Vita Antonii Abba's Iconografie Vuur Antonianen Kunsten Cultus Folklore Plant Dier Literatuur Paulus Hilarion Maria Simeon Adolphus
Nederlands Frans Italiaans Spaans Portugees Koptisch Duits Orthodox Engels Amerikaans Aziatisch
De iconografie van Sint Antonius
1. Tijdperken, 2. Varken, 3. Vuur, 4. Tau & staf, 5. Klok, 6. Duivel & demonen, 7. Boek & snoer, 8. Hoofd & lijf, 9. Relikwieën
1. Tijdperken
Informatieoverdracht; 4e eeuw; 5e eeuw; 6e eeuw; 7e eeuw; 9e eeuw; 11e eeuw; 16e en 17e eeuw; 17 januari.
Antonius heeft in de loop der eeuwen heel wat gedaantewisselingen ondergaan, soms opeenvolgend, maar vaak ook naast elkaar bestaand.
  • Tijdens zijn leven, zoals dat beschreven staat in de Vita en ander bronnen (Historia Lausiaca, Historia Monachorum), was hij een beroemd kluizenaar (haast een contradictio in terminus, maar zo was het), mysticus, genezer, bemiddelaar en wonderdoener.
  • In de eerste paar honderd jaar na zijn dood was hij voor Christelijke kloosterlingen, monniken en kluizenaars het grote voorbeeld. In die mate zelfs, dat hij als de "eerste kluizenaar" ooit werd gepresenteerd.
  • Vanaf de vierde eeuw werd hij ook onder het volk bekend als beschermheilige, en vanaf de zevende eeuw, toen talloze Koptische monniken op de vlucht voor de Islam zich over Europa verspreidden nam zijn reputatie nog verder toe.
  • Na de translatie van zijn botten naar Frankrijk in de 11e eeuw, werd hij vanuit Saint-Antoine over heel Europa al spoedig beroemd als de genezer van het Antoniusvuur en andere (huid)aandoeningen. De Hospitaalbroeders die zich met de genezing bezighielden, waren naar hem vernoemd: de Antonianen. De rol van Antonius als genezer van het Antoniusvuur duurde tot de 16e eeuw, toen de ware fysieke oorzaak van de ziekte werd vastgesteld.
  • Inmiddels had hij al een reputatie opgebouwd als beschermheilige van het vee, in het bijzonder de varkens en de paarden, en bleef hij ook voor de mens zijn rol als bemiddelaar tot God behouden, vooral in geval van ziekte (ter voorkoming of genezing), maar ook voor andere zaken. Vooral in deze gestalte zou hij zeer populair worden.
  • Geleidelijk aan, door de veranderende positie van de Katholieke kerk, is deze positie als beschermheilige afgezwakt, welke na de 'grote ontkerkelijking' van de 60er jaren van de 20ste eeuw versneld afbrokkelde. Over heel Europa vinden nog steeds Antonius vereringen plaats, vooral rond zijn gedenkdag op 17 Januari, en worden dieren nog in zijn naam gezegend, maar het heeft toch een enigszins nostalgische tint gekregen.
Beeld van de Heilige Antonius abt
In dit beeld van de Heilige Antonius Abt zijn vrijwel alle iconografische attributen die kenmerkend voor hem zijn, terug te vinden. Het beeld werd in 1640 vervaardigd voor de St.-Pauluskerk in Opwijk (Brabant, België) door de Mechelse kunstenaar Antoon Faydherbe.

Naast hem staat zijn trouwe metgezel en assistent, het varken, die in een vrijwel geen enkele sculptuur van hem ontbreekt.

Hij is hier gekleed in het ordekleed van de Antonianen, de monnikenorde die naar hem genoemd is, hoewel daarop het blauwe T-embleem lijk429t te ontbreken.

In zijn rechterhand houdt hij de T-gebedsstaf met daaraan zijn klokje.

Hij houdt een boek onder de linkerarm, meestal gesloten, soms open.

Daarbij heeft hij een gebedsnoer, dat hem kenmerkt als Man van het Gebed.

De opkrullende vuurtong voor zijn rechtervoet verwijst o.a. naar zijn functie als Brenger van het Licht en in verder verband, naar het Antoniusvuur.

Normaliter is zijn baard in tweeën gesplitst, wat hier niet zo duidelijk te zien is, en is hij kalend met dotjes haar boven de oren en midden op het hoofd.

Op zijn hoofd het hem typerende hoofddeksel, een soort 'kalot' en daarachter een aureool.

Een attribuut dat hier ontbreekt, is een demon die hij, als exorcist, onder zijn voeten vertrapt.

Informatieoverdracht betreffende iconografie en eigenschappen van Antonius
Een belangrijke vraag is natuurlijk, of sommige van deze attributen samen met hem, of beter samen met het verhaal over hem, de Vita Antonii van Athanasius, en samen met zijn relieken uit Egypte zijn gekomen, of dat deze zich later in Europa rond hem verzameld hebben.
En eigenlijk weet niemand precies hoe zijn iconografische kenmerken tot stand zijn gekomen. Er zijn geen verslagen van bijvoorbeeld een commissie van wijze mannen die beslist hebben hoe Antonius er moest uitzien.
Er zijn wel "geschied-schrijvers", zoals Aymar Falco, de officiële historiograaf van de Orde van Antonianen uit de 16e eeuw, die verklaringen hebben gegeven voor uiterlijk en andere gegevens betreffende Antonius, maar bij nader onderzoek blijken dat toch alleen maar legendes (zo niet mythen) te zijn.
Dit soort verklaringen — zeker die van Falco — dienden vaak om de belangrijkheid van de eigen orde te benadrukken of gestalte te geven.
Er zijn dus meerdere, uiteenlopende, soms nogal fantasierijke verklaringen voor de attributen van Antonius. Maar niemand kan claimen hierover het laatste woord gesproken te hebben.
Wat zijn uiterlijk en zijn kleding betreft, geeft de afbeelding links de meest getrouwe indruk. Kluizenaars uit die tijd en op die plaats zullen er vooral uitgezien hebben als Paulus van Thebe (de figuur links), gekleed in een zelf-gevlochten mantel, met onverzorgd haar en baard.
Kluizenaar Paulus (links) ontvangt collega Antonius op bezoek. De raaf met broodje komt aanvliegen.
Antonius in de vlammen, met bel, staf, boek en varken; Sebastianus met boog en pijlen.
Op Antonius-vorsers die niet willen uitsluiten dat vrijwel alle attributen van Antonius, misschien zelfs ook het varken, uit Egypte afkomstig zijn, rust natuurlijk wel de plicht om aan te geven hoe die informatieoverdracht plaatsgevonden zou kunnen hebben.
Een interessant aspect hierbij is zeker zijn transformatie van kluizenaar en asceet tot beschermheilige van het vee en genezer van dieren en mensen.
4e eeuw
De Vita Antonii van Athanasius zelf geeft zeer weinig uiterlijke kenmerken over Antonius; eigenlijk alleen wat betreft zijn fysieke uiterlijk en iets over zijn kleding van dierenhuiden (zie mantel). Maar Athanasius is zelf in Rome geweest, van 339 tot 346, vergezeld van twee Egyptische monniken. En we mogen aannemen dat deze monniken min of meer gekleed waren als Antonius, hun grote voorbeeld. Of dat anders Athanasius in mondelinge overdrachten uiterlijke beschrijvingen gegeven zou kunnen hebben. In ieder geval hoorde men toen in Rome voor het eerst over Antonius, de 'eerste' kluizenaar, en Pachomius de organisator van de 'eerste' kloosters.

Gibbon zegt er het volgende over :
Athanasius introduceerde in Rome de kennis en praktijk van het kloosterleven, en er werd door de discipelen van Antonius, die hun primaat naar de heilige drempel van het Vaticaan hadden begeleid, een school geopend waar deze nieuwe filosofie werd onderwezen.
Het wonderlijke en verwilderde uiterlijk van deze Egyptenaren wekte aanvankelijk afschuw en minachting, en ten slotte toejuichingen en ijverige navolging. De senatoren, en vooral de vrouwen op leeftijd, veranderden hun paleizen en villa's in godshuizen, en het bescheiden instituut van zes Vestaalse maagden werd overschaduwd door de grote aantallen kloosters die men op de ruïnes van antieke tempels en midden op het Forum van Rome bouwde.

Dit weten we uit de brieven van Hiëronymus (nr. 127 uit het jaar 412), de auteur van de Vita Pauli over Paulus van Thebe en de Vita van Hilarion, twee 'woestijnvaders' die beide in relatie stonden tot Antonius. Hiëronymus, die de Egyptische situatie uit eigen waarneming kende, heeft zelf verder ook het nodige gedaan om de levenswijze — en wellicht het uiterlijk en attributen — van Antonius te propageren.
Athanasius is verder nog in Milaan (342) en Gallië (343) geweest, waar hij natuurlijk ook contacten had met de Christelijke asceten en monniken aldaar, en in het noorden van Griekenland, en tenslotte nog in Trier tijdens een verbanning in verband met de Ariaanse kwestie.
Dit zou ook het moment geweest zijn waarop de klok in de Christelijke kerk geïntroduceerd werd, aanvankelijk als attribuut van Antonius, dat met hem meekwam uit Egypte, en dat later een eigen plaats in de liturgie en in de kerktorens zou gaan innemen.
Over de verbanning van Athanasius in Trier (en de invloed hiervan op Augustinus), zegt Kötting :

Reeds 25 jaar na de dood van Antonius was de biografie van de monnikenvader al bekend in Trier. Dat is niet zo verbazend, als je bedenkt dat de auteur Athanasius daar een lange tijd in verbanning leefde; het was echter eerder verbazend, dat deze zo spoedig in het Latijn werd vertaald.
Een landgenoot van de heilige Augustinus, die een keizerlijk ambtenaar was, zag het in de Moeselstad en sprak erover in Milaan. Augustinus geeft toe dat hij zeer geïmponeerd was en dat de biografie een grote invloed op zijn eigen ontwikkeling uitgeoefend had — hij was op dat ogenblik 30 jaar oud.

Dit lijkt een wat onderkoelde weergave van de feiten. Want het lijkt erop dat de Vita van Antonius een enorme impact gehad heeft. Zo kwam ik in een literaire bron de volgende beweringen tegen (in mijn samenvatting):

Er waren Romeinse officieren in Trier die toevallig het leven van Antonius hadden gelezen en hun dienst bij de keizer opzegden om voortaan in eenzaamheid en versterving te leven. Dit had natuurlijk veel opschudding verwekt.

Deze "Romeinse officieren" waren niet zozeer militairen, maar koeriers en inspecteurs; wel "gewoon volk" dus, in ieder geval, en geen religiosi! Dit gebeuren — en niet alleen dus de Vita — had ook op Augustinus enorme invloed . Hij streefde er zo’n beetje wel namelijk wel naar het religieuze leven:

Hij kon van geen vrouw afstand doen. Dus toen hij hoorde dat doodgewone soldaten [nogmaals,dit waren geen militairen] aan alles vaarwel zegden ter wille van God, moet hij zich om zijn eigen lafheid hebben veracht. Hoewel hij ervan gedroomd had carrière te maken en een van Milaans rijkste erfdochters te trouwen, liet hij zich dopen door Ambrosius en vertrok hij naar Hippo in Noord-Afrika waar hij door het volk tot priester werd gekozen en waar hij zijn kloostergemeenschap (met zijn beroemde regels) stichtte.

Zie ook op deze site wat Augustinus er zelf over zegt in zijn Belijdenissen. Dit was in het jaar 386.

Dit alles vond plaats tegen de achtergrond van de strijd tussen de arianen en de katholieken (zie op mijn site ook), welke uiteindelijk werd beslist ten voordele van de laatsten. Dit geeft wel aan wat een enorme invloed Athanasius heeft gehad op de ontwikkelingen in de vroegchristelijke kerk.
En zoals blijkt heeft ook de Vita van Antonius hierbij een belangrijke rol gespeeld.

En wat de Lage Landen betreft, volgens de legende in Altweert woonde er vóór het jaar 400 al een volgeling van Antonius Abt als kluizenaar op de plaats waar later de Antoniuskapel verrees. Vanwege de heiligheid van deze heremiet zou Altweert toen al een bedevaartplaats zijn geweest.

5e eeuw
We moeten ook niet vergeten dat er in die dagen zeer veel gereisd werd, veel meer dan we geneigd zijn te denken, en zeker ook door monniken tussen diverse centra van het geloof. Er werd gereisd van Zuid naar Noord, en vice versa.
Zo schrijft Hiëronymus in het jaar 403 (brief 107) "We verwelkomen dagelijks menigten van monniken uit India, uit Perzië, uit Ethiopië." Ook uit andere bronnen, zoals de Historia Lausiaca en Historia Monachorum krijgen we de indruk van een enorme 'wanderlust' bij de monniken. Deze hield eeuwenlang aan en werd alleen van tijd tot tijd onmogelijke gemaakt door politieke strubbelingen. Deze monniken, bijvoorbeeld de Egyptische of Koptische — de navolgers van Antonius — waren gekleed in hun 'nationale' kostuum, en kunnen zo visuele informatie verstrekt hebben over het uiterlijk en attributen van Antonius.
Nog een belangrijk voorbeeld van reizende monniken is Cassianus die leefde van ca. 360-435. Hij is een Romein van geboorte en spreekt zowel Grieks als Latijn. Als jongeman trekt hij in ± 380 samen met een vriend naar het Heilig Land. Daar horen ze van de woestijnmonniken en na enkele jaren sluiten ze zich bij een kluizenaarsgemeenschap in Egypte aan. Na jaren in eenzaamheid en meditatie te hebben geleefd, brengt juist het gedachtegoed van woestijnvaders zoals Antonius hem terug naar de bewoonde wereld. Via Constantinopel, het huidige Istanbul, reist hij in 404 naar Rome. Rond 415 gaat hij naar Marseille waar hij een mannen- en een vrouwenklooster sticht. Daar draagt hij zijn inzichten en ervaringen over aan de monniken die zich rond hem verzamelen. En bij die mondelinge overdracht zit ingetwijfeld ook informatie over het uiterlijk van Antonius, die hij weliswaar niet persoonlijk gekend heeft, maar die toen al een levende legende was. Hij schrijft daar (426-428) ook het boek 'Institutiones coenobiales' (='Instellingen') waarin hij de gewoonten en tradities van de woestijnvaders beschrijft, waaronder enkele paragrafen over hun kleding. En hij schrijft het boek 'Collationes Patrum' (= 'Gesprekken') dat zijn gesprekken met woestijnvaders bevat.
In die tijd, toen de kerstening in het Romeinse Rijk net op gang kwam, was orale overdracht van informatie veel belangrijker nog dan overdracht via manuscripten, die — het woord zegt het al — met de hand geschreven werden. De summiere beschrijvingen in de manuscripten werden dan ook aangevuld met of overvleugeld door mondeling overgedragen verhalen.
Dat daarmee onder de heidenen in de vertellingen vermengingen plaats vonden tussen de Christelijke kluizenaars en lokale 'magiërs' is dan niet zo verwonderlijk.
Naast deze mondelinge overdracht was er toch ook wel degelijk een visuele informatie stroom.
Een zeer bijzonder toepasselijk voorbeeld hiervan zien we bij het ivoren reliëf (links) uit het Constantinopel van de 5e eeuw dat de translatie van relieken (w.s. de hand van St. Steven) voorstelt. Deze relieken worden vervoerd in een fraai versierd kistje zo te zien en dat zou dan voorstellingen kunnen bevatten (zie ook mijn argument hieronder, bij de 7e eeuw).
Translatie van een reliekschrijn, 5e eeuw, Constantinopel. Uit de Domschat van Trier.
6e eeuw
Er is een verwijzing naar Antonius in de 6e eeuw, zij het slechts in een historische roman, maar dan wel één die ongetwijfeld op gedegen research gebaseerd is. In het boek "Count Belisarius" van Robert Graves, staat in hoofdstuk 16: "Het was de feestdag van St. Antonius ... en hij wachtte op de markt tot Belisarius langs kwam rijden op weg om de mis bij te wonen in de kerk van St. Antonius." Dit was in Rome, tijdens de regeringsperiode van Justinianus, in het jaar 538. Jammer wel dat er niets meer beschreven is over de feestdag.
Een zeer direkte vorm van overdracht (en vastlegging) van uiterlijk kenmerken, blijkt uit dit citaat van Kötting :

In zijn [Antonius'] biografie worden de verzoekingen door demonen, die vooral in verlaten graven en rotskloven leefden, vaak vermeld. Dat vond een vroege figuratieve expressie, b.v. in de 6de eeuw in het voorportaal van de Maria Antiqua kerk in Rome.

7e eeuw
Meestal waren het individuele monniken die rondtrokken, maar soms ook vond er een ware emigratie van groepen monniken plaats, zoals die van de Koptische monniken in de 7e eeuw, zoals Noordeloos aanhaalt. In dit artikel beschrijft hij een wel zeer plausibele en zeer directe manier van overdracht aan tussen de Koptische monniken en die in het Westen.

Voor de Egyptische import is eveneens een plausibele verklaring te vinden. In de 7e eeuw werden tal van Christen monniken uit het oosten verdreven. Engeland vroeg er om en Ierland, overdekt met kloosters, beroemd door hun scholen, moet op hen een onweerstaanbare aantrekkingskracht hebben uitgeoefend. Zo zijn de Egyptische monniken naar Ierland gekomen... En deze kunnen hun westerse broeders opnieuw begeesterd hebben door de zeer aanschouwelijke voorstelling die zij konden geven van het leven der woestijnvaders.
Aldus brachten zij de devotie tot S. Antonius tot nieuw leven. Inderdaad kunnen verschillende voorstellingen onder hun invloed direct of indirect tot stand zijn gekomen.

In zijn voorbeeld betreft het dan wel Ierland in de 7e eeuw, maar we moeten ervanuit gaan dat deze Koptische monniken ook naar andere delen van Europa — en ook in andere perioden — uitzwermden. Er werd in die dagen zeer veel gereisd, moeten we niet vergeten. Zo is er ook in Sardinië (Castelsardo) een overlevering dat Koptische monniken daar in de 7e eeuw het mandenvlechten introduceerden.
Deze "Egyptische import" wordt door Noordeloos aangevoerd om te kunnen verklaren dat er al "in de 7e eeuw" in Engeland, Schotland en Ierland afbeeldingen van Antonius en Paulus te vinden zijn, vooral die van de ontmoeting tussen Antonius en Paulus, waarbij ze samen het brood breken. [Zie voor deze scène, op mijn site, de pagina over Paulus van Thebe.]

Gibbon zegt hier het volgende over :
De leerlingen van Antonius verspreidden zich tot over de keerkring, voorbij het christelijke rijk Ethiopië. Het klooster van Banchor, in Flintshire, waar meer dan tweeduizend broeders woonden, stichtte een grote kolonie onder de barbaren in Ierland, en lona, een van de Hebriden, dat door de Ierse monniken was gekoloniseerd, verspreidde over de noordelijke streken een zwak straaltje van kennis en geloof.

Te Ruthwell, in Annandale, ongeveer acht mijl van Dumfries (Schotland) staat een groot zandstenen kruis.
Destijds stond het in de kerk van Ruthwell, maar ingevolge een order van het parlement, dat op 27 Juli 1642 te Andrews bijeenkwam, werd het monument daaruit verwijderd als een voorwerp van afgoderij. Hierbij heeft het veel geleden, maar thans staat het, gereconstrueerd, weer in de kerk als een historisch monument van de eerste rang.
Op een der panelen van de noordzijde van dat kruis zien wij uitgebeeld twee mannen die een rond voorwerp vasthouden. De voorstelling kan niet verkeerd worden verstaan, aangezien het randschrift vermeldt: Scs Paulus et Antonius fregerunt panem in deserto.

Hier is dus het moment vastgelegd dat Antonius en Paulus het brood vastgrijpen om het te breken.
Er is veel discussie over de ouderdom van dit kruis, maar Noordeloos houdt het op de 7e eeuw.
En in Nigg, nog een stuk noordelijker in Schotland, is dezelfde situatie — de raaf die het brood brengt voor Antonius en Paulus — in een steen gebeiteld boven een Pictisch kruis. Deze sculptuur dateert uit dezelfde periode, de 7e / 8e eeuw.
Deze beeltenissen van Antonius en Paulus in Ruthwel en Nigg zijn, voor zover mij bekend, de oudste ooit.
Voor nu verwijs ik naar de afgietsels van deze beelden in het Victoria eand Albert Museum, op mijn site.
9e eeuw
Een citaat van Kötting (ook te vinden op *):

Antonius was ... geen onbekende toen in de tijd van Karel de Grote de eerste relieken van zijn naar verluidt gevonden graf in het avondland opdoken. De vroegste getuigenis van deze verering stamt van bisschop Luitbert von Münster, die in het jaar 861 aan de Stift van Freckenhorst de relieken van de heilige schonk.

Zoals hierboven en -onder beargumenteerd wordt, is het haast vanzelfsprekend dat bij een dergelijke translatie informatie — ook uiterlijke — wordt overgedragen.
Inmiddels lijkt in de 9e eeuw trouwens de transformatie van Antonius van van kluizenaar en asceet tot beschermheilige van het vee en genezer van dieren en mensen te hebben plaatsgevonden. Of in ieder zou hij in deze tweede gedaante naaste de eerdere te hebben aangenomen.
Het bewijs hiervoor is nu nog betrekkelijk mager: ik kwam in een historische roman (die evenzogoed wel onderbouwd is met geschiedkundig onderzoek) van Donna Cross over Pausin Johanna, die van 853 tot 855 paus was, het volgende tegen:

Op de feestdag van de heilige Antonius stond zij voor de kathedraal Sancta Maria Maggiore en sprenkelde heilig water over de ossen, paarden en ezels die door hun eigenaren waren gebracht om gezegend te worden.

Afgezien van de eventuele historiciteit van de Pausin (wat door velen wordt betwijfeld) zal ik proberen bewijs voor deze Antoniusviering en Antonius-gestalte, dichter bij de bron, te vinden.

Pausin Johanna
11e eeuw
Wat de informatieoverdracht in latere tijden betreft, is het mijns inziens goed voorstelbaar dat Egyptische voorstellingen met de botten van Antonius (of die daar voor door gingen) in de 11e eeuw vanuit Constantinopel mee zijn gekomen. (Zie ook translatie.)
We moeten toch aannemen dat zijn relieken niet in een gewoon kistje zaten (zie ook hierboven, bij de 5e eeuw), maar in een fraai versierde reliekschrijn, van welke de versierselen informatie bevat kunnen hebben over zijn verschijning en attributen , plus nog vergezeld door mondelinge overdracht door de 'transporteurs' van de bijbehorende verhalen over zijn levenswijze of die van de Koptische monniken van dat moment, en/of de Koptische tradities in het algemeen, etc. Net als bij latere relieken is de verpakking juist belangrijk om de gelovigen te overtuigen van de echtheid van de inhoud.
De schrijn zal dus zeker geleken kunnen hebben op die te Saint-Antoine-l'Abbaye (rechts boven), waarin een deel van zijn botten nu rusten, en die in zilver reliëf voorstellingen presenteert uit het leven van Antonius, en daarbij ook enige attributen afbeeldt.
16e en 17e eeuw
Er is overigens ook informatieoverdracht de andere kant op, bijvoorbeeld van Europa naar Egypte, geweest.
Zo werd ik tijdens een rondleiding in de Basiliek van Saint-Antoine gewezen op een Koptisch icoon van Antonius waarop hij met zijn staf een varkentje in bedwang houdt. Dit icoon was in 1765 vervaardigd en de voorstelling zou moeten demonstreren dat de Kopten het varken als onrein dier zouden zien, eigenlijk als 'personificatie' van de duivel, en dat deze opvatting door Europa zou zijn overgenomen. Maar na enig doorvragen bleek dat er in de 16e en 17e eeuw Koptische monniken in Saint-Antoine waren geweest! Dus de voorstelling was waarschijnlijk juist door Europese opvattingen geïnspireerd.
En tenslotte waren er ook Europese monniken die weer de koptische klossters, en dan in het bijzonder die van Antonius en Paulus, bezochten.
17 januari
Dat de jaardag van Antonius midden in de winter valt, zou te maken kunnen hebben — zoals ik op mijn pagina over het varken verder uitwerk — met het offeren of ritueel slachten van het zwijn of varken, oorspronkelijk voor Frey of Freya, later het feestvarken voor de gemeenschap, vooral voor de armen. Maar waarom dat nu precies op de 17e januari plaats vindt is een nog niet geheel opgehelderde kwestie.
Een eerste verklaring gaat ervan uit dat Antonius op de 17e januari gestorven is, wat dan evenzogoed als een geboortedag wordt gezien, want hij wordt dan immers in de hemel geboren.
Zo zien we in Butler's Leven van de Kerkvaders bermeld staan [Quote 11]:

Zijn dood vond plaats in het jaar 355, waarschijnlijk op 17 januari, een datum die door de oudste Lijsten van Martelaren aangehouden wordt, en die spoedig na zijn dood in het Griekse rijk als heilige dag gevierd werd.

Deze bepaling van de Antonius-herdenking op 17 januari is dus al zeer oud. Volgens andere bronnen overigens, heeft de heilige Euthymius, abt in Palestina, in de 5e eeuw deze datum vastgesteld. Later komt deze feestdag van Antonius in een heiligenkalender voor, die oorspronkelijk te Auxerre tussen 592 en 600 opgesteld zou zijn, dat wil zeggen op het moment van de eerste grote kersteningsgolf van het Keltische heidendom.
Een andere verklaring gaat uit van de inventie, de ontdekking, van het graf van Antonius in het jaar 561 en daarna de translatie, de overbrenging, van zijn relieken naar Alexandrië en vervolgens naar Constantinopel, gebeurtenis(sen) (maar welke hiervan?) die op 17 januari plaatsgevonden zou(den) hebben.
Als we ervan uit gaan dat deze gegevens juist zijn dan is een relatie met het offeren van zwijn of varken niet aan de orde.
Philippe Walter gaat ervan uit dat deze gegevens kloppen, maar stelt dat er hier sprake is van een samenhang met het carnaval, een oeroud volksfeest nietwaar, dat vlak na de dag van Antonius wordt gehouden.

Maar dat lijkt mij nogal vergezocht. Evenals de connectie die hij verder nog legt met de sterrenbeelden Boogschutter (Sagitarius) en Steenbok (Capricornus), heersers van de zodiak in die winterse maanden. Zowel het carnaval als de genoemde wezens — half man, half dier, zoals de centaur die Antonius ontmoet in het verhaal van Paulus van Thebe — zouden symbolisch verband houden met de functie van Antonius als psychopomp, een bemiddelaar tussen het aardse en het hemelse.
De verwijzing naar het carnaval is in zoverre ook geen oplossing omdat dat de vraag verschuift naar waarom het carnaval nou juist op die dag(en) plaatsvindt. Bovendien moet je er dan vanuit gaan dat het carnaval in de 5e eeuw in Palestina gevierd werd, wat mij onwaarschijnlijk lijkt.
Zoals over zoveel kenmerken en attributen van Antonius is hierover dus nog geen duidelijke oplossing.
In de Oosters Orthodoxe en Koptische kerken wordt zijn jaardag trouwens op 30 Januari (22 Touba van de Koptische kalender) gehouden.

Voor hedendaagse gebruiken op 17 januari, zie pagina.

Heeft u informatie over Antonius Abt, of vragen, neem dan contact op met mij: Dolf Hartsuiker