuur van de Indusvallei, die allang bestond voor de "invasie" van de Ariërs die de latere dominante brahmanenkaste zouden vormen. Een belangrijke aanwijzing dat het "prototype van Shiva" toen al bestond wordt gevonden in een viertal zegels, waarvan de belangrijkste hiernaast is afgebeeld. Daarop is een naŚkte asceet (of shaman) afgebeeld, zittend in een soort lotus-houding, met ere+te p-.-.. Hij getooid met de horens van een buffel; vandaar zijn benaming als de "Gehoornde God.". |
![]() |
| Het zegel uit de Indusvallei cultuur van 2500 v.C. | |
| Hij lijkt drie gezichten te hebben en is omringd door verschillende dieren. Vanwege dit laatste aspect werd hij geïdentificeerd met "Shiva, als de Heer der Dieren." De ere+te p-.-. werd natuurlijk geassocieerd met de liñgam (hoewel de ere+te p-.-. door andere onderzoekers werd gezien als onderdeel van de heupband). Een belangrijke reden om de "Gehoornde God" met Shiva te vereenzelvigen, was de verschijning van de totale figuu,r die met zijn hoofddracht wel erg op de drietand of trishul leek waarmee de latere Shiva vaak wordt afgebeeld. |
|
| In de Mahabharata wordt een ascetische groepering beschreven, de Kapalika's (van kapala = schedel), die een nauwe verwantschap vertonen met Shiva als Heer der Dieren: Zij dragen menselijke botten als ornament, gebruiken mensenschedels om uit te drinken en te eten, verrichten geen brahmaanse rituelen maar brengen dieren- en mensenoffers, leven op crematieplaatsen en smeren zich in met as van crematievuren, beoefenen een soort hatha-yoga, maken in hun riten gebruik van alcohol, drugs en ook se+, verzaken de wereld, gedragen zich als krankzinnigen, beschikken over magische krachten en beheersen de elementen. In de loop der eeuwen worden in meer heilige geschriften minutieus allerlei verbijzonderingen en uitbreidingen van dit soort praktijken en achterliggende filosofieën uiteengezet. |
| Tapas | |
| Het begrip tapas speelt hierin een belangrijke rol. Oorspronkelijk betekent dit Sanskriet woord verhitten of branden, wat betrekking heeft op een soort mentale hitte of energie die ontstaat door het beoefenen van ascese. | |
Een zeer letterlijke opvatting van tapas, hitte, als zelfkwelling. |
Deze energie kan de asceet verzamelen en aanwenden voor magische of spirituele doeleinden. 'Tapas' werd geleidelijk aan synoniem voor onthouding, boetedoening en zelfkastijding. Als zodanig zou tapas de meest directe vertaling van ascese vormen. Een beoefenaar van tapas wordt een 'tapaswi' genoemd. (Zie ook Eliade over tapas.) De ascetische praktijken zijn globaal in vier categorieën te onderscheiden: betreffende het lichaam, de psyche, de fysieke omgeving en de relaties. In werkelijkheid bestaan er natuurlijk overlappingen tussen de diverse categorieën; de verschillende vormen van ascese worden altijd in combinatie en onderlinge samenhang beoefend. |
| Binnen deze categorieën is er sprake van een soort opklimmende trap van extremisme, gaande van milde onthoudingen en zelfdiscipline via beperkingen en beproevingen, tot zelfkastijding en 'doding des vlezes', niet zelden resulterend in permanente verminking en werkelijke zelfdoding. Talloze spirituele Leraren hebben overigens gewaarschuwd tegen de meest extreme vormen, die door hen als onnodige of zelfs averechtse methoden worden beschouwd, maar dat heeft niet mogen baten. Zo heeft bijvoorbeeld de Boeddha, na zelf jarenlang als sadhoe ascese beoefend te hebben, geconcludeerd dat dát niet de weg is. Zijn leerlingen vinden het later toch weer nodig extreme vormen van ascese te beoefenen. |
|
| Deze twee laatste argumenten geven ook aan waarom de vrouw in de Hindoe traditie zo'n ondergeschikte plaats inneemt. Hoewel er wel wat vrouwelijke asceten zijn (en waren) worden ze eigenlijk beschouwd als een te 'lage' incarnatie om in dit leven al de godrealisatie te kunnen bereiken. Pas na de volgende wedergeboorte, als man dus, waar ze nu door zuiver te leven naar toe zouden kunnen werken, zouden ze eventueel als volwaardige asceten naar vervolmaking kunnen streven. Tegen het celibaat kan wel eens gezondigd worden, zeker in het begin van de ascetische loopbaan, maar uiteindelijk wordt deze zo diep verinnerlijkt dat de asceet absoluut geslachtloos wordt, wat goed te constateren valt bij de naktlopende sadhoes, de Naga's. Hun lichamelijkheid is niet zinnenprikkelend meer, zodat ook preutse echtgenoten hun vrouwen met gerust hart kunnen toestaan deze nakte heilige mannen in hun kampen op te zoeken en te aanschouwen. En andersom beschouwen deze sadhoes de vrouw als moeder of als dochter. Er zijn asceten die hun se+uele en amoureuze energie op een godin of god richtten en een 'verhouding' met hen aangaan, hetzij als echtgenoot of echtgenote, hetzij als minnaar of minnares, hetzij als vriend of vriendin. Dit doet zich vooral voor bij de uiterst devote aanhangers van Vishnoe, die dan een van zijn incarnaties beminnen. Deze Sakhi's (zie ook het verhaal over Sakhi's) identificeren zich bijvoorbeeld met Sita, de vrouw van de godkoning Rama, of met Radha, zijn minnares, of met een van de gopi's (koeienhoedsters), de geliefden van Krishna. Al naar hun rol, kunnen zij de vrouw in kleding en gedrag imiteren. In andere sekten is deze vorm van 'projectie' echter absoluut verboden. |
Naga baba's Rama Giri en Shyam Sundar Giri (rechts) die een ringetje om zijn p-.-. heeft. Daaraan is een zilveren kettinkje-en-kraal bevestigd, een kopie in miniatuur van de ketting-en-bal van een gevangene, en een bijna ornamentaal overblijfsel van de grotere versie van dit ontwerp dat vroeger door asceten gedragen werd om de se+uele energie op te sluiten. |
| Zelfkwellingen |
| De staander |
|
| De staander, khareshwari genaamd, heeft de gelofte afgelegd om lange tijd meestal twaalf jaar of een veelvoud daarvan niet meer te zitten of te liggen. Hij mag wel lopen. Hij rust en slaapt door met de armen of het bovenlichaam op een soort schommeltje te steunen, en zo nu en dan zijn opgetrokken been in een band onder het schommelt je te laten hangen. De enkels en de voeten raken danig opgezwollen en de onderbenen kunnen bedekt zijn met open en pas genezen zweren. Door de gestoorde bloedsomloop bestaat de kans op trombose en dus beroerte en hartinfarct. Als de voorgenomen periode voorbij is, kan hij weer gaan zitten, uiteraard een belangrijke gebeurtenis en aanleiding voor een groot feest. De benen en voeten nemen na verloop van tijd weer een betrekkelijk normale vorm aan. |
| De eenarmige asceet | |
![]() |
Het staan lijkt minder kans op permanente verminking te bieden dan de houding van de eenarmige asceet, de urdhva bahu baba. Deze houdt jarenlang ook weer een veelvoud van twaalf zijn rechterarm boven zijn hoofd gestrekt, onafgebroken in onbruik. Het gevolg daarvan is dat de gewrichten verstijven en aan elkaar groeien, en dat de spieren atrofiëren. De arm lijkt nog het meest op een dunne stok met aan het eind wat bungelende worstjes, de vingers. De nagels worden niet meer geknipt en groeien centimeters lang; de hand wordt ook niet meer gewassen. De arm lijkt uit het lichaamsbewustzijn verdreven te zijn en geen deel meer uit te maken van het lichaam. Als zodanig is deze ascese bijna letterlijk 'doding des vlezes' te noemen. Als de voorgenomen periode verstreken is, kan de asceet proberen de arm 'naar beneden' te krijgen en hem weer normaal te gebruiken. Meestal lukt dat niet.
Een logisch vervolg op de eenarmige is de twee-armige. Deze is totaal hulpeloos en aangewezen op de hulp van anderen om in leven te blijven. Hij zal bijvoorbeeld moeten eten zonder zijn handen te gebruiken.(Dit is nu, voorzover ik weet, historisch, en te zien op de plaat van Picart.) |
| Vasanta Giri is nu al een twaalf jaar lang een één-armige sadhoe. Maar binnenkort mag hij zijn arm omlaag doen. Onder leiding van een guru die het zelf ook gedaan had, dwong hij zijn arm geleidelijk aan in die positie, hem eerst ondersteunend met een kruk. | |
| khechari mudra | |
| De tong kan door yogi's gebruikt worden om direct een bepaald spiritueel doel te bereiken. De tong wordt omgekruld en met het puntje ervan wordt ver achter in de keelholte een plek gestimuleerd, waar de bron van 'goddelijke nectar' zich bevindt. De bedoeling is om deze nectar te doen vloeien, hetgeen leidt tot ogenblikkelijke verlichting. Om zo ver naar achteren te kunnen komen moet het spiertje onder aan de tong stukje bij beetje doorgesneden worden en de tong door massage uitgerekt worden. (Deze methode is nu, voorzover ik weet, historisch, maar, zoals al eerder gezegd, in India weet je natuurlijk nooit) | |
| dandavat parikrama | |
| Een zeer actieve en uitputtende vorm van lichamelijke boetedoening is het maken van een wekenlange pelgrimstocht, of een dagenlange rondgang om een heiligdom, door het afpassen met de lichaamslengte, dandavat parikrama genaamd. Deze omslachtige manier van voortbewegen, die ook door 'gewone' pelgrims beoefend wordt, houdt in dat men zich in volle lengte uitstrekt op de grond, een steentje of zoiets bij het hoofd plaatst, opstaat en een paar stappen doet tot aan het steentje en het oppakt, zich weer uitstrekt, het steentje weer neerlegt, en zo maar verder, door stof, stenen, plassen, modder, tot men verdwaasd of extatisch het 'doel' bereikt. |
| samadhi | |
![]() |
Daartegenover moet als contrast de letterlijk meest passieve vorm van lichamelijke ascese vermeld worden: het levend begraven worden oftewel samadhi. Dit kan slechts door volleerde meesters in de yoga uitgevoerd worden. Men veronderstelt dat de yogi zichzelf in een soort winterslaapbrengt: hij laat zijn hart stilstaan, hij ademt niet meer, de spijsvertering stopt. |
| Samadhi of levend begraven zijn. In het midden van het vlakke stukje grond zien we een hand uit de aarde steken. De hand van een sadhoe dus die levend begraven is. | |
| Werkelijk begraven worden is overigens niet noodzakelijk, maar kan als gedemonstreerd magisch 'wonder' een gewenst religieus effect op sceptische twijfelaars hebben. Het lichaam moet natuurlijk wel beveiligd en bewaakt worden. Na een vooraf bepaalde periode van enkele dagen of weken 'buiten' het lichaam in astrale regionen, presumably doorgebracht te hebben, keert hij terug en brengt zijn lichamelijke processen weer op gang. Als de yogi een fout maakt in de procedure, wat soms gebeurt, zou hij niet meer terug kunnen keren en zijn tijdelijke 'zelfdoding' tot een finale verworden. |
|
| Het naŚktlopen | |
| Het naktlopen is een eerbiedwaardige ascetische traditie, teruggaand tot de pre-Arische Indusvallei cultuur. Het impliceert en symboliseert onthechting, vrijheid en de onschuld van vóór de zondeval. Bij de Griekse filosofen waren de Indiase asceten al bekend onder de naam gymnosophisten (= naktlopende filosofen) en er is sprake van confrontaties tussen hen en Alexander de Grote. De meeste naktlopers wrijven hun lichaam in met as, afkomstig van hun eigen vuur, van vuur uit een tempel of van crematievuren. Er wordt beweerd dat de as enigszins beschermt tegen insecten, warmte en kou, maar het heeft bovenal een symbolische betekenis: zij symboliseert het vergankelijke van al het aardse. De godheid Shiva, de Grote Yogi, zelf met crematie-as bedekt, dient als voorbeeld voor de naktlopende sadhoes die zich met as inwrijven. Zij dragen ook de rituele attributen waarmee Shiva afgebeeld wordt, zoals drietand, waterpot, gebedssnoer en dergelijke. In 325 voor Christus, toen Alexander de Grote India bereikte, ontmoette hij daar een aantal nakte asceten die qua filosofie en levenswijze en zeker ook qua arrogantie veel overeenkomsten vertoonden met Diogenes, de Griekse filosoof-in-de-ton. |
|
| Lang haar | |
| De sadhoes laten, evenals Shiva, hun haar in lange verviltende strengen groeien die in een grote knot boven op het hoofd gedragen worden, welke jata genoemd worden. Aan hun jata wordt een magische kracht toegekend, ontleend aan de mythe waarin Shiva de rivier de Ganges de godin Ganga in zijn haarlokken opvangt en zo de kracht breekt waarmee zij anders de aarde zou verwoesten. Hoewel het haar, dat soms langer is dan het lichaam, beschutting en warmte kan verschaffen, wordt het onderhouden en torsen van deze kilo's zware vracht als een duidelijke vorm van ascese opgevat. Tegenover deze langharigen staan zij die al hun haar afscheren. Dit laatste gebeurt ook bij inwijdingen en als teken van rouw bij het overlijden van de leermeester. | ![]() |
| Rama Sharan Puri, een sadhoe die in zijn devotie tot Shiva zijn haar al jarenlang niet meer geknipt heeft. Meestal draagt hij zijn haar in een gedraaide knot boven op zijn hoofd, die hij alleen opent voor speciale gelegenheden en rituelen zoals het nemen van een (heilig) bad of het uitvoeren van religieuze ceremonies. | |
| Vuur | |
| Een eigen vuur, de dhuni, heeft een centrale plaats in het leven van de meeste asceten. Het dient niet alleen als bron van warmte en om op te koken, maar vooral ook om er dagelijks rituelen mee uit te voeren. Daarbij is het vuur zowel object van verering de vuurgod Agni alsook middel tot offerande aan andere goden. Andere asceten onderhouden geen vuur. Zij plegen geen rituelen meer en eten ongekookt voedsel. De asceten die wel een vuur hebben, slapen er altijd dichtbij op een jute lap of op de harde grond, bij grote kou eventueel toegedekt met een dekentje. De vuurloze asceet gebruikt geen doek of deken, maar slaapt soms op bladeren of gras. |
|
| Als krankzinnige | |
| Het bereiken van de status van 'outcast' en het leven in eenzaamheid worden door deze radicale asceet opzettelijk nagestreefd. In oude religieuze geschriften wordt hem ook aangeraden zich als een krankzinnige of dronkeman te gedragen, slecht gezelschap te zoeken, onreine daden te plegen, enzovoort, teneinde door de gevestigde orde verworpen te worden. Als compensatie staat daar tegenover dat het ongestraft overtreden van taboes hem een dienovereenkomstige magische kracht verschaft. | |
| De inwijding | |
![]() |
Vrijwel alle sadhoes behoren tot groeperingen, die óf aan Shiva, óf aan Vishnoe, óf aan een van hun incarnaties gewijd zijn. Bij intrede hierin vindt een inwijdingsceremonie plaats, waarin de aspirant-asceet definitief afstand doet van zijn oude wereldse relaties. Hij mag zijn clan, familie, vrienden en geboorteplaats nooit meer bezoeken. Hij sterft als het ware 'uit' het oude wereldse leven -de initiatie vertoont ook overeenkomsten met de gebruikelijke hindoeïstische overlijdensriten en wordt in een nieuw spiritueel leven herboren. |
| De kaalgeschoren als pasgeboren baby aspirant krijgt een nieuwe naam, een nieuwe identiteit en in de eerste plaats een allesomvattende relatie met zijn guru, de aardse vertegenwoordiger van de godheid. Deze relatie dient in een later stadium uit te groeien tot een directe band met het goddelijke. Zijn nieuwe familie wordt nu gevormd door de andere discipelen van zijn meester, die als broer aangeduid worden, en in wijder verband door alle andere asceten. De leden van eenzelfde groepering zien elkaar geregeld, bijvoorbeeld op de sterfdag van hun leermeester, of op andere belangrijke heiligendagen en religieuze festivals. |
|
| Kumbha Mela | |
| Tijdens dergelijke vaak zeer grote festivals, zoals bijvoorbeeld de Kumbha Mela, waar miljoenen asceten komen, worden belangrijke beslissingen ten aanzien van de organisatie genomen. Verkiezingen van nieuwe leiders en administrateurs vinden bijvoorbeeld plaats, initiaties worden verricht, men doet geloften of beëindigt een boetedoening. Ook worden de laatste nieuwtjes uitgewisseld met leden van andere groeperingen. Hier is ook een wat uitgebreider contact mogelijk met pelgrims en de anders teruggetrokken levende asceten. Zie verder de Kumbha mela pagina. |
|
| Het sterven | |
| De laatste fase in het ascetenleven is het op de juiste wijze sterven. Dit wordt altijd voorgesteld als een bewuste daad van de asceet: hij geeft zijn lichaam op, hij verlaat het stoffelijk omhulsel, hij gaat over, enzovoort. Hoewel het sterven een vreugdevolle overgang naar een goddelijk bestaan is (of dient te zijn), wordt het vervroegd uitstappen door middel van zelfdoding negatief beoordeeld, tenzij daarvoor een gegronde reden is. De heilige moet de levensschool tot de laatste klas blijven volgen, omdat hij alleen in dit aardse leven de unieke kans krijgt om te evolueren. Wie deze gelegenheid niet volledig benut door te weinig inspanning, slecht gedrag of vroegtijdig afhaken, zal in een lagere levensvorm reïncarneren. Een asceet echter die weet binnenkort van ouderdom of door een ongeneeslijke ziekte te zullen sterven, is het wel toegestaan zijn einde te bespoedigen. Dit kan hij doen door de al eerder genoemde Tocht naar het Noorden. Een andere gerespecteerde manier is het kiezen van een plaats, liefst in de jungle, waar de asceet na de gepaste rituele voorbereiding gaat zitten en zich niet meer verroert, niet meer eet of drinkt, en zo zijn lichaam verlaat. Letterlijke zelfopoffering, door bijvoorbeeld verbranding of verdrinking, met als doel bij de goden gunsten af te dwingen voor het volk of een groep asceten, wordt als een positieve daad in de heilige geschriften vermeld, maar schijnt recentelijk in India niet meer voor te komen. Aangezien een asceet zich in zijn leven door boetedoeningen en rituelen voldoende gereinigd heeft, hoeft hij na zijn dood niet gecremeerd - door vuur gereinigd - te worden. Volgens de Hindoe opvatting mag het lijk van een normaal mens Moeder Aarde niet bezoedelen, maar een asceet of heilige mag wel begraven of in een rivier geworpen worden. Dit laatste geldt trouwens ook voor kinderen (die nog niet verontreinigd zijn) en koeien (heilige dieren, nietwaar). |
|
|
Als een dode asceet in de rivier gegooid wordt bij voorkeur de Ganges, of een andere heilige rivier wordt hij er door zijn discipelen of medeasceten heen gedragen, vastgebonden op een stoel zittend en uitgedost alsof hij nog leeft. Bij de waterkant nemen zij met gepaste rituelen afscheid van hem, met een roeiboot brengen zij hem naar het midden van de rivier, en met een zware steen aan de stoel wordt hij overboord geworpen. |
![]() |
| Als een asceet begraven wordt, plaatst men hem in de grafkuil, zittend in meditatiehouding (zie ook Oman voor een prachtige beschrijving van een begrafenisprocessie van 100 jaar geleden). Het woord voor het hoogste stadium van meditatie, de verlichting, is samadhi, wat ook dood betekent. De begraafplaats wordt gemarkeerd met een klein stenen gedenkteken, dat ook 'samadhi' genoemd wordt. Voor devote volgelingen van een heilige kan dit een bedevaartsplaats worden. |
|
| Opmerkingen naar: Dolf Hartsuiker | to top |