![]() |
|
| Antonius in de kunst | Beeldende kunst Beeldende kunst |
| Toneel La tentation de Saint Antoine. Flaubert. |
Muziek Een mis voor Antonius. Dufay. Exsultate, jubilate. Mozart. St Anthony Chorale - Variations on a Theme by Haydn. Brahms Die Versuchung des heiligen Antonius. Egk. The Temptation of Saint Anthony. Anthony Vine. |
| Literatuur St. Anthony and his Pig. Forrest. Italiaanse Reis. Goethe. Sint-Theunis. Guy de Maupassant. Het Eiland der Pinguïns. Anatole France. Een moderne Antonius. Vestdijk. Mieke Maaike's o/øscene jeugd. Louis Paul Boon. Merlijn. Michel Rio. Le Roman de Saint-Antoine. Ganachaud. Voor een kluizenaar. Hein Stufkens. |
Opera De Grote Verzoeking van Sint-Antonius. De Meester. The Temptation of Saint Anthony. Reagon & Wilson. La Tentación de San Antonio. Cortez. |
| Film La Tentation de Saint Antoine. Georges Melies |
|
| Antonianen in de kunst | Literatuur Decamerone. Boccaccio. Divina comedia, paradijs. Dante. |
| Beeldende kunsten |
| Het overzicht van kunsten en thema's hieronder heb ik in een soort tijdsverloop weergegeven, hoewel de verschillende kunsten elkaar natuurlijk zijn blijven overlappen. | |
![]() |
De beeldhouwkunst is waarschijnlijk ouder dan de grafische en deze is weer ouder dan de schilderkunst. Thematisch gezien is geleidelijk een verschuiving van:
De eerste groep thema's (tot de Bezoekingen) zien we natuurlijk vooral in religieuze context; de laatste groep vooral in seculiere context, en de Verzoekingen eigenlijk alleen in een 'wereldse' omgeving. Geleidelijk gaan de laatste twee thema's overheersen. |
| De oudste ons bekende afbeelding van Antonius, samen met Paulus; een reliëf op een zandstenen kruis te Ruthwell (Schotland) uit de 7e eeuw. | |
| De andere kunsten |
| Voor literatuur, poëzie, toneel, opera en film, geldt eigenlijk dezelfde observatie die ik hier t.a.v. beeldende kunst maak. Ook in deze kunstvormen is namelijk thematisch gezien een verschuiving merkbaar van vrome hagiografie (beginnend natuurlijk met de Vita door Athanasius), tot stichtelijke voorbeelden in kloosterwerken, en later vanaf de 19e eeuw de kritische en sarcastische tot cynische kunstproducten. Dit zien we ook in de beschrijving van de Antonianen: die worden van meet af aan met ironie en cynisme bekeken. In de muziek doet zich dit verschijnsel overigens niet voor: die blijft devotioneel, lyrisch, poëtisch. |
| Thema's | Beeldhouwkunst & Grafische kunst & Schilderkunst |
|
In de beeldhouwkunst zien we globaal de volgende thema's:
In de grafische kunst (illustraties en illuminaties) zien we ongeveer dezelfde thema's:
In de schilderkunst (schilderijen en glas-in-lood ramen) zien we globaal de volgende thema's:
Zie voor deze thema's vooral ook mijn pagina over het Louvre. |
![]() |
Illuminatie uit een Getijdenboek, 1488, uit Avignon. |
| Aangezien op zo veel pagina's op deze site al beeldende kunst voorkomt, zal ik hier niet zoveel tonen. Maar zie bijvoorbeeld de pagina's van de "losse" beelden in Frankrijk (A-C; D-L; M-R; S-S; T-Z), het Louvre, en andere Parijse en Franse musea (A-L en M-Z) en de losse beelden in België (A-B; C-G; H-L; M-O; P-S; T-Z). Ook is er een aparte pagina voor de Illuminaties in Middeleeuwse Handschriften. |
| Portret | Beeldhouwkunst & Grafische kunst & Schilderkunst |
|
Van de Heilige Antonius zijn portretten geschilderd (hoewel niemand natuurlijk wist hoe hij precies eruit gezien heeft) door vrijwel alle belangrijke schilders van de afgelopen eeuwen. |
![]() |
| Wat betreft de andere iconografische attributen, zijn er niet zulke duidelijk verschillen tussen de diverse media. Varkentje, klokje, T-staf, T-embleem, boek, bidsnoer, haar, baard, monnikskap, en monnikspij komen alle daarin voor. | |
| De vraag is natuurlijk waar deze iconografische accentverschillen op duiden. In de eerste plaats zal het een praktisch karakter hebben: de schilderkunst maakt verfijnder weergave mogelijk wat de herkenning van de persoon vergemakkelijkt, terwijl daarentegen het grovere en beperkter medium van de toegepaste kunst een duidelijker symboliek noodzakelijk maakt, een soort emblematisch weergave. In de tweede plaats echter, zou het ook op een inhoudelijk verschuiving kunnen duiden: de schilderkunst is in het algemeen van later datum dan de toegepaste kunst, dus het zou kunnen zijn dat bepaalde aspecten van Antonius in die latere periode belangrijker werden geacht. Duidelijk is wel dat er zo twee naast elkaar staande beeldende tradities zijn ontstaan. |
|
| Daarbij valt nog op te merken dat de makers van de schilderijen meestal wel met name bekend zijn, terwijl de makers van de sculpturen veelal anoniem zijn. En tenslotte: de beelden zijn devotionele objecten (zie hieronder "afgodsbeelden") |
| Scènes uit zijn leven | Schilderkunst & Grafische kunst & Reliëfs |
| Scènes met Paulus van Thebe | Schilderkunst & Grafische kunst & Reliëfs |
| Naast deze verzoekingen zijn er ook andere gebeurtenissen uit het leven van Antonius die tot de verbeelding spraken, zoals zijn ontmoeting met de kluizenaar Paulus, van wie beweerd werd dat hij nog eerder dan Antonius voor een leven in de woestijn gekozen had. Het wonder van een vogel die elke dag voor Paulus een half brood kwam brengen, en nog groter wonder dat deze vogel op deze dag opeens een heel brood kwam brengen, voor Paulus en Antonius, is ook herhaaldelijk door kunstenaars verbeeld. En zoals we hierboven bij het reliëf van Ruthwell zagen, is deze voorstelling al heel vroeg populair. |
![]() |
| Paulus en Antonius breken het brood; van een onbekende Vlaming, Louvre, Parijs. |
| Andere favoriete afbeeldingen zijn Antonius op weg naar Paulus toe door de woestijn, het zien van opstijgen van de ziel van Paulus, de begrafenis met assistentie van de twee leeuwen. |
| Met de Heilige Familie en/of andere heiligen | Schilderkunst & Grafische kunst |
![]() |
|
| Antonius bij de Aanbidding door de Drie Magiërs van het Jezus-Kind. ± 1400; J. Paul Getty Museum. Antonius heeft een zeer fraaie T-staf en mooi klokje; zijn varkentje springt leuk naar hem op. |
![]() |
De heilige met wie Antonius het meest wordt afgebeeld is de heilige perlgrim Rochus, ongetwijfeld omdat deze ook een pestheilige is. Ook de martelaren Sebastanus en Laurentius zijn vaak in zijn gezelschap. Maar de afbeeldingen met Maria en Jezuskind zijn in deze categorie misschien wel het meest frequent. |
| Antonius Sebastanus en Rochus. ca.1510-1515; Maestro di Tavarnelle; Museo di Arte Sacra, San Casciano Val di Pesa. |
| De Bezoekingen | Schilderkunst & Grafische kunst & Reliëfs |
| De schilderijen die als "Verzoekingen" getiteld zijn, vertonen toch meestal duidelijk te onderscheiden Verzoekingen (door wellustige vrouwen, goud, spijzen, bezit, etc,) en Bezoekingen (door monsters, duiveltjes en demonen). Hoewel beide types dus in de regel als 'Verzoekingen" worden aangeduid lijkt het mij zeer zinvol om tussen deze twee zeer uiteenlopende manifestaties van de duivel een duidelijk onderscheid te maken. |
| De Bezoekingen verschaften de mogelijkheid allerlei 'eigentijdse" angstvisioenen weer te geven. Hierbij denken we natuurlijk vooral aan Jeroen Bosch, die ook vaak andere mogelijkheden aangreep om duivels, plaaggeesten en hellepoorten te schilderen. De picturale invulling van de Bezoekingen werd meer bepaald door de tijdgeest in combinatie met de persoonlijke preoccupatie van de kunstenaar dan door een reconstructie van de ervaringen van Antonius zelf, als zoiets al mogelijk zou zijn aan de hand van de summiere gegevens die uit zijn levensbeschrijving naar voren komen. |
![]() |
| Tentazione di Sant'Antonio Abate, (1645) Salvator Rosa, Galleria Palatina di Palazzo Pitti, Firenze. | |
| In tegenstelling tot de duivels en demonen in de sculptuur, zijn de duiveltjes en demonen in de schilderkunst of de grafische kunst vrijwel altijd actief, met pesten of 'verleiden', met trekken en sjorren aan Antonius, of elders drukte makend in de ruimte rondom. In grafische afbeeldingen komen beide voorstellingen voor, zowel de actieve als de onderworpen duiveltjes en demonen. | |
| De Verzoekingen | Schilderkunst |
| Kunstenaars en niet alleen de beeldende kunstenaars hebben zich sinds de Renaissance in toenemende mate laten inspireren door de 'Verzoekingen' van de Heilige Antonius door wulpse dames. Op veel pagina's op deze site zijn daarvan vele voorbeelden te zien. Dit thema in de populaire verbeelding waarschijnlijk het meest beeldbepalend. |
|
![]() |
Enigszins cynisch geredeneerd (maar daarom niet minder waar) gaven deze Verzoekingen de kunstenaars de kans zich eens uit te leven in onderwerpen en beelden die normaliter door de Kerk verboden waren, hoewel ze zich ook dan niet alles konden veroorloven. Het aantrekkelijke van deze Verzoekingen wordt prachtig weergegeven in een passage uit het toneelstuk De Verzoeking van de Heilige Antonius van Flaubert, waarin de leerling van Antonius hem verwijt:
|
| De Verzoeking van de Heilige Antonius, 1552, Veronese. | |
| Deze stijl van schilderen en thematiek heeft zeker ook klassieke, "Griekse". antecedenten, hoewel deze afbeeldingen in de ogen van Antonius en tijdgenoten ongetwijfeld als "heidens" betiteld zouden zijn. | |
| Afgodsbeelden |
| Om nog even terug te komen op de vrijstaande beelden van Antonius. We moeten ons daarbij realiseren dat de beelden (i.t.t. tot de schilderijen) ook vereerd of zelfs aanbeden werden, dat de gelovige geen onderscheid meer maakte tussen beeld en datgene wat dat vertegenwoordigde. In de loop van de geschiedenis was dat niet altijd even aceptabel. Gibbon
|
|
![]() |
Maar dat veranderde in de loop der tijden, en:
|
| Hedendaagse "afgoderij" in Lézat-sur-Lèze; het Antoniusbeeld bij de bron vereerd als geneeskrachtig bij kinderziektes. | |
En een aspect dat mijn speciale belangstelling heeft, omdat het enigszins zou kunnen aangeven hoe in ieder geval picturaal Antonius naar een Germaanse of Keltische godheid gemodelleerd zou kunnen zijn, wordt door Gibbon als volgt verwoordt:
Maar de beeldenstormers deden al in de 8ste eeuw van zich spreken, aangevoerd door Keizer Leo de Iconoclast.
|
|
|
Tijdens het bewind van zijn zoon echter werd de verering van beelden ... triomfantelijk heringevoerd.
Het lijkt haast een wonder dat er nog beelden over zijn. |
|
| Het drieluik van Jeroen Bosch |
![]() |
|
Hiëronymus Bosch 1500, Museu Nacional de Arte Antiga, Lissabon, Portugal. |
| Toneel |
| In mijn citaten uit het toneelstuk zal ik voornamelijk gebruik maken van citaten uit de vertaling van Van Pinxteren, maar zo nu en dan ter vergelijking citaten uit Couperus tonen. Het toneelstuk zou dus al geen succes hebben kunnen zijn vanwege het 'obscure' onderwerp of in ieder geval de onbekende personages, en op de koningin van Sheba na, ook onaantrekkelijke personages, maar er is bovendien ook vrijwel geen actie, alleen dialoog of zelfs veel monoloog. Maar gezien de spotprent uit 1896, waarin een soort commerciële samenzwering wordt afgebeeld tussen de uitgevers en Couperus, scheen men daar destijds anders over te denken. |
![]() |
| Spotprent van Marius Bauer op Couperus' Flaubert-bewerking in De Kroniek van 1896: "Flaubert's Verzoeking van den Heiligen Antonius, door Couperus in het Hollandsch vertoond." (vrij naar Teniers) |
| Een belangrijke tweede rol in het toneelstuk wordt ingenomen door Hilarion, een discipel van Antonius, die in de dialogen prachtig weerwoord geeft. Hilarion wordt door Athanasius in de Vita overigens niet genoemd, maar hij noemt daarin sowieso weinig namen van anderen. Voor Hilarion moeten we zijn bij de Vita die Hiëronymus over hem geschreven heeft. En dan blijkt dat Hilarion slechts een paar maanden bij Antonius in de leer is geweest, hoewel ze later ook correspondeerden. Uit het toneelstuk zou je haast de indruk krijgen dat Hilarion zijn hele leven bij Antonius heeft doorgebracht.
In tegenstelling tot veel van de kunstenaars die op de pagina's in mijn site aan de orde komen, en er in het algemeen een nogal beperkte (Christelijke, Middeleeuwse) zienswijze op na houden, zien we in het toneelstuk veel helden en goden uit de geschiedenis van de ascese en mystiek aan het geestesoog van Antonius voorbijtrekken, en Flaubert suggereert aldus dat deze hem als asceet gevormd hebben.
De Verzoeking komt in Flauberts toneelstuk natuurlijk grootschalig aan de orde, en we zien dat de duivel in verschillende gedaantes de heilige met filosofische en godsdienstig hallucinaties bestookt, maar het zijn niet zozeer échte verzoekingen naakte vrouwen, seks, lekker eten, macht of paranoïde angsten zoals die vooral in de Middeleeuwen gedaante gekregen hebben schijtende duiveltjes die je aan stukken scheuren maar meest instructieve visioenen. |
The Temptation of Saint Anthony |
Als toevoeging aan de kennis van Antonius en zijn tijd, legt Flaubert Antonius een beschrijving in de mond van Alexandrië en de volkeren die je daar zou kunnen tegenkomen, waaronder ook Indiërs: [9] Op een keer zijn reizigers van een karavaan mij te hulp gekomen, en ik werd meegenomen naar Alexandrië. Daar ben ik in de leer gegaan bij de goede oude Didymus. Hoewel hij blind was, had hij zijnsgelijke niet in de kennis van de Schrift. ... Je zag er zelfs Cimmeriërs in berevellen en gymnosofisten van de Ganges, die zich insmeren met koeiedrek. Maar op straat deden zich altijd ongeregeldheden voor: er waren Joden die weigerden belasting te betalen, of oproerlingen die de Romeinen wilden verdrijven. Daarbij wemelt het in de stad van de ketters: aanhangers van Mani, Valentinus, Basilides, Arius - en stuk voor stuk klampen ze je aan en beginnen een discussie om je te overtuigen van hun gelijk. Soms nog vallen mij hun woorden in. Hoezeer je ook probeert daar geen acht op te slaan, je raakt er toch van in de war. |
| De situatie die hieronder beschreven wordt, is echt een prachtige weergave van een naakte heilige man, een gymnosofist (of sadhoe) zoals de rolverdeling aangeeft, en dan ook nog een éénarmige' sadhoe, zoals je die tegenwoordig, zij het zelden, nog zou kunnen aantreffen. Ik vraag me af waar Flaubert deze figuur gezien heeft, of waar hij erover gelezen heeft. Het speelt zich onder de takken van de heilige banian boom, wat ook al weer zo goed getroffen is, en hij is omgeven door dieren zoals herten en gazellen (wat sterk doet denken aan de Rishi van wie ik op de Leven van Antonius pagina een afbeelding heb gegeven). De sadhoe zit op een houtstapel, omgeven door vier vuren met de brandende zon boven hem als vijfde vuur, wat de ascese van het vuur is, in India bekend als panch-agni tapasya. Aan het eind van deze toneel episode ontbrand de houtstapel en verbrandt de gymnosofist wat natuurlijk sterk doet denken aan Kalanos en Zarmanochegas. En hij spreekt Antonius aan als Brahmaan van de Nijloevers, wat verwijst naar de gymnosofisten die Apollonius in Egypte ontmoette en van welke Antonius dan een erfgenaam zou zijn. |
|
| [80-82] ... [er] zit op een soort houtstapel iets vreemds een man ingesmeerd met koeiedrek, spiernaakt, dorder dan een mummie; aan het uiteinde van zijn beenderen, die dun als talhouten zijn, steken zijn gewrichten uit als knoesten. Aan zijn oren hangen trosjes schelpen; zijn gezicht is langgerekt en hij heeft een haviksneus. Zijn linkerarm is verstijfd en wijst als een staak recht omhoog. Hij zit daar al zo lang dat er vogels nestelen in zijn haar. Aan de vier hoeken van zijn houtstapel laait een vuur op. Hij staart met wijdopen ogen naar de zon, die pal in zijn gezicht schijnt, en zegt zonder Antonius aan te kijken: |
Kapil Das maakt offerandes aan het vuur tijdens zijn vijf-vuur-ascese. |
| Brahmaan van de Nijloevers, wat vind je ervan? Aan alle kanten lekken de vlammen tussen de stammetjes door. DE GYMNOSOFIST gaat verder: Zoals de rinoceros heb ik mij diep in de eenzaamheid teruggetrokken. Ik woonde in de boom achter mij. Inderdaad vertoont de grote vijgeboom in zijn gegroefde stam een natuurlijke, manshoge uitholling. |
|
Amar Bharati, de één-arm Baba. |
Ik voedde mij met bloemen en vruchten, en nam de voorschriften in acht, zo dat zelfs de honden mij niet zagen eten. Daar het leven voortkomt uit verdorvenheid, verdorvenheid uit verlangen, verlangen uit zintuiglijke gewaarwording, zintuiglijke gewaarwording uit aanraking, heb ik alle doen gemeden, iedere aanraking. Zonder mij ooit te bewegen, als een grafzuil, ademde ik met gesloten mond; en mijn blik richtend op mijn neus, schouwde ik de ether in mijn geest, de wereld in mijn ledematen, de maan in mijn hart, en ik peinsde over de essentie van de grote Ziel, waaraan voortdurend, als spranken uit het vuur, de levensprincipes ontspringen. Tenslotte heb ik de hoogste Ziel doorgrond in alle wezens, alle wezens in de hoogste Ziel; en door de beteugeling van mijn zinnen heb ik mijn ziel in Haar doen opgaan. Ik ontvang het weten rechtstreeks uit de hemel, zoals de vogel Tchataka, die zich aan niets dan regenstralen laaft. Juist omdat ik de dingen ken, bestaan de dingen niet meer. Voor mij, nu, bestaat er hoop noch angst, geluk noch deugd, dag noch nacht, jij noch ik, helemaal niets. Door nietsontziende zelftucht ben ik boven de Machten komen te staan. Eén samentrekking van mijn geest kan honderd koningszonen doden, de goden onttronen, de wereld verwoesten. |
| [vertaling van Van Pinxteren] Dit alles heeft hij met monotone stem gezegd. Om hem heen verschrompelen de bladeren. Over de grond vluchten ratten weg. Traag zinkt zijn blik in de uitslaande vlammen, en hij voegt er aan toe: Ik kreeg een afkeer van de vorm, een afkeer van de waarneming, een afkeer zelfs van het weten want de gedachte is niet van langere duur dan haar vergankelijke aanleiding en zoals al het andere is ook de geest niet meer dan een illusie. Al wat verwekt is, zal vergaan, al het gestorvene moet herleven; de wezens die voor het ogenblik verdwenen zijn, verwijlen een poos in de nog ongevormde moederschoot, en komen op de aarde terug om in smart andere schepselen te dienen. |
[vertaling van Couperus] Hij heeft dit alles gezegd met eentonige stem. De bladeren, om hem heen, krullen zich om. De ratten over den grond vluchten weg. Langzaam laat hij zijn oogen zakken naar de vlammen, die opstijgen; dan zegt hij: - Ik heb een walging gekregen van den vorm, een walging van het doorzien, een walging zelfs van het weten, - want de gedachte overleeft niet het vluchtige feit, dat haar veroorzaakt, en de geest is zoo goed illuzie als alles. Wat gewonnen is, zal sterven, wat dood is herleven; wezens, die nu zijn verzwonden, zullen kiemen in ingewanden, die nog niet bestaan, en op de aarde terugkeeren om met smart andere wezens te dienen. |
| Maar na mijn zwerftocht door eindeloos veel levens, in het omhulsel van goden, mensen en dieren, zie ik af van de reis: ik ben deze vermoeienis beu! Ik verlaat de vunze herberg die mijn lichaam is, deze muren van vlees, doordrenkt met bloed en bedekt met een afzichtelijke huid vol ongerechtigheden. En eindelijk zal mij tot beloning de slaap deelachtig worden in het diepst van het absolute, in de vernietiging. De vlammen stijgen tot zijn borst en sluiten hem in. Zijn hoofd steekt er boven uit, als door een gat in een muur. Zijn opengesperde ogen kijken nog altijd. |
Maar, omdat ik door een oneindig aantal van levens gegaan ben, onder den vorm van goden, menschen en dieren, verhuis ik niet meer mijn ziel en wil ik dien last niet meer. Ik verlaat het vuile huis van mijn lichaam, gemetseld van vleesch, met rood cement van bloed, bedekt met een afzichtelijke huid vol onzindelijkheid; - en voor mijne belooning ga ik eindelijk slapen in het diepst van het volstrekte, in de Vernietiging. De vlammen stijgen tot zijn borst, omhullen hem dan. Zijn hoofd steekt er uit als door het gat van een muur. Zijn gapende oogen staren steeds. |
| Even later herinnert Antonius zich dat hij al eerder van deze wijze van zelfverbranding heeft gehoord, en spreekt tot zichzelf: [82-83]ANTONIUS Rustig! Waar was ik? Wat gebeurde er? 0 ja! De gymnosofist!... Die manier van sterven komt veel voor bij de Indische wijzen. Kalanos stak zich in brand voor de ogen van Alexander; iemand anders heeft dat ook gedaan ten tijde van Augustus. Wat moet je dan het leven haten! Of zou het hoogmoed zijn die hen tot zoiets brengt?.. Nou ja, ze zijn zo onversaagd als martelaren! |
|
| Ook Apollonius komt even voorbij, vergezeld van Damis, zijn onafscheidelijke kompaan en hier als domoor een soort komische noot inbrengend. Inhoudelijk heeft Apollonius niet zo veel te vertellen helaas: | |
| [92] APOLLONIUS Vier jaren achtereen bewaarde ik het volledig stilzwijgen van de Pythagoreërs. Geen pijn, al kwam die nog zo onverwacht, kon mij een zucht ontlokken; en als ik het theater betrad, liepen de mensen voor mij weg, alsof ik een spook was. |
|
![]() |
DAMIS Zou u dat ook hebben gedaan? APOLLONIUS Toen mijn proeftijd was verstreken, nam ik het onderricht op mij van de priesters die waren afgeweken van de leer. ANTONIUS Van welke leer? DAMIS Stil! Laat hem verdergaan! APOLLONIUS Ik heb gesproken met de Samaneeërs van de Ganges, met de wichelaars van Chaldea, met de magiërs van Babylon, met de Gallische Druïden en met de negerpriesters! Ik beklom de veertien toppen van de Olympus, ik peilde de meren van Scythië, ik mat de uitgestrektheid van de woestijn! DAMIS Het is allemaal echt waar! Ik was er zelf bij! (links) Een buste van Apollonius |
| Na een wemeling van Indiase goden en godinnen Vishnoe, Brahma, Shiva, Bhairava, Kali en Ganesh waar Antonius en zijn leerling Hilarion met verbijstering naar kijken, zien ze plotseling: | |
| [112-115] EEN NAAKTE MAN midden op het zand, de benen gekruist. Groot en zinderend staat een halo achter hem. Zijn zwarte, blauwglanzende kroeshaar omkranst gelijkmatig een knobbel op zijn schedel. Zijn zeer lange armen hangen langs zijn zijden af Zijn handen rusten, met de palmen open, plat op zijn dijen. Op zijn voetzolen staan twee zonnen afgebeeld, en hij zit onbeweeglijk - recht voor Antonius en Hilarion - met op de rotsen om hem heen alle goden, trapsgewijs, als in een circus. Zijn lippen wijken uiteen, en er klinkt een diepe stem: Ik ben de heer van de grote aalmoes, toeverlaat van de schepselen, en ik openbaar de wet aan gelovigen en ongelovigen. Ter verlossing van de wereld besloot ik geboren te worden onder de mensen. De goden treurden toen ik vertrok. En allereerst zocht ik mij een vrouw van niveau: afkomstig uit de ridderstand, gemalin van een koning, nobel, uitzonderlijk mooi, met diepliggende navel, het lichaam hard als diamant; en bij volle maan ben ik zonder toedoen van een man haar schoot binnengegaan. Die heb ik weer verlaten door haar rechterzijde. Er waren sterren die stil bleven staan. HILARION mompelt: 'En toen zij zagen dat de ster bleef stilstaan, verheugden zij zich met grote vreugde!' Antonius kijkt nu aandachtiger naar de BOEDDHA die weer het woord neemt: Diep uit de Himalaya kwam een honderdjarige monnik, om mij te zien. HILARION 'Een man, genaamd Simeon, die niet zou sterven alvorens hij Christus had gezien!' BOEDDHA Ze brachten me naar de scholen. Ik wist meer dan de leraren. HILARION '... In het midden van de leraren; en allen die hem hoorden, stonden versteld van zijn wijsheid.' Antonius beduidt Hilarion [die allemaal parallelle bijbelteksten citeert, om de overeenkomst tussen de Boeddha en Christus aan te geven] te zwijgen. BOEDDHA Ik zat voortdurend te mediteren in de tuinen. De schaduw van de bomen verschoof, maar niet van die waaronder ik beschutting had gezocht. Niemand evenaarde mij in de kennis van de Schrift, de telling van atomen, het mennen van olifanten of het modelleren van was, in astronomie, poëzie of vuistgevecht, in welke kunst of vaardigheid dan ook! Om de traditie in ere te houden nam ik een gemalin, en gekleed in paarlen gewaden, besprenkeld met geuren, en toegewaaierd door drieëndertigduizend vrouwen die de vliegen verjoegen, bracht ik de dagen door in mijn koninklijk paleis, terwijl ik vanaf mijn terrassen, waar sierlijke klokjes klingelden, op mijn volkeren neerzag. Maar bij de aanblik van de ellende in de wereld keerde ik mij af van het genot en vluchtte. Bedelend zwierf ik langs de wegen, gehuld in lompen die ik uit de graven haalde; en bij een zeer geleerde kluizenaar bood ik mij aan als slaaf. Ik bewaakte zijn deur en waste zijn voeten. Iedere gemoedsaandoening werd tenietgedaan, iedere vreugde, iedere smart. |
| [vertaling van Van Pinxteren] Toen concentreerde ik mijn gedachten, en in diepgaande meditatie schouwde ik het wezen van de dingen, de begoocheling van de verschijningsvormen. |
[vertaling van Couperus] Toen, samendringende mijne gedachte in een intensere bespiegeling, doordrong ik de grondstof der dingen, den schijn der gestalten. |
| Al gauw doorgrondde ik de wijsheid van de Brahmanen. Onder hun maskers van strengheid en plicht worden ze verteerd door hebzucht; zij smeren zich in met drek en slapen op de doornen, want ze denken langs de weg van de dood tot het geluk te komen! | Zeer snel putte ik uit de kennis der Brahmanen. Zij worden verteerd van gretigheid onder hun doen van gestrengheid, zij smeren zich met vuil, slapen op stekels, geloovend te komen tot het geluk door den weg van den dood! |
![]() |
HILARION 'Farizeeërs, huichelaars, witgepleisterde graven, addergebroed!' [een citaat uit de Bijbel van Johannes de Doper] BOEDDHA Ook ik heb wonderbare dingen verricht, terwijl ik slechts één korrel rijst per dag at en in die tijd waren de rijstkorrels niet groter dan nu; mijn haar viel uit, mijn lichaam werd zwart; mijn ogen zonken in hun kassen weg, alsof het sterren waren die weerkaatsen op de bodem van een put. Zes jaar lang bleef ik roerloos zitten, blootgesteld aan vliegen, leeuwen en slangen; en brandende zon, stromende regen, sneeuw, bliksem, hagel en storm, dat alles liet ik over mij heen komen, zonder mij ook maar met één hand te beschutten. De reizigers die voorbijtrokken, dachten dat ik dood was, en uit de verte wierpen ze met kluiten aarde! |
|
De verzoeking van de Duivel ontbrak er nog aan. Ik heb hem ontboden. Zijn zonen daagden op gruwelijk, met schubben overdekt, weerzinwekkend als het knekelhuis, gierend, fluitend en loeiend. Ze rammelen met wapens en beenderen, ze blazen vlammen uit hun neus, ze brengen duisternis met hun vlerken, ze dragen snoeren van afgehakte vingers; anderen weer drinken slangegif uit de kom van hun handen; ze hebben koppen van varkens, van rinocerossen of padden, alle tronies die maar schrik of afschuw aanjagen. ANTONIUS in zichzelf: Datzelfde heb ik ook doorstaan, vroeger! BOEDDHA Toen zond hij zijn dochters schoon, en wel geblanket, met gouden gordels, met tanden zo wit als jasmijn, met dijen zo rond als een olifantsslurf. Ze geeuwen en strekken de armen, zodat je de kuiltjes in hun ellebogen ziet; of ze geven knipoogjes en beginnen te lachen; anderen weer doen hun kleren half open. Er zijn blozende maagden, trotse matrones en koninginnen met een groot gevolg van goederen en slaven. ANTONIUS in zichzelf: Ach! Hij ook? BOEDDHA Na mijn overwinning op de Boze heb ik mij twaalf jaar lang uitsluitend met reukwerken gevoed; en daar ik de vijf deugden, de vijf machten, de tien krachten en de achttien substanties had verworven, en was doorgedrongen in de vier sferen van de onzichtbare wereld, behoorde het Inzicht mij toe! Ik werd de Boeddha! |
|
| [vertaling van Van Pinxteren] HILARION Alle Hoofdzonden zijn hier geweest. Maar hun armzalige listen falen, omdat jij zo heilig bent! ANTONIUS Nee, O nee! Ik bezwijk ieder ogenblik voor de verleiding! Was mijn ziel maar altijd onversaagd en was ik maar zo vastberaden als, bijvoorbeeld, de grote Athanasius. HILARION Hij is onwettig aangesteld door zeven bisschoppen! ANTONIUS Wat geeft dat? Als zijn deugd... HILARION Ach kom! Dat trotse, wrede heerschap! Die nooit aflatende intrigant! Tenslotte is hij verbannen als korenwoekeraar. |
[vertaling van Couperus] HILARION - Alle Hoofdzonden zijn gekomen. Maar hare listen vermogen niet tegen een heilige als u! ANTONIUS - O, neen, neen! Iedere minuut bezwijk ik! Waarom ben ik niet een van hen, wier ziel altijd onverschrokken is en wier geest krachtig, - zooals de groote Athanazius, bijvoorbeeld. HILARION - Hij is onwettig aangesteld door zeven bisschoppen! ANTONIUS - Wat geeft dat, als zijn deugd... HILARION - Kom, wat! Een trotsche man, wreed, altijd vol intrigues, en eindelijk verbannen als een gauwdief. |
| ANTONIUS Laster! HILARION Je wilt toch niet ontkennen dat hij Eustates, de beheerder van de strooigelden, heeft willen omkopen? ANTONIUS Dat wordt wel beweerd, ja. HILARION Uit wraak heeft hij het huis van Arsenius in brand gestoken! ANTONIUS Ach! |
ANTONIUS - Je lastert! HILARION - Je zal niet ontkennen, dat hij Eustates heeft willen omkoopen, den schatbewaarder der publieke giften? ANTONIUS - Men beweert dit, dat moet ik zeggen. HILARION - Uit wraak heeft hij het huis van Arsenius verbrand. ANTONIUS - Helaas! |
| HILARION Op het Concilie van Nicea heeft hij Jezus de Godsman' genoemd. ANTONIUS Oh! Dat is heiligschennis! HILARION Daarbij is hij wel zó kortzichtig; hij geeft zelf toe dat hij niets begrijpt van de natuur van het Woord. ANTONlUS meesmuilend: Inderdaad, zijn intelligentie is niet bepaald... superieur. HILARION Als men jou in zijn plaats had aangesteld, zou dit een groot geluk zijn geweest, zowel voor je broeders als voor jou. Het is slecht om zo afgezonderd van de anderen te leven. |
HILARION - In het concilie van Nicea heeft hij, over Jezus sprekende, gezegd: de handlanger des Heeren. ANTONIUS - Ja, dat is godslastering! HILARION - Daarbij zoo bekrompen, dat hij bekent niets te begrijpen van het wezen des Woords. ANTONIUS lacht van leedvermaak: - Ja... snugger is hij niet. HILARION - Als men u in zijn plaats had aangesteld, zoû dit een groot geluk zijn geweest voor uwe broederen, zoowel als voor u. Dat leven ver van anderen is slecht. |
| ANTONIUS Volstrekt niet! Als geestelijk wezen moet de mens zich terugtrekken uit al het vergankelijke. Iedere handeling haalt hem omlaag. Was ik maar los van de aarde zelfs met mijn voetzolen! HILARION Huichelaar! Je trekt je terug in de eenzaamheid om je lusten beter te kunnen botvieren! Je onthoudt je van vlees, wijn, zweetbaden, slaven en eerbetoon; maar wat laat je je door je verbeelding onthalen op banketten, geurwerken, naakte vrouwen en juichende menigten! Je kuisheid is niets dan geraffineerde zedeloosheid, je verachting voor de wereld: een op haar gestrande haat. Dát is wat jou en je soortgenoten zo somber maakt, of misschien ook omdat jullie aan jezelf twijfelen. Het bezit van de waarheid leidt tot vreugde. Was Jezus soms mistroostig? Hij had vrienden om zich heen, rustte in de schaduw van de olijfboom, trad binnen bij de tollenaar, vermenigvuldigde spijs en drank, vergaf de zondares en genas alle smarten. Maar jij bent alleen met jezelf begaan. Het is alsof je in jezelf wroet, totdat je in een niet te temmen razernij zelfs de liefkozing van een hond of de lach van een kind afwijst. |
ANTONIUS - Integendeel. De mensch, die geest is, moet zich onthouden van sterflijke dingen. Iedere handeling verlaagt hem. Ik woû, dat ik geheel los van de aarde was, zelfs met mijn voetzolen! HILARION - Huichelaar, die zich in de eenzaamheid terugtrekt om zich beter aan de uitspatting van je begeerten over te geven. Je ontzegt je vleesch, wijn, een lauw bad, slaven en eerbewijzing, maar hoe laat je jouw verbeelding je banketten aanbieden, geurwerken, naakte vrouwen en toejubelende volksmenigte! Je kuischheid is alleen maar een subtiler verderf, en die wereldverachting de onmacht van je haat! Dàt maakt zoo somber allen, die je gelijk zijn, of... misschien omdat ze twijfelen. Het bezit der waarheid schenkt vreugde. Was Jezus treurig? Hij was omringd van vrienden, hij rustte uit in de schaduw der olijfboomen, hij trad binnen bij den tollenaar, vermeerderde spijzen en dranken, vergaf der zondaresse, genas er alle smart. Jij, je hebt alleen erbarmen met je eigen ellende. Dat is als een twijfel, die je beroert, als een woeste Waanzin, die je zelfs de liefkoozing van een hond, den lach van een kind doet terugstooten. |
| Ook heel wat ongezouten kritiek dus van Hilarion op Antonius zelf! Hij wordt hier neergezet als een hypocriet, die zich met al zijn ascese alleen maar wil verlustigen. |
|
| Muziek |
| Een Mis voor St. Antonius | Guillaume Dufay (attr.) | (?13971474) |
![]() |
Daaruit een (MP3) fragment: Introit Scitote quoniam mirificavit Door: Mark Chambers, William Towers Alto Edwin Simpson, Nick Todd, Matthew Vine, Christopher Watson Tenor Andrew Kirkman Dirigent |
| Exsultate, jubilate | W.A. Mozart | Milaan, 17 januari 1773 |
![]() |
De eerste compositie van Wolfgang Amadeus Mozart die vandaag de dag nog onder zijn meesterwerken gerangschikt wordt, is het briljante motet voor sopraan Exsultate, jubilate, dat voor het eerst werd opgevoerd in de Sant'Antonio Kerk van Milaan op 17 Januari 1773, een paar dagen voor zijn zeventiende verjaardag! Het motet een heilige Latijnse solo cantate die uit twee aria's en twee recitatieven bestaat, dat besloten wordt met een met Halleluja, en gezongen tijdens de Mis en het Credo werd niet speciaal voor Antonius gecomponeerd, maar er wordt wel eens een verband gezien tussen de kwellingen en de verleidingen van Antonius in de donkere woestijnnacht en de heldere dageraad die in recitativo wordt vermeld (hoewel dit eigenlijk eerder de komst van Christus symboliseert). |
| In feite was Mozart het meest geïnspireerd door de stem van de castraten zanger Venanzio Rauzzini, en samen hebben ze het motet in een paar weken tijd geschreven. Op dat ogenblik was Italië het centrum van de muzikale wereld. Evenzogoed leek de feestdag van St. Antonius Abt op januari 17 een goede aanleiding, zeker omdat dit festival toen met speciale praal in de kerk van Sant'Antonio Abate gevierd, want dat jaar viel het feest op een zondag. St. Antonius was sowieso, als genezer van mens en dier en als vertrooster, een zeer populaire heilige en zeker ook met zo'n beroemde artiest als Rauzzini, zal de kerk afgeladen vol zijn geweest. Daarbij komt nog dat dit feest ook het begin van het Carnaval aangaf. |
|
| Er zal een zeer gemengd publiek in de kerk aanwezig zijn geweest, zoals herders en de landbouwers die voor de zegen voor hun kuddes kwamen, vooral natuurlijk de varkens ook in Italië wordt hij 'Theunis met het verken' genoemd, maar dan Sant'Antonio del porcello en daarnaast vrouwen en jonge meisjes over wie geroddeld werd, en voor wie (in Italië) de tussenkomst van St. Antonius zou helpen; en ook de adel die in het algemeen voor dergelijke feesten betaalden. Hoewel de Latijnse tekst van het motet voor de meerderheid der aanwezigen onbegrijpelijk was, waren de stemming en de toon van het stuk ondubbelzinnig blij en dat kon iedereen horen. |
![]() |
| De Sant'Antonio kerk bevindt zich vandaag de dag nog aan de Via San Antonio 5, niet ver van de Duomo, hoewel de klokketoren het enige origineel is dat nog uit die tijd dateert. | |
| Hieronder het eerste gedeelte uit Exsultate, Jubilate. | |
| Aria | ||
| Exsultate, jubilate, o vos animae beatae, exsultate, jubilate, dulcia cantica canendo; cantui vestro respondendo psallant aethera cum me. |
Rejoice, resound with joy, o you blessed souls, rejoice, resound with joy, singing sweet songs. In response to your singing let the heavens sing forth with me. |
Verheug, weerklink met vreugde, jullie gezegende zielen, verheug, weerklink met vreugde, en zing zoete liederen. In antwoord op jullie zang, laat de hemelen met me mee zingen. |
| Recitativo | ||
| Fulget amica dies, jam fugere et nubila et procellae; exortus est justis inexspectata quies. Undique obscura regnabat nox, surgite tandem laeti qui timuistis adhuc, et jucundi aurorae fortunatae frondes dextera plena et lilia date. |
The friendly day shines forth, both clouds and storms have fled now; for the righteous there has arisen an unexpected calm. Dark night reigned everywhere [before]; arise, happy at last, you who feared till now, and joyful for this lucky dawn, give garlands and lilies with full right hand. |
Vriendelijk begint de dag te schijnen, wolken en winden zijn nu gevlucht; voor de rechtvaardigen is een onverwachte kalmte gerezen. Eerst heerste overal de donkere nacht; rijs op, eindelijk blij, jullie die tot nu toe bang waren, en verheugd over deze gelukkige dageraad, geef guirlandes en lelies met volle rechterhand. |
| Aria 2 | ||
| Tu virginum corona, tu nobis pacem dona, tu consolare affectus, unde suspirat cor. Alleluja. |
You, o crown of virgins, grant us peace, console our feelings, from which our hearts sigh. Alleluja. |
Jij, O kroon van maagden. geef ons vrede, troost onze gevoelens, waar onze harten van zuchten. Halleluja. |
| Concentus Musicus Wien, o.l.v. Nikolaus Harnoncourt; sopraan Barbara Bonney. 1990. | Voor de muziek klik hier | |
| Brahms (18331897) | St Anthony Chorale - Variations on a Theme by Haydn | |
| C.F. Pohl, een muziekhistoricus, maakte Brahms bekend met een reeks Divertimenti voor windinstrumenten, die toen toegeschreven werden aan Haydn. Historici geloven nu dat het stuk eigenlijk werd geschreven door een student eventueel van Haydn, Ignatz Pleyel. Brahms hield van het thema van het tweede, genaamd de Chorale Sancti Antonii, en kopieerde de melodie in zijn notitieboekje. De melodie is gebaseerd op een lied gezongen door pelgrims op de Dag van Sint Antonius. De beroemde hoornsolo in de Finale noteerde Brahms op een ansichtkaart aan Clara Schumann gedateerd 12 september 1868, verzonden vanuit zijn zomerverblijf in Tirol. Daarin zei Brahms dat hij de melodie door een herder op een alpenhoorn hoorde gespelen. De Variaties werden geschreven tijdens de zomer van 1873, die Brahms doorbracht te Tutzing aan de Starhembergersee, in de buurt van München. |
![]() |
| Ik heb nergens kunnen ontdekken of de Antonius van deze Variaties, Antonius Abt is of Antonius van Padua. Ik ga ervan uit natuurlijk want anders had ik deze informatie hier niet geplaatst dat het Antonius Abt is. Misschien dat juist de alpenhoorn een aanwijzing kan zijn, aangezien ik die bij twee Antoniusvieringen (Galamus in Frankrijk & Aci Sant'Antonio op Sicilië) heb aangetroffen. Dus tot het tegendeel bewezen is ... Er zijn heel wat YouTube filmpjes van dit muziekstuk. Ik toon hier twee; vandaar kan je verder gaan. |
| Die Versuchung des heiligen Antonius | Egk, 1945-1952 | La Tentation de Saint Antoine |
![]() |
Ik heb er hier drie uitgekozen, de meest ernstige misschien, waarin nog iets van het 'apocalyptische' karakter van de Temptatie doorklinkt. Omdat ze in het Frans gezongen zijn (door Janet Baker), maar waarschijnlijk in het Duits geschreven, geef ik de teksten in het Duits, Frans en Nederlands. [Voor meer info en alle teksten click] |
| Tentation de St. Antoine 1905, Pierre Girieud private collection |
| 1. Himmel, wird denn wohl die Welt untergehen? Welch Tosen, welch Schreien, welch schrecklicher Krach! Vor mir sehe ich den Blitzstrahl, er zuckt in grellem Glanz: Alles wird Staub auf meinem Lager. GroBer Gott! Vom Himmel droben sieh mein MiBgeschick, und durch deine Gnade hilf mir verjagen die Hölle von diesem Ort. |
1. Ciel! l'Univers va-t-il donc se dissoudre? Quel bruit! quels cris! quel horrible fracas! Devant moi je vois la foudre, Elle tombe par éclats: Tout est en poudre sur mon grabat. Grand Dieu! du haut des cieux, Vois ma disgrâce, Et par ta grâce, Fais, que je chasse L'enfer de ces lieux. |
1. Mijn Hemel! Staat het Universum op het punt van instorten? Wat een lawaai! Wat een geschreeuw! Wat een vreselijke herrie! Voor me zie ik de bliksemstraal, die flitst in schrille glans. Alles wordt stof op mijn bed. Grote God! Vanuit uw hoge hemel, zie mijn tegenspoed en help mij met Uw genade deze hel uit deze plek te verjagen. |
| Tentation 1. |
| 3. Da krochen hervor aus düsterer Grotte tausend Gespenster, verruchte Dämonen: der schwarzen Geister unflätige Rotte kam aus der Hölle, um ihn zu versuchen. |
3. On vit sortir d'une grotte profonde Mille Démons, mille Spectres divers: Des noirs esprits toute la troupe immonde, Pour le tenter, déserta les Enfers. |
3. Daar kropen naar buiten uit donkere grotten, duizend spoken, goddeloze demonen: de zwarte geesten van de ontuchtige bende kwamen uit de hel om hem te verleiden. |
| Tentation 3. |
| 11. Grad wie ein Dieb, sieht er nur starke Hände, wie ein Soldat, wenn der Oberst kommt, sieht man die teuflische Horde fliehen und sich in ihre Löcher verziehen. |
11. Tel qu'un voleur, sitôt qu'il voit main forte, Tel qu'un soldat à I'aspect des Prévôts: On vit s'enfuir I'infernale cohorte, Et s'abîmer dans ses affreux cachots. |
11. Net als een dief die de sterke arm van de wet ziet, Net als een soldaat als de commandant komt Ziet men de duivelse bende vluchten en zich in hun smerige holen terugtrekken. |
| Tentation 11. |
| The Temptation of Saint Anthony | |
| The Temptation of Saint Anthony - 9:01 The world premiere performance of Anthony Vine's "The Temptation of Saint Anthony" performed by The Ohio State University Trombone Choir at the 2009 Ohio State University Contemporary Music Festival. For more information please visit. |
|
| Literatuur |
| St. Anthony and his Pig A cantata by Frederick Forrest 1766 |
St. Antonius en zijn Varken Een cantate door Frederick Forrest 1766 |
|
Recitative |
Voordracht Laat de potsierlijke Cymon, in tedere plattelands melodieën, Aan de mooie Iphigenie zijn hartepijnen betuigen; Laat de knutselende Tom smachten naar stoffige Sylvia, Ik bezing St. Antonius en zijn favoriete zwijn: Wie, vreemd om te vertellen, net als u en ik kon spreken, Toen andere wroetende varkens slechts konden knorren. Maar wanneer, of hoe, dit wonder tot stand kwam, Bleef onopgemerkt door de krabbelende klasse: Laat het volstaan te zeggen, aangezien hij haar vaak streelde, dat hij zich aldus, als een verliefde vrijer, tot haar richtte. |
| Air O my pretty piggy-wiggy, More sweet than is the figgy, That grows on yonder twiggy, Or sugar candy; My love for thee surpasses All that which pretty lasses Have for their looking-glasses, Or Tristram Shandy. |
Wijsje O mijn mooi zwijntje, Zoeter dan het vijgje, dat groeit op ginds twijgje, Van suikerzoet kandij; Mijn liefde voor jou overtreft Al wat die mooie meisjes Als hun spiegelbeeld hebben, Of Tristram Shandy. |
![]() |
| Recitative With little doting eyes, and ears upright, To all he says she listens with delight: Then, like the sluggish ass in scripture told, In grunting accent did her mind unfold. |
Voordracht Met kleine verzotte ogen, en de oren gespitst, Luistert zij met verrukking naar alles wat hij zegt: Toen, zoals over de trage ezel in de schrift wordt verteld, Openbaarde zij met knorrend accent haar gedachten. |
| Air How shall I my thanks declare, sir, In a learned genteel air, sir? I the court have never seen, Or at boarding-school have been; |
Wijsje Hoe kan ik u mijn dank betuigen, meneer, In een geleerd en beschaafd liedje? Ik heb nog nooit het hof gezien, Noch ben ik op kostschool geweest; |
| Nor a singer am, you know, sir, To delight like Beard and Lowe, sir; But since I must play my part, Thank you, sir, with all my heart. |
Evenmin ben ik een zanger, weet u, meneer, Om als Beard en Lowe te behagen, meneer; Maar aangezien ik mijn rol moet spelen, Dank ik u, meneer, met heel mijn hart. |
![]() De Verzoeking van de Heilige Antonius. Félicien Rops. ± 1858. |
Recitative The hoary dotard gazes on her charms, And fondly clasps her in his withered arms; Then gently stroking first her bristled hide, Smacked her soft balmy snout, and thus replied. Voordracht Air Wijsje |
| Though mighty monarchs on their thrones In pride and state look fierce and big, They are not so content and blessed As is old Tony with his pig. |
Hoewel machtige koningen op hun tronen In pracht en praal woest en groot lijken, Zijn zij niet zo tevreden en gezegend Als oude Tony met zijn varken is. |
| I neither care who's in or out, Whether Tory, whether Whig, I love my country, King and Queen, But best of all I love my pig. |
Het maakt mij niet uit wie in of uit is, Of hij Tory is, of Whig, Ik houd van mijn land, Koning en Koningin, Maar meest van al houd ik van mijn varken. |
| Forrest, Frederick, (fl. 1766), Engelse dichter en songwriter die vaak met zijn broer Theodosius Forrest samenwerkte. Uit: The New Book of Eighteenth Century Verse, Edited by Roger Lonsdale, Oxford University Press, (1984). |
|
![]() |
Die italienische Reise | Italiaanse Reis |
| Johann Wolfgang von Goethe (1749-1832) |
Vertaling Wilfred Oranje. Bezorger Marinus Pütz. Uitgever Boom, 1999. |
|
| Goethe in der Campagna di Roma. 1787. Geschilderd door Johann Tischbein, die een tijd lang samen met hem in Italië was. Een beroemd schilderij, 'een zinnebeeld van Goethe's reis', maar anatomisch (de benen i.h.b.) niet correct. |
||
| Den 18. Januar 1787 | 18 januari 1787 |
| Gestern, als am Feste des heiligen Antonius Abbas, machten wir uns einen lustigen Tag, es war das schönste Wetter von der Welt, hatte die Nacht Eis gefroren, und der Tag war heiter und warm. Es läßt sich bemerken, daß alle Religionen, die entweder ihren Kultus oder ihre Spekulationen ausdehnten, zuletzt dahin gelangen mußten, daß sie auch die Tiere einigermaßen geistlicher Begünstigungen teilhaft werden ließen. Sankt Anton, der Abt oder Bischof, ist Patron der vierfüßigen Geschöpfe, sein Fest ein saturnalischer Feiertag für die sonst belasteten Tiere sowie für ihre Wärter und Lenker. Alle Herrschaften müssen heute zu Hause bleiben oder zu Fuß gehen, man verfehlt niemals, bedenkliche Geschichten zu erzählen, wie ungläubige Vornehme, welche ihre Kutscher an diesem Tage zu fahren genötigt, durch große Unfälle gestraft worden. |
Gisteren, op het feest van de heilige Antonius Abbas, hebben wij er een vrolijke dag van gemaakt, het was het mooist denkbare weer, 's nachts had het gevroren en overdag was het helder en warm. Men kan constateren dat alle godsdiensten die hetzij hun cultus, hetzij hun speculaties een ruimere strekking gaven, ten slotte het punt moesten bereiken dat ze in enige mate ook de dieren in geestelijke gunstbewijzen lieten delen. Sint Antonius, de abt of bisschop, is beschermheilige van de viervoeters, zijn feest een saturnalische feestdag voor de anders zo zware arbeid verrichtende dieren, alsmede voor hun verzorgers en menners. Alle hoge heren moeten op deze dag thuis blijven of te voet gaan, nimmer zal men nalaten tot nadenken stemmende verhalen te vertellen, over ongelovige edelen die hun koetsiers op deze dag dwongen uit te rijden en daarvoor met grote rampen werden gestraft. |
| Die Kirche liegt an einem so weitschichtigen Platz, daß er beinahe für öde gelten könnte, heute ist er aber auf das lustigste belebt, Pferde und Maultiere, deren Mähnen und Schweife mit Bändern schön, ja prächtig eingeflochten zu schauen, werden vor die kleine, von der Kirche etwas abstehende Kapelle geführt, | De kerk ligt aan een zo ruim bemeten plein [Piazza Santa Maria Maggiore] dat het bijna voor een troosteloze vlakte zou kunnen doorgaan, maar vandaag heerst er een vrolijke drukte, paarden en muildieren, waarvan de manen en staarten fraai met gevlochten linten getooid zijn, een prachtig gezicht, |
| wo ein Priester, mit einem großen Wedel versehen, das Weihwasser, das in Butten und Kübeln vor ihm steht, nicht schonend, auf die muntern Geschöpfe derb losspritzt, manchmal sogar schalkhaft, um sie zu reizen. | ![]() |
worden tot voor de kleine, iets opzij van de kerk staande kapel geleid, waar een priester, uitgerust met een grote kwast, de wakkere schepsels met het in tobben en kuipen voor hem staande wijwater royaal en ruw, soms zelfs schalks om de dieren te sarren, besprenkelt. | |
| Een schilderij van de dierenzegening ter ere van Antonius in Rome in de 18e eeuw. Links is de kerk Maria Maggiore duidelijk herkenbaar, terwijl de kerk waar het zich afspeelt de Sant'Antonio Abate is, de huidige orthodox Russische kerk aan de Via Carlo Alberto. Het moet er zeker zo in Goethe's tijd uit gezien hebben. | |||
| Andächtige Kutscher bringen größere oder kleinere Kerzen, die Herrschaften senden Almosen und Geschenke, damit die kostbaren, nützlichen Tiere ein Jahr über vor allem Unfall sicher bleiben mögen. Esel und Hornvieh, ihren Besitzern ebenso nützlich und wert, nehmen gleichfalls an diesem Segen ihr beschieden Teil. | Vrome koetsiers komen met grotere of kleinere kaarsen aanzetten, de hoge heren sturen aalmoezen en giften, opdat de kostbare, nuttige dieren het komende jaar voor alle rampspoed bewaard mogen blijven. Ezels en hoornvee, voor hun eigenaren al even nuttig en waardevol, delen eveneens bescheiden in deze zegen. | ||
| Nachher ergötzten wir uns an einer großen Wanderung unter einem so glücklichen Himmel, umgeben von den interessantesten Gegenständen, denen wir doch diesmal wenig Aufmerksamkeit schenkten, vielmehr Lust und Scherz in voller Maße walten ließen. | ![]() |
Naderhand genoten we van een grote wandeling, onder een stralende hemel, omringd door de interessantste zaken, maar ditmaal schonken we daar weinig aandacht aan, veeleer lieten we de vrije teugel aan vrolijkheid en scherts. |
| Goethe bezoekt het Colosseum in Rome, in circa 1790. Jacob-Philippe Hackert. [Eindnoot NL editie] Hackert was een persoonlijke vriend van Goethe, die hij in Napels ontmoette, en bij wie hij tekenles nam. |
||
| De zinsnede "Sankt Anton, der Abt oder Bischof" onthult wel iets van de kennis van Goethe over Antonius. Met "Sankt Anton" impliceert hij enige Duitse familiariteit met Antonius, maar het "Abt oder Bischof"geeft aan dat hij hem niet echt goed kende. Antonius was namelijk zeker geen bisschop. In een eindnoot in de NL editie staat dat Goethe zich voorgenomen had een opstel over de wijding der paarden te schrijven, dat echter nooit tot stand is gekomen. Jammer, want dan hadden we wellicht kunnen vernemen of er toen in Rome nog meer festiviteiten plaats vonden op de 17e januari 1787. Bovendien zou hij dan waarschijnlijk ook wel ontdekt hebben dat de paardenwijding ouder is dan het Christendom, een heidens ritueel, dat gekerstend daarin geïncorporeerd is. En zou hij teruggekomen zijn op zijn constatering "dat alle godsdiensten die hetzij hun cultus, hetzij hun speculaties een ruimere strekking gaven, ten slotte het punt moesten bereiken dat ze in enige mate ook de dieren in geestelijke gunstbewijzen lieten delen". |
| In het Frans heet deze Sint-Theunis gewoon Saint-Antoine, dus een letterlijke vertaling van zijn naam als Sint-Antonius zou misschien meer aan de orde zijn geweest. Anderzijds benadrukt deze vertaling als Sint-Theunis wel het boerse karakter van de hoofdpersoon. Deze Sint-Theunis is overigens verre van heilig te noemen. Hij is een vreetzak en dronkelap. |
|
![]() |
Maar wat erger is, in feite mishandelt hij zijn tegenspeler, een Pruisisch soldaat, lichamelijk en geestelijk door hem als een varken vet te mesten en hem belachelijk te maken. Uiteindelijk vermoordt hij hem zelfs, en veroorzaakt daardoor nog eens de executie van een onschuldige gendarme die de schuld van de moord krijgt. Als verzachtende omstandigheid zou misschien voor zijn tijdgenoten gegolden kunnen hebben dat de Pruis een vijand was. Maar toch, vanuit een Christelijk heilig standpunt had dat natuurlijk geen verschil mogen maken. Maar ik neem het verhaal toch maar op, omdat het een zienswijze van Antonius weergeeft, die wat doet denken aan het lage karakter van de Antoniaan in het verhaal van Boccaccio. Dus er werd niet altijd zo positief gedacht over de Katholieke heiligen als representanten van de Kerk. |
| Ze noemden hem Sint-Theunis, omdat hij Theunis heette en misschien ook wel omdat hij een levensgenieter was, altijd vrolijk, een grappenmaker, een stevig eter en een fors drinker, en een groot liefhebber van dienstmeiden, al was hij de zestig voorbij. Hij was een grote boer uit de Caux, hoogrood, met een stevige borstkas en een dikke buik, met daaronder lange benen die te mager leken voor de omvang van zijn lijf. Hij leefde als weduwnaar alleen met zijn dienstmeid en zijn twee knechts op zijn boerderij die hij als een sluwerd beheerde, met een wakker oog voor zijn belangen, handig in het zaken doen, in het opfokken van vee en in het bebouwen van zijn grond. Zijn beide zonen en zijn drie voordelig uitgehuwelijkte dochters woonden in de buurt en kwamen eens per maand bij vader thuis eten. Zijn levenskracht was befaamd door de hele streek in de omtrek, en er was een zegswijze ontstaan die luidde: 'Hij is zo sterk als Sint-Theunis. Toen de Pruisische invasie plaatsgreep, beloofde Sint-Theunis in het café wel een heel leger te lusten, want als oprecht Normandiër was hij een snoever, wat laf en blufferig. Hij sloeg met zijn vuist op de houten tafel, die opsprong en de kopjes en de glaasjes liet dansen, en schreeuwde, met een rood smoelwerk en een geniepige blik, met de gespeelde woede van een levensgenieter: 'Ik lust ze wel rauw, nondeju!' Hij rekende er natuurlijk op dat de Pruisen niet tot Tanneville zouden komen, maar toen hij hoorde dat ze al in Rautôt zaten, kwam hij zijn huis niet meer uit en bespiedde onophoudelijk de weg door zijn keukenraampje, omdat hij elk moment verwachtte bajonetten te zien voorbijtrekken. Op een ochtend, toen hij soep zat te eten met zijn personeel, ging de deur open en de burgemeester van de gemeente, boer Chicot, verscheen met achter zich aan een soldaat die een zwarte helm met een koperen punt droeg. Sint-Theunis sprong op, en al zijn volk keek hem aan, omdat ze verwachtten dat hij de Pruis zou doodslaan. Maar hij beperkte zich tot de hand van de burgemeester te schudden, die hem zei: 'Den dezen is voor jou, Sint-Theunis. Ze zijn vannacht gekomen. Haal voorzekers geen streken uit, want ze hebben het over fusilleren en alles in de fik steken als er ook maar dit gebeurt. Dus gewaarschuwd ben je. Geef hem te eten, 'm lijkt m'n in orde. Goeienavond, ik ga naar den anderen. D'r zijn d'r voor elkenen.' En hij vertrok. |
|
| Vader Theunis was bleek geworden en bekeek zijn Pruis. Het was een grote jongen met vet en blank vlees, blauwe ogen, blonde haren en een baard tot zijn jukbeenderen, die stom, verlegen en goedaardig leek. De slimme Normandiër had hem meteen door en beduidde hem gerustgesteld dat hij kon gaan zitten. Toen vroeg hij hem: 'Wilt u soep?' De vreemdeling begreep het niet. Toen werd Theunis overmoedig, schoof hem een vol bord onder de neus en zei: 'Hier, slik dat maar door, groot varken.' De soldaat antwoordde: 'Ja', en begon met graagte te eten terwijl de triomferende boer merkte dat hij zijn reputatie had gered en dus naar zijn personeel knipoogde, dat gekke bekken trok, omdat ze tegelijkertijd doodsbenauwd waren en zin hadden om te lachen. Toen de Pruis zijn bord leeg had, serveerde Sint-Theunis hem er nog een dat hij ook liet verdwijnen. Maar hij aarzelde bij het derde, dat de boer hem per sé wilde laten opeten, waarbij hij telkens herhaalde: 'Allez, stop dat er ook nog achteraan. Je moet er nog van groeien, wat dacht je wat, allez, varken van m'n!' En de soldaat, die slechts begreep dat ze hem wilden laten eten tot hij verzadigd was, lachte tevreden en beduidde dat hij vol zat. |
![]() |
| Toen werd Sint-Theunis pas echt intiem, sloeg hem op de buik en schreeuwde: 'Heeft 'm zijn pensje lekker vol, m'n varken!' Maar plotseling sloeg hij dubbel, zo rood alsof hij een hartaanval kreeg, en kon niets meer zeggen. Hij had een idee gekregen dat hem deed stikken van de lach: 'Natuurlijk, natuurlijk, Sint-Theunis met zijn varken. Daar heb ik mijn varken!' En de drie bedienden begonnen op hun beurt te schaterlachen. De oude was zo tevreden dat hij brandewijn liet aanrukken, goeie, afbijt, waarop hij iedereen trakteerde. Er werd geklonken met de Pruis, die met zijn tong klikte bij wijze van compliment, om aan te geven dat hij dit fantastisch vond. En Sint-Theunis schreeuwde hem in het gezicht: 'Nietwaar? Dat is me nog eens een borrel, hè! Zo geven ze ze bij jou niet, varkentje van me.' Vanaf dat moment ging vader Theunis er niet meer op uit zonder zijn Pruis. Hij had wat hij zocht, dit was zijn particuliere wraak, zijn wraak van grote slimmerik. En de hele streek, die sidderde van angst, lachte zich rot achter de rug van de overwinnaars om de mop van Sint-Theunis. Echt waar, als het ging om grappen was hij ongeëvenaard. Alleen hij kon zulke dingen bedenken. De ouwe boef! Hij ging elke dag na de middag naar zijn buren, arm in arm met zijn Duitser, die hij vrolijk voorstelde door hem op de schouder te kloppen: 'Zie, hier heb ik m'n varken, zie maar eens of ten vet wordt, dat beest.' En de boeren straalden van plezier. 'Wat is ten toch geestig, diën duvelse Theunis!' 'Ik verkoop hem je, Cesaire, drie pistolen.' 'Daarvoor doen ik het, Theunis, en je wordt genodigd de bloedworst te komen eten.' 'Wat ik gaarne wou, dat zijn z'n poten.' ' Voel hem de buik maar eens, je zult zien dat het enkelt spek is.' En iedereen knipoogde zonder al te hard te lachen, uit angst dat de Pruis er ten slotte achter zou komen dat ze de draak met hem staken. Alleen Theunis werd met de dag brutaler, kneep hem in de dijen en riep dan: 'Zuver spek', sloeg hem op zijn rug en schreeuwde: 'Niks als zwoerd', tilde hem op in zijn armen van ouwe reus, in staat een aambeeld te dragen, en verklaarde: 'Hem weegt zeshonderd, schoon aan de haak.' En hij had de gewoonte aangenomen zijn varken overal waar hij ermee aankwam, eten te laten aanbieden. Dat was de grote pret, het grote vertier van alledag: 'Geef hem maar wat je hebt, den diën vreet alles.' En ze gaven de man brood met boter, aardappelen, koude ragout, worst, waarbij ze zeiden: 'Gelijk de uwe, en eersteklas.' De soldaat, stom en meegaand, at uit beleefdheid, in zijn nopjes met die aandacht, vrat zich ziek door niets te weigeren en werd echt dikker, kwam strak in zijn uniform te zitten, wat Sint-Theunis in vervoering bracht en hem telkens deed zeggen: 'Zal ik je eens wat zeggen, varken van m'n, aanstonds moeten me een ander kot voor je maken.' Ze waren trouwens de beste vrienden van de wereld geworden. En als de ouwe in de buurt zaken ging doen, ging de Pruis uit zichzelf met hem mee, alleen al voor het genoegen bij hem te zijn. Het weer was vreselijk, het vroor dat het kraakte, en de verschrikkelijke winter van 1870 leek alle plagen in één keer over Frankrijk los te laten. Vader Theunis, die zaken al vroeg voorbereidde en van gelegenheden profiteerde, voorzag dat hij voor het voorjaar mest te kort zou komen, en kocht die van een buurman, die er te veel van had. Afgesproken werd dat hij elke avond met zijn kiepkar een lading mest zou komen halen. Dus begaf hij zich elke dag bij het vallen van de avond op weg, naar de boerderij van de Haules, een halve mijl verderop, altijd in gezelschap van zijn varken, en elke dag was het weer een feest om het dier te voeden. De hele streek kwam daar naartoe zoals ze zondags naar de hoogmis gingen. Maar de soldaat begon achterdocht te koesteren, en als er te hard gelachen werd, rolde hij onrustig met zijn ogen, waarin soms een vlammetje van woede ontstak. Welnu, toen hij op een avond zijn buikje rond had gegeten, weigerde hij verder nog een hap door te slikken. En hij probeerde op te staan om weg te gaan. Maar Sint-Theunis hield hem met zijn arm tegen, legde hem zijn beide stevige handen op de schouder en duwde hem zo ruw weer terug dat de stoel onder de man brak. Een stormachtige vrolijkheid barstte los, Theunis raapte stralend zijn varken op, deed net alsof hij het verzorgde om het te genezen en verklaarde vervolgens: 'Als je dan niet meer wilt eten, dan zul je drinken, nondeju!' En ze gingen brandewijn in het café halen. De soldaat rolde woest met de ogen, maar hij dronk toch, hij dronk zoveel hij maar kon, en Sint-Theunis hield hem bij, tot groot vermaak van de aanwezigen. De Normandiër, rood als een tomaat, met de blikken ontvlamd, vulde de glazen, klonk en brulde 'Proost!' en de Pruis sloeg zonder een woord te zeggen stuk voor stuk de glazen cognac achterover. Het was een strijd, een veldslag, een revanche! Wie het meest kon drinken, potverdorie! Ze konden geen van beiden meer toen hun liter op was. Maar geen van beiden was winnaar. Het was een nek-aan-nekrace, punt uit. Ze moesten de volgende dag maar opnieuw beginnen! Wankelend liepen ze naar buiten en gingen op weg, naast de kiepkar met mest die langzaam door de beide paarden werd getrokken. De sneeuw begon te vallen, en de maanloze nacht verlichtte triest met zijn doodse bleekheid de vlakte. Kou beving beide mannen, waardoor hun dronkenschap verergerde, en Sint-Theunis, die er de pest over in had dat hij niet had gewonnen, vermaakte zich door met zijn schouder zijn varken optaters te verkopen om hem in de greppel te doen belanden. De ander vermeed die aanvallen door hem te ontwijken, en telkens sprak hij een paar woorden Duits op geërgerde toon die de boer deed schaterlachen. Ten slotte werd de Pruis boos, en op het moment dat Theunis hem weer een nieuwe stoot wilde verkopen, reageerde hij met een vreselijke vuistslag die de reus aan het wankelen bracht. Opgehitst door de brandewijn greep de oude man de jongen vervolgens bij de armen, schudde hem even door elkaar zoals hij dat gedaan zou hebben bij een kind, en smeet hem vervolgens in één keer naar de overkant van de weg. Tevreden over deze prestatie sloeg hij vervolgens de armen over elkaar en begon weer te lachen. Maar de soldaat kwam bliksemsnel overeind met ontbloot hoofd, want zijn helm was weggerold, trok zijn sabel en wierp zich op vader Theunis. Toen hij dat zag, pakte de boer zijn zweep in het midden, zijn grote zweep van hulst, recht, sterk en soepel als een bullepees. De Pruis kwam er aan, met gebogen voorhoofd, het wapen in de aanslag, van plan te doden. Maar de oude man greep met zijn volle hand de kling waarvan de punt zijn buik dreigde te doorboren, duwde haar aan de kant en sloeg zijn vijand keihard met het handvat van de zweep op de slaap, waarop deze aan zijn voeten ineenzakte. Geschrokken en verstomd van verbazing bekeek hij dat lichaam dat eerst nog schokte met stuiptrekkingen en vervolgens roerloos op de buik bleef liggen. Hij boog zich voorover, draaide hem om, bekeek hem even. De man had de ogen dicht, een straaltje bloed stroomde uit een wond naast zijn voorhoofd. Ondanks de nacht zag vader Theunis de bruine vlek van dat bloed op de sneeuw. Hij bleef daar staan en raakte de kluts kwijt terwijl zijn kiepkar gewoon doorreed, op de rustige stap van de paarden. Wat moest hij doen? Hij zou worden gefusilleerd! Ze zouden zijn boerderij in brand steken, ze zouden het dorp verwoesten! Wat te doen? Wat te doen? Hoe moest hij dat lichaam verbergen, de dood verbergen, de Pruisen een loer draaien? In de verte hoorde hij stemmen, in de grote stilte van de sneeuw. Toen raakte hij in paniek, raapte de helm op, zette die weer op het hoofd van zijn slachtoffer, pakte hem vervolgens bij het middel, tilde hem op, rende met hem weg, haalde zijn span in en wierp het lichaam op de mest. Thuis zou hij wel verder zien. Hij liet stapvoets rijden, brak zich het hoofd, kwam op niets. Hij zag en voelde zich verloren. Hij reed het erf op. Er brandde nog licht bij een dakraam, zijn dienstmeid sliep nog niet. Daarop liet hij meteen zijn kar achteruitrijden tot de rand van de mestput. Hij bedacht dat als hij de lading zou lossen, het lichaam dat erop lag onder in de kuil zou vallen. En hij liet de laadbak kieperen. Zoals hij had voorzien werd de man onder mest bedolven. Theunis platte de hoop met zijn greep en plantte die toen in de grond ernaast. Hij riep zijn knecht, beval zijn paarden in de stal te zetten en ging naar zijn kamer. Hij kroop in bed, nog altijd nadenkend over wat hij nu moest doen, maar er kwam geen idee bij hem op en zijn angst werd in de onbeweeglijkheid van het bed alleen maar groter. Ze zouden hem fusilleren! Hij zweette van angst, hij klappertandde, rillend stond hij op, omdat hij het tussen de lakens niet meer uithield. Hij ging naar de keuken, pakte de fles met zuiver nat uit de kast en ging weer naar boven. Hij dronk twee grote glazen achter elkaar, waardoor er een nieuwe dronkenschap over de oude heen kwam te liggen, zonder de angst uit zijn ziel weg te nemen. Dat had hij toch even mooi gedaan, godvergeten imbeciel dat hij was! Hij ijsbeerde nu door zijn kamer, zocht listen, verklaringen en trucs, en af en toe spoelde hij zich de mond met een slok afbijt om zich een hart onder de riem te steken. En hij kwam op niets. Volstrekt op niets. Tegen middernacht begon zijn waakhond, een soort halve wolf die hij Bijter noemde, te janken dat het niet mooi meer was. Vader Theunis ging dat door merg en been en telkens als het dier weer zo'n onheilspellende, lange klaagzang aanhief, doorvoer de oude man een rilling van angst. Hij had zich op een stoel laten vallen, met lood in de schoenen, verdoofd, aan het eind van zijn krachten, angstig afwachtend tot Bijter weer met zijn klacht zou beginnen, en geschokt door zo'n plotselinge schrik, zo erg dat je zenuwen ervan gaan trillen. De klok beneden sloeg vijf. De hond hield maar niet op. De boer werd er gek van. Hij stond op om het dier te gaan losmaken, om het niet meer te hoeven horen. Hij ging naar beneden, deed de deur open, en liep de nacht in. De sneeuw viel nog altijd. Alles was wit. De gebouwen van de boerderij vormden grote donkere vlekken. De man liep naar het hondenhok. De hond trok aan de ketting. Hij maakte hem los. Toen sprong Bijter weg, bleef vervolgens met de haren overeind staan, de poten recht, de tanden in de wind, en de snuit naar de mesthoop gericht. Sint-Theunis stond van kop tot teen te beven en stamelde: 'Wat mankeert je toch, rothond?' en hij deed weer een paar stappen naar voren, doorzocht met zijn blik het vage duister, het vale duister van het erf. En toen zag hij een gestalte, een menselijke, gezeten op zijn mesthoop! Hij bekeek dat, aan de grond genageld van afgrijzen, hijgend. Maar plotseling zag hij vlak bij zich de steel van zijn in de grond geplante greep, trok die eruit, en in zo'n bevlieging van angst waardoor zelfs de lafste mensen roekeloos worden, rende hij eropaf, om te kijken. Hij was het, zijn Pruis, besmeurd uit zijn sponde van uitwerpselen opgerezen, die hem had verwarmd en bijgebracht. Hij was automatisch gaan zitten, en bleef daar zitten, in de sneeuw die hem bepoederde, nog versuft van dronkenschap, verdoofd van de klap en uitgeput van zijn wond. Hij zag Theunis, en te afgestompt om iets te begrijpen, maakte hij aanstalten om op te staan. Maar de oude man begon zodra hij hem had herkend als een dol beest te schuimbekken. Hij stamelde: 'Zo, varken! Varken toch! Jij bent niet dood! Maar nu zal je me zeker aangeven... wacht even... wacht even!' Hij stortte zich op de Duitser, wierp met alle kracht die hij in beide armen had zijn opgeheven mestgreep als een lans, en stak de vier ijzeren punten tot de steel in de borst. De soldaat viel achterover op zijn rug, slaakte een lange stervenszucht, terwijl de oude boer zijn wapen uit de wonden trok, en het steeds maar weer in de buik stak, in de maag, in zijn keel, toeslaand als een bezetene, dat nog kloppende lichaam van kop tot teen doorborend, waaruit het bloed in grote gutsen naar buiten stroomde. Toen hield hij op, ademloos van het geweld van zijn klus, haalde diep adem en werd weer rustig van de gepleegde moord. Toen kraaiden de hanen in de kippenhokken en omdat het dag ging worden, ging hij aan het werk om de man te begraven. Hij groef een gat in de mest, stuitte op grond, ging nog dieper, in een opwelling van kracht wanordelijk werkend, met woeste bewegingen van zijn armen en zijn hele lijf. Toen het gat diep genoeg was, rolde hij het lijk erin met de mestgreep, gooide er weer aarde op, stampte die goed aan, legde toen de mest weer op zijn plek en glimlachte toen hij het dikke pak sneeuw zag dat zijn karwei afmaakte en sporen wiste met zijn witte sluier. Toen stak hij zijn greep weer in de mesthoop en ging naar huis. Zijn nog halfvolle fles brandewijn was op tafel blijven staan. Hij leegde haar in één teug, wierp zich op zijn bed en viel diep in slaap. Hij ontwaakte nuchter, met rustige, heldere geest, in staat het geval te overpeinzen en te voorzien wat er nu ging gebeuren. Na een uur rende hij door het dorp en vroeg overal bescheid over zijn soldaat. Hij ging naar de officieren om te horen, zo verklaarde hij, waarom ze hem zijn man weer hadden afgenomen. Omdat ze op de hoogte waren van hun band werd hij niet verdacht, en hij leidde zelfs de zoektochten, waarbij hij beweerde dat de Pruis elke avond achter de meiden aanging. Een oude gepensioneerde gendarme, die in een naburig dorp een herberg had, en een mooie dochter, werd gearresteerd en gefusilleerd. |
Het verhaal gaat dan verder.
|
![]() |
". . . Het bestaat reeds," vervolgde Sint Antonius, die niet wilde horen. |
"Zeker, in mijn temptaties heb ik veel tweeslachtige monsters gezien; niet alleen wezens, die half vrouwen half slang of vis waren, maar die nog veel onsamenhangender in elkaar zaten; zoals b.v. mannen, wier lichaam gemaakt was van een ketel, een bel, een klok, een buffet, gevuld met eten en vaatwerk, of zelfs van een huis met deuren en vensters, waardoor men mensen kon zien, die hun huiselijke bezigheden verrichtten. De eeuwigheid zou niet voldoende zijn, als ik al de monsters mocht beschrijven, die mij in mijn eenzaamheid overvallen hebben, vanaf de walvissen, opgetuigd als schepen, tot de regen van rode beestjes, die het water van mijn bron in bloed veranderden. Maar niets was zo afgrijselijk als deze harpijen, die met hun uitwerpselen de bladeren van mijn schone vijgeboom verbrandden." |
"Spreken wij niet meer over de vervloeking van Eva," sprak de Heer. "De tweede Eva heeft de eerste losgekocht." De discussie gaat nog verder, ook al is er veel onenigheid.
Uiteindelijk besluit God de pinguïns een ziel ook al is het een kleine te verlenen, en enige menselijke trekken. |
| Het boek zal nauwelijks meer gelezen worden. Ik trof het aan in het magazijn van de afdeling kinderboeken (!) van de plaatselijke bibliotheek. Door de vele klassieke verwijzingen is het voor een moderne lezer, zelfs met een gymnasiale opleiding, al niet meer te volgen. Laat staan dat het een kinderverhaal zou zijn. Maar ja, sprekende dieren, dat doet al snel aan Disney denken. |
![]() |
[49] [Met] het tijdschrift opengeslagen op zijn handen, zocht hij naar de illustraties en naar de titels van de bijbehorende artikelen. Er was iets bij over Polynesiërs en andere wilden; over beelden op het Paaseiland, treffend geïllustreerd; over oude gebruiken op het eiland Guernsey; tenslotte begon het bladeren hem te vervelen, en hij raadpleegde de inhoudsopgave achterin. Van de titels was er één rood aangestreept: 'Über die physiologischen Vorbedingungen der Versuchung des heiligen Antonius', en de schrijver was 'A. Caroli, Arzt'. |
| Verbaasd over deze vondst, bladerde hij nu haastig terug, hoewel een stem hem zei, dat hij zich met dit artikel misschien beter niet in kon laten; maar het artikel, dat acht bladzijden telde, bleek er in zijn geheel uitgescheurd te zijn. Alleen een der illustraties was overgebleven: de reproductie van een schilderij van de hand van een hem onbekende meester. [50] De heilige Antonius zat daar in rust of in aanbidding, omspeeld door veelsoortige monsters en toestellen, naast zich de snuit van een varken, dat er nogal onnozel uitzag. |
|
| Eerste hallucinatie [26] Plotseling stond hij stil. Een der berken aan zijn rechterhand, ongeveer vijf meter voor hem uit, had zijn aandacht getrokken. Het was of iemand hem daar stond te bespieden. Even later zag hij, dat het een vrouw was, die zich half achter de berk verborgen hield: een wit gezicht, en verder alles donker, als omzwachteld, zonder dat men de afscheiding zag van rok en mantel, of ook maar een blote hand. Verplaatste hij zich, dan verplaatste zij zich mee, ongeveer zoals eekhoorns doen, die langs een boomstam in dezelfde richting draaien als waarin de belager zich beweegt. Toch had hij de indruk, dat de gedaante op een of andere wijze met de stam vergroeid was. Of het witte gezicht naar hem keek, kon hij niet zeggen. Hij was niet bang. Ongeduldig geworden wilde hij naar de berk toelopen, en toen was opeens alles weg. Daarna liep hij nog om de boom heen, maar zag niets meer, ook geen voetsporen in de sneeuw. Wat was het geweest? Hij geloofde niet in het bovennatuurlijke. Had iemand zich achter de boom verstopt, dan had hij haar moeten zien. De gedaante was kleiner geweest dan hijzelf, en zeker een vrouw. Toen hij zijn weg vervolgde, begon er een zachte fluittoon in zijn oren te klinken, een hoog, verbaasd geluid, dat aanzwol en weer verdween. Vermoedelijk was hij dus toch wel bang geweest. |
En een wat vage parallel met het Leven van Antonius wordt gevormd door het overlijden van de echtgenote van Olivier, wat de uiteindelijke oorzaak zou zijn voor het optreden van zijn hallucinaties, een traumatisch ervaring die enigszins overeenkomt met het overlijden van de ouders van Antonius, wat voor hem het begin was van (en wellicht de aanleiding voor) zijn ascetische loopbaan. |
| Na tien minuten had hij zonder verdere moeite de hoofdweg bereikt, en het dorp scheen hem zo vlug mogelijk kwijt te willen, want nog tien minuten later zat hij al in de autobus, op weg naar het station. Hij besloot aan het voorval geen waarde te [27] hechten. Na zoveel wit, in een bos, zag men iets zwarts. Dit was zo weinig ongewoon, dat hij erin slaagde de verschijning vrijwel te vergeten,niet geheel: bij tijden dacht hij er nog wel eens aan, als aan een voorval dat men als oude man aan zijn kleinkinderen vertelt, sterk opgesmukt, en zonder er zelf nog in te geloven. Na de dood van zijn vrouw was het volledig uit zijn herinnering verdwenen. | |
| Alles wat denkbaar is bezit in de mate van die denkbaarheid ook een zekere graad van realiteit. Ik bedoel nu niet, dat de mensen door generaties lang aan de duivel te geloven tenslotte de duivel te voorschijn hebben geroepen, hoewel dat uiteraard óók mogelijk is, ik bedoel eenvoudig het feit van de denkbaarheid: zelfs wanneer niemand eraan zou denken. Maar verder weet ik van de duivel niets af.' 'Uw zoon vertelde mij, dat u hem als jongen uw staart en uw hoeven heeft laten zien.' Nu de vrede getekend was, had hij geen reden meer om Caroli onaangenaam te zijn, en de mededeling over de staart en de hoeven had hij uitsluitend gedaan om het onzinnige ervan in het licht te stellen, of zelfs om er zich samen met zijn gastheer vrolijk over te maken. Maar de uitwerking was geheel anders. Caroli richtte zich op, balde de vuisten, en stiet zo'n verschrikkelijke vloek uit, dat Olivier nauwelijks naar hem durfde te kijken. Hij snauwde: 'Spreek me niet over dat individu,' en er kwamen woorden als 'ploert', 'pooier', en zelfs 'duivelskind'. |
Wat door Vestdijk misschien bedoeld is als een overeenkomst, maar wat het toch eigenlijk niet is, dat zijn de hallucinaties waaraan Olivier lijdt. Olivier weet namelijk altijd dat het hallucinaties zijn, die iets met een duivel te maken zouden kunnen hebben, of waar duiveltjes in optreden, maar waar hij toch niet echt in gelooft. Het zijn daardoor wat loze vertoningen, zelfs wel wat amusant, zonder verdere betekenis. Terwijl de visioenen en zinsbegoochelingen van Antonius voor hem (en voor zijn tijdgenoten) een tastbare realiteit waren, waarvan de duivel de oorzaak en de schuldige was. Zo sloegen de demonen Antonius met de zweep waar hij lichamelijke striemen aan overhield. De demonen veroorzaakten ook wel hallucinaties, ze namen andere gestalten aan, maar ook die hadden vaak een zeer realistisch karakter; en waren daardoor juist gevaarlijker dan hallucinaties die als zodanig te herkennen waren. |
| Duiveltjes [64] Zo vlug hij kon begaf ook Olivier zich naar de uitgang. Toen hij voor het laatst nog eens naar boven keek, ontdekte hij iets schokkends. Langs twee van de kariatiden, die het balkon droegen, klommen duiveltjes naar boven. Het waren glinsterende groene kereltjes met vrij korte staarten, die elkaar met hoekige gebaren aanmoedigden; zij waren naakt, voor zover dit groene [65] oppervlak naakt kon heten; hun kopjes waren heel klein. Twee van hen hielpen elkaar. Hij meende de enige te zijn die erop lette; op het allerlaatst zag hij nog, dat het eerst aangekomen duiveltje op de partituur van Rutman hurkte om haar te bevuilen. [127] Hem vielen twee dingen op: dat het nauwelijks met rumoer gepaard ging, al hoorde hij wel eens stemmen, en dat de satanische indringers hem niet in zijn leven of werk hinderden anders dan door hun aanwezigheid. Ook in zijn dromen vertoonden zij zich niet; het was of zij dan van hun spelen uitrustten, of wellicht was hij zelf moe. Maar wat wilden ze? Hem krankzinnig maken, voor zover hij het al niet was? De verklaring leek te goedkoop. Hoewel hij dokter Caroli niet meer als de aanstichter beschouwde, bleef toch het feit van het getekende contract. Waar had hij zich toe verplicht, of wat had hij bezworen of afgezworen? Had hij zijn ziel verkocht? Hij wist niet eens, of het mogelijk was iets te verkopen, dat zo schimmig was, en tevens zozeer met hemzelf verweven, als zijn eigen ziel; en bovendien had hij dan toch iets in ruil moeten krijgen. |
Terwijl bij Antonius de demonen meestal niet als zodanig te herkennen zijn (juist omdat ze een andere gestalte aannemen om de mysticus te misleiden), nemen ze bij Olivier juist een zeer herkenbare gestalte aan, zijn het pesterige groene wezentjes met een staart en zo, die links en rechts hun behoefte doen. Het zijn dan ook eerder Middeleeuwse figuurtjes, die lijken op gargouilles, de monsterlijke waterspuwers die Gotische kathedralen versieren. |
![]() |
[128] Maar er was geen contact met hen mogelijk, en de manier, waarop zij alles bevuilden, bewees wel, dat zij tot de lagere vormen van leven of schijnleven behoorden, waarmee niets was aan te vangen. Ook het vuil was schijnvuil. Als zij wilden, losten zij op in de lucht; in het donker verspreidden zij een zachtgroen schijnsel. [129] Die ochtend nu, terwijl Frederik hem voor de tweede maal thee inschonk, nam hij een stuk brood en hield dat vlak voor het gezicht van het duiveltje, dat het dichtst bij hem stond, een vrij groot kereltje, met een staart die tot op de vloer hing. Hij voelde hoe het brood tegen het kopje stuitte, en wachtte af. |
| Beet het mannetje erin, dan had hij er een zekere macht over verkregen, en zou het misschien verder kunnen africhten; bleek er een stuk uit het brood gehapt te zijn, dan was er een tastbaar contact tot stand gekomen met het demonenrijk, een contact dat ongetwijfeld gevaren met zich bracht, maar dat ook de mogelijkheid opende om zich te verweren, wanneer het volkje kwaad wilde. Dan gaf hij ze bijvoorbeeld rattenkruit te eten. Beminnelijke gedachte! Half vermaakt keek hij toe hoe het monstertje de kop schudde om het brood te vermijden, hoe zijn hand dus meeschudde met die beweging, en hoe het duiveltje het toch vertikte om een stap achteruit te gaan. Frederik keek naar zijn schuddende hand. 'Je zou zeggen, dat u een hond voert, meneer,' zei Frederik op lijmerige toon, een echte ontbijttoon, want Frederik had last van morgenziekte. |
|
| Engeltjes [100] Juist keek hij weer eens naar de wolkenlaag beneden hem, die zich tot ver in Duitsland moest uitstrekken, toen zijn aandacht getrokken werd door iets onverklaarbaars. Eerst meende hij, dat grote, witte en nogal eigenaardig gevormde vogels het vliegtuig vergezelden, en hij onderscheidde ook wel vleugels, of vleugeltjes, maar het was toch iets anders. De vleugels bewogen zich niet, of maar hoogst zelden, en die ze droegen waren geen vogels, doch zag hij goed? kleine kinderen, elk op een wolkje gezeten, in witte hemdjes, die vrij veel van het rose vlees bloot lieten. |
Hetzelfde geldt ook voor de engeltjes die Olivier tijdens de vlucht met een vliegtuig waarneemt, welke meer een soort cherubijntjes zijn, naakte kindertjes met vleugeltjes, dus ook Middeleeuwse figuurtjes, terwijl de Bijbelse engelen eerder uit de kluiten gewassen mannen zijn, met flinke vleugels. |
Cherubini, Raphael |
Zij waren duidelijk te zien, zij zaten allemaal bovenop het wolkendek, niet half erin, en zij gleden langzamer voorbij dan wanneer zij geheel in rust waren geweest. De wolken hadden uit zichzelf dus een zekere snelheid. Voor zover dit was na te aan, keken zij recht voor zich uit, nooit naar boven. Van deze engeltjes zag hij er telkens vijftien tot twintig tegelijk, en zij schenen zich uitsluitend op de weg van het vliegtuig te bevinden; verderop, waar zij nog maar de grootte van stipjes zouden hebben gehad, zag hij er geen een. |
| Het varken [168] Toen hij op zijn kamer licht maakte, zag hij in een hoek bij het raam een varken liggen. Het dier lag zacht knorrend op zijn zij en hield de rose oogleden gesloten; het was even vuil als het andere, echte varken, dat in een der bijgebouwen huisde, en ook even groot en even vet: een bijzonder geslaagd duplicaat, waar hij verder wel niet veel last van zou hebben. Was het er de volgende ochtend nog, dan zou hij kunnen controleren of het andere in het hok lag. Behoedzaam naderde hij, en zei: 'Zo, ben jij daar ook,'het varken knorde alleen maar. Toen had hij ineens zin in een experiment. Na op een stoel geklommen te zijn, haakte hij de vooroverhellende spiegel van de muur, waarbij veel stof en kalk naar beneden kwam, zette hem op de grond, en richtte hem dusdanig dat hij het varken erin weerkaatst zou moeten zien. Inderdaad lukte dit zonder enige moeite, al was het glas erg verweerd. |
Op het hoogtepunt van de ziekte van Olivier verschijnt er een varkentje in zijn kamer. Dat ligt daar maar zo'n beetje, een paar weken of zo, maar is dan opeens verdwenen. En juist door die verdwijning realiseert Olivier zich dat hij genezen is. |
| [169] De volgende ochtend lag het varken nog op dezelfde plek. Het was zonder enige twijfel een hallucinatie. Niet alleen dat het echte varken op zijn plaats bleek te zijn, aan de naaister, die zijn ontbijt bracht,wat ze gewoonlijk twee keer in de week deed, wanneer ze niet uit werken ging,was ook niets bijzonders te bespeuren, al zou zij er zeker twee minuten over gedaan hebben alvorens het zien van het varken om te zetten in de notie van iets ongewoons. [215] Neuriënd stond hij op, en het eerste wat hij zag was dat het varken niet meer in de hoek van de kamer lag. Dit was vreemd, en zelfs ietwat teleurstellend, want hij was aan het dier gehecht [216] geraakt: een van zijn weinige visioenen die zich fatsoenlijk hadden gedragen. Maar misschien kwam het terug. [216] Het varken had hij dadelijk doorzien: het varken had in overeenstemming daarmee gehandeld: het varken was weg. Of betekende dit nog iets anders? Betekende het soms, dat hijzelf veranderd was? Had de beslissende gebeurtenis van deze nacht iets bewerkstelligd, iets weggevaagd? Was hij genezen, of bezig te genezen? |
|
| Zoals natuurlijk duidelijk wordt uit het bekijken van de meerderheid der afbeeldingen van Antonius, is een varken zijn trouwe metgezel. Maar het varken heeft pas laat deze rol gekregen, ook zo ongeveer, mogen we aannemen in de Middeleeuwen, maar wat belangrijker is in dit verband, Antonius is op die afbeeldingen dan al een oude man, dus zoals dat picturaal uitgedrukt wordt is het varken pas zijn metgezel geworden ná zijn Verzoeking, toen hij de strijd met de Duivel al gestreden had, toen hij dus weer normaal was, of misschien mogen we zelfs zeggen paranormaal. Het varken was in ieder geval geen onderdeel van demonische zinsbegoocheling. | |
![]() |
Samenvattend kunnen we dus stellen dat Vestdijk zo'n beetje te hooi en te gras wat elementen uit de Middeleeuwse verbeeldingen van het Antonius verhaal heeft gebruikt (en Middeleeuwse verbeeldingen uit andere bronnen), maar zonder diepgaande parallellen tussen Oliviers belevenissen en die van de oorspronkelijke Antonius te creëren. Zonder dus iets nieuws bij te dragen aan de moderne persoon Olivier die een klassieke verzoeking zou ondergaan of iets nieuws te zeggen over de persoon Antonius in het licht van de opvattingen en kennis van de moderne tijd. En net als de duiveltjes en cherubijntjes en andere zinsbegoochelingen voor Olivier zelf geen echte betekenis hebben maar hooguit een zekere amusementswaarde, zo is ook voor de lezer Een moderne Antonius niet veel meer dan entertainment. De titel van het boek doet meer verwachten (voor iemand die Het Leven van Antonius kent) dan erin waargemaakt wordt. |
| De Kwellingen van de H. Antonius. Een paneel [25 x 22 cm], dat in 1830 werd gevonden bij de afbraak van de stadswal in Utrecht en in bezit kwam van het Utrechts Museum. Het schilderij is waarschijnlijk van een navolger of tijdgenoot van Jeroen Bosch. Het 'toeval' wil dat Jeroen Bosch' geboortehuis "In Sinte Anthonis" heet. |
|
| Mieke Maaike's o/øscene jeugd. Louis Paul Boon. Amsterdam, 1972. |
![]() |
Antonius de asceet wordt in dit boekje bespot. Boon, de iconoclast, doet hier denken aan Félicien Rops. En beide zijn ongetwijfeld geïnspireerd door Flaubert. Maar Boon gaat toch weer een stap verder. Boon, geboren te Aalst, moet zeker ook beelden van Antonius in de kerk aldaar hebben gezien, maar hoe hij met heiligenbeelden omging, blijkt uit het volgende:
|
| I.v.m. mogelijk ongewenst bezoek aan de site door gegoogle op bepaalde woorden, heb ik hier scans gebruikt en in de titel de spelling gewijzigd. | |
|
Als Antonius het boekje had kunnen lezen, zou hij het als het werk van de duivel hebben beschouwd.
De twee citaten hieronder geven al enigszins de toon aan van het boekje, dat uitsluitend gaat over de se+vele avonturen van een meisje tussen de 11 en 18 jaar oud met veelal getrouwde oudere mannen. Een verhaal dat nu, anno 2009, nauwelijks nog gepubliceerd zou kunnen worden. |
|
| Citaten van pagina's 57 en 93. | |
![]() |
![]() |
| Naast Flaubert en Rops, doet het toch ook denken aan de cantate van Frederick Forrest, St. Antonius en zijn Varken, hierboven in zijn geheel weergegeven, en hieronder een fragment. | |
Zie ook De Verzoeking van de Heilige Antonius van Félicien Rops op deze pagina. |
![]() |
| Merlijn. Michel Rio; vert. door Nelleke van Maaren. Rotterdam, 1997. |
![]() |
Antonius komt slechts kort voor in de legende van Merlijn, zoals die door Rio verhaald wordt, maar ik vind het toch interessant om fragmenten van dit verhaal (een sprookje haast) hier weer te geven, omdat ik er iets in terugvind van mijn eigen voorstelling over een versmelting van Antonius wiens verhaal en beeld uit Egypte naar Europa zijn overgewaaid en die vervolgens is versmolten met een legendarische lokale tovenaar van een Merlijn-achtige gestalte en reputatie. Het verhaal, zoals het door Rio verteld wordt, speelt zich af in de 5e eeuw. In het jaar 493, als hij al zon 50 jaar oud is, trekt Merlijn zich terug in zijn grot, waar hij verder het grootste deel van zijn leven zal doorbrengen, en waar hij ook zit als hij terug blikt op zijn honderdjarig leven. |
Afgezien van het feit dat Antonius expliciet door deze Merlijn genoemd wordt, zijn er meerdere overeenkomsten (al dan niet opzettelijk door Rio in het verhaal vervlochten).
In dit verhaal is hij nogal Christelijk, hoewel dat nergens expliciet wordt gesteld, maar de opmerking op p. 115 over het bijgeloof van de oude druïden dat Merlijn bij Viviana bespeurt, impliceert dat wel enigszins. |
| Op pagina 102 is Merlijn in het woud, waar hij Viviana, zijn aanstaande minnares ontmoet. Zij was duidelijk ... in moeilijkheden. Ze was bleek, maar hield zich kranig en toonde geen spoor van angst. Vlak voor haar stond een everzwijn, een monsterlijke solitair met vlijmscherpe slagtanden en een vacht vol bloed dat gutste uit een wond die zijn moordlust alleen maar aanwakkerde, dat aanstalten maakte met heel zijn logge, compacte massa op haar af te stormen. Ik stelde me tussen hem en de jageres en begon, zonder verder een beweging te maken, tegen het redeloze dier te praten: 'Ik weet, zwijn, dat je je op je eigen terrein bevindt en dat je aangevallen en gewond bent zonder je aanvaller te hebben uitgedaagd of beledigd. Het is dus niet meer dan rechtvaardig dat je je verdedigt tegen de grillen en willekeur van een soort die van moord en doodslag een genoegen en een spel heeft gemaakt om in vredestijd die onverzadigbare lust tot doden te bevredigen die hen er in oorlogstijd toe drijft elkaar te doden. Maar bezie de situatie nu eens met een stoïcijnse blik. |
![]() |
| Bedenk dat een zuiver filosofische overwinning boven alles te verkiezen is, ook boven de matige eer die je kunt inleggen met een moord op een zo broos schepsel. Jij bent sterk en machtig, en de grootste deugd van de sterke is nu eenmaal de juiste combinatie van minachting en mildheid te betrachten ten opzichte van de zwakkere die, juist vanwege zijn zwakheid, in woede is ontstoken en zijn verstand heeft verloren. Zie dus af van je rechtvaardige wraak en lever je belachelijke beul over aan de ergste vernedering, de morele nederlaag namelijk, die des te pijnlijker is voor het geweten - hoe leeg of verdorven ook - omdat die les hem wordt geleerd door een wezen zonder ziel, als wijst de materie de geest de weg naar adeldom en grootmoedigheid.' Op dat moment draaide het everzwijn, dat zijn aanval had opgeschort omdat hij was geïntrigeerd door de modulaties van mijn stem, zich om en draafde op een sukkeldrafje weg. Achter me hoorde ik lachen en ik keerde me om. Het meisje kwam naderbij. 'Ik dank u, heer Merlijn, dat u mij hebt gered, al ben ik van mijn leven nog niet zo beledigd. Ik merk dat alles waar is wat ik over u heb gehoord en dat u zowel de wilde dieren als hun prooi in uw ban kunt brengen en overtuigen.' |
|
| Op pagina 111 trekt Merlijn zich terug uit de wereld. |
|
![]() |
Ik haalde een armvol takken en bladeren en ging de grot binnen. Hij was schoon en droog. Tegen de achterwand maakte ik een legerstede waarover ik een paar bontvellen gooide en waarop ik me vervolgens uitstrekte. De maan verscheen in de grotopening en wierp haar kille licht naar binnen. Opeens werd zij bijna verduisterd door een lange, gracieuze gestalte, omgeven door een aura dat iets had van vergane glorie. Viviana strekte zich naast me uit. Met geveinsde strengheid zei ik: 'Dus al in het eerste uur van mijn kluizenaarsbestaan achtervolg je me als een wereldse verzoeking en breng je me in de situatie van Antonius van Heracleopolis die tegen de schijngestalten van het vlees moest vechten.' [Heracleopolis ligt vlak bij Coma, de veronderstelde geboorteplaats van Antonius.] 'Laat me nog een paar uur bij je blijven. Tot de ochtend. Tot de ochtend maar.' 'Dat is langer dan je nodig hebt om te overwinnen.' Ik omhelsde haar en vervolgde: 'Als Antonius de anachoreet met zo'n verzoeking zou zijn geconfronteerd was hij bezweken. En ik probeer er niet eens weerstand aan te bieden.' |
| En Viviana zorgde ervoor dat deze uren de hele nacht, de hele dag en een deel van de volgende nacht voortduurden. Ten slotte werden we door slaap overmand. Ik ontwaakte toen ik voelde hoe ze zich van mij losmaakte en de legerstede verliet. Ze liep naar de ingang van de grot en begon een vreemde bezweringsformule waarin ik de dubbelzinnige kennis van Cardeu vermengd met het bijgeloof van de oude druïden herkende. Ze riep de Gallische god Ogmios aan... |
|
| [114] Ik bestudeerde ook de dieren, en weldra vluchtten ze niet alleen niet meer voor me weg en aanvaardden mijn aanwezigheid, maar ze kwamen me zelfs tegemoet tijdens mijn wandelingen in het woud, op zoek naar voer, verlichting van de pijn die hun wonden veroorzaakten of alleen maar naar een vriendelijke aai. Net als ik vluchtten ze voor Viviana's onderdanen en maakten me daarmee los van mijn eigen soort, zoals de mensen zelf al eerder hadden gedaan, overigens vanuit heel andere sentimenten. Dat verschil, dat leegte en angst om mij heen had geschapen, bevolkte nu mijn eenzaamheid met wilde genegenheid. Sommige dieren, en niet de minste, klommen zelfs tegen de rotspunt op om de nacht in mijn grot door te brengen of daar hun heil te zoeken als de mensen van het meer een jachtpartij organiseerden. Niet zelden legde daarom een zwaar everzwijn of een groot hert zich aan de voet van mijn legerstede of waakte bij de ingang van de grot, na mijn groentemaaltijd te hebben gedeeld. De meest wilde en argwanende dieren, de wolf en de vos die aangehaald wilden worden als honden en mijn hand likten, brachten me soms zelfs vlees van een nog warme prooi dat ik beleefd weigerde. Ik praatte tegen allemaal en had de indruk dat ze dat prettig vonden. |
![]() |
| Ze waren in staat iets te bedenken, ergens naar te streven en lief te hebben, maar wat hen uitsloot van de wet van de moraal en hun bewustzijn tot de meest elementaire vorm beperkte was het feit dat ze niet van te voren hun eigen dood konden voorzien, omdat ze geen lering konden trekken uit die van anderen. Zo beleefden ze elke dag als een soort eeuwigheid, zonder nieuwsgierigheid of waarde, onderworpen als ze waren aan de oneindigheid van de cyclus. En ik beschouwde deze verwantschap tussen een eeuwigheid die ontstaat uit het onbewust-zijn en de Eeuwigheid die het absolute bewustzijn van de mens zich voorstelt als een wrede overbodigheid van het verstand. |
|
| Voor een kluizenaar, Hein Stufkens. |
| Uit zijn verzamelde gedichten: Een woord in de wind; 2007. |
Voor een kluizenaar |
| Opera |
| De Grote Verzoeking van Sint-Antonius | Louis De Meester | 1957 |
| De componist Louis De Meester (1904-1987) verwierf in 1954 de Italiaprijs in de categorie radio voor zijn radio-opera De Grote Verzoeking van Sint-Antonius, op tekst van Michel de Ghelderode. De Grote Verzoeking van Sint-Antonius is een werk waarin naast vocale en instrumentale ook gemanipuleerde electro-akoestische klanken aan bod komen. |
|
|
Deze radio-opera handelt over Sint-Antonius die in de duinen door zingende zeemeerminnen en duivels wordt belaagd. Om een droomwereld op te roepen, al dan niet met exotisch accent, gebruikt De Meester de timbres van akoestische instrumenten. Deze verwijzing naar het exotische heeft zijn wortels in zijn verblijf in Meknès, Marokko, waar hij in het Café de la paix jazzmuziek speelde. Helaas beschik ik (nog) niet over muziek of tekst, maar verwijs naar gegevens over een De Meester: De grote verzoeking van Sint-Antonius, Soli, BRTN-koor en orkest o.l.v. H. Rotman, Radio 3, R3 98006, 1998. Volledigheidshalve geef ik nog een link. |
La Tentation de Saint Antoine. 1915. Jules Pascin. |
![]() |
Bernice Johnson Reagon, stichtster van het a capella ensemble, Sweet Honey in the Rock schreef muziek en tekst voor de opera The Temptation of Saint Anthony. |
| Bernice Johnson Reagon heeft voor veel films muziek geschreven en gearrangeerd, zoals meest recentelijk voor vier films over de geschiedenis van de slavernij in de Verenigde Staten. De vormgeving en uitvoering stond onder leiding van regisseur Robert Wilson, bekend van eerdere producties als Einstein on the Beach en Hamletmachine. De première vond plaats in juni 2003 in Duisburg. |
|
![]() |
The Temptation of Saint Anthony werd geïnspireerd door het toneelstuk van Gustave Flaubert dat, zoals Wilson zegt, lang een bron van fascinatie voor hem is geweest. Voor Bernice Johnson Reagon was het een nieuw verhaal waar ze over zegt: Toen ik Flaubert door zijn manuscript leerde kennen, kreeg ik steeds eerbied voor hem. Hij stond zich in de 19de eeuw en gebruikte deze reis van de Heilige Antonius als een manier om een dialoog over geest en lichaam op te zetten, over wetenschap en godsdienst, over diversiteit en de capaciteit om goddelijkheid overal te zien. Om een idee te krijgen van de opvattingen van de producent, regisseur, en componist over Antonius vat ik de informatie samen die op hun sites te vinden is. En ik geef commentaar op de opvoering die ik zelf heb kunnen aanschouwen. |
| De Heilige Antonius wordt beschreven als een kluizenaar uit de derde eeuw die gevangen zit in een wereld van godsdienstige en politieke opschudding en verdeling. Zoekend naar waarheid door een leven van onthouding, heeft Antonius twijfels over zijn lotsbestemming en ervaart hij des te sterker de verleidingen van het vlees. Een rijk banket van voedsel verleidt hem tot gulzigheid; een visioen van de mooie Koningin van Sheba verleidt hem tot begeren; een jonge man, Adonis, kwelt hem met de genoegens van het vlees. Dit klinkt allemaal wat mooier dan het in beeld wordt gebracht. In feite zijn deze verlokkingen (voor mij althans) nauwelijk als zodanig op te merken. Het is alleen te zien aan de stereotype gebaren van afwering die Carl Hancock Rux van tijd tot tijd maakt. Ten slotte beginnend aan een zoektocht om zijn eigen weg te ontdekken en om uit te vinden waarom godsdienst zowel verdeelt als verenigt, komt hij er uiteindelijk toe om de diversiteit in een complexe wereld te waarderen. Hier blijkt weinig van. Eigenlijk is het ook zo dat een toeschouwer die niets van Antonius en/of niets van Flaubert's toneelstuk afweet, na afloop van de voorstelling hoogst waarschijnlijk geen idee heeft waar het nou eigenlijk over ging. Weet de toeschouwer wel iets van Antonius en/of Flaubert, dan zal hij zich verbazen over de wel zeer zwakke echo die in deze voorstelling daarvan terug te vinden is. Maar waar alle toeschouwers ongetwijfeld moeite mee hadden, is simpelweg het verstaan van de teksten. Er werd slecht gezongen, met meer kwantiteit (volume) dan kwaliteit. Eigenlijk werd maar één song met enig gevoel (en ook verstaanbaar) gezongen, en dat was "I knew the carpenter's son," door 'Ebonite', d.i. Charles Williams. Hij had ook voldoende gravitas. Het zou heel wat beter geweest zijn als hij de hoofdrol had mogen spelen i.p.v. Rux die eigenlijk alleen maar een zombie-achtige act gaf met verbijsterde blik in de ogen en zware volumineuze stem (maar geen gewicht). Wat wel vreemd is aan die song, "I knew the carpenter's son," is dat Ebonite, als we de tekst letterlijk nemen, zo'n 300 jaar oud zou moeten zijn. Zo zegt hij: "I grew up with him, We were the same age, We played together." Zou de librettiste Reagon niet weten dat Antonius leefde van 251-356 na Christus? Of moeten we maar aannemen dat ze het overdrachtelijk bedoelde? |
| Een klein filmpje geeft enige indruk. (Als het filmpje niet werkt, download gratis de Quicktime speler, of ga naar de site van de producent.) |
|
| De tekst van de song van dit filmpje geef ik hieronder weer: | |
| LONG, LONG WAY TO THE RIVER Ensemble/Band My jug is empty and Im thirsty and dry |
LANGE, LANGE WEG NAAR DE RIVIER Ensemble/Band Mijn kruik is leeg en ik ben dorstig en droog |
| De song hierboven is nogal 'spiritual'-achtig, zoals wel meerdere songs van deze opera. Het doet denken aan zo'n Amerikaans neger kerkje in het zuiden, met allerlei swingende en handenklappende Afrikaanse Amerikanen. Maar helaas, dit gezelschap swingde totaal niet. Qua inhoud is van deze song overigens niets terug te vinden in Flaubert. Hieronder heb ik nog een tekst en een paar songs opgenomen, die wel enige relatie lijken te hebben met het toneelstuk van Flaubert. |
||
|
THIS LIFE APART... IS BAD Hilarion This life apart... is bad. Anthony On the contrary! Man, being spirit, must withdraw from mortal things. All action degrades him. I could wish not to be attached to the earth not even by the soles of my feet! |
DIT LEVEN IN AFZONDERING... IS SLECHT Hilarion Dit leven in afzondering... is slecht. Antonius Integendeel! De mens, omdat die geest is, moet zich van sterfelijke dingen terugtrekken. Elke handeling haalt hem naar beneden hem. Ik zou wensen om niet aan de aarde gebonden te zijn - niet zelfs door de zolen van mijn voeten! (Hier zou dus moeten staan: de zolen van mijn schoenen! Zie hieronder) |
| Hier links zien we Rux als Antonius in één van zijn stereotype versteende houdingen zonder enige betekenis. |
||
| Maar waar ik me vooral aan stoorde waren zijn leren schoenen en zijn witte pyjama. Een asceet met schoenen aan! En een broek! Op een stoel! Je zou als excuus kunnen beweren dat het "moderne" vormgeving in het theater is, maar alle anderen droegen lange gewaden, en sommigen waren blootsvoets. |
||
| YOURE A HYPOCRITE! Hilarion/Anthony/Ensemble/Band Youre a Hypocrite! Sinking into solitude Youre a Hypocrite! Making up your own rules Youre a Hypocrite Sinking into solitude Torture is not the highest ground You think that denial is the way To reach the highest ground You think that spirit cannot rise When your body is earthbound So, you dont eat meat, You dont drink wine You dont surrender to love You spend every day denying yourself In service to God above Every night when you lay down to rest Your dreams and fantasies rise This journey you walk in the light of the day Is corrupted when you close your eyes |
JE BENT EEN HUICHELAAR Hilarion/Antonius/Ensemble/Band Je bent een Huichelaar! Verzinkend in eenzaamheid Je bent een Huichelaar! Je eigen regels verzinnend Je bent een Huichelaar! Verzinkend in eenzaamheid Marteling is niet het hoogste goed Je denkt dat de zelfverloochening de manier is Om het hoogste goed te bereiken Je denkt dat de geest niet kan opstijgen Wanneer je lichaam aan de aarde gebonden is Dus eet je geen vlees, Drink je geen wijn Geef je je niet over aan de liefde Breng je elke dag door met zelfonthouding In de dienst van God daarboven Elke nacht wanneer je gaat liggen om te rusten Komen je dromen en fantasieën op Deze weg die je gaat in het licht van de dag Wordt verdorven wanneer je je ogen sluit |
Het lied hierboven is ontleend aan de passage uit het toneelstuk van Flaubert, waarin de leerling van Antonius hem verwijt:
Maar in het stuk van Flaubert komt het woord 'huichelaar' slechts één keer voor, en is het verder ook ingebed in een geheel van werkelijke onthoudingen, wijsgerige en religieuze visioenen, en beschrijft het fraai de paradox van de asceet/mysticus die zich één soort genot wil onthouden het fysieke om een andere soort genot te bereiken het spirituele. |
|
| BRAHMANS SONG Brahman/Ensemble/Band Everything begotten will die, Everything dead must live again; Beings now vanished will come back to earth To serve others in pain Again and Again... Over and over again Again and again Over and over again Again and again Over and over again Again and again Over and over again Beings now vanished will come back to earth To serve others in pain Over and over Again I once lived in the tree behind me I fed on flowers and fruit Since existence stems from corruption, Corruption stems from desire, Desire stems from sensation, Sensation stems from contact, I fled all action, I fled all contact. I fled all action, I fled all contact Everything begotten will die... By the very fact that I know a thing That thing ceases to existence. For me there is now no hope For me there is now no anxiety, For me there is now no happiness, For me there is no virtue, Neither night nor day, Nor you nor me Absolutely nothing. I fled all action, I fled all contact I fled all action, I fled all contact |
HET LIED VAN DE BRAHMAAN Brahmaan/Ensemble/Band Alles dat geschapen is zal sterven, Alles dat dood is moet opnieuw leven; Wezens nu verdwenen komen op aarde terug Om anderen in pijn te dienen Opnieuw en opnieuw... Weer en weer opnieuw Opnieuw en opnieuw Weer en weer opnieuw Opnieuw en opnieuw Weer en weer opnieuw Opnieuw en opnieuw Weer en weer opnieuw Wezens nu verdwenen komen op aarde terug Om anderen in pijn te dienen Opnieuw en opnieuw Ik leefde ooit in de boom achter me Ik voedde me met bloemen en fruit Aangezien het bestaan afstamt van bederf, Bederf afstamt van verlangen, Verlangen afstamt van sensatie, Sensatie afstamt van contact, Ben ik alle actie ontvlucht, alle contact ontvlucht. Ben ik alle actie ontvlucht, alle contact ontvlucht. Alles dat geschapen is zal sterven ... Door het feit zelf dat ik een ding ken Houdt dat ding op met bestaan. Voor mij is er nu geen hoop Voor mij is er nu geen angst, Voor mij is er nu geen geluk, Voor mij is er geen deugd, Noch nacht noch dag, Noch jullie noch mij Absoluut niets. Ik ben alle actie ontvlucht, alle contact ontvlucht. Ik ben alle actie ontvlucht, alle contact ontvlucht. |
| Deze song is een redelijk directe vertaling van de toespraak van de Gymnosofist (zie het citaat uit het stuk van Flaubert), die overigens Antonius aanspreekt als "Brahmaan van de Nijloevers," en niet zichzelf als zodanig betitelt. Maar wat in deze song toch wel ontbreekt is het spirituele doel dat deze Gymnosofist ermee bereikt heeft zoals duidelijk wordt uit wat hij zegt, bijvoorbeeld:
De song lijkt daardoor alleen het negatieve, het wanhopige haast, te benadrukken. |
|
| Er schuilt een zekere ironie in het feit dat deze opera wordt gespeeld door African-Americans. Want in het milieu van Antonius en de woestijnvaders waren 'Ethiopiërs' of 'Ethiopische jongetjes', dat wil zeggen negers of 'zwarte jongetjes' (vertegenwoordigers van) de duivel of demonen. Een tweede ironisch feit is dat de rol van Hilarion, de leerling van Antonius (en een man), gespeeld wordt door een vrouwelijke African-American, omdat in het vrouwonvriendelijke milieu van de woestijnvaders vrouwen eveneens de duivel waren, maar dan in weer een andere vermomming. Dus de Hilarion die hier gespeeld wordt door een zwarte vrouw zou eigenlijk een soort duivel in het kwadraat zijn. |
|
| Heel weinig toeschouwers van deze opera zal dit zijn opgevallen, evenmin als überhaupt het feit dat deze vrouw de rol van Hilarion, de leerling van Antonius, speelde. Ze onderscheidde zich niet echt van de vrouw(en) die de verleidster de koningin van Sheba moest(en) voorstellen; en ook dat 'verleidelijke' was überhaupt niet waarneembaar, behalve dan dat het af te leiden was uit het stereotype gebaar van afwering dat Rux maakte.
Er waren overigens wel uitzonderingen op de neger als duivel, zoals de hiernaast afgebeelde Moses (of Moyses) de Ethiopiër, wiens levensverhaal verteld wordt in de Historia Lausiaca (hoofdstuk 22). |
![]() |
| Maar hij werd bekeerd, verrichtte lange tijd verregaande vormen van ascese, zoals alleen nog maar droog brood eten, ongeveer drie ons per dag, en hij verzette bijzonder veel werk onder het uitspreken van vijftig gebeden per dag. Hij bleef zes jaar lang rechtop staan in zijn cel en stond alle nachten midden in zijn cel te bidden zonder een oog dicht te doen. Mozes vocht met de demonen van zijn wellust, en eindelijk kreeg hij ze eronder. Hij werd gerekend tot de groten onder de vaders. Hij stierf op 75-jarige leeftijd in Sketis waar hij priester geworden was en liet 75 leerlingen achter. |
|
| Het was een lange zit, deze opera; er was geen enkel moment dat je nou echt 'uit jezelf getild' werd. Herhaaldelijk stelde ik me voor hoe Flaubert zich van ergernis in zijn graf omkeerde en hoe de botten van Antonius verontwaardigd in zijn tombe rammelden. Maar bij het einde van het stuk verhief het publiek zich voor een staande ovatie! | |
| La Tentación de San Antonio | Luis Jaime Cortez | 1998 |
![]() |
Er is nog een opera gebaseerd of Gustave Flaubert's boek, van de Mexicaanse componist Luis Jaime Cortez, daterend uit 1998, en die in 2004 aan de Universiteit van Texas zijn première beleefde. Verder is er heel weinig informatie over beschikbaar, en zeker geen visualia, behalve dan een foto (links) waarvan niet duidelijk is of dit San Antonio is of de componist. Er is dus alleen wat tekst. |
| Een citaat van Cortez: "De Heilige Antonius is, in de visie van Flaubert, een soort heidens persoon die het slachtoffer van een modern probleem is: Hij weet wie niet hij is. Hij wil een andere persoon zijn dat is zijn echte, fundamentele verzoeking. Het is belangrijk om dit te zeggen: Het is geen godsdienstig werk. Het boek van Flaubert is absoluut heidens en oneerbiedig." |
| In de Texas productie, toont het Theater van de Opera zowel vrome als wulpse beelden. Helder gekleurde Mexicaanse Katholieke iconografie staat naast een verleidelijke presentatie van de Koningin van Sheba, één van de vele historische figuren (met inbegrip van Helen van Troy en St. Hilarion) die de kluizenaar verleiden. De Koningin van Sheba zal een onthullende botstplaat dragen die de wenkbrauwen zal doen optrekken, volgens de kostuumontwerper: "ik wilde iets volledig sensueels en volledig bijzonders." Cortez zegt verder nog: "Ik koos ervoor om de opera in het Spaans te schrijven omdat ik van mijn taal houd en ik Flaubert in die klanken wilde weergeven." Cortez, die ook het libretto schreef, zegt dat de muziek sporen draagt van de circusatmosfeer van de films van Fellini en het expressionisme van Alban Berg . "De constructie van een Satan-achtig personage was misschien wel het moeilijkste. Ik besloot een complexe Satan te maken, die door drie zangers gestalte wordt gegeven: een bariton, een tenor, en een contra-tenor." |
![]() |
| Film |
| Georges Melies - Tentation de Saint-Antoine, uit 1898. |
| Antonianen in de kunst |
| Decamerone | Giovanni Boccaccio | 1353 |
| Vertaald door Frans Denissen.
Uit het dorp Certaldo (boven) was de familie van Boccaccio (rechts) afkomstig; vanaf 1361 tot zijn dood zou hij er zelf wonen. |
![]() |
| Zesde dag. Tiende Verhaal. |
|
| Broeder Ajuin belooft een aantal boeren dat hij hun een veer van de engel Gabriël zal tonen. Als hij in zijn koffertje echter houtskool aantreft, maakt hij hun wijs dat daarop Sint-Laurentius geroosterd is. |
| Toen iedereen van het gezelschap zijn verhaal had verteld, wist Dioneo dat zijn beurt gekomen was. Zonder een formele uitnodiging af te wachten verzocht hij [ ] om stilte en begon: Bekoorlijke dames, hoewel ik volgens onze afspraak het voorrecht geniet te praten waarover ik wil, ben ik vandaag niet voornemens een ander onderwerp aan te snijden dan dat waarover jullie allemaal zo boeiend verteld hebben. Integendeel, ik wil in jullie voetsporen treden en jullie verhalen hoe een van de broeders van Sint-Antonius dankzij zijn sluwheid en tegenwoordigheid van geest wist te ontsnappen aan een valstrik die twee jongelui hem hadden gespannen. Jullie zullen het me niet kwalijk nemen als ik, om het verhaal goed uit de verf te laten komen, het wat breed uitmeet: jullie zien immers dat de zon nog steeds hoog aan de hemel staat. |
|
Een verhaal uit de Decamerone. Waterhouse, 1916. |
| Zoals jullie misschien wel weten, is Certaldo een kasteeldorp in de Val d'Elsa op Florentijns grondgebied, dat, ook al is het klein, eertijds door welvarende en vrijgevige burgers werd bewoond. Omdat er dus wel wat te verdienen viel, werd het plaatsje gedurende lange tijd één keer 's jaars bezocht door een broeder van Sint-Antonius, die er de dwazen een vette aalmoes afhandig probeerde te maken. |
|
| Hij heette broeder Ajuin en was daar een graag geziene figuur, wat misschien minder te danken was aan de godsvrucht van de inwoners dan wel aan zijn naam: Certaldo stond namelijk in heel Toscane bekend om de smakelijke uien die er groeiden. Broeder Ajuin was een gedrongen mannetje met rood haar en een goedmoedig gezicht en hij was de vrolijkste snuiter die je je kon indenken. Bovendien was hij ook al kon hij amper lezen en schrijven zo goed van de tongriem gesneden dat een buitenstaander hem niet alleen voor een groot redenaar zou hebben gehouden, maar zelfs zou hebben gedacht dat hij met Cicero of Quintilianus in hoogsteigen persoon te maken had. En door haast iedereen in de streek werd hij als een lid van de familie, een vriend of toch minstens als een goede kennis beschouwd. |
Broeder Ajuin heet in het Italiaans "Cipolla". |
| Nu was broeder Ajuin in de maand augustus weer eens voor zijn jaarlijkse bedeltocht naar Certaldo afgezakt, en toen alle godvrezende mannen en vrouwen uit de omliggende gehuchten voor de zondagsmis in de parochiekerk waren samengestroomd, stapte hij op het meest geschikte moment naar voren en sprak: 'Broeders en zusters, zoals bekend is het jullie gewoonte om elk jaar, ieder naar eigen godsvrucht en vermogen, aan de behoeftigen van de hoogeerwaarde heer Sint-Antonius een deel van de oogst te schenken, opdat deze heilige man zijn beschermende hand zal uitstrekken over jullie ossen, ezels, varkens en schapen. Ook plegen jullie, en vooral dan diegenen die lid zijn van onze broederschap, eenmaal per jaar voor datzelfde goede doel een bescheiden som gelds af te staan. Om deze milde giften in ontvangst te nemen ben ik door mijn overste, de abt, hiernaartoe gezonden. Ik nodig dan ook iedereen met Gods zegen uit om na de nonen, als de klokken luiden, hier voor de kerk samen te komen, waar ik gewoontegetrouw de preek zal houden, waarna jullie in de gelegenheid zullen worden gesteld het kruis te kussen. | |
Aartsengel Gabriël in Maria-Boodschap. Bernardo Daddi. In Florence bekend van 1320 tot 1348. Musée du Louvre. |
En omdat ik weet dat jullie allemaal trouwe vereerders zijn van Sint-Antonius, zal ik jullie als bijzondere toegift een fraaie en aanbiddenswaardige relikwie tonen, die ik eigenhandig uit het Heilige Land overzee heb meegebracht. Het gaat om een van de veren die de engel Gabriël in de kamer van de Maagd Maria achterliet nadat hij haar in Nazareth de blijde boodschap had gebracht.' Na deze woorden zweeg hij en kon de mis verdergaan. |
| Terwijl broeder Ajuin dit alles vertelde, waren er onder de talrijke toehoorders in de kerk ook twee gewiekste jongelui, Giovanni del Bragoniera en Biagio Pizzini, die, nadat ze samen hartelijk hadden gelachen om de relikwie van broeder Ajuin, besloten hem met die engelenveer een poets te bakken, hoewel ze goed met hem bevriend waren en vaak in zijn gezelschap vertoefden. Ze hadden opgevangen dat de bedelbroeder het middagmaal zou gebruiken bij een vriend in de bovenstad en dus wachtten ze het moment af dat hij aan tafel zou zitten en gingen toen naar de herberg waar hij gelogeerd was. Ze spraken af dat Biagio de knecht van broeder Ajuin aan de praat zou houden, terwijl Giovanni tussen de bagage van de frater naar die fameuze veer zou zoeken hoe die er ook mocht uitzien en hem zou laten verdwijnen, om eens te zien hoe hij die verdwijning aan het volk zou verklaren. |
| Broeder Ajuin had een knecht, die door sommigen Guccio de Walvis genoemd werd en door anderen Guccio de Viespeuk of Guccio het Zwijn. Hij was zo'n schurftig kereltje, dat zelfs Lippo Topo's karikaturen er in vergelijking met hem nog heel onschuldig uitzagen. Broeder Ajuin liet zich tegenover vrienden vaak spottend over hem uit met de woorden: 'Mijn knecht heeft negen ondeugden, die zo erg zijn dat zelfs één ervan, mocht die bij Salomo, Aristoteles of Seneca voorkomen, in staat zou zijn om al hun wijsheid, scherpzinnigheid en deugdzaamheid teniet te doen. Je kunt je dus indenken wat voor een man hij is, die geen spoor van wijsheid, scherpzinnigheid of deugdzaamheid in zich draagt, maar wél negen van die ondeugden bezit.' |
De "Walvis" heeft vanuit Bijbels perspectie iets duivels (denk aan Jonas), terwijl het "Zwijn" natuurlijk en verwijzing is naar het varkentje, de metgezel van Antonius, zij het hier in de negatieve betekenis van 'wellusteling'. Lippo Topo is een apocriefe figuur, aan wie spreekwoordelijk allerlei grappen en potsemakerijen worden toegeschreven. |
| Als ze hem dan vroegen wat voor ondeugden dat wel waren, antwoordde hij met een rijmpje: 'Hij is een luierik, een lomperik en een viezerik; een leugenaar, een treiteraar en een pruttelaar; een lammeling, een stommeling en een ellendeling; en daarnaast heeft hij nog wat kleine foutjes die we maar beter met de mantel der liefde kunnen bedekken. En wat vooral zo lachwekkend aan hem is: overal waar hij komt wil hij een vrouw strikken en een nestje bouwen; omdat hij een lange, vettige zwarte baard heeft, vindt hij zichzelf zo knap dat naar zijn vaste overtuiging alle vrouwen bij de eerste aanblik al verliefd op hem worden, en als ze hem dan in de kou laten staan, rent hij hen zo hard achterna dat hij er zijn broek bij zou verliezen. Maar hij betekent een grote hulp voor me, want niemand kan mij een geheim vertellen zonder dat hij het ook wil horen. En als mij iets gevraagd wordt, is hij zo bang dat ik het antwoord schuldig zal blijven dat hij al meteen in mijn plaats ja of nee antwoordt zoals het hem uitkomt.' |
| Toen broeder Ajuin de herberg had verlaten, had hij Guccio op het hart gedrukt niemand toe te laten in de buurt van zijn reisgoed, en zeker niet van zijn zadeltas, omdat daarin de gewijde voorwerpen opgeborgen waren. | |
Het varken wordt gevoed met rozen, wat een variatie is op het gezegde: "parels voor de zwijnen" en is in dit schilderij ook symbolisch voor wellust en vraatzucht. De gevolgen van onmatigheid. Jan Steen, 1626 -1679. National Gallery. |
Maar Guccio de Viespeuk voelde zich beter in een keuken thuis dan een nachtegaal in het groene lover, vooral als hij vermoedde dat daar een dienstmeid te vinden was. En nu had hij in de keuken van de herberg een kokkin ontdekt die al even breed als hoog was, met kromme benen, een paar memmen als twee mestemmers en een gezicht als dat van de Baronci's. Ze droop van het vet en was helemaal bezweet en berookt, maar Guccio vloog op haar af als een gier op zijn prooi, waarbij hij alle spullen van broeder Ajuin onbeheerd achterliet en er zelfs niet aan dacht de deur op slot te doen. En hoewel het augustus was, ging hij bij het vuur zitten en knoopte met Nuta want zo heette ze een gesprek aan. |
| Hij vertelde haar bloedernstig dat hij een edelman was bij volmacht, dat hij ruim elfendertigduizend florijnen bezat die welke hij aan anderen schuldig was, en die eerder meer dan minder bedroegen, nog niet eens meegerekend en dat hij meer dingen kende en kon dan Dominus Vobiscum zelf. En zonder zich te laten weerhouden door zijn hoed, die zo vettig was dat de Zusters der Armen er een grote pan soep van hadden kunnen koken, noch door zijn gescheurde en gelapte wambuis, dat rond de hals en onder de oksels wel verglaasd leek door het vuil en dat door het grote aantal bonte vlekken kleurrijker was dan een Tataarse of Indische deken, noch door zijn kapotte schoenen en zijn kousen vol gaten, verklaarde hij haar, alsof hij de Seigneur van Châtillon in eigen persoon was, dat hij haar een nieuwe garderobe zou schenken en haar een opknapbeurt zou laten geven, haar uit haar slavernij zou bevrijden en haar al kon hij geen grote rijkdommen beloven het vooruitzicht op een onbezorgde oude dag kon bieden, en nog veel dingen meer. Maar met hoeveel genegenheid hij deze voorstellen ook te berde bracht, ze maakten zoals de meeste van zijn ondernemingen evenveel indruk als een vlieg op een koeienvlaai. | |
| Toen de twee jongelui ontdekten dat Guccio het Zwijn druk in de weer was met het versieren van Nuta, konden ze hun vreugde niet op: zo was het karwei immers al voor de helft geklaard. Ze stapten de kamer van broeder Ajuin, waarvan ze de deur open vonden, ongehinderd binnen, en het eerste wat ze zagen was de zadeltas waarin de veer moest zitten. Toen ze die geopend hadden, vonden ze een overvloedig in tule gewikkeld kistje met daarin de staartveer van een papegaai: dit moest ongetwijfeld de relikwie zijn die hij aan de Certaldezen had beloofd. | ![]() |
| Hij kon deze simpele landlieden zoiets inderdaad makkelijk wijsmaken want de oosterse rariteiten, die later helaas heel Italië zouden overspoelen, waren in die tijd nog nauwelijks tot in Toscane doorgedrongen. En ook al waren ze daar misschien reeds bij een enkeling bekend, in een boeren gat als Certaldo hadden de inwoners vast nog nooit over papegaaien gehoord, laat staan dat ze er al een onder ogen hadden gekregen. |
|
| Tevreden met hun vondst staken de jongelui dus de veer bij zich, en om het kistje niet leeg te laten deden ze er wat houtskooltjes in die ze toevallig in een hoek van de kamer hadden zien liggen. Ze brachten de zadeltas weer in zijn oorspronkelijke staat terug en stapten ongezien met hun buit naar buiten, waar ze benieuwd afwachtten hoe broeder Ajuin, als hij in plaats van de fel geprezen relikwie een handvol kooltjes vond, zich uit de nesten zou helpen. |
Er zijn in de Decamerone meer verwijzingen naar Dante, zeker voor wat betreft bedriegende priesters en leugenachtige monniken. Zie ook verderop in dit verhaal, en het fragment uit de Divina Comedia, Paradijs, hieronder. |
| De simpele mannen en vrouwen die in de kerk gehoord hadden dat ze na de nonen de veer van de engel Gabriël te zien zouden krijgen, keerden na de mis naar huis terug. Iedereen vertelde het nieuws aan de buren, en de kletskousen van het dorp zorgden wel voor de verdere verspreiding ervan. Na het middageten kwamen de mensen in zulke dichte drommen naar het kasteel plein toegestroomd dat er geen muis meer bij had gekund, en trappelend van ongeduld stonden ze te wachten op het vertonen van de veer. Broeder Ajuin, die een hartig maal had genoten en daarna nog vlug een tukje had gedaan, werd even na de nonen wakker, en toen hij hoorde dat er een grote menigte boeren op de bezichtiging van de relikwie was afgekomen, droeg hij Guccio de Viespeuk op om de zadeltas samen met de rinkelbel naar het plein te brengen. Deze rukte zich met moeite los van de keuken en van Nuta en sleepte zich met de gevraagde voorwerpen naar het dorp hogerop, waar hij hijgend aankwam, want hij had zoveel water gedronken dat zijn lichaam nog eens zo zwaar geworden leek. Vervolgens ging hij, zoals broeder Ajuin hem gezegd had, voor de kerkpoort staan en begon luid met de bel te klingelen. Toen het er zwart zag van de mensen, begon broeder Ajuin nietsvermoedend met zijn preek, waarbij hij zijn stellingen met een vloed van woorden kracht bijzette. Toen het ogenblik was aangebroken om de veer van de engel Gabriël te laten zien, bad hij eerst plechtig het confiteor, liet vervolgens twee toortsen aansteken en wikkelde voorzichtig de tule los. Pas nadat hij eerbiedig zijn hoofd had ontbloot, haalde hij het kistje tevoorschijn. En nadat hij nog enige woordjes gesproken had tot lof en eer van de heilige Gabriël en zijn relikwie, maakte hij het open. Het is hier duidelijk waar de bel van Antonius voor dient: het trekken van de aandacht en het vragen om aalmoes. Uit de Grandes Heures de Rohan. 15e eeuw. Bibliothèque Nationale de France. |
![]() |
| Toen hij zag dat het vol kooltjes zat, was Guccio de Walvis wel de laatste die hij van deze streek verdacht: daarvoor was de knecht veel te eenvoudig van geest. Evenmin vervloekte hij hem omdat hij niet op zijn spullen had gelet, want hij had niets anders verwacht. Maar hij was razend op zichzelf omdat hij hem zijn bezittingen had toevertrouwd, want hij wist toch dat het een lammeling, een stommeling en een ellendeling was. |
|
| Hij vertrok echter geen spier van zijn gezicht, hief de ogen en de handen ten hemel en zei, zo hard dat iedereen het kon horen: '0 God, gezegend zijt Gij om Uw almacht.' Vervolgens deed hij het kistje weer dicht en wendde zich tot de toehoorders met de woorden: 'Broeders en zusters, jullie moeten weten dat ik, toen ik nog maar pas het habijt droeg, door mijn overste naar de landen werd gestuurd waar de zon opgaat, met de uitdrukkelijke opdracht net zo lang te zoeken tot ik de privileges van Varkadië gevonden zou hebben, die, ofschoon er geen zegelrecht op rust, heel wat nuttiger zijn voor anderen dan voor ons. | Tegelijkertijd heeft het ook betrekking op Guccio het Zwijn, die namelijk naar een historische figuur verwijst, die Guccio Porcellana heette, en die in de straat Porcellana in Florence woonde en die omstreeks 1324 bewaker was van het Hospitaal Porcellana, dat gesitueerd was in de wijk waar de familie Boccaccio woonde. Ook de verder nog genoemde 'landen' zijn dubbelzinnige verwijzingen naar straten in Florence met een slechte reputatie, iets wat voor de Florentijnse lezers en toehoorders het verhaal nog extra komisch gemaakt zal hebben. |
| Voor degenen die dit fragment in het Italiaans willen horen: |
|
| Dus begaf ik me vanuit Tortellinië op weg naar Boezoekië, waarna ik de koninkrijken Sultanië en Tulbanië aandeed. Ten slotte kwam ik in Ayatolië, vanwaar ik, niet zonder dorst, na enige tijd Fakirië bereikte. Maar waarom zou ik alle landen beschrijven die ik bereisde? | |
| Nadat ik de Straat van Penarië had overgestoken, zette ik voet aan wal in Mopland en Grolland, twee dichtbevolkte naties waar veel mensen wonen. Vervolgens zette ik koers naar Jokkelije, waar ik heel wat confraters vond, naast broeders van andere orden, die allemaal om de liefde Gods honger en dorst uit de weg gingen en zich zorgvuldig van hulp aan hun naaste onthielden om hun beloning in de hemel veilig te stellen, en die altijd betaalden met munten die klonken ook al waren ze niet geslagen. | Het betalen "met munten die klonken ook al waren ze niet geslagen" is weer een verwijzing naar Dante, zie hieronder de laatste regel van het canto. |
| Daarna kwam ik in het land van de Abruzzen terecht, waar de mensen op klompen door berg en dal trekken en de varkens in hun eigen darmen stoppen. Verder kwam ik mannen tegen die hun stokbroden in de broodmand staken en hun wijn in de wijnzak goten. Van daaruit kwam ik bij de bergen van de Basken, waar alle beekjes naar beneden stromen. Kortom, ik reisde steeds maar verder, tot ik ten slotte Voorachterindië bereikte, waar ik, dat zweer ik op de pij die ik draag, het gevogelte zag vliegen: een ongelooflijke ervaring voor wie zoiets nog nooit heeft aanschouwd. En wie mij niet gelooft, moet het maar eens vragen aan de bekende zakenman Jan Contant, die daar noten kraakte en de doppen in het klein verkocht. | |
![]() |
Maar omdat ik niet vond wat ik zocht en geen roeispanen bij me had, keerde ik op mijn schreden terug en kwam in het Heilige Land waar 's zomers het koude brood vier stuivers kost, terwijl je het voor niets warm krijgt. Daar ontmoette ik de eerbiedwaardige pater Lamemetrust Asteffekan, de hooggeprezen patriarch van Jeruzalem, die er uit eerbied voor de pij van Sint-Antonius die ik altijd gedragen heb, op stond dat ik alle heilige relikwieën in ogenschouw zou nemen die hij bezat. Dat waren er zoveel dat ik er een mijlenlange opsomming van zou moeten geven, maar om jullie niet teleur te stellen zal ik er toch enkele noemen: eerst toonde hij me de duim van de Heilige Geest, die er gaver uitzag dan ooit tevoren, vervolgens het kuifje van de Serafijn die aan Sint-Franciscus verscheen, en een van de nagels van een Cherubijn, daarna een van de Asperges waarover in de hoogmis gezongen wordt, de jurk van onze Moeder de Heilige Kerk, een paar stralen van de ster die aan de drie Wijzen in het Oosten verscheen, een flesje met het zweet van Sint-Michiel na zijn gevecht met de duivel, de kinnebak van Magere Hein die Lazarus bezocht en nog talloze andere relikwieën.
Reliek van Sint Antonius in de San José kerk in Avila, Spanje, waarschijnlijk een 'vinger'. |
| En omdat ik hem in mijn vrijgevigheid een exemplaar afstond van de codex met de Griekse beginselen in de volkstaal, samen met een paar hoofdstukken van Sodomitius die hij allang zocht, schonk hij me een deel van zijn gewijde relieken: een van de spijkergaten van het Heilige Kruis, een ampul met wat klokgelui van de tempel van Salomo, de veer van de engel Gabriël waar ik het al over had, een van de klompen van de Sint-Gerardus van Villamagna, die ik niet zo lang geleden in Florence cadeau heb gedaan aan een vurige vereerder en naamgenoot van hem, en ook een handvol houtskolen waarop de gelukzalige martelaar Laurentius geroosterd werd. Al deze dingen bracht ik eerbiedig mee naar onze contreien, waar ik ze zorgvuldig bewaar. Weliswaar heeft mijn overste nooit toegestaan dat ik ze aan iemand zou tonen zolang er geen bewijsstuk van hun echtheid voorhanden was, maar nu die echtheid, niet alleen door brieven van de patriarch maar ook door bepaalde mirakelen die ze verricht hebben, vast is komen te staan, heb ik zijn toestemming gekregen. De martelaar Laurentius, die op een laag vuurtje geroosterd wordt. Meester van Jean Rolin II (illuminator). |
![]() |
| Omdat ik ze niet aan anderen durf toe te vertrouwen, houd ik ze steeds bij me. Nu bewaar ik de veer van de engel Gabriël voorzichtigheidshalve in een kistje, en de kolen waarop Sint-Laurentius geroosterd werd in een ander, en deze twee kistjes lijken zo op elkaar dat ik ze vaak met elkaar verwar, wat me ook vandaag is overkomen: in plaats van het kistje met de veer blijk ik namelijk dat met de kolen bij me te hebben. | |
Reliek beeldje en houder van een vinger van Sint Laurentius. Koper en verguld zilver. Eind 13e begin 14e eeuw. Musée du Louvre. |
Ik geloof trouwens niet dat het zomaar een vergissing betreft, integendeel, ik ben ervan overtuigd dat het Gods wil is en dat Hij zelf het kistje met de kolen in mijn handen heeft gelegd om mij er op het laatste ogenblik aan te herinneren dat het overmorgen het feest van Sint-Laurentius is. En omdat het Gods wil is dat ik op die manier in jullie zielen de vlam van de devotie voor die heilige aanwakker, liet Hij me niet de engelenveer meebrengen, zoals ik me had voorgenomen, maar de gezegende kolen die gedoofd werden door de wegdruipende levenssappen van dit gemartelde lichaam. |
| Ontbloot daarom, beminde broeders en zusters, het hoofd en kom eerbiedig nader om die te aanschouwen. Maar dit wil ik jullie eerst nog zeggen: ieder die door deze kolen met het kruisteken wordt aangeraakt, zal het hele jaar lang niet door het vuur omkomen zonder het zelf te voelen.' | Sint Antonius genas niet alleen de ziekte Antoniusvuur, maar hij voorkwam ook gewone vuren. Vandaar dat hij ook beschermheilige was van de Pauselijke brandweer! |
| Zo nam broeder Ajuin tot groot profijt van zichzelf de lichtgelovigheid van de Certaldezen te baat om wraak te nemen op degenen die hem door de veer te ontvreemden een poets hadden willen bakken. Toen de twee jongelui hoorden en zagen met welke omwegen en in welke bewoordingen de broeder zich hieruit had weten te redden, moesten ze zo hard lachen dat hun kaken er bijna door ontwricht werden. Nadat het volk huiswaarts was gekeerd, gingen ze naar hem toe en vertelden hem met de grootste vrolijkheid van de wereld wat ze gedaan hadden. Daarop gaven ze hem de papegaaienveer terug, die hem een jaar later niet minder aalmoezen opbracht dan deze keer de houtskool. |
| Het is natuurlijk wel zo dat relieken werken, althans voor degenen die geloven dat ze zo letterlijk contact krijgen met een hogere macht. Je kan dat afdoen als bijgeloof, of "magie", maar zeker is dat dit geloof ouder is dan de Katholieke kerk. Het gaat terug naar een geloof in 'aardse' goden en godinnen, zoals vertegenwoordigd in heilige bomen, of in heilige bronnen later gekerstend in Maria-vereringen. En het heeft ook elementen van voorouderverering. Hoewel deze praktijkendoor de Kerk als 'heidens' zijn veroordeeld, is de kerk er niet in geslaagd ze uit te roeien. Hooguit heeft ze de gelovigen van zich vervreemd. Maar daar moet ik wel aan toevoegen dat het eigenlijk niet uitmaakt of de reliek 'echt' of 'vals' is. In die zin is een positief effekt meer een demonstratie van de bijzondere kracht van de geest (mind). Ook heden ten dage nog leeft het geloof in de kracht van relieken, zoals deze foto's demonstreren. |
Het aanraken van de reliek (geen Antonius) in Essene. |
![]() |
Na de mis en eucharistie in Salphen kon men het Antonius relikwie kussen. |
| Tijdens de Paardenommegang in Serskamp konden de deelnemers de relikwie van de Heilige Antonius, gevat in een T-vormige houten theca, kussen. | |
|
|
|
| Decamerone, Derde dag, Tiende verhaal: Alibech, een jonge vrouw met ascetische aspiraties, gaat op zoek naar een guru en vindt de kluizenaar Rusticus, met wie ze zijn duivel uit haar hel verdrijft. Er zijn zeker echo's van de Vita van Antonius: deze scene speelt zich af in de Thebeïsche woestijn, en Alibech kan nauwelijks lezen of schrijven. De kluizenaars worden blootgesteld aan de Verzoeking des vlezes, die ze niet kunnen weerstaan dit dan in tegenstelling tot Sint Antonius. |
| In de stad Gafsa in Berberije leefde eens een schatrijke man, die naast een aantal zonen ook een mooie en charmante dochter had wier naam Alibech was. Ze was geen christin, maar hoorde veel christenen die in de stad woonden vaak de lof zingen van hun geloof en van een godgewijd leven en daarom vroeg ze een van hen op een mooie dag hoe ze God het best kon dienen. Ze kreeg te horen dat de godvruchtigste christenen de wereld ontvluchten, zoals degenen die zich in de eenzaamheid van de Thebeïsche woestijn hadden teruggetrokken. Eerder door kinderlijke nieuwsgierigheid dan door een weldoordachte overtuiging gedreven, begaf het naïeve meisje, dat hooguit veertien was, zich reeds de volgende morgen zonder iemand iets te zeggen in haar eentje op weg naar de Thebeïsche woestijn. Na een vermoeiende voettocht van enkele dagen, die haar verlangen echter geenszins aantastte, bereikte ze uiteindelijk de onherbergzame streek. |
![]() |
| Gafsa in Tunesië. Vandaar naar Thebe is een heel eind. |
![]() |
In de verte ontwaarde ze een hutje, stapte erop af en trof op de drempel een vrome kluizenaar, die haar stomverbaasd vroeg wat ze kwam doen. Ze antwoordde dat ze Gods roepstem had gehoord en op zoek was gegaan naar iemand die haar kon leren hoe ze Hem het best kon dienen. Bij het zien van haar jeugdige schoonheid vreesde de brave man dat de duivel hem een loer zou draaien als hij haar onderdak bood. Daarom prees hij haar goede voornemens, gaf haar wat wortels, wilde appels en dadels te eten en leste haar dorst met water, waarna hij haar van zich afschudde met de woorden: 'Mijn dochter, hier niet ver vandaan woont een heilig man, die op dat punt een veel beter leermeester is dan ik: wend je tot hem.' |
|
| Hij wees haar de weg, maar van deze kluizenaar kreeg ze precies hetzelfde te horen. Zo trok ze steeds maar verder tot ze terechtkwam bij een nog jonge monnik, Rusticus, een bijzonder vroom en goedhartig man, aan wie ze dezelfde vraag voorlegde als aan zijn collega's. | Rusticus of Rustico, zoals hij in het Italiaans heet, is een naam die in eerste instantie nogal landelijk, 'rustiek'. aandoet. Maar er waren inderdaad wel een een drietal heiligen maar geen kluizenaars die Rusticus heetten, in de 3e en de 5e eeuw. | |
| Deze zag daarin een kans om zijn eigen standvastigheid op de proef te stellen en zond haar dus niet zoals de anderen door, maar verleende haar gastvrijheid. Tegen het vallen van de avond spreidde hij voor haar een bedje van palmbladeren en nodigde haar uit zich daarop ter ruste te leggen. |
| Daarop begon hij zich van zijn schamele kledij te ontdoen. Alibech volgde gehoorzaam zijn voorbeeld en weldra stonden ze daar allebei spiernaakt. Vervolgens liet hij het meisje tegenover zich plaatsnemen en knielde als in aanbidding voor haar neer. In deze positie werd de aanblik van haar charmes hem echter te machtig en kwam de opstanding des vleses. 'Wat is dat voor een uitsteeksel dat ik niet heb?' riep Alibech bij het zien daarvan verwonderd uit. 'Mijn dochter,' zei Rusticus, 'dat is nu de duivel waar ik het daarnet over had. Zoals je ziet, maakt hij me op dit ogenblik het leven zo zuur dat ik het haast niet uithoud.' ' |
Het verhaal van Alibech en Rustico. Houtsnede uit de Italiaanse uitgave van 1492. De afbeelding toont een p^nis in ere*tie, wat in middeleeuwse voorstellingen een zeldzaamheid is. |
God zij geprezen,' zei het meisje, 'dat ik er beter aan toe ben dan jij: ik heb namelijk niet zo'n duivel.' 'Dat klopt,' zei Rusticus, 'maar omgekeerd heb jij weer iets wat ik niet heb.' 'Wat dan?' 'Jij hebt de hel. Volgens mij heeft God jou trouwens hier naartoe gezonden voor mijn zieleheil. Als die duivel me lastig blijft vallen, zou je me een grote dienst bewijzen als je me toestaat hem in de hel te jagen. En tegelijk zou je een godgewijd werk verrichten, wat naar je me vertelde toch het doel is van je komst.' 'Vader,' antwoordde het argeloze meisje, 'als ik dan toch de hel heb, ga dan gerust je gang.' 'Wees gezegend, mijn dochter,' antwoordde Rusticus. 'Laten we dan maar aan de slag gaan en hem op zijn plaats zetten, zodat hij me in het vervolg met rust laat.' Met deze woorden voerde hij het meisje naar een van de bedjes en leerde haar hoe ze de vervloekeling moest kerkeren. |
| Alibech, die nog nooit enige duivel naar de hel had gestuurd, voelde de eerste keer een beetje pijn, en daarom zei ze: 'Vader, die Satan moet bepaald een booswicht en een vijand van God zijn, want hij doet, om van het andere maar te zwijgen, zelfs de hel pijn als hij daarheen wordt gestuurd.' 'Kind, dat zal niet altijd zo blijven,' troostte Rusticus haar. En om te vermijden dat zulke ongewenste neveneffecten zich in de toekomst nog zouden voordoen stuurde hij, voordat ze opstonden, de vorst der duisternis tot zesmaal toe naar zijn rijk terug, tot hij compleet van zijn hovaardij was genezen en zich koest hield. |
| Maar de volgende dagen stak de hoogmoed nog meer dan eens de kop op en telkens was het meisje maar al te bereid om die te kastijden. Op den duur begon zij in deze taak zoveel behagen te scheppen dat ze tegen Rusticus zei: 'Ik zie nu wel in dat de mensen in Gafsa die me vertelden hoe zoet het is om God te dienen, de waarheid spraken. Voorzover ik me kan herinneren, heb ik nooit een werk verricht dat me zoveel voldoening bezorgde als het in de hel stoppen van de duivel. Volgens mij is iedereen die zich aan andere bezigheden wijdt dan aan de dienst van God een driedubbel overgehaalde ezel.' Vaak trommelde ze Rusticus op met de woorden: 'Vader, ik ben hier gekomen om God te dienen en niet om de handen in de schoot te leggen. | ![]() |
| Laten we Satan naar zijn gerechte verblijfplaats terugjagen.' En terwijl ze met dat vrome werk bezig waren, zei ze wel eens: 'Rusticus, ik begrijp niet waarom de duivel de hel telkens weer ontvlucht, want als hij er verbleef met evenveel genoegen als waarmee hij er ontvangen en vastgehouden wordt, zou hij er nooit meer weg willen.' | |
| Door haar geestelijke vader telkens weer tot godsdienstoefeningen aan te sporen jakkerde ze hem zo af dat hij rilde van de kou waar een ander zou zweten. Dus begon hij haar af te schepen met het argument dat de duivel alleen maar gekastijd en de hel ingejaagd moest worden als hij uit hoogmoed de kop opstak: 'En wij hebben hem godzijdank zo zijn vet gegeven dat hij de Heer smeekt hem met rust te laten.' Zo wist hij haar een tijdje zoet te houden, maar toen ze merkte dat Rusticus helemaal niet meer van plan leek om Heintje Pik nog naar het inferno te sturen, zei ze op een dag: 'Rusticus, al is jouw duivel nu getuchtigd en plaagt hij je niet meer, daarom laat mijn hel me nog geen vrede: dus zou je er goed aan doen om nu met je duivel de woede van mijn hel te helpen bedwingen, zoals ik jou met mijn hel geholpen heb om de verwaandheid uit jouw duivel te verdrijven.' |
![]() |
Rusticus, die op wortels en water leefde, kon het op den duur niet meer bolwerken. Hij zei dat er te veel duivels nodig waren om zo'n hellevuur te blussen, maar dat hij zijn uiterste best zou doen. En zo wist hij soms wat balsem in de wonde te gieten, al stelde dat niet méér voor dan een boon in een brouwketel. Alibech, die meende dat ze in haar godsdienstige plichten schromelijk tekortschoot, stak haar ontgoocheling niet onder stoelen of banken. |
| Terwijl aldus tussen Rusticus' duivel en Alibechs hel, of tussen willen en niet kunnen, een hevige strijd aan de gang was, brak in Gafsa een brand uit, die ook het ouderlijk huis van Alibech in de as legde en waarin haar vader, broers en andere bloedverwanten jammerlijk omkwamen. Het gevolg was dat Alibech het gehele familiebezit erfde. Toen een jongeman met de naam Neherbal, die zijn hele vermogen had verbrast, vernam dat de erfgename nog in leven was, ging hij op zoek naar haar en slaagde erin haar op te sporen voordat de rechtbank de bezittingen van haar vader bij gebreke van rechthebbenden had aangeslagen. Tot groot genoegen van Rusticus en tot haar eigen ongenoegen voerde hij haar mee naar Gafsa en trouwde met haar, waardoor hij mede-eigenaar werd van haar immense fortuin. |
| Toen een paar vriendinnen haar nog vóór de bruidsnacht vroegen hoe ze in de woestijn God had gediend, antwoordde ze dat ze de duivel naar de hel had teruggestuurd en dat Neherbal een zware zonde had begaan door haar van zo'n godgevallig werk weg te halen. 'Hoe doe je zoiets?' vroegen de vrouwen, en toen Alibech hun dat in woord en gebaar duidelijk maakte, kregen ze haast een stuip van het lachen. 'Wees maar niet bang, kindje,' proestten ze, 'dat wordt ook hier gedaan. Je kunt ervan op aan dat Neherbal met jou God niet minder ijverig zal dienen.' Het verhaal van de bekeerlinge ging als een lopend vuurtje door de stad en weldra was het een gevleugeld woord dat de beste manier om God te dienen erin bestaat de duivel de hel in te drijven. Van overzee bereikte dit spreekwoord onze moederstad en het is er in zwang gebleven. |
![]() |
| De melodie Fenesta ca lucive van Morriconi is uit de de film de Decamerone van Pasolini. |
|
|
|
| Verder vinden we in de Decamerone, Derde dag, Zevende verhaal, een passage, die ook handelt over bedriegelijke praktijken van geestelijken, waaruit overigens eens te meer de invloed van Dante duidelijk wordt, want deze passage lijkt Canto 29 uit de Divina Comedia (zie hieronder) te imiteren, in slechts iets andere woorden. Maar hier is zeker sprake van ongezouten kritiek en is de luchtige toon ver te zoeken. En het wordt ook duidelijk dat het niet alleen de Antonianen zijn die zich schuldig maken aan onoirbare praktijken, wat Dant lijkt te willen suggeren. |
Een tarotkaart, geïnspireerd door de Decamerone. |
Vroeger waren paters uiterst vrome en eerbiedwaardige mensen, maar heden ten dage kan men degenen die zich de naam pater aanmatigen nog slechts herkennen aan hun habijt, en zelfs dat is niet meer wat het placht te zijn, want terwijl de stichters van de kloosterorden voorschreven dat het krap, schamel en uit ruwe stof vervaardigd moest zijn als teken van hun verachting voor de wereld, gaan de paters van vandaag gekleed in ruime, gevoerde, glanzende pijen van het fijnste laken. Met die elegante, vorstelijke gewaden lopen ze schaamtelozer dan leken in de kerken en op de pleinen te pronken. En zoals vissers het erop aanleggen om met één worp van hun net zoveel mogelijk vissen binnen te halen, zo trachten die zogenaamde paters zoveel mogelijk kwezels, weduwen en pilaarbijters van beiderlei kunne in de wijde zakken van hun pij te stoppen. Met iets anders houden ze zich nauwelijks bezig. Om de waarheid eer aan te doen zou ik dus moeten zeggen dat ze niet eens het habijt van geestelijken dragen, maar enkel de kleur ervan. De paters van weleer beijverden zich bovendien voor het zielenheil van hun medemens, terwijl die van vandaag alleen op vrouwen en geld uit zijn. Ze putten zich uit in vervloekingen en schilderen afschuwwekkende helletaferelen om goedgelovige zielen de stuipen op het lijf te jagen en hun aan het verstand te brengen dat zonden met aalmoezen en missen moeten worden afgekocht. Zo krijgen deze heren, die meer uit luiheid dan uit devotie in het klooster zijn getreden, het voor elkaar dat de een hun brood toestopt en een ander hen van wijn voorziet, terwijl een derde hen aan tafel uitnodigt om de zielerust van zijn overledenen te verzekeren. Nu is het inderdaad zo dat zonden worden uitgewist met aalmoezen en gebed, maar als de milde schenkers zouden beseffen van welk allooi de begunstigden zijn, dan hielden ze hun goeie geld voor zich of wierpen het nog liever voor de zwijnen. |
| En omdat die huichelaars maar al te goed weten dat veel varkens de spoeling dun maken, trachten ze met getier en bangmakerij anderen uit de buurt van de goudmijn te houden, zodat alleen zijzelf daaruit kunnen putten. |
| Ze klagen de wellust van de mannen aan in de hoop dat die hun staart zullen intrekken en de vrouwtjes aan hun aanklager overlaten. Ze laken woeker en oneerlijke winst in de hoop met de terugbetaling te worden belast: dan kunnen ze, met hetzelfde geld waarvan ze beweerden dat het de bezitter ervan in het verderf zou storten, hun habijt nog wat ruimer maken en bisschopszetels en andere prelaatschappen najagen. En als iemand hun deze en andere wandaden aanwrijft, maken ze zich ervan af met de leuze "Luister naar onze woorden, maar kijk niet naar onze daden", alsof de schapen en niet de herder het goede voorbeeld moeten geven. |
![]() |
| Maar hoewel velen zich door hun misleidende taal zand in de ogen laten strooien, zijn er toch ook heel wat die hun listen en lagen doorzien. De monniken van vandaag eisen van de gelovigen dat ze doen wat hun gezegd wordt: hun beurzen spekken, hun alle zielsgeheimen toevertrouwen, de kuisheid beoefenen, geduldig en vergevingsgezind zijn, achterklap mijden. Allemaal goede, prijzenswaardige en godgevallige betrachtingen. Maar waarom vragen ze dat alles? |
|
Enkel en alleen om bij hun streven naar wereldse geneugten alle mogelijke concurrentie van de leken te voorkomen. Wie zal ontkennen dat ledigheid zonder geld niet lang kan duren? Als Jan met de pet zijn geld laat rollen voor zijn eigen pleziertjes, is het afgelopen met het luilekkere leventje van de papen in hun klooster; als hij de vrouwtjes het hof maakt, is de kans voor de papen verkeken; als hij prikkelbaar of haatdragend is, zullen de papen niet het lef hebben om in zijn huishouden ruzie te komen stoken. Maar waarom zou ik hier nog verder over uitweiden? Telkens als ze weer met hun welbekende excuus voor den dag komen, vallen ze voor de goede verstaander door de mand. Waarom blijven ze niet bij hun moeder thuis als ze zich niet in staat voelen om een kuis en deugdzaam leven te leiden? |
| En als ze dan toch het geestelijke kleed aantrekken, waarom treden ze dan niet in de voetsporen van Christus, die volgens het evangelie genezend en predikend rondtrok? Laten ze eerst zélf het goede voorbeeld geven, vóór ze anderen de les lezen. Ik heb er in mijn leven wel duizend gekend die het dag en nacht aanlegden met al wat rokken draagt, niet alleen met wereldse vrouwen, maar zelfs met kloosterzusters. En meestal waren dat degenen die het hardst verdoemenis riepen op de preekstoel. |
![]() |
| De Decamerone werd in 1497 door Girolamo Savonarola verbrand omdat het onzedelijk zou zijn. Ook de kerk was niet altijd blij met het boek, niet zozeer vanwege de vrijmoedigheid alleen, maar vooral om de manier waarop kerkelijke prelaten werden beschreven. | |
| Divina comedia | Dante Alighieri | 1307 |
Het doodsmasker van Dante. Het lijkt op een reliekenkastje! |
De Goddelijke Komedie Vertaald door Christinus Kops in 1930 Amsterdam, 1982. Een fragment uit Het Paradijs, canto 29, regels 94-126 |
|
| Doch eigen vondsten wil thans ieder geven; die galmen luidkeels uit uw predikanten, en van het Evangelie wordt gezwegen. |
||
| De een zegt, dat bij des Heren droevig sterven de maan terugliep en de zon bedekte, zodat diens licht niet doordrong naar beneden. |
||
| Een ander, dat het licht vanzelf verdoofde, waarom de duisternis zo goed bij de Ebro en de Indus als bij 't joodse volk zich toonde. |
||
| Uw stad telt zoveel Lapo's niet en Bindo's als links en rechts door 't jaar vanaf de kansel wordt uitgestrooid aan fabels en verdichtsels. |
Lapo en Bindo: namen die toen veel voorkwamen |
|
![]() |
Zo keren overal de onnoozle schaapjes alleen met wind gevoed vanuit de weide, maar zulke onwetendheid weert schuld noch schade. |
|
| Neen, Christus sprak niet tot zijn eerste jongren: 'Gaat uit en predikt grappen aan de wereld! De waarheid gaf Hij hun om op te bouwen. |
||
| Die waarheid preekten zij zó luid en krachtig, dat ze in hun strijd om 't waar geloof te ontsteken van 't Evangelie schild en lans zich maakten. |
||
| Thans trekt men rond met fratsen en met grollen en als de preek het volk maar braaf doet lachen, dan zwelt de kap, en meer wordt niet gevorderd. |
kap: monnikskap | |
| Doch zag het volk eerst goed, wat vogel nestelt in 't donker van die kap, 0, vast zou 't weigren de vrijspraak, waar 't nog steeds zijn hoop op vestigt. |
vogel: duivel. vrijspraak: de absolutie |
|
| Hierdoor schoot zoveel domheid uit de bodem, dat rijk en arm, naar geen bewijzen vragend, aanvliegen zou op allerlei beloften. |
||
| Hiermee mest Sint Antonius zijn varken, ook anderen, veel erger nog dan zwijnen, en waar hij mee betaalt, mist alle waarde. |
||
|
De zin hierboven: "waar hij mee betaalt, mist alle waarde" is iets anders in de Nederlandse vertaling dan die in de Decamerone, waar staat: "betaalden met munten die klonken ook al waren ze niet geslagen", maar in het Italiaans zijn ze precies hetzelfde. |
||
| Sint Antonius, eind 15e begin 16e eeuw, Holland, Eikenhout. | ||
| Dus ze betalen met valse religieuze munt, met onwettige aflaten, niet gevalideerd door de Kerk, die zij niet bevoegd zijn om te verstrekken en dus zonder enige waarde. De orde van Antonianen wordt hier expliciet door Dante als schuilplaats van fraudeurs en vervalsers van de godsdienst aangewezen. |
|
| Heeft u informatie over Antonius Abt, of vragen, neem dan contact op met mij: Dolf Hartsuiker |