Vita Antonii Abba's Iconografie Antoniusvuur Antonianen In de Kunsten Vieringen Orthodox Literatuur
Folklore Sint Antonius Saint Antoine Sant'Antonio Sant Antoni Sankt Antonius Saint Anthony
Adolphus Hilarion Paulus van Thebe Maria van Egypte Simeon de Pilaarheilige Christen Asceten


Antonius in de literatuur

St. Anthony and his Pig. Forrest, 1766. - Italiaanse Reis. Goethe, 1787. - Sint-Theunis. Guy de Maupassant, 1887. - De ommegang, Stijn Streuvels, 1906 - Het Eiland der Pinguïns. Anatole France, 1908. - Een moderne Antonius. Vestdijk, 1960.
Mieke Maaike's o/øscene jeugd. Louis Paul Boon, 1972. - Merlijn. Michel Rio, 1997. - Le Roman de Saint-Antoine. Ganachaud, 2004. - Voor een kluizenaar. Hein Stufkens, 2007.


Vrijwel alle literaire werken die over Antonius gaan, of waar hij een rol in speelt, zijn spottend, ironisch, sarcastisch, kritisch, cynisch, en anti-kerkelijk. De enige uitzonderingen die ik tot nu toe ben tegengekomen zijn De Ommegang van Stijn Streuvels en het gedicht Voor een kluizenaar van Hein Stufkens.
In de andere kunstvormen is dat veel minder — schilderijen, theater — of zelfs niet — beeldhouwkunst, muziek— het geval.


St. Anthony and his Pig
A cantata
by Frederick Forrest 1766
St. Antonius en zijn Varken
Een cantate
door Frederick Forrest 1766
Ik heb geaarzeld of ik deze Cantate nu bij de Kunst of bij de Folklore zou indelen, omdat deze nogal ironisch en satirisch van karakter is, maar ondanks de 'lichtzinnige' toon ervan heb ik toch maar het eerste gekozen.
Een nieuw aspect aan het varken is dat het kan praten, en dat Antonius er een iets te innige liefdesrelatie mee schijnt te hebben.
Ik heb het vrij letterlijk vertaald, zonder pogingen tot rijm. De verwijzingen naar personen in de tekst zijn (mij) niet altijd even duidelijk, maar waar mogelijk heb ik een link gegeven.
Reliëf bij de boerderij van Benedictijner Abdij in Gerleve.
Wat een leuk opkijkend en lachend varkentje!

Recitative
Let clownish Cymon, in fond rustic strains,
To lovely Iphigene declare his pains;
Let tink'ring Tom for dustcart Sylvia pine,
I sing St. Anthony and his fav'rite swine:
Who, strange to tell, like you and I could speak,
When other grov'ling pigs could only squeak.
But when, or how, this wonder came to pass,
Remains unnoticed by the scribbling class:
Let it suffice, as oft he did caress her,
Thus, like a lovesick swain, he would address her.

Voordracht
Laat de potsierlijke Cymon, in tedere plattelands melodieën,
Aan de mooie Iphigenie zijn hartepijnen betuigen;
Laat de knutselende Tom smachten naar stoffige Sylvia,
Ik bezing St. Antonius en zijn favoriete zwijn:
Wie, vreemd om te vertellen, net als u en ik kon spreken,
Toen andere wroetende varkens slechts konden knorren.
Maar wanneer, of hoe, dit wonder tot stand kwam,
Bleef onopgemerkt door de krabbelende klasse:
Laat het volstaan te zeggen, aangezien hij haar vaak streelde,
dat hij zich aldus, als een verliefde vrijer, tot haar richtte.
Air
O my pretty piggy-wiggy,
More sweet than is the figgy,
That grows on yonder twiggy,
Or sugar candy;
My love for thee surpasses
All that which pretty lasses
Have for their looking-glasses,
Or Tristram Shandy.
Wijsje
O mijn mooi zwijntje,
Zoeter dan het vijgje,
dat groeit op ginds twijgje,
Van suikerzoet kandij;
Mijn liefde voor jou overtreft
Al wat die mooie meisjes
Als hun spiegelbeeld hebben,
Of Tristram Shandy.
Recitative
With little doting eyes, and ears upright,
To all he says she listens with delight:
Then, like the sluggish ass in scripture told,
In grunting accent did her mind unfold.
Voordracht
Met kleine verzotte ogen, en de oren gespitst,
Luistert zij met verrukking naar alles wat hij zegt:
Toen, zoals over de trage ezel in de schrift wordt verteld,
Openbaarde zij met knorrend accent haar gedachten.
Air
How shall I my thanks declare, sir,
In a learned genteel air, sir?
I the court have never seen,
Or at boarding-school have been;
Wijsje
Hoe kan ik u mijn dank betuigen, meneer,
In een geleerd en beschaafd liedje?
Ik heb nog nooit het hof gezien,
Noch ben ik op kostschool geweest;
Nor a singer am, you know, sir,
To delight like Beard and Lowe, sir;
But since I must play my part,
Thank you, sir, with all my heart.
Evenmin ben ik een zanger, weet u, meneer,
Om als Beard en Lowe te behagen, meneer;
Maar aangezien ik mijn rol moet spelen,
Dank ik u, meneer, met heel mijn hart.

De Verzoeking van de Heilige Antonius. Félicien Rops. ± 1858. Collectie Dexia Bank in Brussel.
Het is ongetwijfeld een ironisch bedoelde afbeelding, maar eigenlijk geeft het toch de juiste verhouding weer tussen Antonius een zijn varkentje, zijn assistent, zijn vriend.

Recitative
The hoary dotard gazes on her charms,
And fondly clasps her in his withered arms;
Then gently stroking first her bristled hide,
Smacked her soft balmy snout, and thus replied.

Voordracht
De verdwaasde grijsaard staart naar haar charmes,
En liefkozend sluit hij haar in zijn verschrompelde armen;
Dan eerst haar beborstelde huid voorzichtig strelend,
Gaf hij haar een smakkerd op haar zachte vochtige snuit, en antwoordde aldus.

Air
Let sordid mortals toil all day,
For gold and silver search and dig;
A greater treasure I enjoy
In this, my charming talking pig.

Wijsje
Laat lage stervelingen maar de hele dag hard werken,
Naar goud en zilver zoeken en graven;
Ik geniet van een grotere schat,
In dit, mijn betoverend lief sprekend varkentje.

Though mighty monarchs on their thrones
In pride and state look fierce and big,
They are not so content and blessed
As is old Tony with his pig.
Hoewel machtige koningen op hun tronen
In pracht en praal woest en groot lijken,
Zijn zij niet zo tevreden en gezegend
Als oude Tony met zijn varken is.
I neither care who's in or out,
Whether Tory, whether Whig,
I love my country, King and Queen,
But best of all I love my pig.
Het maakt mij niet uit wie in of uit is,
Of hij Tory is, of Whig,
Ik houd van mijn land, Koning en Koningin,
Maar meest van al houd ik van mijn varken.
Forrest, Frederick, (fl. 1766), Engelse dichter en songwriter die vaak met zijn broer Theodosius Forrest samenwerkte.
Uit: The New Book of Eighteenth Century Verse, Edited by Roger Lonsdale, Oxford University Press, (1984).


Die italienische Reise Italiaanse Reis
Johann Wolfgang von Goethe
(1749-1832)
Vertaling Wilfred Oranje.
Bezorger Marinus Pütz. Uitgever Boom, 1999.
Goethe in der Campagna di Roma. 1787.
Hier is een detail getoond van het schilderij door Johann Tischbein, die een tijd lang samen met hem in Italië was. Een beroemd schilderij, 'een zinnebeeld van Goethe's reis', maar anatomisch (de benen i.h.b.) niet correct.
Den 18. Januar 1787 18 januari 1787
Gestern, als am Feste des heiligen Antonius Abbas, machten wir uns einen lustigen Tag, es war das schönste Wetter von der Welt, hatte die Nacht Eis gefroren, und der Tag war heiter und warm.
Es läßt sich bemerken, daß alle Religionen, die entweder ihren Kultus oder ihre Spekulationen ausdehnten, zuletzt dahin gelangen mußten, daß sie auch die Tiere einigermaßen geistlicher Begünstigungen teilhaft werden ließen.
Sankt Antonius, der Abt oder Bischof, ist Patron der vierfüßigen Geschöpfe, sein Fest ein saturnalischer Feiertag für die sonst belasteten Tiere sowie für ihre Wärter und Lenker. Alle Herrschaften müssen heute zu Hause bleiben oder zu Fuß gehen, man verfehlt niemals, bedenkliche Geschichten zu erzählen, wie ungläubige Vornehme, welche ihre Kutscher an diesem Tage zu fahren genötigt, durch große Unfälle gestraft worden.
Gisteren, op het feest van de heilige Antonius Abbas, hebben wij er een vrolijke dag van gemaakt, het was het mooist denkbare weer, 's nachts had het gevroren en overdag was het helder en warm. Men kan constateren dat alle godsdiensten die hetzij hun cultus, hetzij hun speculaties een ruimere strekking gaven, ten slotte het punt moesten bereiken dat ze in enige mate ook de dieren in geestelijke gunstbewijzen lieten delen. Sint Antonius, de abt of bisschop, is beschermheilige van de viervoeters, zijn feest een saturnalische feestdag voor de anders zo zware arbeid verrichtende dieren, alsmede voor hun verzorgers en menners. Alle hoge heren moeten op deze dag thuis blijven of te voet gaan, nimmer zal men nalaten tot nadenken stemmende verhalen te vertellen, over ongelovige edelen die hun koetsiers op deze dag dwongen uit te rijden en daarvoor met grote rampen werden gestraft.
Die Kirche liegt an einem so weitschichtigen Platz, daß er beinahe für öde gelten könnte, heute ist er aber auf das lustigste belebt, Pferde und Maultiere, deren Mähnen und Schweife mit Bändern schön, ja prächtig eingeflochten zu schauen, werden vor die kleine, von der Kirche etwas abstehende Kapelle geführt, De kerk ligt aan een zo ruim bemeten plein [Piazza Santa Maria Maggiore] dat het bijna voor een troosteloze vlakte zou kunnen doorgaan, maar vandaag heerst er een vrolijke drukte, paarden en muildieren, waarvan de manen en staarten fraai met gevlochten linten getooid zijn, een prachtig gezicht, worden tot voor de kleine, iets opzij van de kerk staande kapel geleid,
wo ein Priester, mit einem großen Wedel versehen, das Weihwasser, das in Butten und Kübeln vor ihm steht, nicht schonend, auf die muntern Geschöpfe derb losspritzt, manchmal sogar schalkhaft, um sie zu reizen. waar een priester, uitgerust met een grote kwast, de wakkere schepsels met het in tobben en kuipen voor hem staande wijwater royaal en ruw, soms zelfs schalks om de dieren te sarren, besprenkelt.
Een schilderij van de dierenzegening ter ere van Antonius in Rome in de 18e eeuw. Links is de kerk Maria Maggiore duidelijk herkenbaar, terwijl de kerk waar het zich afspeelt de Sant'Antonio Abate is, de huidige orthodox Russische kerk aan de Via Carlo Alberto. Het moet er zeker zo in Goethe's tijd uit gezien hebben.
Andächtige Kutscher bringen größere oder kleinere Kerzen, die Herrschaften senden Almosen und Geschenke, damit die kostbaren, nützlichen Tiere ein Jahr über vor allem Unfall sicher bleiben mögen. Esel und Hornvieh, ihren Besitzern ebenso nützlich und wert, nehmen gleichfalls an diesem Segen ihr beschieden Teil. Vrome koetsiers komen met grotere of kleinere kaarsen aanzetten, de hoge heren sturen aalmoezen en giften, opdat de kostbare, nuttige dieren het komende jaar voor alle rampspoed bewaard mogen blijven. Ezels en hoornvee, voor hun eigenaren al even nuttig en waardevol, delen eveneens bescheiden in deze zegen.
Nachher ergötzten wir uns an einer großen Wanderung unter einem so glücklichen Himmel, umgeben von den interessantesten Gegenständen, denen wir doch diesmal wenig Aufmerksamkeit schenkten, vielmehr Lust und Scherz in voller Maße walten ließen. Naderhand genoten we van een grote wandeling, onder een stralende hemel, omringd door de interessantste zaken, maar ditmaal schonken we daar weinig aandacht aan, veeleer lieten we de vrije teugel aan vrolijkheid en scherts.
Goethe bezoekt het Colosseum in Rome, in circa 1790. Jacob-Philippe Hackert.
[Eindnoot NL editie] Hackert was een persoonlijke vriend van Goethe, die hij in Napels ontmoette, en bij wie hij tekenles nam.
De zinsnede "Sankt Antonius, der Abt oder Bischof" onthult wel iets van de kennis van Goethe over Antonius. Met "Sankt Antonius" impliceert hij enige Duitse familiariteit met Antonius, maar het "Abt oder Bischof"geeft aan dat hij hem niet echt goed kende. Antonius was namelijk zeker geen bisschop.
In een eindnoot in de NL editie staat dat Goethe zich voorgenomen had een opstel over de wijding der paarden te schrijven, dat echter nooit tot stand is gekomen.
Jammer, want dan hadden we wellicht kunnen vernemen of er toen in Rome nog meer festiviteiten plaats vonden op de 17e januari 1787. Bovendien zou hij dan waarschijnlijk ook wel ontdekt hebben dat de paardenwijding ouder is dan het Christendom, een heidens ritueel, dat gekerstend daarin geïncorporeerd is. En zou hij teruggekomen zijn op zijn constatering "
dat alle godsdiensten die hetzij hun cultus, hetzij hun speculaties een ruimere strekking gaven, ten slotte het punt moesten bereiken dat ze in enige mate ook de dieren in geestelijke gunstbewijzen lieten delen".


Saint-Antoine, Contes de la Bécasse. Guy de Maupassant, 1887.
Sint-Theunis
In: De jongedochter Martin. Alle verhalen 1882-1883 [pp. 132-140]
vertaling: Hans van Cuijlenborg
Uitgeverij L.J. Veen Amsterdam/Antwerpen
In het Frans heet deze Sint-Theunis gewoon Saint-Antoine, dus een letterlijke vertaling van zijn naam als Sint-Antonius zou misschien meer aan de orde zijn geweest. Anderzijds benadrukt deze vertaling als Sint-Theunis wel het boerse karakter van de hoofdpersoon.
Deze Sint-Theunis is overigens verre van heilig te noemen.
Hij is een vreetzak en dronkelap. Maar wat erger is, in feite mishandelt hij zijn tegenspeler, een Pruisisch soldaat, lichamelijk en geestelijk door hem — als een varken — vet te mesten en hem belachelijk te maken.
Uiteindelijk vermoordt hij hem zelfs, en veroorzaakt daardoor nog eens de executie van een onschuldige gendarme die de schuld van de moord krijgt.
Als ‘verzachtende omstandigheid’ zou misschien voor zijn tijdgenoten gegolden kunnen hebben dat de Pruis een vijand was. Maar toch, vanuit een ‘Christelijk heilig’ standpunt had dat natuurlijk geen verschil mogen maken.
Maar ik neem het verhaal toch maar op, omdat het een zienswijze van Antonius weergeeft, die wat doet denken aan het ‘lage’ karakter van de Antoniaan in het verhaal van Boccaccio. Dus er werd niet altijd zo positief gedacht over de Katholieke heiligen als representanten van de Kerk.
Ze noemden hem Sint-Theunis, omdat hij Theunis heette en misschien ook wel omdat hij een levensgenieter was, altijd vrolijk, een grappenmaker, een stevig eter en een fors drinker, en een groot liefhebber van dienstmeiden, al was hij de zestig voorbij.
Hij was een grote boer uit de Caux, hoogrood, met een stevige borstkas en een dikke buik, met daaronder lange benen die te mager leken voor de omvang van zijn lijf.
Hij leefde als weduwnaar alleen met zijn dienstmeid en zijn twee knechts op zijn boerderij die hij als een sluwerd beheerde, met een wakker oog voor zijn belangen, handig in het zaken doen, in het opfokken van vee en in het bebouwen van zijn grond. Zijn beide zonen en zijn drie voordelig uitgehuwelijkte dochters woonden in de buurt en kwamen eens per maand bij vader thuis eten. Zijn levenskracht was befaamd door de hele streek in de omtrek, en er was een zegswijze ontstaan die luidde: 'Hij is zo sterk als Sint-Theunis.’
Toen de Pruisische invasie plaatsgreep, beloofde Sint-Theunis in het café wel een heel leger te lusten, want als oprecht Normandiër was hij een snoever, wat laf en blufferig. Hij sloeg met zijn vuist op de houten tafel, die opsprong en de kopjes en de glaasjes liet dansen, en schreeuwde, met een rood smoelwerk en een geniepige blik, met de gespeelde woede van een levensgenieter: 'Ik lust ze wel rauw, nondeju!' Hij rekende er natuurlijk op dat de Pruisen niet tot Tanneville zouden komen, maar toen hij hoorde dat ze al in Rautôt zaten, kwam hij zijn huis niet meer uit en bespiedde onophoudelijk de weg door zijn keukenraampje, omdat hij elk moment verwachtte bajonetten te zien voorbijtrekken.
Op een ochtend, toen hij soep zat te eten met zijn personeel, ging de deur open en de burgemeester van de gemeente, boer Chicot, verscheen met achter zich aan een soldaat die een zwarte helm
met een koperen punt droeg. Sint-Theunis sprong op, en al zijn volk keek hem aan, omdat ze verwachtten dat hij de Pruis zou doodslaan. Maar hij beperkte zich tot de hand van de burgemeester te schudden, die hem zei: 'Den dezen is voor jou, Sint-Theunis. Ze zijn vannacht gekomen. Haal voorzekers geen streken uit, want ze hebben het over fusilleren en alles in de fik steken als er ook maar dit gebeurt. Dus gewaarschuwd ben je. Geef hem te eten, 'm lijkt m'n in orde. Goeienavond, ik ga naar den anderen. D'r zijn d'r voor elkenen.' En hij vertrok.
Vader Theunis was bleek geworden en bekeek zijn Pruis. Het was een grote jongen met vet en blank vlees, blauwe ogen, blonde haren en een baard tot zijn jukbeenderen, die stom, verlegen en goedaardig leek. De slimme Normandiër had hem meteen door en beduidde hem gerustgesteld dat hij kon gaan zitten. Toen vroeg hij hem: 'Wilt u soep?' De vreemdeling begreep het niet. Toen werd Theunis overmoedig, schoof hem een vol bord onder de neus en zei: 'Hier, slik dat maar door, groot varken.'
De soldaat antwoordde: 'Ja', en begon met graagte te eten terwijl de triomferende boer merkte dat hij zijn reputatie had gered en dus naar zijn personeel knipoogde, dat gekke bekken trok, omdat ze tegelijkertijd doodsbenauwd waren en zin hadden om te lachen.
Toen de Pruis zijn bord leeg had, serveerde Sint-Theunis hem er nog een dat hij ook liet verdwijnen. Maar hij aarzelde bij het derde, dat de boer hem per sé wilde laten opeten, waarbij hij telkens herhaalde: 'Allez, stop dat er ook nog achteraan. Je moet er nog van groeien, wat dacht je wat, allez, varken van m'n!'
En de soldaat, die slechts begreep dat ze hem wilden laten eten tot hij verzadigd was, lachte tevreden en beduidde dat hij vol zat.
Toen werd Sint-Theunis pas echt intiem, sloeg hem op de buik en schreeuwde: 'Heeft 'm zijn pensje lekker vol, m'n varken!' Maar plotseling sloeg hij dubbel, zo rood alsof hij een hartaanval kreeg, en kon niets meer zeggen. Hij had een idee gekregen dat hem deed stikken van de lach:
'Natuurlijk, natuurlijk, Sint-Theunis met zijn varken. Daar heb ik mijn varken!' En de drie bedienden begonnen op hun beurt te schaterlachen.
De oude was zo tevreden dat hij brandewijn liet aanrukken, goeie, afbijt, waarop hij iedereen trakteerde. Er werd geklonken met de Pruis, die met zijn tong klikte bij wijze van compliment, om aan te geven dat hij dit fantastisch vond. En Sint-Theunis schreeuwde hem in het gezicht: 'Nietwaar? Dat is me nog eens een borrel, hè! Zo geven ze ze bij jou niet, varkentje van me.'
Vanaf dat moment ging vader Theunis er niet meer op uit zonder zijn Pruis. Hij had wat hij zocht, dit was zijn particuliere wraak, zijn wraak van grote slimmerik. En de hele streek, die sidderde van angst, lachte zich rot achter de rug van de overwinnaars om de mop van Sint-Theunis. Echt waar, als het ging om grappen was hij ongeëvenaard. Alleen hij kon zulke dingen bedenken. De ouwe boef!
Hij ging elke dag na de middag naar zijn buren, arm in arm met zijn Duitser, die hij vrolijk voorstelde door hem op de schouder te kloppen: 'Zie, hier heb ik m'n varken, zie maar eens of ten vet wordt, dat beest.'
En de boeren straalden van plezier. 'Wat is ten toch geestig, diën duvelse Theunis!'
'Ik verkoop hem je, Cesaire, drie pistolen.'
'Daarvoor doen ik het, Theunis, en je wordt genodigd de bloedworst te komen eten.'
'Wat ik gaarne wou, dat zijn z'n poten.' '
Voel hem de buik maar eens, je zult zien dat het enkelt spek is.'
En iedereen knipoogde zonder al te hard te lachen, uit angst dat de Pruis er ten slotte achter zou komen dat ze de draak met hem staken. Alleen Theunis werd met de dag brutaler, kneep hem in de dijen en riep dan: 'Zuver spek', sloeg hem op zijn rug en schreeuwde: 'Niks als zwoerd', tilde hem op in zijn armen van ouwe reus, in staat een aambeeld te dragen, en verklaarde: 'Hem weegt zeshonderd, schoon aan de haak.'
En hij had de gewoonte aangenomen zijn varken overal waar hij ermee aankwam, eten te laten aanbieden. Dat was de grote pret, het grote vertier van alledag: 'Geef hem maar wat je hebt, den diën vreet alles.' En ze gaven de man brood met boter, aardappelen, koude ragout, worst, waarbij ze zeiden: 'Gelijk de uwe, en eersteklas.'
De soldaat, stom en meegaand, at uit beleefdheid, in zijn nopjes met die aandacht, vrat zich ziek door niets te weigeren en werd echt dikker, kwam strak in zijn uniform te zitten, wat Sint-Theunis in vervoering bracht en hem telkens deed zeggen: 'Zal ik je eens wat zeggen, varken van m'n, aanstonds moeten me een ander kot voor je maken.'
Ze waren trouwens de beste vrienden van de wereld geworden. En als de ouwe in de buurt zaken ging doen, ging de Pruis uit zichzelf met hem mee, alleen al voor het genoegen bij hem te zijn. Het weer was vreselijk, het vroor dat het kraakte, en de verschrikkelijke winter van 1870 leek alle plagen in één keer over Frankrijk los te laten.
Vader Theunis, die zaken al vroeg voorbereidde en van gelegenheden profiteerde, voorzag dat hij voor het voorjaar mest te kort zou komen, en kocht die van een buurman, die er te veel van had. Afgesproken werd dat hij elke avond met zijn kiepkar een lading mest zou komen halen.
Dus begaf hij zich elke dag bij het vallen van de avond op weg, naar de boerderij van de Haules, een halve mijl verderop, altijd in gezelschap van zijn varken, en elke dag was het weer een feest om het dier te voeden. De hele streek kwam daar naartoe zoals ze zondags naar de hoogmis gingen.
Maar de soldaat begon achterdocht te koesteren, en als er te hard gelachen werd, rolde hij onrustig met zijn ogen, waarin soms een vlammetje van woede ontstak.
Welnu, toen hij op een avond zijn buikje rond had gegeten, weigerde hij verder nog een hap door te slikken. En hij probeerde op te staan om weg te gaan. Maar Sint-Theunis hield hem met zijn arm tegen, legde hem zijn beide stevige handen op de schouder en duwde hem zo ruw weer terug dat de stoel onder de man brak.
Een stormachtige vrolijkheid barstte los, Theunis raapte stralend zijn varken op, deed net alsof hij het verzorgde om het te genezen en verklaarde vervolgens: 'Als je dan niet meer wilt eten, dan zul je drinken, nondeju!' En ze gingen brandewijn in het café halen.
De soldaat rolde woest met de ogen, maar hij dronk toch, hij dronk zoveel hij maar kon, en Sint-Theunis hield hem bij, tot groot vermaak van de aanwezigen.
De Normandiër, rood als een tomaat, met de blikken ontvlamd, vulde de glazen, klonk en brulde 'Proost!' en de Pruis sloeg zonder een woord te zeggen stuk voor stuk de glazen cognac achterover.
Het was een strijd, een veldslag, een revanche! Wie het meest kon drinken, potverdorie! Ze konden geen van beiden meer toen hun liter op was. Maar geen van beiden was winnaar. Het was een nek-aan-nekrace, punt uit. Ze moesten de volgende dag maar opnieuw beginnen!
Wankelend liepen ze naar buiten en gingen op weg, naast de kiepkar met mest die langzaam door de beide paarden werd getrokken. De sneeuw begon te vallen, en de maanloze nacht verlichtte triest met zijn doodse bleekheid de vlakte. Kou beving beide mannen, waardoor hun dronkenschap verergerde, en Sint-Theunis, die er de pest over in had dat hij niet had gewonnen, vermaakte zich door met zijn schouder zijn varken optaters te verkopen om hem in de greppel te doen belanden. De ander vermeed die aanvallen door hem te ontwijken, en telkens sprak hij een paar woorden Duits op geërgerde toon die de boer deed schaterlachen. Ten slotte werd de Pruis boos, en op het moment dat Theunis hem weer een nieuwe stoot wilde verkopen, reageerde hij met een vreselijke vuistslag die de reus aan het wankelen bracht.
Opgehitst door de brandewijn greep de oude man de jongen vervolgens bij de armen, schudde hem even door elkaar zoals hij dat gedaan zou hebben bij een kind, en smeet hem vervolgens in één keer naar de overkant van de weg. Tevreden over deze prestatie sloeg hij vervolgens de armen over elkaar en begon weer te lachen.
Maar de soldaat kwam bliksemsnel overeind met ontbloot hoofd, want zijn helm was weggerold, trok zijn sabel en wierp zich op vader Theunis.
Toen hij dat zag, pakte de boer zijn zweep in het midden, zijn grote zweep van hulst, recht, sterk en soepel als een bullepees. De Pruis kwam er aan, met gebogen voorhoofd, het wapen in de aanslag, van plan te doden. Maar de oude man greep met zijn volle hand de kling waarvan de punt zijn buik dreigde te doorboren, duwde haar aan de kant en sloeg zijn vijand keihard met het handvat van de zweep op de slaap, waarop deze aan zijn voeten ineenzakte.
Geschrokken en verstomd van verbazing bekeek hij dat lichaam dat eerst nog schokte met stuiptrekkingen en vervolgens roerloos op de buik bleef liggen. Hij boog zich voorover, draaide hem om, bekeek hem even. De man had de ogen dicht, een straaltje bloed stroomde uit een wond naast zijn voorhoofd. Ondanks de nacht zag vader Theunis de bruine vlek van dat bloed op de sneeuw.
Hij bleef daar staan en raakte de kluts kwijt terwijl zijn kiepkar gewoon doorreed, op de rustige stap van de paarden.
Wat moest hij doen? Hij zou worden gefusilleerd! Ze zouden zijn boerderij in brand steken, ze zouden het dorp verwoesten! Wat te doen? Wat te doen? Hoe moest hij dat lichaam verbergen, de dood verbergen, de Pruisen een loer draaien? In de verte hoorde hij stemmen, in de grote stilte van de sneeuw. Toen raakte hij in paniek, raapte de helm op, zette die weer op het hoofd van zijn slachtoffer, pakte hem vervolgens bij het middel, tilde hem op, rende met hem weg, haalde zijn span in en wierp het lichaam op de mest. Thuis zou hij wel verder zien.
Hij liet stapvoets rijden, brak zich het hoofd, kwam op niets. Hij zag en voelde zich verloren. Hij reed het erf op. Er brandde nog licht bij een dakraam, zijn dienstmeid sliep nog niet. Daarop liet hij meteen zijn kar achteruitrijden tot de rand van de mestput. Hij bedacht dat als hij de lading zou lossen, het lichaam dat erop lag onder in de kuil zou vallen. En hij liet de laadbak kieperen.
Zoals hij had voorzien werd de man onder mest bedolven. Theunis platte de hoop met zijn greep en plantte die toen in de grond ernaast. Hij riep zijn knecht, beval zijn paarden in de stal te zetten en ging naar zijn kamer.
Hij kroop in bed, nog altijd nadenkend over wat hij nu moest doen, maar er kwam geen idee bij hem op en zijn angst werd in de onbeweeglijkheid van het bed alleen maar groter. Ze zouden hem fusilleren! Hij zweette van angst, hij klappertandde, rillend stond hij op, omdat hij het tussen de lakens niet meer uithield.
Hij ging naar de keuken, pakte de fles met zuiver nat uit de kast en ging weer naar boven. Hij dronk twee grote glazen achter elkaar, waardoor er een nieuwe dronkenschap over de oude heen kwam te liggen, zonder de angst uit zijn ziel weg te nemen. Dat had hij toch even mooi gedaan, godvergeten imbeciel dat hij was!
Hij ijsbeerde nu door zijn kamer, zocht listen, verklaringen en trucs, en af en toe spoelde hij zich de mond met een slok afbijt om zich een hart onder de riem te steken.
En hij kwam op niets. Volstrekt op niets.
Tegen middernacht begon zijn waakhond, een soort halve wolf die hij Bijter noemde, te janken dat het niet mooi meer was. Vader Theunis ging dat door merg en been en telkens als het dier weer zo'n onheilspellende, lange klaagzang aanhief, doorvoer de oude man een rilling van angst.
Hij had zich op een stoel laten vallen, met lood in de schoenen, verdoofd, aan het eind van zijn krachten, angstig afwachtend tot Bijter weer met zijn klacht zou beginnen, en geschokt door zo'n plotselinge schrik, zo erg dat je zenuwen ervan gaan trillen.
De klok beneden sloeg vijf. De hond hield maar niet op. De boer werd er gek van. Hij stond op om het dier te gaan losmaken, om het niet meer te hoeven horen. Hij ging naar beneden, deed de deur open, en liep de nacht in.
De sneeuw viel nog altijd. Alles was wit. De gebouwen van de boerderij vormden grote donkere vlekken. De man liep naar het hondenhok. De hond trok aan de ketting. Hij maakte hem los. Toen sprong Bijter weg, bleef vervolgens met de haren overeind staan, de poten recht, de tanden in de wind, en de snuit naar de mesthoop gericht. Sint-Theunis stond van kop tot teen te beven en stamelde: 'Wat mankeert je toch, rothond?' en hij deed weer een paar stappen naar voren, doorzocht met zijn blik het vage duister, het vale duister van het erf.
En toen zag hij een gestalte, een menselijke, gezeten op zijn mesthoop!
Hij bekeek dat, aan de grond genageld van afgrijzen, hijgend. Maar plotseling zag hij vlak bij zich de steel van zijn in de grond geplante greep, trok die eruit, en in zo'n bevlieging van angst waardoor zelfs de lafste mensen roekeloos worden, rende hij eropaf, om te kijken. Hij was het, zijn Pruis, besmeurd uit zijn sponde van uitwerpselen opgerezen, die hem had verwarmd en bijgebracht. Hij was automatisch gaan zitten, en bleef daar zitten, in de sneeuw die hem bepoederde, nog versuft van dronkenschap, verdoofd van de klap en uitgeput van zijn wond.
Hij zag Theunis, en te afgestompt om iets te begrijpen, maakte hij aanstalten om op te staan. Maar de oude man begon zodra hij hem had herkend als een dol beest te schuimbekken.
Hij stamelde: 'Zo, varken! Varken toch! Jij bent niet dood! Maar nu zal je me zeker aangeven... wacht even... wacht even!' Hij stortte zich op de Duitser, wierp met alle kracht die hij in beide armen had zijn opgeheven mestgreep als een lans, en stak de vier ijzeren punten tot de steel in de borst.
De soldaat viel achterover op zijn rug, slaakte een lange stervenszucht, terwijl de oude boer zijn wapen uit de wonden trok, en het steeds maar weer in de buik stak, in de maag, in zijn keel, toeslaand als een bezetene, dat nog kloppende lichaam van kop tot teen doorborend, waaruit het bloed in grote gutsen naar buiten stroomde.
Toen hield hij op, ademloos van het geweld van zijn klus, haalde diep adem en werd weer rustig van de gepleegde moord.
Toen kraaiden de hanen in de kippenhokken en omdat het dag ging worden, ging hij aan het werk om de man te begraven.
Hij groef een gat in de mest, stuitte op grond, ging nog dieper, in een opwelling van kracht wanordelijk werkend, met woeste bewegingen van zijn armen en zijn hele lijf.
Toen het gat diep genoeg was, rolde hij het lijk erin met de mestgreep, gooide er weer aarde op, stampte die goed aan, legde toen de mest weer op zijn plek en glimlachte toen hij het dikke pak sneeuw zag dat zijn karwei afmaakte en sporen wiste met zijn witte sluier.
Toen stak hij zijn greep weer in de mesthoop en ging naar huis. Zijn nog halfvolle fles brandewijn was op tafel blijven staan. Hij leegde haar in één teug, wierp zich op zijn bed en viel diep in slaap.
Hij ontwaakte nuchter, met rustige, heldere geest, in staat het geval te overpeinzen en te voorzien wat er nu ging gebeuren.
Na een uur rende hij door het dorp en vroeg overal bescheid over zijn soldaat. Hij ging naar de officieren om te horen, zo verklaarde hij, waarom ze hem zijn man weer hadden afgenomen.
Omdat ze op de hoogte waren van hun band werd hij niet verdacht, en hij leidde zelfs de zoektochten, waarbij hij beweerde dat de Pruis elke avond achter de meiden aanging.
Een oude gepensioneerde gendarme, die in een naburig dorp een herberg had, en een mooie dochter, werd gearresteerd en gefusilleerd.


De ommegang, Stijn Streuvels, 1906.
Het verhaal werd gepubliceerd in de bundel "Het Uitzicht der Dingen", waarin verder nog De kwade dagen en De veeprijskamp
De Ommegang speelt zich af in Ingooigem waar Stijn Streuvels het grootste deel van zijn leven woonde.
Ik heb hieronder een aantal excepts, waarin het religieuze ritueel en Antonius een grote rol spelen, weergegeven. Maar het verhaal is wel zo mooi dat ik het onverkort als pdf aan mijn site heb toegevoegd.
De dorpelingen, boeren, knechts en meiden worden wel enigszins uitgebeeld als "edele wilden" (des bons sauvages), maar het is alles met zeer veel gevoel en oog voor detail beschreven.
Ik heb zelf een soort hoofdstuk-indeling aangebracht, tussen [ ] weergegeven.
De meeste foto's bij dit verhaal zijn van
Stijn Streuvels zelf.
[Voorbereidingen, 8 dagen]
Galmt er iets daar hoog in de lucht ? of komt het aangeruischt uit de verte, als eene preveling van wind in de bladeren ? of is het alleen maar verbeelding die leeft in 't geheugen van de dorpelingen ?
Alles blijft stil en neemt zijn gewoon verloop. Het schijnt nochtans alsof er iets ophanden ware, iets dat buiten den gewonen sleur van werk en leven ligt. Naderen ze niet de jaarlijksche blij dagen, waarop het dorp zijn feestelijk uitzicht vertoont ? De ommegang, waarop heel de bevolking der streek komt toegestroomd om den wonderen Heilige te dienen, — de negen dagen waarop alle werk stilvalt en de parochianen feest vieren ?
De bindsters in het koorn. Foto van Stijn Streuvels.
Het verlangen hangt als iets tastelijks in de lucht en ieder heeft nagerekend : wanneer de plechtigheid zal aanbreken. Nergens nog is er iets te merken; niemand die van zijn bezigheid opkijkt of onrustig schijnt : bedaard blijven ze aan 't werk ; geen enkel voorteeken van de gebeurtenis is er te bespeuren. De menschen verwachten het als een natuurverschijnsel dat op vasten en gestelden tijd, telkens weerkeert, ook als er niemand aan denkt. Bij ondervinding weet elke dorpeling dat het de plechtige feestdagen zijn ; in hun gemoed staat de ommegang als een groote verademing in het gestadig werk ; en 't geen ze er bij voelen, wanneer ze denken aan hetgeen dit jaar weer nakende te gebeuren staat : is een beetje trots omdat ze de parochianen zijn van die bevoorrechte parochie, waar hun Heilige zijne wonderen verricht en waar al de menschen, uit heel den omtrek, die beladen zijn met ongelukken of ziekte, moeten komen, om troost en hulp en ontlasting. Zij zelf zullen de gelegenheid waarnemen om ook hunne devotie tot den Heilige te volbrengen en hem zijne jaarlijksche dagen te wijden, omdat Hij het van een ieder verzoekt. Al het andere, de groote, luide lustigheid van de wereldsche kermis, komt er dan nog bij ; het zal hen een genoegen zijn alle familieleden eens op bezoek te ontvangen en hen wel te vergasten.
Maar bij jonkheden en jonge meisjes is het anders gesteld : door heel het jaar wendt en draait al het verlangen van hun hart naar dat tijdstip ; ze durven er niet naar verlangen, omdat het verlangen naar den blijdag tevens een vernaderen van den tijd meebrengt waarop de ommegang weer voorbij zal zijn. Alle voornemens en verwachtingen van de genoegens staan in hun gemoed gereekt tot een hoogte van alle denkelijk geluk. Heel hun verlangen is er op gesteld, — die dag moet hen alle mogelijke vreugden meebrengen. In hun gemoed staat hij uitgebeeld : aanbrekend met een heerlijken dageraad, en 't geen ze alsdan beleven zullen, beschouwen zij als het toppunt van genot. De zonneschijn zelf houdt dat verlangen in en 't komt hen voor dat het leven, na den ommegang, dat het land hier rondom, niet meer zoo schitterend verlicht zal zijn, gelijk nu. Ze voorvoelen nu reeds de treurnis om de gewaarwording : dat ze weer een vol jaar zullen moeten wachten naar een volgenden ommegang. Maanden lang reeds houdt ieder zijn drinkgeld gespaard, zijn goede voornemens en sterke hoop gereed om er zooveel mogelijk de deugd van te halen ; hun hoofd zit vol ongezegde dingen en terwijl hun gesprek over de alledaagsche voorvallen loopt, blijft hun gedacht op het onuitgesprokene gesteld.
Ze bimbammen overhands alle drie, de klokjes, als drie lustige meisjes zingen ze : bim-bam-bom ! Om ter zeerst, tellend, elk zijn tonge slaat in de mate en alteenegader rellen de heldere drieklanken, blijde, lustig den toren uit, al door de klokgaten, lijk lichtperels in de lucht gestrooid, terwijl de avond weemoedig is. Maar spijts den avond perelt het als een lied, als de levenslustige blij mare, vreugde verkondend alom : dat 't ommegang is ! Bim-bam-bom !

Daar is ineens de blij mare over 't land, de klokken bellen het uit : 't is ommegang, hij komt !
De Sint Antoniuskerk. Foto van Stijn Streuvels.
Morgen is het weer een gewone dag van werk op het land en overmorgen ook, maar acht dagen lang, na de negen kloppen der bedeklok' s avonds, herneemt de blijde tribbel, de driezang van de klokken die 't altijd opnieuw verrnonden : dat de ommegang nadert.

De Heilige was vergeten ! De Heilige leeft ! De Heilige van de parochie, op hem steunt alle betrouwen, — hij zorgt voor alles : het is zijn feestdag die nadert en die gevierd wordt — 't is ommegang, Zondag is het ommegang !

Vanavond luiden zij weerom en negen dagen lang zullen zij luiden, zoolang tot de ommegang daar is. Hun zang gaat als een welbekend lied; zij zingen het lied eener goede herinnering uit het schoon, tooverachtig verleden en meteen brengen ze de blijde boodschap van iets wonders dat nog eens zal weerom keeren — iets dat in aantocht is — iets dat verloren of voor altijd vergaan scheen en voorbij : het vreugdegeschal nadert uit de verte !

EIken avond, negen dagen naareen, luiden de klokken weer hun zelfden schoonen tribbel, dan komt iedereen vóór zijn deur en de jongens dansen in ronde op de dorpsplaats. Telkens is de lucht vol geruisch en terwijl de menschen daar staan en 't gewone nieuws vertellen, weten zij niet wat er in hun binnenste gebeurt; ze laten zich doorzinderen, 't geluid doorstroomt hun gemoed en ze glimlachen van de deugd, als menschen die zich laten nat regenen in eene stortvlaag, omdat ze te lang in zomerdroogte naar lafenis gesmacht hebben. De groote mannen staan met de armen gekruist, in hun besmeurde kleeren, den blik naar binnen gekeerd, te luisteren en. heel bezig met 't gerucht dat uit de klokgaten stijgt en opensproeit in de avondlucht. Op hun mond ligt een monkel van trots en welgezindheid bij ’t besef : dat hun beiaard op gindsche dorp daar, en over heel de streek, het feest van hunnen ommegang verkondigt.
[De offer-koe]
Den Zondag, acht dagen voor het feest, wanneer de jongens na de hoogmis uit de kerk komen, vinden ze het volk in dichten groep staan zien naar iets — en als ze in haast tusschen de beenen der groote menschen doorgekropen zijn of door een kleine opening gesparteld, toch nader geraken, ontwaren ze de koe die Verhelst, de beenhouwer, daar houdt bij het zeel. Verhelst de beenhouwer, zoogezegd, die eIken Zondag wat vleesch gaat halen voor zijnen winkel en ook soms wel een varkentje slacht, maar die telkenjare met den ommegang, en dien keer alleen, zijn ambacht werkelijk uitvoert en naar de letter beenhouwer is, omdat hij dán, tegen den ommegang, werkelijk een levende en geheele koe slacht. Het koebeest dat hij gekocht heeft en dienen zal om al de parochianen te gerieven voor hun feestmaal, komt hij acht dagen op voorhand, in levenden lijve, ten toon stellen, omdat iedereen zou weten dat 't geen oude rutte is 't geen hij voor de plechtige gelegenheid heeft aangekocht !
De boeren staan er rond geschaard en doen gewichtig, terwijl ze het beest bekijken. Ze betasten de heupen en nijpen over het ruggebeen en stooten de kneukels in de koe heur lanken, gelijk koopmans op eene beestenmarkt. Ze vragen aan Verhelst : waar hij ze vandaan gehaald heeft, hoe oud ze is, hoeveel ze weegt, tegen welken prijs hij ze heeft aangekocht. En dan begint er twist onder de welweters : er komen tegenstrijdige beweringen om den beenhouwer leugenachtig te maken.
Geitenprijskamp in Ingooigem. Foto van Stijn Streuvels.
Maar Verhelst valt niet flauw, hij weet zijne faam te handhaven en zijn wederwoord roept hij stout over de hoofden der omstanders. Wanneer de koe om end om bekeken is, gaan de boeren naar 't stadhuis of naar de Kroone een kapper bier drinken en eene pijp rooken.
Dan eerst hebben de jongens hun weister om het wonderbeest te bekijken ; 't is hunne koe, de koe van heel het dorp, alleman zal koeivleesch eten, Zondag ! En met stoute spreuken beweren zij : wie er van de bille, wie van de pooten en wie van den steert zal geriefd geraken aan de kermistafel. En ze fletsen met hun kleine handjes op de koe haar vel. Ze weten wat voor stuk moeder besproken heeft en ze gaan om gelijk bij Verhelst, die met de eigen gedachten bezig, niet luistert. Maar de slimmerds vezelen ondereen en trachten te weten : wanneer Verhelst zijn koe den kop zal inslaan; en dan wordt er beraamd : hoe ze 't zullen beleggen om die wreede gebeurtenis bij te wonen ! Dat zal een buitenkansje zijn voor wie het spektakel kan bezichtigen.
Opvallend is wel dat hier een dorps-koe wordt geslacht, in plaats van een dorps-varken. Althans, er worden wel biggetjes aangedragen, maar hun lot — op korte termijn — is onduidelijk.
De bierwagens rollen door 't dorp en zware ronde tonnen met zeeverend schuim, proestend uit de bomme, worden in de kelders van al de herbergen gezeuld.
In zijn afgeslotene, donkere schuur, is de beenhouwer aan 't werk. Er wordt geslagen en gestampt, gegloeid en gezucht en de jongens, die een ooge wagen door de spleet, zien den slachter staan, met opgesloofde mouwen, lijk een moordenaar, klaar bloed !

Nu zijn het de jongens alleen niet die er belang in stellen en komen zien; tegen den avond, na het werk, zoolang de poort open blijft, willen de dorpelingen ook eens dat wonder dingen, hun geslachte koe, daar zien hangen, want dat telt als bijzondere bijbehoorte van den ommegang.
[Antonius-koeken]
Maar met den Zaterdag begint eerst en voorgoed, de oprechte, algemeene bedrijvigheid. Dan gaat de bakker eigenlijk aan den gang en dat is zijn bijzondere dag waarop al de dorpelingen met hem af te rekenen hebben. Voor volle zakken fijne, witte bloem heeft hij gezorgd en voor eieren en krenten en van gister reeds staan zijne broodpannen gereed gesmeerd, want heel dien dag was het geirnde bedevaart naar 't hoekje van de plaats, waar de bakker woont, van menschen die er elk hun bakte brengen ; en nu staat zijn winkel vol klutsjes gezift meel, vol eierpaanders, kommetjes melk en in papier gewonden : groote en kleine klompjes boter. Hoe zal de man daar zijn weg in vinden of klaar door zien ? dat vragen de wijvetjes die beangst zijn om hun eigene, deugdelijke ware in smakelijke koekebrooden veranderd, terug te krijgen.

En de reuk stoort over heel het dorp, de goede, smakelijke reuk van 't koekebrood dat al warm en versch uit den oven komt en te dampen ligt. Dát is een andere aankondiging van den ommegang en een blijde voorwaar !
[Het kerk hof]
In de kerk is de koster en zijn zuster en een paar nonnen bezig ; buiten is de grafmaker bezig ; ‘t gers van het kerkhof wordt gemaaid, de grafheuveltjes opgekuischt en de enteren hage die 't kerkhof omheint, is effen geschoren als een zijdeke. Daarbuiten, tusschen de haag en het melkwitte muurtje dat het beluik van den ommegang en de negen kappelletjes afsluit, ligt de bedeweg in zijn nette tegeltjes, rond en rond, en de eerden zoompjes, binnen en buiten den middelweg zijn geharkt in gelijke streepjes. Naast den ingang wordt, met houten latten en planken, de wijde renne opgetimmerd, waarin de offerande-viggetjes zullen opgesloten worden.

Nu tribbelen de klokken den laatsten keer en luiden alzoo den ommegang in.
Hij is begonnen : de opgetogenheid hangt in de lucht, — iedereen voelt zich aangezet door een plotseling ongekende blijheid die straalt op ieders wezen. Maar die blijheid is niet luidruchtig — alles blijft in zijn zelfde stilte en gewone nering. 't Is eene plechtigheid die de avond meebrengt en in 't einden van dien laatsten dag, begint de heiligheid reeds der negen feestdagen : iets dat altijd even ernstig verwacht wordt, omdat het van hierboven komt en geheimzinnig is en daarom ontzag inboezemt. Morgen staan de dorpelingen met hun patroonheilige voor 't aanschijn van heel de streek, van heel de wereld ; — morgen moet de zegen van een heel, rond jaar, als een ademdauw uit den hemel over het dorp neerdalen ; — morgen verzoekt de Heilige zijn groote vereering.
[De bedevaarders & de Ommegang]
De nacht valt eindelijk over het dorp en de breede, ademlooze rust over heel de streek, die geëvend ligt in maneschijn, met mistwasems over de laagste landen. Hier op de heuvelhoogte rond het dorp, blijft het helder en de kerk met de huizen, staat er in een zwart gestompte drom, onder het helder maanlicht, als uit den wolkengrond gerezen, hooge, alleen in de ijle lucht. Zóó verschijnt het dorp aan de eerste nachtgangers, zij die langs de breede laan opklimmen om er in stilte hunne godsvrucht te volbrengen.
Dan begint de dag amper te priemen aan 't geluchte, de kerk is nog gesloten, de dorpelingen slapen nog, maar uit de vier gewesten, uit de laagten overal, komen de bedevaarders aan. Langs wegels en wegen, bij groepjes of alleen, in lange reken, als stomme schimmen, dwalen zij door den zomermist; geruischloos treden hunne voeten door den zavel ; — zij bidden ingetogen, dragen de muts in de hand en zonder één woord, begaan zij den ommegang, binnen het lage kerkmuurtje rond het kerkhof. Tot aan het hoofd en schouders steken de gestalten zwart uit, boven den witten rand van het muurtje en daar dwaalt en roert alles dooreen in gaan en keeren, van 't een kappelletje naar 't ander. Bij elk der negen bidplaatsen knielt eene menigte op den blauwen steen of op den grond en iedereen prevelt er met wijd uitgestrekte armen en geheven hoofd zijn gebed. De Ommegang is dus duidelijk een individuele activiteit. Er is geen gezamenlijke processie-optocht
[De biggen]
Met de eerste dagklaarte komen de boeren op hunne karren aangerold, met de biggen die aan den Heilige geofferd worden. De dorpelingen zelve geraken in roering en deuren en vensters gaan open. Dan beklijft de drukte allengs aan en de toeloop komt van alle kanten. De bedevaarders zijn bestoven, nat van den smoor en iedereen gaat sprakeloos en zonder dralen, rechte toe, in dezelfde richting, 't hekken binnen van het kerkhof. Opeens beiert de drievoudige klokkengalm uit den toren; als een blijde morgengroet aan de zonne en aan den nieuwen dag, klinkt het jubelend geluid — de zon is op en de kerk gaat open !
[De kerk]
Een drom menschen stonden reeds te wachten vóór de deur en in bende stroomen ze nu naar binnen. Anderen komen aan : mannen op hun zondagsch, maar barvoets 't meerendeel, ze dragen de schoenen op den schouder; vrouwen op hun best dragen korf of pander aan den arm, met de offerande voor den Heilige er in, en mondkost voor hun gezelschap.
Een glets van de zonne kleistert op de kerkvensters en op den witten kerkmuur en over heel het dorp, is de stille, nuchtere klaarte van den morgen heel en al feestelijkheid. Tusschen het beluik van het muurtje brobbelt het volk in tragen bedegang; langs de kapelletjes en vóór de kerkpoort, het plein vol, ploeteren de biggetjes in kudde dooreen. Ze snorken en grollen en er giert een scherp gegil telkens de veldwachter er een bij oor en steert opneemt en spartelend in de wijde renne kantelt.
Een groote bilkemei [
meitak, tak van een berk] steekt uit op den toren ; de klokken bommelen daarboven alle drie in blij gezang. Langs de straat openen de marktkramers hunne tenten en stallen waren en speelgoed en suikerdingen uit. De ommegang is begonnen. Als een drom vlot de menigte over den kerkweg, rond het kerkhof, en die hunne godsvrucht volbracht hebben, trekken biddend de opene poort der kerke binnen om er den Heilige te dienen.
Op de groote bank in 't portaal, leggen de bedevaarders hunne offerande : een schotel zwijnsvleesch, een stulletje boter. Vandaar gaan zij bij de zitbank van den koster en doen er den koeke wijden, en het wassen keersje dat zij bij den ingang gekocht hebben; den koek stoppen zij in den zak en het keersje ontsteken zij en plaatsen het op den grooten kandelaar, vóór het beeld van den Heilige; en daar bidden de bedevaarders hun laatste, gewichtigste vijf Onze-Vaders.
[Het Antoniusbeeld]
Ter gelegenheid van de feestdagen is het altaar gepint met groen en bloemen, maar de heilige Antonius zelf staat er hoog, in de donkerte van zijn diepe nis, gelijk hij er van alle menschelijke heugenis gestaan heeft. Dit is de eerste keer dat Antonius met name genoemd wordt.
De lieden van heel de streek kennen hem, gelijk een kind zijn grootvader kent. Zijn beeld blijft in het gemoed van iedereen als een onveranderlijk "wezen" vastgegroeid, — niet gelijk het er staat, en zichtbaar is, maar gelijk het de argelooze geest opvatte, den eersten keer dat men als kind, mee mocht komen naar den ommegang en men den vreemden Heilige voor 't eerst aanschouwde, met de nieuwsgierigheid die de geheimzinnige huivering wekte, om al het wondere dat men thuis van grootmoeder, over den heiligen Eremijt had hooren vertellen.
Die vreemde geheimzinnigheid, die eerbiedige aandoening blijft de menschen bij, hun leven lang en 't "wondere" dat een ieder naar den ommegang lokt, is nog altijd en bijzonderlijk gericht op dat wondere beeld.
Het is uit ruw hout gekapt, zwart van ouderdom, wormstekig en vermolmd bij plaatsen. Maar niemand denkt aan dien uiterlijken vorm — de menschen zien er den Sint-Antonius, de mansgroote, oude, eerbiedweerdige eremijt, de eenzaat uit de woestijne, met zijn zwijntje dat hem overal volgt.
Heel de gedaante is in een wijde, losse monnikspij gedoken en zijn wezen zit bijna onzichtbaar, diep in 't donker, als in een hol, onder de groote kappe die neergetrokken is over zijn hoofd. Zijn lange haren en breede baard steken er uit en daar diepe in, onder de zwaar gewelfde wenkbrauwen, zitten de halftoegenepen oogen, en teekent zijn zwaar gebogen neus. Over heel zijn wezen blinkt de gemoedelijke goedaardigheid van een welgezinden, altijd monkelenden aartsvader, die gereed is om elk end een te helpen en die iedereen, ook de geringsten genezen wil en ontlasten. Aan zijn voeten ligt de duivel, de draak die vuur spuwt en kwaad uitstraalt. De oogen van het monster zijn opgezwollen en zijn muil is wijd opengesperd als een ovenmond. Maar Antonius schijnt er niet bang voor te zijn : met de rechterhand stekt hij zijnen pelgrimsstaf op dien vereenden kop en met de linkere houdt hij den wijsvinger dreigend uitgestoken, terwijl zijn lichtopgetrokken wenkbrauwen een gemaakte verwondering en de plooi van zijn lippen, tusschen den dikken baard, een zacht vermaan, en koestend... sst ! schijnen uit te drukken. Het biggetje zit al den anderen kant in de wijde vouwen der pij verscholen en Antonius zelve, staat tusschen de twee, om het beestje te bevrijden tegen alle kwaad. Het goedsullig varkentje schijnt alevenwel niets te vermoeden van 't geen hem bedreigt; het zit heel in de schaduw van zijn slodderooren en gebaart snorkend iets te zoeken of te besnuffelen tusschen de plooien van Antonius' kleed.
Dit 16e eeuwse beeld bestaat dus nu nog, maar helaas is het na een soort “restauratie” totaal onherkenbaar geworden. Gelukkig is er nog een oude foto van, zie hierboven.
't Is of de Heilige leeft en zijn monkelen waarachtig is, alsof de draak waarlijk vuur uitspuwt en het zwijntje zijn krulsteertje wikkelt ! Zoo wezenlijk zijn die dingen onder elkaar in leven en werking, dat de menschen, die het beeld lang en roerloos aangestaard hebben, hun gebed vergeten en in vervoering geknield blijven, met de gedachten ver van al 't geen rondom hen in werkelijkheid gebeurende is en leeft. Maar hier bij het altaar, is het zoo innig stil, de morgenstond hangt zoo nuchter en ijl en onwezenlijk, als een bovenaardsche lucht van zaligheid op een ieders gemoed. 't Vertrouwen en de goedheid is als iets dat men met weldoende teugen inademt. De zon schiet haar volle stralen door de vensters, maar in de diepte van het altaar blijft het licht gedempt. De menschen staan als een tros tegen elkaar gedromd, in de broeiende hitte, en toch bidt er iedereen gemeenstig als in volle eenzaamheid — want éénzelfde gevoel gaat als een stroom uit de menigte op : de begeerten en smeekingen van een ieder zijn die van heel het volk.
't Is er stil rond het altaar als in een verlaten landelijk kerkje tegen avond — de dansende vlammetjes van de waskeersen spokkeren.
De Heilige blijft in zijn zelfde houding, hetzelfde gebaar doen en dat onveranderd, aanhoudend gebaar, schijnt de menschen, het aanhoudend wonder in blijvende verrichting : het kwaad dat verjaagd wordt. De eerst aangekomenen blijven er ingetogen geknield, tevreden dat ze er plaats vonden in de nabijheid van den Heilige, en niemand bekommert zich om de bijkomenden hunne plaats af te staan. De wezens zien ernstig, eerbiedig en lijfelijk roeren de lippen, alsof ieder, zonder loslaten of begeeren, aan 't herhalen ware van éénzelfde bede, elk volgens eigen noodwendigheid : "Heilige Antonius, bewaar ons en onze dieren van de plage ! Heilige Antonius, bewaar ons kindeke voor de dood ; Heilige Antonius wat moet ik doen om bevrijd te blijven. van mijn leelijke ziekte ? Heilige Antonius, wat verzoekt gij van mij ?" De menschen halen de geledene en voorbije rampen en ongelukken weer op, ze ondergaan vroegere angsten ; om van volgende rampen bevrijd te blijven, roerende bedankingen worden gestameld. Al het lijden en leed dat men ondergaan heeft wordt er den Heilige in stilte geopenbaard en blootgelegd, om zijn medelijden en voorspraak af te smeeken. En menigeen die daar staat, doet zijn verdokene bede om op voorhand 't kwaad af te weren dat altijd en boven ieders hoofd hangt en gereed is ons te overvallen. 't Gelijkt een stille bestorming waaraan de goede grijsaard niet zal kunnen wederstaan, want de bestorming schijnt zonder einde of ophouden. De uchtendtijd verroert en vergaat hier onopgemerkt; de lucht blijft drukkend van de hitte die van buiten komt en de hitte die van binnen uit de opgehoopte menigte dampt, met den geur van het waslicht dat de kerk vult tot in den koepel — en de menschen blijven onvermoeid bidden. 't Is of ze hier niet weg konden en door lang herhalen en taaie aanhoudendheid, de verzekering en overtuiging wilden meedragen dat hun smeeken zal verhoord worden. De dorpelingen die daar in strakke roerloosheid zitten, schijnen dezelfde menschen niet van op straat of op het veld : over hun wezen ligt iets als een bovenaardsche ernst — de ziel, het inwendigste van hun diepste wezen komt naar buiten; de lucht die hier ingeademd wordt, vervult hen met iets deugdelijks, dat rechtstreeks uit den hemel komt — dat hen verheft boven hun gewone doening en hen overstraalt met een andere vreugde dan die van 't gewone leven.
[De relikwie]
Nieuwe drommen komen eerbiedig en stil naar binnen, vlechten en dwingen om ook een plaatsje te krijgen; iedereen reikhalst om nader te komen en aan het gezegende hoekje te geraken waar men zijne bede kan doen als in de onmiddellijke nabijheid van God. Elk half uur komt de pastoor de groote afwisseling der bedevaarders bewerken : hij brengt de reliquie aan de communiebank en dan ontstaat er een algemeene woeling in de menigte. Al wie zijne devotie volbracht heeft, laat zijn plaats innemen en gaat de reliquie kussen aleer te vertrekken.
Streuvels geeft het relikwie hier verder weinig aandacht, terwijl deze zomer-ommegang juist zou moeten dienen ter commemoratie van de overbrenging van het relikwie vanuit Sainte-Antoine l’Abbaye naar Ingooigem in 1669. Hij geeft ook geen beschrijving, dus is het de vraag of het de “Antonius met een tap in zijn gat” is, de reliekhouder die tegenwoordig wordt gebruikt (zie rechts). Dat Streuvels deze gekend heeft, is wel zeker, want de term “Antonius met een tap in zijn gat” is van hem. Maar er is nog een andere relikwie, in een theca, in de kerk en er is nog een relkwiebuste van Antonius, die nu leeg is, dus misschien waren die het wel.
De verering van de relikwie is evenals de Ommegang een nogal individuele gebeurtenis. Het is niet zoals tegenwoordig: dat alle kerkgangers aan het eind van de mis de relikwie vereren.
[Martkramen & kermis]
Buiten, in 't schitterlicht over 't kerkplein en verder achter 't muurtje over de dorpsplaats, is het één wemeling van hoofden, in een drukte erger dan de zwijntjes hier in hun te nauwe renne. De witte huiven der kraamtenten vlekken op de somberheid der menschenkleeding. En 't gerucht en geroep en 't geschreeuw hangt over de straat als van een broeienden bijenzwerm.
Ver buiten de dorpsplaats, aan eIken ingang der drie straten, worden de aankomende menschen af
gewacht door jongens die Antonius-koeken verkoopen en elkeen gerieven willen. Herbergen en winkels hebben alle deuren rekwijdopen en 't volk brobbelt overal in en overal uit. Een geur van versche koffie hangt in de straat, want nu is elk aan 't zoeken om zijn uchtendbrood te verorberen. Aan de kramen ook is er volle nering daar de bedevaarders die in den nacht aankwamen, nu gereedschap maken om aleer te vertrekken, een fooi te koopen en een welkom mee te dragen voor de thuiswachters. De vreemdelingen hebben meestal hunne godsvrucht volbracht, de Heilige is gediend, dat is voor hen de ontlasting en nu voelt ieder zich vrij en voldaan. Vrienden en kennissen die men gedurende den ommegang, op het kerkhof of in de kerk, terwijl men met 't hoog-ernstige bezig was zonder te mogen verstrooid worden, niet bezien heeft — die vrienden ontmoet men nu alle stappe als bij verrassing.

Jonkmans en jongedochters vinden er elkaar en hier, in dien ijlen, zonneschitterenden uchtend, tusschen de kramen, met 't woelende volk de strate vol, is het voor velen de gewichtige stonde van het leven, waar de eerste, diepe blik gewisseld wordt, die merkteeken zal slaan in de ziel, waar het groot, het plechtig woord wordt uitgesproken, dat twee levens voor altijd verbinden zal, en over de gewichtige wending in 't bestaan moet beslissen. Ze hebben verlangd naar dien dag als naar het wonder, waarop er, buiten hun toedoen, datgene zal gebeuren, dat te raden lag, groeiende was en op dien dag moet openbloeien en tot rijpdom bedijgen ; van weerskanten hebben zij gevreesd en gehoopt over den uitval en 't verloop van de ontziene en gewenschte gebeurtenis, en nu ze elkander ontmoet hebben, zijn ze voldaan en laten het den Heilige over om hun lot verder te beschikken.

De jongens zijn er nu ook reeds bij; ze hebben hun nieuwe kleeren aan en zijn haastig en vernibbeld om hun drinkgeld te verteren. Ze staan te hankeren en uit te kiezen bij de kramen, ze rijden op den peerdjesmolen of schommelen tusschen de hooge schalken in de schuitjes, op den touter. Maar 't meerendeel' staan met den krentenboterham in de vuist, bij de renne waar Sint-Antonius' zwijntjes vergaard zijn en te snorken en piepend dooreen loop en. Zie wat een schorming onder de kudde vette, roze, bolle-lijfjes, telkens er een stukje van den boterham te groffelen valt ! Aan 't verlangen waarin ze geleefd hebben, denken de jongens nu niet, — ze loopen, ze roepen ! ze kijken hun oogen uit naar al die nieuwigheid en ze genieten den ommegang dwarsdoor, zonder achterdocht. Hunne oogen stralen van lust en begeerte, want 't is leute en kermis al waar ze kijken. De lucht en heel het dorp zit er vol van; maar hier op de plaats en rond de kerk, roert en leeft de groote beweging, rumoert het gerucht in de zonnigheid van den zomerschen Zondag ; hier op het hoogtepunt van 't dorp, viert de blijdschap en de opgetogenheid met een waas van gedoezige kalmte en stille tevredenheid er over, als in 't beluik van een zomersch priëeltje, waar geen geweld of schreeuwend gerucht aan kan geraken.
[De biggen2]
Later in den voormiddag komen de dorpsboeren aangereden met hun zwaar ratelend gespan. Zij houden stil bij de renne op 't kerkhof en offeren daar hun zwijntje dat ze in eene mand onder het rijtuig hebben meegebracht. De lijvige peerden worden afgespannen op 't hof van 't gemeentehuis en de boeren trekken eerst nog de gelagkamer binnen om een pijp te rooken, in afwachting tot het klopt voor de hoogmis. Wat gebeurt er eigenlijk met die zwijntjes? Daar horen we verder niets meer over. Er vind blijkbaar geen openbare verkoping bij opbod plaats.
[De hoogmis]
De hoogmis telt als de opperste plechtigheid van den ommegang, het hoogtepunt, de pracht en de glorie, de praal van den grooten dag. En al wie parochiaan is en niet te zorgen heeft voor noenmaal of beesten, gaat nu aan 't werk om zich gereed te maken en de nieuwe kleeren uit te halen.
Bij 't eerste zwaar en traag getamp der groote klok, treden de vreemdelingen die bekommerd zijn om plaats te krijgen, reeds binnen en dan nog moeten zij de verholene hoekjes benuttigen en ergens langs de zijwanden rechtstaan, want de parochianen hebben elk hun eigen stoel waar vandaag niemand vreemds aan mag raken. Zij zelf mogen daarom wel zonder haast en gerust, hunne kleeding en opschik in orde brengen.

Over de straat en vóór het kerkplein is het een tijdlang een aanhoudende gang van menschen op hun paaschbest, — een gang al in dezelfde richting. Binnen het kerkmuurtje dikt de menigte als een zware drom tegeneen, een drom die de trappen van 't portaal opstijgt en door het zwarte schaduwgat, de kerk binnenstroomt. En wanneer het laatste getink van het klokje ophoudt, staat de stroom ineens gestremd : de kerk is vol ! Over de trappen en over het plein, over de straat, tot tegen de huizen van den overkant, staat en vult die gestremde drom als een zwarte sleep die uitpuilt, uitborrelt en openspreidt over de plaatse. De menschen die nu nog aankomen, brengen een stoel mede uit de herberg en trachten mis te hooren in open lucht en volgen den priester zoo goed het gaat, op 't gezang en 't geluid dat van binnen opstijgt.
De kerk is vol zon en vol luister : de vanen hangen uit; de groote, koperen kandelaars blinken als goud en lange, nieuwe waskeersen staan er in te branden. Elke heilige heeft een grooten mei van witte en roode rozen op een gulden stander. De heilige Antonius prijkt in zijn hooge nis als op een berg van laurieren en heel zijn altaar is als een sterrenhemel omgeven, vol brandende keerslichtjes.

De zonne bijt door de hooge ramen en 't is vervaarlijk heet geworden in die overvolle beuken. Eens de misse ingeklopt, komt er stilte, afwachting naar den aanvang der plechtigheid. Vooraan in de eerste rij, knielen de dochters der deftige ingezetenen, in maagdelijk witte kleedij en de meisjes van minderen rang ontleden met de oogen, den snit van lijf en rok, vol bewondering of misprijzen. En zij die daar te praal zitten, kijken niet op, zijn bewust van de onderzoekende blikken bachten en bezijds hen...
Maar de belle klinkt ! Uit het lage deurgat der sacristie komen in stoet : de kerkbaljuw in zwart laken met zijnen staf, de missedienaars in wit en rood en de priesters in kleeren die stijfstaan van gegraand goud. Ze zijn er ineens gekomen en vullen heel het koor en 't altaar en bij elke buiging in 't gaan en keeren, flikkert in 't gedempte licht daar diep in 't hooge omhein, 't gepinkel van goud en borduursel op de zware kazuifels, als sterrevonkjes in 't donker. Meteen heeft het orgel al zijn monden open en met felIen ademblaas, jagen de zware tonen, door de kerk. De priester staat gebogen aan den voet van 't altaar en zegt halfluide het "Confiteor" en nu ook gaat er éénzelfde gevoel, als een stroom van den priester al over de hoofden, naar ’t volk ; — al de menschen, als één man, bidden mede, buigen en kloppen op de borst, in deemoedige onderwerping en vragen vergiffenis, elk voor zijn eigene zonden en voor de zonden van heel de parochie. Uit de hoogte, door de beuken, gaat het halend en herhalend "Kyrie Eleison" ; 't klinkt als een trage smeeking, altijd kloeker en met groeiend geweld wordt het hooger aangeslagen, als een bede die den Hemel bestormen wil, dwingend om verhoord te worden.
Met den aanvang van het statig, blijde en hooggalmend "Gloria in Excelsis" heffen al de hoofden als ontlast door een levendwekkenden adem van vreugde en jubel voor de verkondiging van den glorievollen vrede. Als een stroom gaat de voeling weer van priester naar het volk en 't opgetogen geluid der zangers en 't orgelspel drukt de feestelijke stemming uit der geloovigen. De priester gaat en keert tusschen zijne dienaren, de trappen op en de trappen af. Ginder in zijn hooge afzondering, handelt hij rechtstreeks en in onmiddellijke nabijheid, met den Allerhoogste; hij smeekt, hij bidt en den opgedanen zegen deelt hij mede aan zijn medebiddende parochianen. Zij knielen beneden hem en zitten gespannen de kerke volgestampt — en volgen aandachtig, ingetogen, den gang van het verheven sacrificie. Boven de hoofden dreunt aanhoudend de zang, — de luide, de levende adem, de ziel en de stem van het volk. Wanneer de kaplaan bezijds stand heeft gevat, vóór het groote boek en luidop het "Evangelie" opzegt en de "Waarheid" met vasten en beslisten klank wordt afgelezen, staan al de menschen recht en zegenen zich met een driedubbel kruis, om vaardig te worden het woord Gods te aanhooren. Niemand begrijpt een letter van 't geen verkondigd wordt, maar elkeen is overtuigd dat in die klanken, de opperste waarheid verborgen ligt en dingen gezegd worden die het verstand van gewone menschen niet vatten kan. Wie denkt hier ten ander nog aan werkelijke of aan menschelijke dingen ? Alles wat hier gebeurt komt van omhoog, uit de verten waar geen begrip aan reiken kan en alles ontzaglijk wordt van majesteit en goddelijkheid. De kerk is de omsloten ruimte tusschen de hooge muren die boven eIken beuk in spitsen boog, tot een hoog gewelf toeloopt, als de kappe van den blauwen hemel; beelden en sieraden bekleeden de muren, het waslicht brandt — maar wie denkt er aan een gebouw of wie merkt er iets op van de werkelijke dingen om end om ? De kerk, men voelt het, is het omsloten beluik waar de gebeden gezamenlijk ten hemel opstijgen, — de plaats waar schamele zielen komen handelen met God ; het heiligdom waar de geest van de aarde opstijgt, waar men al het wereldsche vergeet en de groote, geestelijke levensdingen gebeuren. Hier op die plaats heeft men als kind, de eerste indrukken ontvangen van het Opperwezen; de oudere dorpelingen hebben er hun leven lang, eIken Zondag hun plicht komen kwijten en aan hun geestelijke behoeften voldaan. In de kerk gebeurt elke aanraking met het bovenaardsche. Al de kinderen van 't dorp zijn hier gedoopt geworden, deden er hunne eerstecommunie, en na heel die lange reeks Zondagen dat men er de mis heeft bijgewoond — als men oud geleefd, zoo ver niet meer geraken kan, worden hen uit de kerk, de Heilige gerechten te huis gebracht; en wanneer voor de sukkelaars, alles afgeloopen is wat het aardsche bestaan inhield, komt men er, een laatsten keer in lijke, om er de uiterste gebeden te krijgen voor aleer de groote, gewichtige reis aan te gaan. De kerk omvat heel het geestelijke bestaan dier landsche menschen, zij is hun ander thuis, waar het hooger leven en het goddelijke hun geopenbaard wordt, waar zij zich ondereen de parochianen voelen, de menschen van eenzelfde groote familie, die denzelfden God voor Vader en Beschermer hebben. De kerk is het heilig huis, ze staat in het midden van het dorp, álles zwermt er naar toe, van daar straalt de bezieling allenthenen uit. Nu, terwijl de goddelijke dienst gecelebreerd wordt, blijft het belang van heel de bevolking er samengetrokken ; ommelands liggen de velden, staan de huizen, de boomen, — al wat leeft — in de schaaierende zon, eenzaam, verlaten, onnuttig ; — hier in het heilig beluik zijn al de parochianen samengetropt, in eenzelfde geestesvervoering, met God bezig, met den grooten God van alle landen, van alle werelden, — Hij, de schepper die heert over alles wat bestaat en alle menschelijke dingen naar eigen meening maakt en breekt : de gevreesde God, voor wie al wat leeft een simpele nietigheid is die verdwijnt vóór Zijn sterken adem. Niemand denkt nu aan eenig wereldsch of vergankelijk bezit of onnuttig getuig; aller aandacht is op 't bovenaardsche gericht, want nu is 't de tijd, nu seffens de groote stond, 't plechtig oogenblik waarop het bijzonderste zal gebeuren, 't geen de dorpelingen maar éénmaal te jare gegeven wordt : zoo aanstonds, na 't Evangelie — dat voor hen enkel verborgene waarheden, in een onverstaanbare taal verkondigd, behelst, — zal hun in levende Vlaamsch de "Waarheid" geopenbaard worden. Iedereen is er op gesteld en verlangt er naar, alsof het hun iets van groote weerde zal bijbrengen waar hun aller voordeel en heil van afhangt. 't Is het eenvoudig, ingegroeid verlangen naar de leering, die vast en kennelijk leeft in hun hart en gemoed, maar die gezegd en herzegd moet worden en in woorden, beeldelijk voorgelegd, tot voedsel voor hun eenvoudigen geest.
[Een monnik, kluizenaar]
Vandaag echter is het iets buitengewoons dat de nieuwsgierigheid prikkelt, iets vreemds dat met vrees en ontzag afgewacht wordt : vandaag krijgen de parochianen de leering die hen uit een verre streek, uit het onbekende, gebracht wordt, — de leering over iets dat hen onmiddellijk aanbelangt — vandaag komt een munk uit den vreemde vertellen over 't leven van hunnen Heilige !
Na het "Amen" gaat er meteen de groote roering en veel gedruis onder 't volk — stoelen worden onder schrobbeling gekeerd en alle wezens, die naar 't hoogaltaar gericht waren, wenden nu naar den preekstoel.
Beeld van Antonius, door Karel Lateur, de broer van Stijn Streuvels. Foto van Stijn Streuvels.
Het beeld lijkt op dat in Ingooigem, met de vuurspuwende draak aan de voeten van Antonius en het varkentje zo onder de mantel, en vooral ook de geischtsuitdrukking. Ik vermoed dat het een model is voor een groter beeld.
En daar staat hij reeds deze die gekomen is, niemand weet vanwaar — als een geheimzinnige verschijning, midden in de vertrouwde dingen der oude dorpskerk. Hij is een groote, oude man, met witten baard en zijn haren vormen een zilverwitte kroon rond zijn kaal geschoren schedel. Zijn breed, hoekig lijf steekt in een ruwe monnikspij, zijn wijde mouwen hangen wabberig en los over zijn bloote armen en de groote kappe ligt overgeslagen, al achter op zijnen rug. Daar hoog, onder het stemscherm van 't gestoelte, staat hij te kijken over die opeengepakte menigte — hij gelijkt op den Heilige, op den ouden eremijt zelf. Het bruine vel van zijn wezen vlekt in den krans van zijn witten baard en heel zijn hoofd rijst uit de diepte van den breeden kraag, als omglansd met iets dat hij meegebracht heeft van de zon ginder ver, uit de streek waar de Heiligen leven. Zijne oogen zijn zacht, maar ze stralen als lichtjes bachten de dichtgenepen wimpers; zijn. mond monkelt gemoedelijk in zijn dikken baard : hij ziet er uit als een zachte, goedgeaarde profeet uit het Oud-Testament. En die heilige man dien ze nooit te voren zagen, schijnt de dorpelingen toch niet vreemd, hij draagt dezelfde kleedij van hun heiligen Antonius, en dat boezemt al het ontzag in en den eerbied — hij ook is een eremijt gelijk Antonius... Maar nauwelijks heeft hij de heilige namen gepreveld en een kruis geteekend als een zegen over 't volk, — van eer hij aanvangt te spreken, wordt het stil als in eene woestijne ; alle blikken zijn naar omhoog gericht, alle oogen staan op den vreemden munk en dán reeds komt hij hen niet meer voor als een vreemdeling, maar wel als hun heilige Antonius zelf, — de Heilige die in levenden lijve zijn eigen leven en gevaarten komt vertellen, alsof hij hier op de wereld weergekeerd ware.
Men hoort geen adem gaan en in die stilte klinken de trage, kalme woorden, zonder merkbare stembuiging, gelijkig en op eenzelfden toon; maar die woorden komen één voor één en slaan duidelijk als met stalen klank in de algeheele stilte van het kerkbeluik ; en effen aan met de uitgesproken woorden, ontstaan de beelden, zoodanig dat ze te voorschijn komen en de toehoorders vóór den geest staan als werkelijkheid. De heilige man spreekt alsof hij reeds uren bezig was en nooit uitscheiden moest. Het gaat als een simpel vertelsel en hij doet alsof hij daar alleen stond en voor zichzelf sprak — zoo vloeiend, zoo aaneengeregen gaat het.
... Van het leven der eerste monniken in den overouden tijd, toen ze in de woestijne huisden, samen met de leeuwen en ander wilde dieren...
De monnik geeft een interpretatie van de Vita, vertelt over de Verzoekingen door de duivel, —“Wellust en Geneuchte” — en hoe Antonius die overwon
De woestijn die hij bewoonde, werd vermaard; een groote roep ging op en elk wilde den Heilige zien. Menschen kwamen toegestroomd, lieden die van 't kwaad bezeten waren, en met een enkel teeken, verloste Antonius hen van den vijand. Antonius stierf en zijn gebeente bleef dezelfde kracht behouden en veel wondere dingen gebeurden langen tijd na zijne dood...
De munk besloot zijne legende en miek de toepassing met een vermaan en een betoog. Hij bewees : hoe wij ook drie vijanden te bestrijden hebben, hoe wij het kwaad moeten bevechten, — het kwaad waarmede wij allen behept zijn en dat komt van den duivel, van de wereld en van ons eigen kranke vleesch. En hij eindigde met te verklaren : het uitwerksel der deugden van den Heilige die nu, gelijk vroeger, altijd gereed blijft om ons te helpen in de moeilijkheid van den strijd ; — hoe hij ons werkelijk te hulpe komt, in de kwalen die de Booze ons berokkent.
[Het vuur]
Geen enkel van die klare, duidelijke woorden was er de toehoorders ontsnapt. Het weerklonk in hun diepste wezen als 't besef der waarheid. Ieder voelde zoo goed zijn eigene zwakte; ieder wist hoe zij, eenvoudige menschen, blootstonden en onder den dwang leefden van het kwaad, dat als een gedurige dreiging, op hun geestelijke en zakelijke welvaart woog. Het kwaad stond hen voor, zij kenden het als een monster, den draak die vuur spuwt en in een wenk iemand plat legt, zoodat hij nooit meer recht geraakt. En ze wisten ook hoe Antonius hun aller helper was ; hoe zij, bevoordeeligde parochianen, onder zijne bescherming stonden. Het kwaad dat de Heilige bevochten en overwonnen had, kenden zij bijzonderlijk onder den vorm van het "vuur". De munk had het niet gezegd of vernoemd, maar zij wisten het door eeuwenlange overlevering. Het vuur was de groote vijand — het gedrocht dat 's zomers uit de lucht schiet als een schicht en met een vlammende tonge lekt en in een wenk alles platbrandt. Het hemelsch vuur en ook nog het andere, vreemde, geheimzinnige vuur, dat geen naam draagt en geen vorm heeft, maar onzichtbaar brandt en woelt in 't ingewand der dieren, dat plotseling de sterfte in de stallen brengt en gloeit en verteert, erger dan het bliksemvier uit den hemel.
Van die twee grootste rampen die de landman beducht, hield de patroonheilige zijne parochianen bevrijd. Zij eerden hun Heilige, zij deden alles wat hij van hen verzocht : offerden hem de schoonste biggen van eIken worp, van hunne beste boter droegen zij ter kerke, onstaken licht vóór zijn beeld, in ieder kapelletje. En hij bevrijdde hen van het "vuur". Dat stond vast, daar twijfelde niemand aan, dat was eene overtuiging gelijk de klaarte van den dag en de donkerte van den nacht : nooit iemand op 't dorp was door 't bliksemvuur beschadigd geworden of verbrand. Tien, honderd levens verre in 't geheugen der dorpelingen, had er ooit iemand huis of schuur of stal weten afbranden : de bliksem viel wel eens op het dorp, maar richtte er nooit de minste schade aan. Men sprak daar niet over, want dat wás zoo.
Vreemdelingen, menschen uit den verren omtrek, zag men afkomen met den druk op het wezen, in nood met de zwijnen ; met de ziekte, met 't "vuur" in den stal; ze dienen den Heilige en de kwaal verdwijnt, — doch nooit iemand van 't dorp zelf moest er den Heilige komen dienen voor ziekte in den stal — dat bestond niet. Streuvels noemt niet het andere vuur, het Antoniusvuur, de ziekte bij mensen.
[Mis, vervolg]
Het vertrouwen in Antonius was hier eene dadelijke werkelijkheid geworden ; daarom bleef hun geloof zoo sterk en hoorden en luisterden zij met zulke bewondering en aandacht naar alles wat hun Heilige betrof. Gedurende heel 't sermoen was het eene vervoering geweest, den vreemden munk hadden zij aangehoord in eene verrukking die hen boven al het bestaande verheven hield. Met een glans in de oogen en iets om den mond als een glimlach van afspraak en een teeken van algemeene instemming, zaten zij daar nog wanneer de hooge gestalte van den ouderling, met zijn witten baard en diepgerimpeld, donker wezen en zijne monnikspij, de trappen was afgedaald, om tusschen het volk te verdwijnen, gelijk hij gekomen was. Dan eerst ontstond er een plotseling rumoer, een algemeen ontwaken onder de menigte, een weerkeer tot de werkelijkheid. En de plechtige zang van het "Credo in unum Deum" viel daar dreunend in, als eene bestorming die het wondere spiegelbeeld der woestijne, met galmende waarheden in een andere lucht en in 't gemoed der parochianen kwam vastspijkeren. Later, wijl de priester in hooge afzondering, in stilte het brood en den wijn offert en het orgel een zacht neurend en eindeloos deuntje afdraait, groeit er eene stemming zoo stil, zoo zonnig, vol van eene wondere teederheid in de kerk. 't Gewelf en heel de ruimte is doormiereld van zonnegoud en kleur; bij gulpen straalt het ter vensteren in en het witte licht brandt op het hemelsch blauw en het groen van de groote schilderij die te leven schijnt in 't levend zonnelicht. Het zomerlandschap dat daar uitgebeeld staat, gelijkt eerder een wijd uitzicht, een breed open raam over de zonnige verte van den heerlijken buiten. Het blauw van de lucht lijkt er ondoorgrondelijk diep ; de bolle bosseboompjes staan er in-groen, met bloempjes als kleurige sterretjes, die lichten uit het lommer van de weide waar 't kindeke Jezus en Sint-Janneke, in hun mollige, bloote lijvetjes, te buitelen liggen, tusschen vette, ronde engeltjes, met bolronde kroezelkopjes en blinkende, blauwe oogen en roze vlerkjes. Uit het orgel neurt het deuntje voort en 't wentelt op en om zichzelf, als de geur en de kleur die van uit dat goud glanzend zomerlandschap, met zonnige diepten vol stille teederheid, opwasemt. De priester blijft doende aan het altaar en de menschen, die met de gedachten nog haperen, ginder ver in de woestijn vol zand en zon, zijn halveling bezig met de gebeden in hun boek, maar drijven stilletjes mede op de dobbering van het wentelend deuntje dat, als een waterke openvloeit en altijd herbegint waar het schijnt te eindigen. De hooge, witte muren, de pijlers en de heiligen in hunne nissen, staan er nog en 't gewelf overkoepelt de beuken, maar de kerk is zoo vol licht, dat de wanden die de ruimte afbakenen, doorzichtig schijnen en het er wijd wordt en open als een vrij landschap, met den hemel voor gewelf en een einder voor beluik, waar engeltjes spelen in de eenzaamheid en de stilte van het zachte deuntje zonder einde.
Middelerwijl heeft de koster, met de vaardigheid zijner vingeren en zonder iemand het merken kon, daar hoog in zijn eenigheid, stillekes aan het droomige, wazige deuntje een andere wending gegeven en den aanvang tot de "prefacie" voorbereid. Met den eersten aanhef staan de menschen recht en, elk in zijn boek, bidden ze mee 't geen de priester, in gelijkgaande zwenkingen, luide uitgalmt : het loflied van de groote gebeurtenis die nadert.
Een hevige bellerinkeling besluit den zang en na het drievoudig "Sanctus" valt alles stil en knielen de geloovigen in afwachting. De consecratie naakt, het orgel zelve dooft zijne stem, zoodat een enkel flauw gezoem heensuist over de neêrgebogene hoofden.
Het wonder gebeurt, terwijl de belle aanhoudend klinkt en een wolke wierook heel het hoogkoor met een hulsel van blauwigheid vult die 't mysterie geborgen houdt waar niemand naar toe kijken durft. De God der heirscharen is neergedaald en vult alles met Zijne onmiddellijke tegenwoordigheid.
Het kleine kerkje staat hier nu als het middelpunt der wereld; de uitgestrekte velden houden op te bestaan, het leven, de bewustheid is hier samengedrongen en alles ligt in vereering en aanbidding voor den God van hemel en aarde. Niets bestaat er onder 't wijde geluchte, buiten de heilige plaats hier, waar de wierook walmt en de belle klinkt. De klokke ginder hoog in den toren, slaat driemaal drie slagen die uitronken over de stilte en de zonnigheid van het verlaten dorp. Zij verkonden het heinde en verre : dat het groot wonder hier gebeurende is en de negen slagen vullen de ruimte van de ijle lucht allenthenen. Maar hier kloppen de menschen ootmoedig op de borst, een ieder bekent zijne nietigheid voor het Opperwezen die 't al vermag, en niemand die woorden vindt om die Grootheid aan te spreken.
Zoolang duurt de ingetogenheid, tot de priester het eerst wagen durft en het "Pater Noster" aanheft. Dan komt de ontlasting en van nu voort dringt de feestlucht der wereldsche dingen de kerke binnen.
[De kermis & herberg]
Trage, sleepvoetend, in kudde, schuift de menigte en bult naar buiten; de vloed stroomt er open over den kerkeweg en het dorpsplein. Er is dus geen processie, of ommegang met het heiligebeeld; er is ook geen dierzegening.
Al de hoofden zijn naar buiten gekeerd, reikhalzen en op alle wezens blinkt het genoegen en de nieuwsgierigheid; want de orgels van den peerdjesmolen en den touter, zijn in leven en beweging gekomen; men is ontlast van den misseplicht en men komt ineens in de zonnige, opene lucht, waar men vrij kan ademhalen, de armen uitstrekken en de schouders rondwenden. Zwart, met rood en blauw en hier en daar iets wit of licht gekleurd — roze, malve, teerblauw, — alles roert in drom doorheen. Met zon over de hoofden, waar felroode bloemen, hoogblauwe en witte linten door kletteren, wemelt het kerkplein en de strate vol. Rond de kramen, in en uit de herbergen gaat het gedrang open, — overal roerende en poerende volk, lachende wezens, trotsche, ernstige tronies die kraanhalzen en tinteloogend rondkijken, trage slenterend of stilstaande, met jongens die haastig en gejaagd, overal doorvlechten en nergens rust vinden in die woeling.
[De maaltijd]
... ginder op de groote hoeven en in de huizen te lande en hier op de plaatse, overal zitten de bewoners met hunne overkomst, aan de kermistafel, te eten en een stuk van de schoone, vette koe, die Sneijer geslacht heeft en uitverkocht over heel de gemeente. Want al wie ooit of eenigszins aan het dorp huisvastheid bezat, werd door vriend of magen ten disch genood : zonen en dochters die uitgetrouwd zijn en in den vreemde leven, jongens die soldaat geworden zijn, meisjes die dienen in stad, ooms en moeien, peters en meters, alleman is op bezoek gekomen en naar 't dorp genood geworden om samen den schoonen dag te vieren. En overal gaat het er aan tafel hartelijk en leutig toe.
[De avond]
De avond valt daarop en met den avond zelf, wordt het stiller rond de kerk; de wijde poort is dicht; op den bedeweg is geen enkel mensch meer te zien — dat groot middelpunt van bedrijvigheid is nu een verlaten en vergeten plek in het dorp. Een enkel biggetje loopt er te kreunen als verdoold in de wijde renne.
Maar verder in den avond groeit het gerucht en de wereldsche beweging weer aan : de jonkheden die bij benden samengetroept zijn, hebben te veel van het bier geproefd en dat heeft den gloed in hun hoofd gebracht; gezang en druistigheid welt op ; maar Karel de veldwachter, wandelt kalm over en weder en zijne tegenwoordigheid zal wel maken dat de leute in geen baldadigheid ontaardt !

Maar die uitbundigheid is ook van korten tel : de treffelijke dochters moesten met den avond naar huis en bij de knapen koelt de spanning en gaat het aardige er af, zoo gauw ze alleen zijn om zottigheid te bedrijven. Het minder volk, de jeugd van de geringere werklieden, trekt nu gekoppeld van de plaatse weg, langs de verholene wegeltjes in de donkerte, elk waar ze weten dat er plezier te vinden is naar hunne gading. Ver ten uitkante, in de kleine, dompige herbergjes van eIken "knok" zit de speelman te wachten en in de lage weefkamer of in de warmte van een keukentje, begint de dans en het drinken.
Daar, in de verholene donkerte, afgelegen van 't dorp, wordt de zeegbaarheid van den heiligen dag vergeten in de drift van den drank en de warmte van den wellust, gebeuren de onbedachte daden van lichtzinnige toegevendheid en broedt het kwaad dat later van tijd zijne gevolgen zal uitwerken, waar men, in veel huizen om weenen moet en in 't ongeluk komen ; het gebeurt in de verte en aan degenen die er zich vrijwillig in begeven hebben of er zich argeloos lieten medeslepen, uit een schuchtere begeerte om van 't kwaad te proeven dat ze niet kenden.
[De novene]
‘s Anderen daags, van' s morgens vroeg, komen er nieuwe bedevaarders hunne godsvrucht doen en den Heilige dienen. Den dag door, aanhoudend, maar zonder vertoon of gerucht, is het een komen en gaan van stille buitenlieden; de dorpelingen zelve zijn weer op hun akker aan 't werk. De ommegang duurt negen dagen en negen dagen blijft de feestelijke stemming in ' t gemoed der parochianen bestaan. Anders werkt en leeft men gewoon voort en dezelfde stilte hangt over het dorp evenals op gewone werkdagen. Zoo amper is die ééne groote dag verleden en niets anders schiet er meer over tenzij de stemming die is als een herdenken, eene geheugenis aan iets dat schoon was, maar al te ras voorbijging.

Die eerste dag gaat voorbij en de andere negen ook, volgen één voor één, als een traag aftellen van iets dat wegvalt in ’t verleden : de ommegang gaat voorbij. De parochie heeft haar zelfde uitzicht weergekregen.

Boven hunne hoofden, terwijl ze te werken staan, op de velden om end om, bakelt de zonne. Hoog boven alle menschelijk inzicht en boven alle menschelijk belang en andere nietigheden, wentelt zij voort, in stagen gang van zomervaste dagen. Daar hoog nu, wordt er aan den hemel iets anders aangekondigd ; met feller klank dan bronzen monden 't vergalmen kunnen, dreunt de boodschap als een blijde nieuwmare. Door heel den hemel, waar de zonne stijgt als een vlammend ros met waaiende mannen van vuur, wordt de komst ingeluid van het nieuwe jaargetijde, 't hoogtepunt van de lange dagen, 't singelen van de hardste hitte : de zomer komt ! de zomer wordt geboren ! De zomer ! de straffe zomer, die 't koorn rijpt en heel den oogst, den rijken oogst meebrengt en leeftocht, de weelde en den rijkdom. En op heel het dorp is alleman nu daarmede bezig, — met angst en betrouwen kijkt ieder naar omhoog, met hoop en vrees in het hart : elk is in de weer met zijn eigen, luttele belangen.
En niemand denkt dat die grootsche gebeurtenis enkel en alleen de gewone wenteling verbeeldt van het ronde jaar : de eeuwige, onmeedoogende gang van den tijd, die gaat en gaat — met altijd en eenbaarlijk hetzelfde uitzicht der dingen dat, altijd nieuw en altijd oud, nooit en andert : de groote, en eenbaarlijke "Ommegang" van de wereld rond de zonne !


Het Eiland der Pinguïns, Anatole France, 1908.
In dit satirische spotschrift van Anatole France speelt Antonius een zeer kleine rol. Hij lijkt geïnspireerd te zijn door, of gemodelleerd op, de Antonius van Flaubert. Maar daaraan valt natuurlijk nauwelijks te ontkomen. Dat werk heeft een geweldige impact gehad op vrijwel alle kunstenaars die daarna kwamen, zowel schilders, schrijvers als musici.
Deze fabel, waarin pinguïns menselijk trekken krijgen en dus ook menselijk zwakheden, doet denken aan boeken als 'Gulliver's Reizen' en 'Animal Farm', die maatschappij-kritisch en mens-kritisch van aard zijn.
Het verhaal begint met een domme fout van een verblinde heilige asceet, Maël, die de pinguïns voor mensen aanzag en ze doopte om ze te bekeren.
Daardoor is er een discussie in het Paradijs ontstaan of God ze nu ook verder moet vermenselijken of in ieder geval van een ziel moet voorzien.
God de Vader, komt er — om te beginnen — niet al te slim uit naar voren, maar de engelen en hogepriesters loven hem evenzogoed:

"Ik weet het beter dan gij," antwoordde de Heer "Met eenzelfde blik omvat ik de hedendaagse problemen, die moeilijk zijn, en de toekomstige, die dat niet minder zijn. Zo kan ik u zeggen, dat, nadat de' zon nog tweehonderd en veertig maal rond om de aarde gedraaid heeft..."
“0, verheven taal!" riepen de engelen uit.
"En waardig aan de Schepper van het heelal," antwoordden de hogepriesters.
"Dit is," hernam de Heer, "een wijze van spreken, die in verband staat met mijn oude kosmogonie, en waar ik geen afstand van doen zal zonder dat het ten koste is van mijn onveranderlijkheid... Nadat dus de zon nog tweehonderd en veertig maal om de aarde gedraaid heeft...

Men vraagt de heilige Catharina om raad, en zij noemt in haar lange betoog een aantal wezens, zoals "chimeren, half nimf en half slang ... gorgonen ... bokpotigen ... scylla's ... sirenen, die in de zee zingen ... met vrouwenborsten en vissenstaarten ... en ook nog de centauren", om aan te geven "dat de scheiding tussen mens en dier niet volkomen is", en "dat het voldoende is enige menselijke lichaamsdelen te bezitten — op deze voorwaarde dan altijd, dat ze edel [ja ja] zijn — om te komen tot de eeuwige gelukzaligheid."
Het verhaal gaat dan verder.

"O Heer, geef aan de pinguïns van de oude Maël een menselijk hoofd en een menselijke borst, opdat ze u waardig kunnen loven en schenk hun een onsterfelijke, maar kleine ziel."
Aldus sprak Catharina, en de vaderen, de kerkvaders, de biechtvaders en hogepriesters lieten een gemompel van instemming horen.
Maar Sint Antonius de kluizenaar verhief zich en twee knoestige, rode armen opheffend naar de Allerhoogste, riep hij uit:
"Doe het niet, O Heer, mijn God, in naam van uw heilige Parakleet [
eerder een ketter dan een heilige, zie], doe het niet!"
Hij sprak met zulk een heftigheid, dat zijn lange witte baard aan zijn kin heen en weer zwaaide als een lege eetzak aan de bek van een hongerig paard.
"Heer, doe het niet! Vogels met mensenhoofden bestaan reeds. Sinte Catharina heeft niets nieuws uitgevonden."
"De verbeelding verzamelt de reeds bestaande stof en vergelijkt die onderling; zij schept nooit," antwoordde Sinte Catharina droogjes.
". . . Het bestaat reeds," vervolgde Sint Antonius, die niet wilde horen.
"Ze heten harpijen en het zijn de meest onbetamelijke beesten van de schepping.

Op een dag, dat ik in de woestijn de heilige Paulus, de priester, te eten kreeg, plaatste ik de tafel op de drempel van mijn hut onder een sycomore. De harpijen kwamen en streken neer op de takken; ze verdoofden ons door hun schelle kreten en bevuilden al de spijzen. Door de last, die deze monsters mij bezorgden, kon ik niets verstaan van de leringen van de heilige Paulus en wij aten vogelmest bij ons brood en onze sla.
Hoe kan men nu geloven dat de harpijen u waardig kunnen loven, Heer?"
"Zeker, in mijn temptaties heb ik veel tweeslachtige monsters gezien; niet alleen wezens, die half vrouwen half slang of vis waren, maar die nog veel onsamenhangender in elkaar zaten; zoals b.v. mannen, wier lichaam gemaakt was van een ketel, een bel, een klok, een buffet, gevuld met eten en vaatwerk, of zelfs van een huis met deuren en vensters, waardoor men mensen kon zien, die hun huiselijke bezigheden verrichtten. De eeuwigheid zou niet voldoende zijn, als ik al de monsters mocht beschrijven, die mij in mijn eenzaamheid overvallen hebben, vanaf de walvissen, opgetuigd als schepen, tot de regen van rode beestjes, die het water van mijn bron in bloed veranderden. Maar niets was zo afgrijselijk als deze harpijen, die met hun uitwerpselen de bladeren van mijn schone vijgeboom verbrandden."
"De harpijen," merkte Lactantius [
een retoricus uit de 4e eeuw, vooral bekend vanwege zijn beschrijving van de feniks] op, "zijn vrouwelijke monsters met vogellichamen. Ze hebben het hoofd en de borst van een vrouw. Hun onbescheidenheid, hun onbeschaamdheid en hun gemeenheid komen voort uit hun vrouwelijke natuur, zoals de dichter Virgilius in zijn Aeneïs heeft aangetoond. Zij delen in de vervloeking van Eva."
"Spreken wij niet meer over de vervloeking van Eva," sprak de Heer. "De tweede Eva heeft de eerste losgekocht."
Paul Orose, schrijver van een algemene geschiedenis [
een Spaanse priester uit de 5e eeuw]... verhief zich en smeekte de Heer:
"Heer, verhoor mijn gebed en dat van Antonius, maak géén monsters meer in de zin der centauren, sirenen en faunen, allen geliefd aan de Grieken, deze samenstellers van fabels. Gij zult er geen enkele voldoening van smaken. Dit soort van monsters heeft heidense neigingen, en hun dubbele natuur maakt hen niet geschikt voor zuiverheid van zeden."

De discussie gaat nog verder, ook al is er veel onenigheid.

Na deze woorden verhief zich in de vergadering een geweldig gerucht van afzonderlijk gevoerde gesprekken en doctorale woordentwisten. De Griekse vaderen waren met de Latijnse in hevige strijd gewikkeld over de substantie der aard en de afmetingen der ziel, die aan de pinguïns behoorde gegeven te worden.
"Biechtvaders en hogepriesters" riep de Heer uit: "Doet niet als de conclaven en synoden op aarde en ontketen in de zegevierende kerk geenszins dat geweld, dat de strijdende Kerk in verwarring brengt I Want het is maar àl te waar: in al de concilies, die in Europa, in Azië en Afrika onder inblazing van mijn geest gehouden zijn, hebben de vaderen elkanders baard uitgerukt en ogen uitgekrabd. Niettegenstaande dat waren zij onfeilbaar, want ik was met hen."

Uiteindelijk besluit God de pinguïns een ziel — ook al is het een kleine — te verlenen, en enige menselijke trekken.
Het verdere al te menselijke verloop is dan voorspelbaar.

Het boek zal nauwelijks meer gelezen worden. Ik trof het aan in het magazijn van de afdeling kinderboeken (!) van de plaatselijke bibliotheek. Door de vele klassieke verwijzingen is het voor een moderne lezer, zelfs met een gymnasiale opleiding, al niet meer te volgen. Laat staan dat het een kinderverhaal zou zijn. Maar ja, sprekende dieren, dat doet al snel aan Disney denken.


Een moderne Antonius, een roman van S. Vestdijk, 1960.
Olivier, de hoofdpersoon in het boek Een moderne Antonius van Vestdijk lijkt in het geheel niet op de oorspronkelijke Antonius. Ik heb dan ook geaarzeld of ik het boek wel op zou nemen in deze Kunst afdeling, maar heb het toch maar gedaan omdat ook andere eigentijdse kunstenaars op eenzelfde wijze met het verhaal van Antonius omgaan (zoals bijvoorbeeld Egk in zijn liederencyclus Die Versuchung von Antonius, zie hierboven) en omdat juist dit soort contrasten het oorspronkelijke verhaal van Antonius vanuit een andere hoek belichten.
Het tijdschrift
[47] Als drukwerk, kennelijk door Caroli zelf verzonden, ontving hij een oude aflevering van een Duits etnografisch tijdschrift, waarin een artikel voorkwam, getiteld 'Über Ansätze der Polydiagnostik im 20-en Jahrhundert', en ondertekend met de naam D. Müller, vermoedelijk dus een pseudoniem. Op de titelpagina stond: 'Van de schrijver', zodat aan het auteurschap nauwelijks twijfel kon bestaan. Dit artikel, niet zeer lang, maar in een [48] onheldere Duitse stijl geschreven, kostte Olivier veel hoofdbreken. Het handelde over de diagnostische methoden van Paracelsus en diens tijdgenoten, maar even goed over
heksenvervolgingen, duivelsaanbidding en alchemie; het stond vol Latijnse en oud-Duitse citaten, verwees in lange voetnoten naar de duisterste bronnen, en was slechts met de grootste moeite in verband te brengen met de theorieën over polydiagnostiek, zoals Caroli die voor hem had geschetst. Een gecombineerd optreden van elementairgeesten, humores, heksen, duivels en demonen moest stellig tot een wirwar van ziekten leiden, vooral wanneer ook de zonde daar nog een woord in meesprak; maar een moderne theorie daaraan te verbinden leek toch wel uiterst gewaagd. De vage conclusie van de schrijver, dat het menselijk lichaam een 'Tummelplatz' was van invloeden, had men ook zonder Paracelsus wel kunnen bedenken, en wanneer het artikel bijgeval niet van Caroli was, had het hem, op de naam 'polydiagnostiek' na, nauwelijks tot zijn excentrieke leer kunnen inspireren.

Wat is dan, afgezien van de titel natuurlijk, dan de connectie met de Heilige Antonius?
De meest voor de hand liggende is een Duits tijdschrift waarin een artikel staat over de “Versuchung” van Antonius, en dat geschreven zou zijn door een andere belangrijke figuur in het boek, Dr. Caroli, die herhaaldelijk de functie en gestalte van de duivel krijgt toebedeeld. Dat artikel evenwel wordt alleen maar genoemd, maar blijft inhoudelijk zeer vaag en oningevuld.
[49] [Met] het tijdschrift opengeslagen op zijn handen, zocht hij naar de illustraties en naar de titels van de bijbehorende artikelen. Er was iets bij over Polynesiërs en andere wilden; over beelden op het Paaseiland, treffend geïllustreerd; over oude gebruiken op het eiland Guernsey; tenslotte begon het bladeren hem te vervelen, en hij raadpleegde de inhoudsopgave achterin. Van de titels was er één rood aangestreept: 'Über die physiologischen Vorbedingungen der Versuchung des heiligen Antonius', en de schrijver was 'A. Caroli, Arzt'.
Verbaasd over deze vondst, bladerde hij nu haastig terug, hoewel een stem hem zei, dat hij zich met dit artikel misschien beter niet in kon laten; maar het artikel, dat acht bladzijden telde, bleek er in zijn geheel uitgescheurd te zijn.
Alleen een der illustraties was overgebleven: de reproductie van een schilderij van de hand van een hem onbekende meester. [50] De heilige Antonius zat daar in rust of in aanbidding, omspeeld door
veelsoortige monsters en toestellen, naast zich de snuit van een varken, dat er nogal onnozel uitzag.
Eerste hallucinatie
[26] Plotseling stond hij stil. Een der berken aan zijn rechterhand, ongeveer vijf meter voor hem uit, had zijn aandacht getrokken.
Het was of iemand hem daar stond te bespieden. Even later zag hij, dat het een vrouw was, die zich half achter de berk verborgen hield: een wit gezicht, en verder alles donker, als omzwachteld, zonder dat men de afscheiding zag van rok en mantel, of ook maar een blote hand. Verplaatste hij zich, dan verplaatste zij zich mee, ongeveer zoals eekhoorns doen, die langs een boomstam in dezelfde richting draaien als waarin de belager zich beweegt. Toch had hij de indruk, dat de gedaante op een of andere wijze met de stam vergroeid was. Of het witte gezicht naar hem keek, kon hij niet zeggen. Hij was niet bang. Ongeduldig geworden wilde hij naar de berk toelopen, en toen was opeens alles weg. Daarna liep hij nog om de boom heen, maar zag niets meer, ook geen voetsporen in de sneeuw. Wat was het geweest? Hij geloofde niet in het bovennatuurlijke. Had iemand zich achter de boom verstopt, dan had hij haar moeten zien. De gedaante was kleiner geweest dan hijzelf, en zeker een vrouw. Toen hij zijn weg vervolgde, begon er een zachte fluittoon in zijn oren te klinken, een hoog, verbaasd geluid, dat aanzwol en weer verdween. Vermoedelijk was hij dus toch wel bang geweest.

En een wat vage parallel met het Leven van Antonius wordt gevormd door het overlijden van de echtgenote van Olivier, wat de uiteindelijke oorzaak zou zijn voor het optreden van zijn hallucinaties, een traumatisch ervaring die enigszins overeenkomt met het overlijden van de ouders van Antonius, wat voor hem het begin was van (en wellicht de aanleiding voor) zijn ascetische loopbaan.
Na tien minuten had hij zonder verdere moeite de hoofdweg bereikt, en het dorp scheen hem zo vlug mogelijk kwijt te willen, want nog tien minuten later zat hij al in de autobus, op weg naar het station. Hij besloot aan het voorval geen waarde te [27] hechten. Na zoveel wit, in een bos, zag men iets zwarts. Dit was zo weinig ongewoon, dat hij erin slaagde de verschijning vrijwel te vergeten,—niet geheel: bij tijden dacht hij er nog wel eens aan, als aan een voorval dat men als oude man aan zijn kleinkinderen vertelt, sterk opgesmukt, en zonder er zelf nog in te geloven. Na de dood van zijn vrouw was het volledig uit zijn herinnering verdwenen.
Een wezenlijk verschil is natuurlijk dat Olivier, de hoofdpersoon, absoluut niet met religie bezig is; hij is een bankier van een kleine bankonderneming die hij samen met zijn broer bezit en runt. Hij gelooft zelfs niet in God, of dit wordt althans niet expliciet gesteld. En hij gelooft zeker niet in het bovennatuurlijke, wat wel expliciet gesteld wordt. Aan het eind van het boek, na een lange periode van allerlei hallucinaties, als hij blijkens de titel van het hoofdstuk “genezen” is, dan is hij nog steeds dezelfde persoon, zij het enige ervaringen rijker, maar zeker niet verlicht’ of ‘bekeerd’ of iets dergelijks.
Dat is heel wat anders dan de positie van Antonius, die zowel in God als de Duivel gelooft, en de Ene nastreeft terwijl hij de andere bestrijdt. Bovendien gelooft hij ook in het bovennatuurlijke, zoals het doen van voorspellingen, het waarnemen op grote afstand, het verrichten van wonderbare genezingen en zo meer, zij het dat deze gaven van God afkomstig zijn, of van de Heer die door hem heen werkt. Na zijn “Verzoekingen” is hij een ander mens: hij heeft de Duivel overwonnen en is daardoor sterker, verlichter geworden, en dichter tot God gekomen.
Omdat Olivier voor zichzelf geen strikte ascetische gedragsregels stelt, kan hij ook niet echt in ‘verzoeking’ gebracht worden.
The Temptation of St. Anthony
1950-1, William Roberts
God
[61] 'Kijk,' zei hij, naar het buffet wijzend, 'dat is aardig voor u om te zien, gaat u dáar staan... Die meneer, die daar het hoogste woord heeft, die bedoel ik.' Het was niet moeilijk te ontdekken wie Caroli op het oog had: een stevig gebouwde zestiger met zijig wit haar, die van een groep oudere heren met koppen koffie in de hand niet alleen het middelpunt was, maar die zich beijverde steeds grotere kringen in het gesprek te betrekken, waarbij hij zich niet ontzag van zijn handen een scheepsroeper te maken, spiralen in de lucht te tekenen, of zelfs korte dansjes te volvoeren, met één hand in de hoogte, alsof hij een castagnet schudde. Het leek wat vulgair, en Olivier, die hem niet kende, kon tot geen andere slotsom komen dan dat deze heer zich voor zijn leeftijd wel erg opwond en de goedkoopste middelen niet versmaadde, om de aandacht op zich te vestigen. Nochtans deed de ernst, waarmee men naar hem luisterde, tot een zekere maatschappelijke positie besluiten. Iemand uit de zakenwereld? Een musicus?
Vragend wendde Olivier zich tot zijn begeleider. Deze greep hem bij de arm, en samen wandelden zij verder.
'Dat is God,' fluisterde Caroli, 'u heeft hem goed bekeken: wat vindt u van hem?'
Het bloed steeg Olivier naar de wangen. Tegen blasfemie was [62] hij behoorlijk bestand, maar deze manier om hem eerst een tijd in een koffiekamer te laten gluren en dan met een dergelijke krankzinnige opmerking voor de dag te komen leek hem een staaltje van systematische voor de gekhouderij, waar hij nog niet de dupe van hoefde te zijn om het als iets vernederends te voelen. Blijkbaar vond Caroli hem een geschikt object voor dit soort proefnemingen.

Zoals gezegd, Antonius gelooft zowel in God als de Duivel als bestaande ‘wezens’, maar vanzelfsprekend niet van dit aardrijk, terwijl in het boek Een moderne Antonius God en de Duivel alleen bestaan voorzover ze op bepaalde mensen worden geprojecteerd. Zo is Dr. Caroli meestal de Duivel maar deze rol wordt soms ook toebedeeld aan zijn zoon, of aan een andere figuur, de ingenieur en genezer dr. Hammerstein. Terwijl de rol van God wordt opgenomen door een witharige man (zonder naam verder), op aanwijzing van Dr. Caroli in zijn functie als duivel.
En er zijn nog wat vage Faustiaanse verwijzingen naar een ziel die verkocht zou zijn, Mefisto en de duivel en zo, maar voor Olivier is zelfs een begrip als ‘ziel’ al te vaag, dus hoe zou hij die verkocht kunnen hebben, en waarvoor. Het ‘verkopen van de ziel’ zou een situatie zijn, precies omgekeerd aan die van het weerstaan van ‘verzoekingen’, wat op Olivier, zoals gezegd, ook al niet van toepassing was.
Toen hij niets zei, vervolgde de dokter: 'U moet niet denken, meneer Olivier, dat dit overdrachtelijk is bedoeld: de god der scheepsbouwers, of van de bankdirecteuren, of zoiets. Ook niet om er een ongewone mate van zelfingenomenheid mee aan te duiden. Neen, deze man is God in de meest letterlijke, de zuiver theologische betekenis. U gelooft dat niet?'
'Excuseer me,' mompelde Olivier, en met een korte buiging liep hij weg in de richting van de foyer. Van deze opwelling had hij onmiddellijk spijt. Zijn optreden had krachtiger kunnen zijn, hij had de grappenmaker waarachtig eerst nog wel de les kunnen lezen, en bovendien — bespottelijke gedachte — zou Caroli nu kunnen denken, dat hij naar de foyer ging, om de druk doende heer te vragen of hij werkelijk God was.
The Temptation of St. Anthony
1942-3, Michael Ayrton
De duivel
[109] Dat
mijn vader de duivel is: zeker wou ik dat beweren. Of in dienst van de duivel, dat maakt praktisch geen verschil. Dokter Belial Belzebub Asmodeus Astharoth Caroli,—niet dat hij zo heet, hoor, maar zo noem ik hem wel eens bij mezelf. Het klinkt nog mooi ook.'
Olivier lachte schamper.—'Ik geloof niet eens in het bestaan van de duivel.'
'Het doet er helemaal niet toe, of hij bestaat,' zei de jonge Caroli vermoeid, terwijl hij zijn bierglas nam, er met één oog in spiedde, en het toen slurpend leegdronk, 'dacht je, dat de stof bestaat, de elektronen, de atoomkernen? Als ze maar wèrken, dat is de hoofdzaak. Alle dingen, die je tot nu toe hebt meegemaakt, — ik wil ze niet weten, hoor, daar gaat het helemaal niet om, — die zouden precies zo gebeurd zijn, wanneer er geen duivel bestond, of voor mijn part twee duivels. Waar of niet? Ze gebéuren, en jij zit ermee.'
[110] De jonge Caroli was huilerig gaan spreken, vol abject zelfbeklag.
‘Of hij toen al
zijn ziel aan de duivel had verkocht, of zelf de duivel was geworden, weet ik niet; je zou haast zeggen van wel....’
[110] Dat de oude Caroli de duivel was, geloofde hij nog steeds niet, maar wie bij zijn zoon zulke indrukken achterliet, was misschien erger dan de duivel. Deze laatste had hij zich altijd voorgesteld als een toneel-Mefisto, een soort sceptische filosoof met wereldse manieren, en als het erop aankwam toch altijd nog in dienst van God, als vrijwilliger als het ware, of voor halve dagen.
[124] [Caroli:] Het is heel goed mogelijk, dat
ik de duivel ben, of een trawant van de duivel, maar ik kan u daar geen inlichtingen over geven.'
'Dat is nogal sterk wat u daar zegt,' zei Olivier, die opmerkzaam toeluisterde.
'Waarom? Had u misschien gedacht, dat ik niet in de duivel geloof? Natuurlijk is er een duivel.
De Verzoeking van St. Antonius. 1945. Max Ernst.
Alles wat denkbaar is bezit in de mate van die denkbaarheid ook een zekere graad van realiteit. Ik bedoel nu niet, dat de mensen door generaties lang aan de duivel te geloven tenslotte de duivel te voorschijn hebben geroepen,— hoewel dat uiteraard óók mogelijk is, — ik bedoel eenvoudig het feit van de denkbaarheid: zelfs wanneer niemand eraan zou denken. Maar verder weet ik van de duivel niets af.'
'Uw zoon vertelde mij, dat u hem als jongen
uw staart en uw hoeven heeft laten zien.'
Nu de vrede getekend was, had hij geen reden meer om Caroli onaangenaam te zijn, en de mededeling over de staart en de hoeven had hij uitsluitend gedaan om het onzinnige ervan in het licht te stellen, of zelfs om er zich samen met zijn gastheer vrolijk over te maken. Maar de uitwerking was geheel anders. Caroli richtte zich op, balde de vuisten, en stiet zo'n verschrikkelijke vloek uit, dat Olivier nauwelijks naar hem durfde te kijken.
Hij snauwde: 'Spreek me niet over dat individu,' en er kwamen woorden als 'ploert', 'pooier', en zelfs 'duivelskind'.
Wat door Vestdijk misschien bedoeld is als een overeenkomst, maar wat het toch eigenlijk niet is, dat zijn de hallucinaties waaraan Olivier lijdt. Olivier weet namelijk altijd dat het hallucinaties zijn, die iets met een duivel te maken zouden kunnen hebben, of waar duiveltjes in optreden, maar waar hij toch niet echt in gelooft. Het zijn daardoor wat loze vertoningen, zelfs wel wat amusant, zonder verdere betekenis.
Terwijl de visioenen en zinsbegoochelingen van Antonius voor hem (en voor zijn tijdgenoten) een tastbare realiteit waren, waarvan de duivel de oorzaak en de schuldige was.
Zo sloegen de demonen Antonius met de zweep waar hij lichamelijke striemen aan overhield. De demonen veroorzaakten ook wel hallucinaties, ze namen andere gestalten aan, maar ook die hadden vaak een zeer realistisch karakter; en waren daardoor juist gevaarlijker dan hallucinaties die als zodanig te herkennen waren.
[127] De visioenen waren soms mooi, maar zij gaven geen gevoel van macht of verrukking, en de voldoening hen als visioen te doorzien was iets waarvoor men spoedig afstompte. De oude heiligen, in zekere zin zijn lotgenoten en voorlopers, hadden het wat dat betreft gemakkelijker gehad: [128] voor hen de verleiding God te verloochenen en de duivel te aanbidden; voor iemand, die niet in God geloofde, werd dat tot een spel met woorden, en voor iemand, die de duivel in dokter Caroli had gezien, tot een aanfluiting.
Temptation of Saint Anthony
Colini (Vojen Wilhelm Cech-Colini)
Andere hallucinaties
[131] Uitvoerige monsters zaten te pronk op triomf wagens: ernstige vissen, bitse nachtegalen, expressieve padden, de ogen sloom en listig geloken. Dan weer werd het verkeer doorkruist door
een stoet naakte vrouwen, van wie de voorste een vlag droeg met een vrouwelijk schaamdeel erop geborduurd. In de onmogelijkste standen, en tot op de daken van openbare gebouwen toe, werden paringen opgemerkt, bevallingen, operaties, waarbij vlijmscherpe monsters met zichzelf buiken opensneden. Dan droop de straat van het bloed, een zacht klokkend geluid verwekkend. Tien wandelaars droegen een grote slang, de kop getooid met een ouderwetse strohoed. Uit een trottoirrand lichtten feeërieke gezichtjes op, achter een winkelruit zat een rose geraamte met zijn knokenvoet in een gloeiend komfoor.
Duiveltjes
[64] Zo vlug hij kon begaf ook Olivier zich naar de uitgang. Toen hij voor het laatst nog eens naar boven keek, ontdekte hij iets schokkends. Langs twee van de kariatiden, die het balkon droegen, klommen duiveltjes naar boven. Het waren glinsterende
groene kereltjes met vrij korte staarten, die elkaar met hoekige gebaren aanmoedigden; zij waren naakt, voor zover dit groene [65] oppervlak naakt kon heten; hun kopjes waren heel klein. Twee van hen hielpen elkaar. Hij meende de enige te zijn die erop lette; op het allerlaatst zag hij nog, dat het eerst aangekomen duiveltje op de partituur van Rutman hurkte om haar te bevuilen.

[127] Hem vielen twee dingen op: dat het nauwelijks met rumoer gepaard ging, al hoorde hij wel eens stemmen, en dat de satanische indringers hem niet in zijn leven of werk hinderden anders dan door hun aanwezigheid. Ook in zijn dromen vertoonden zij zich niet; het was of zij dan van hun spelen uitrustten, of wellicht was hij zelf moe. Maar wat wilden ze? Hem krankzinnig maken, voor zover hij het al niet was? De verklaring leek te goedkoop. Hoewel hij dokter Caroli niet meer als de aanstichter beschouwde, bleef toch het feit van het getekende contract. Waar had hij zich toe verplicht, of wat had hij bezworen of afgezworen?
Had hij zijn ziel verkocht? Hij wist niet eens, of het mogelijk was iets te verkopen, dat zo schimmig was, en tevens zozeer met hemzelf verweven, als zijn eigen ziel; en bovendien had hij dan toch iets in ruil moeten krijgen.

Terwijl bij Antonius de demonen meestal niet als zodanig te herkennen zijn (juist omdat ze een andere gestalte aannemen om de mysticus te misleiden), nemen ze bij Olivier juist een zeer herkenbare gestalte aan, zijn het pesterige groene wezentjes met een staart en zo, die links en rechts hun behoefte doen. Het zijn dan ook eerder Middeleeuwse figuurtjes, die lijken op gargouilles, de monsterlijke waterspuwers die Gotische kathedralen versieren.
[128] Maar er was geen contact met hen mogelijk, en de manier, waarop zij alles bevuilden, bewees wel, dat zij tot de lagere vormen van leven of schijnleven behoorden, waarmee niets was aan te vangen. Ook het vuil was schijnvuil. Als zij wilden, losten zij op in de lucht; in het donker verspreidden zij een zachtgroen schijnsel.
[129] Die ochtend nu, terwijl Frederik hem voor de tweede maal thee inschonk, nam hij een stuk brood en hield dat vlak voor het gezicht van het duiveltje, dat het dichtst bij hem stond, een vrij groot kereltje, met een staart die tot op de vloer hing. Hij voelde hoe het brood tegen het kopje stuitte, en wachtte af.
Beet het mannetje erin, dan had hij er een zekere macht over verkregen, en zou het misschien verder kunnen africhten; bleek er een stuk uit het brood gehapt te zijn, dan was er een tastbaar contact tot stand gekomen met het demonenrijk, een contact dat ongetwijfeld gevaren met zich bracht, maar dat ook de mogelijkheid opende om zich te verweren, wanneer het volkje kwaad wilde. Dan gaf hij ze bijvoorbeeld rattenkruit te eten. Beminnelijke gedachte! Half vermaakt keek hij toe hoe het monstertje de kop schudde om het brood te vermijden, hoe zijn hand dus meeschudde met die beweging, en hoe het duiveltje het toch vertikte om een stap achteruit te gaan.
Frederik keek naar zijn schuddende hand. 'Je zou zeggen, dat u een hond voert, meneer,' zei Frederik op lijmerige toon, een echte ontbijttoon, want Frederik had last van morgenziekte.
Engeltjes
[100] Juist keek hij weer eens naar de wolkenlaag beneden hem, die zich tot ver in Duitsland moest uitstrekken, toen zijn aandacht getrokken werd door iets onverklaarbaars. Eerst meende hij, dat grote, witte en nogal eigenaardig gevormde vogels het vliegtuig vergezelden, en hij onderscheidde ook wel vleugels, of
vleugeltjes, maar het was toch iets anders. De vleugels bewogen zich niet, of maar hoogst zelden, en die ze droegen waren geen vogels, doch — zag hij goed? — kleine kinderen, elk op een wolkje gezeten, in witte hemdjes, die vrij veel van het rose vlees bloot lieten.

Hetzelfde geldt ook voor de engeltjes die Olivier tijdens de vlucht met een vliegtuig waarneemt, welke meer een soort cherubijntjes zijn, naakte kindertjes met vleugeltjes, dus ook Middeleeuwse figuurtjes, terwijl de Bijbelse engelen eerder uit de kluiten gewassen mannen zijn, met flinke vleugels.
Zij waren duidelijk te zien, zij zaten allemaal bovenop het wolkendek, niet half erin, en zij gleden langzamer voorbij dan wanneer zij geheel in rust waren geweest.
De wolken hadden uit zichzelf dus een zekere snelheid. Voor zover dit was na te aan, keken zij recht voor zich uit, nooit naar boven. Van deze
engeltjes zag hij er telkens vijftien tot twintig tegelijk, en zij schenen zich uitsluitend op de weg van het vliegtuig te bevinden; verderop, waar zij nog maar de grootte van stipjes zouden hebben gehad, zag hij er geen een.
Cherubini, Raphael
Het varken
[168] Toen hij op zijn kamer licht maakte, zag hij in een hoek bij het raam een varken liggen. Het dier lag zacht knorrend op zijn zij en hield de rose oogleden gesloten; het was even vuil als het andere, echte varken, dat in een der bijgebouwen huisde, en ook even groot en even vet: een bijzonder geslaagd
duplicaat, waar hij verder wel niet veel last van zou hebben. Was het er de volgende ochtend nog, dan zou hij kunnen controleren of het andere in het hok lag. Behoedzaam naderde hij, en zei: 'Zo, ben jij daar ook,'—het varken knorde alleen maar. Toen had hij ineens zin in een experiment. Na op een stoel geklommen te zijn, haakte hij de vooroverhellende spiegel van de muur, waarbij veel stof en kalk naar beneden kwam, zette hem op de grond, en richtte hem dusdanig dat hij het varken erin weerkaatst zou moeten zien. Inderdaad lukte dit zonder enige moeite, al was het glas erg verweerd.

Op het hoogtepunt van de ‘ziekte’ van Olivier verschijnt er een varkentje in zijn kamer. Dat ligt daar maar zo'n beetje, een paar weken of zo, maar is dan opeens verdwenen. En juist door die verdwijning realiseert Olivier zich dat hij ‘genezen’ is.
[169] De volgende ochtend lag het varken nog op dezelfde plek. Het was zonder enige twijfel een hallucinatie. Niet alleen dat het echte varken op zijn plaats bleek te zijn, aan de naaister, die zijn ontbijt bracht,—wat ze gewoonlijk twee keer in de week deed, wanneer ze niet uit werken ging,—was ook niets bijzonders te bespeuren, al zou zij er zeker twee minuten over gedaan hebben alvorens het zien van het varken om te zetten in de notie van iets ongewoons.

[215] Neuriënd stond hij op, en het eerste wat hij zag was dat het varken niet meer in de hoek van de kamer lag. Dit was vreemd, en zelfs ietwat teleurstellend, want hij was aan het dier gehecht [216] geraakt: een van zijn weinige visioenen die zich fatsoenlijk hadden gedragen. Maar misschien kwam het terug.

[216] Het varken had hij dadelijk doorzien: het varken had in overeenstemming daarmee gehandeld:
het varken was weg. Of betekende dit nog iets anders? Betekende het soms, dat hijzelf veranderd was? Had de beslissende gebeurtenis van deze nacht iets bewerkstelligd, iets weggevaagd? Was hij genezen, of bezig te genezen?
Zoals natuurlijk duidelijk wordt uit het bekijken van de meerderheid der afbeeldingen van Antonius, is een varken zijn trouwe metgezel. Maar het varken heeft pas laat deze rol gekregen, ook zo ongeveer, mogen we aannemen in de Middeleeuwen, maar wat belangrijker is in dit verband, Antonius is op die afbeeldingen dan al een oude man, dus zoals dat picturaal uitgedrukt wordt is het varken pas zijn metgezel geworden ná zijn ‘Verzoeking’, toen hij de strijd met de Duivel al gestreden had, toen hij dus weer ‘normaal’ was, of misschien mogen we zelfs zeggen ‘paranormaal’. Het varken was in ieder geval geen onderdeel van demonische zinsbegoocheling.
Samenvattend kunnen we dus stellen dat Vestdijk zo'n beetje te hooi en te gras wat elementen uit de Middeleeuwse verbeeldingen van het Antonius verhaal heeft gebruikt (en Middeleeuwse verbeeldingen uit andere bronnen), maar zonder diepgaande parallellen tussen Olivier’s belevenissen en die van de oorspronkelijke Antonius te creëren.
Zonder dus iets nieuws bij te dragen aan de moderne persoon Olivier die een ‘klassieke’ verzoeking zou ondergaan of iets nieuws te zeggen over de persoon Antonius in het licht van de opvattingen en kennis van de moderne tijd. En net als de duiveltjes en cherubijntjes en andere zinsbegoochelingen voor Olivier zelf geen echte betekenis hebben maar hooguit een zekere amusementswaarde, zo is het ook voor de lezer. De titel van het boek doet meer verwachten (voor iemand die Het Leven van Antonius kent) dan erin waargemaakt wordt.
De Kwellingen van de H. Antonius. Een paneel [25 x 22 cm], dat in 1830 werd gevonden bij de afbraak van de stadswal in Utrecht en in bezit kwam van het Utrechts Museum.
Het schilderij is waarschijnlijk van een navolger of tijdgenoot van Jeroen Bosch. Het 'toeval' wil dat Jeroen Bosch' geboortehuis "In Sinte Anthonis" heet.


Mieke Maaike's o/øscene jeugd. Louis Paul Boon. Amsterdam, 1972.
Antonius de asceet wordt in dit boekje bespot. Boon, de iconoclast, doet hier denken aan Félicien Rops. En beide zijn ongetwijfeld geïnspireerd door Flaubert. Maar Boon gaat toch weer een stap verder.
Boon, geboren te Aalst, moet zeker ook beelden van Antonius in de kerk aldaar hebben gezien, maar hoe hij met heiligenbeelden omging, blijkt uit het volgende:

In haar mémoires vertelt Boon’s onafscheidelijke levensgezellin Jeanneke hoe ze op hun trouwdag een set heiligenbeelden in een stolp kregen. Boon en Jeanneke hebben de volgende dag hun huwelijk plechtig ingewijd door de beelden stuk voor stuk kapot te laten vallen op de vloer.

I.v.m. mogelijk ongewenst bezoek aan de site door gegoogle op bepaalde woorden, heb ik hier scans gebruikt en in de titel de spelling gewijzigd.

Als Antonius het boekje had kunnen lezen, zou hij het als het werk van de duivel hebben beschouwd.
Een citaat van een site die geheel aan Mieke Maaike gewijd is, en die het natuurlijk van geheel andere kant beziet:

"Het christendom heeft Eros gif doen drinken" stelde Nietzsche kort en goed.

De twee citaten hieronder geven al enigszins de toon aan van het boekje, dat uitsluitend gaat over de se+vele avonturen van een meisje tussen de 11 en 18 jaar oud met veelal getrouwde oudere mannen. Een verhaal dat nu, anno 2009, nauwelijks nog gepubliceerd zou kunnen worden.

Citaten van pagina's 57 en 93.
Naast Flaubert en Rops, doet het toch ook denken aan de cantate van Frederick Forrest, St. Antonius en zijn Varken, hierboven in zijn geheel weergegeven, en hieronder een fragment.

O mijn mooi zwijntje,
Zoeter dan het vijgje,
dat groeit op ginds twijgje,
Van suikerzoet kandij;
Mijn liefde voor jou overtreft
Al wat die mooie meisjes
Als hun spiegelbeeld hebben

Zie ook De Verzoeking van de Heilige Antonius van Félicien Rops op deze pagina.



Merlijn. Michel Rio; vert. door Nelleke van Maaren. Rotterdam, 1997.
Antonius komt slechts kort voor in de legende van Merlijn, zoals die door Rio verhaald wordt, maar ik vind het toch interessant om fragmenten van dit verhaal (een sprookje haast) hier weer te geven.
Ik vind er iets in terug van mijn eigen voorstelling over een 'versmelting' van Antonius wiens verhaal en beeld uit Egypte naar Europa zijn overgewaaid met een legendarische lokale tovenaar van een Merlijn-achtige gestalte en reputatie.
Het verhaal, zoals het door Rio verteld wordt, speelt zich af in de 5e eeuw. In het jaar 493, als hij al zo’n 50 jaar oud is, trekt Merlijn zich terug in zijn grot, waar hij verder het grootste deel van zijn leven zal doorbrengen, en waar hij ook zit als hij terug blikt op zijn honderdjarig leven.
Afgezien van het feit dat Antonius expliciet door deze Merlijn genoemd wordt, zijn er meerdere overeenkomsten (al dan niet opzettelijk door Rio in het verhaal vervlochten).
  • Evenals Antonius is Merlijn honderd jaar oud.
  • Hij is een langdurig kluizenaar, levend in een grot, en erkend wijze of tovenaar.
  • Hij heeft een bijzonder contact met wilde dieren, in het bijzonder met een wild zwijn, en geneest ze.
  • Hij lijkt vegetarisch te zijn.
  • En hij ondergaat de verzoekingen van een mooie vrouw. Een duidelijk verschil met Antonius, die in deze episode expliciet genoemd wordt, is dan wel dat het echte verzoekingen zijn, geen ‘illusoire’, en dat Merlijn eraan toegeeft.

In dit verhaal is hij nogal “Christelijk”, hoewel dat nergens expliciet wordt gesteld, maar de opmerking op p. 115 over het “bijgeloof van de oude druïden” dat Merlijn bij Viviana bespeurt, impliceert dat wel enigszins.
In mijn fantasie echter, zou Merlijn zelf eerder een Druïdische opperpriester zijn, die zich zou afzetten tegen het Christelijk geloof dat in die tijd ongetwijfeld al bekend was in die contreien en wellicht ook actief gepredikt.
Ook was de kennis over Antonius als anachoreet — of als Christelijk tovenaar — in die tijd en zelfs in het verre Brittannië niet onwaarschijnlijk.
[Zie ook Magny-le-Désert en Saint Ortaire die in dezelfde periode in het bos van Andaines zijn hermitage had.]
Op pagina 102 is Merlijn in het woud, waar hij Viviana, zijn aanstaande minnares ontmoet.

Zij was duidelijk
“... in moeilijkheden. Ze was bleek, maar hield zich kranig en toonde geen spoor van angst. Vlak voor haar stond een everzwijn, een monsterlijke solitair met vlijmscherpe slagtanden en een vacht vol bloed dat gutste uit een wond die zijn moordlust alleen maar aanwakkerde, dat aanstalten maakte met heel zijn logge, compacte massa op haar af te stormen. Ik stelde me tussen hem en de jageres en begon, zonder verder een beweging te maken, tegen het redeloze dier te praten:
'Ik weet, zwijn, dat je je op je eigen terrein bevindt en dat je aangevallen en gewond bent zonder je aanvaller te hebben uitgedaagd of beledigd. Het is dus niet meer dan rechtvaardig dat je je verdedigt tegen de grillen en willekeur van een soort die van moord en doodslag een genoegen en een spel heeft gemaakt om in vredestijd die onverzadigbare lust tot doden te bevredigen die hen er in oorlogstijd toe drijft elkaar te doden. Maar bezie de situatie nu eens met een stoïcijnse blik.
Bedenk dat een zuiver filosofische overwinning boven alles te verkiezen is, ook boven de matige eer die je kunt inleggen met een moord op een zo broos schepsel. Jij bent sterk en machtig, en de grootste deugd van de sterke is nu eenmaal de juiste combinatie van minachting en mildheid te betrachten ten opzichte van de zwakkere die, juist vanwege zijn zwakheid, in woede is ontstoken en zijn verstand heeft verloren. Zie dus af van je rechtvaardige wraak en lever je belachelijke beul over aan de ergste vernedering, de morele nederlaag namelijk, die des te pijnlijker is voor het geweten - hoe leeg of verdorven ook - omdat die les hem wordt geleerd door een wezen zonder ziel, als wijst de materie de geest de weg naar adeldom en grootmoedigheid.'
Op dat moment draaide het everzwijn, dat zijn aanval had opgeschort omdat hij was geïntrigeerd door de modulaties van mijn stem, zich om en draafde op een sukkeldrafje weg. Achter me hoorde ik lachen en ik keerde me om. Het meisje kwam naderbij.
'Ik dank u, heer Merlijn, dat u mij hebt gered, al ben ik van mijn leven nog niet zo beledigd. Ik merk dat alles waar is wat ik over u heb gehoord en dat u zowel de wilde dieren als hun prooi in uw ban kunt brengen en overtuigen.'
Op pagina 111 trekt Merlijn zich terug uit de wereld.
Ik haalde een armvol takken en bladeren en ging de grot binnen. Hij was schoon en droog. Tegen de achterwand maakte ik een legerstede waarover ik een paar bontvellen gooide en waarop ik me vervolgens uitstrekte. De maan verscheen in de grotopening en wierp haar kille licht naar binnen. Opeens werd zij bijna verduisterd door een lange, gracieuze gestalte, omgeven door een aura dat iets had van vergane glorie. Viviana strekte zich naast me uit.
Met geveinsde strengheid zei ik: 'Dus al in het eerste uur van mijn kluizenaarsbestaan achtervolg je me als een wereldse verzoeking en breng je me in de situatie van
Antonius van Heracleopolis die tegen de schijngestalten van het vlees moest vechten.' [Heracleopolis ligt vlak bij Coma, de veronderstelde geboorteplaats van Antonius.]
'Laat me nog een paar uur bij je blijven. Tot de ochtend. Tot de ochtend maar.'
'Dat is langer dan je nodig hebt om te overwinnen.'
Ik omhelsde haar en vervolgde:
'Als
Antonius de anachoreet met zo'n verzoeking zou zijn geconfronteerd was hij bezweken. En ik probeer er niet eens weerstand aan te bieden.'
En Viviana zorgde ervoor dat deze uren de hele nacht, de hele dag en een deel van de volgende nacht voortduurden. Ten slotte werden we door slaap overmand. Ik ontwaakte toen ik voelde hoe ze zich van mij losmaakte en de legerstede verliet. Ze liep naar de ingang van de grot en begon een vreemde bezweringsformule waarin ik de dubbelzinnige kennis van Cardeu vermengd met
het bijgeloof van de oude druïden herkende. Ze riep de Gallische god Ogmios aan...
[114] Ik bestudeerde ook de dieren, en weldra vluchtten ze niet alleen niet meer voor me weg en aanvaardden mijn aanwezigheid, maar ze kwamen me zelfs tegemoet tijdens mijn wandelingen in het woud, op zoek naar voer, verlichting van de pijn die hun wonden veroorzaakten of alleen maar naar een vriendelijke aai. Net als ik vluchtten ze voor Viviana's onderdanen en maakten me daarmee los van mijn eigen soort, zoals de mensen zelf al eerder hadden gedaan, overigens vanuit heel andere sentimenten. Dat verschil, dat leegte en angst om mij heen had geschapen, bevolkte nu mijn eenzaamheid met wilde genegenheid.
Sommige dieren, en niet de minste, klommen zelfs tegen de rotspunt op om de nacht in mijn grot door te brengen of daar hun heil te zoeken als de mensen van het meer een jachtpartij organiseerden.
Niet zelden legde daarom een zwaar
everzwijn of een groot hert zich aan de voet van mijn legerstede of waakte bij de ingang van de grot, na mijn groentemaaltijd te hebben gedeeld.
De meest wilde en argwanende dieren, de wolf en de vos die aangehaald wilden worden als honden en mijn hand likten, brachten me soms zelfs vlees van een nog warme prooi dat ik beleefd weigerde. Ik praatte tegen allemaal en had de indruk dat ze dat prettig vonden.
Ze waren in staat iets te bedenken, ergens naar te streven en lief te hebben, maar wat hen uitsloot van de wet van de moraal en hun bewustzijn tot de meest elementaire vorm beperkte was het feit dat ze niet van te voren hun eigen dood konden voorzien, omdat ze geen lering konden trekken uit die van anderen. Zo beleefden ze elke dag als een soort eeuwigheid, zonder nieuwsgierigheid of waarde, onderworpen als ze waren aan de oneindigheid van de cyclus. En ik beschouwde deze verwantschap tussen een eeuwigheid die ontstaat uit het onbewust-zijn en de Eeuwigheid die het absolute bewustzijn van de mens zich voorstelt als een wrede overbodigheid van het verstand.


Le Roman de Saint-Antoine, Christian Ganachaud, 2004.
Ik heb het boek niet gelezen maar op de website wordt een samenvatting gegeven:
In deze roman ontvouwt het leven van de Heilige Antonius zich voor ons, met zinnen die oprijzen van de bodem van zijn kluizenaarsgrot in Egypte, waarin de eerste christelijke monnik zijn leven doorbracht tot aan zijn dood in 356. [Niet helemaal correct, maar a lá.]
Tot wie spreekt hij vandaag? Tot ons vanzelfsprekend. Tot wie anders? Hij spreekt tot ons, maar dóór Ganache, de alter ego en literaire dubbelganger van de auteur. Alsof Antonius wist dat hij, om in deze wereld gehoord te worden die de onze is, een moderne bemiddelaar nodig had, die absoluut verankerd is in het directe heden.
De thema's van het boek: het geloof, de wederopstanding.
Christian Ganachaud spreekt ons hier over een man die zijn leven heeft doorgebracht met zich te verbergen, zich op te lossen, om één te worden met God.


Voor een kluizenaar, Hein Stufkens.
Uit zijn verzamelde gedichten: Een woord in de wind; 2007.
Voor een kluizenaar

Ik dwaal door het woud
en zoek niets
of iets dat geen naam mag hebben.

Ik vecht met mijzelf op de berg.
Niemand wint, niemand verliest
en niemand vindt dat erg.

's Nachts waak ik in mijn grot.
Dan bezoekt mij droef de duivel
of praat ik oeverloos met god.

Hoe ik bid? Ik zit en zie
mijn visioenen huiverend aan
of smeek ze van mij heen te gaan.

Geen levende ziel die kan bestaan
in deze zuivere woestenij.
Antonius, vader, sta mij bij!



Opera

Mathis der Maler Paul Hindemith 1935
Het retabel van Issenheim, te zien in het Musée d'Unterlinden te Colmar, inspireerde de componist Paul Hindemith tot het componeren van de symfonieMathis der Maler” (1932) en een opera met dezelfde naam (1935). De hoofdfiguur is Mathias Grünewald, de schilder van het altaarstuk.
De symfonie bestaat uit drie delen:
1. Engelskonzert (Concert van de Engelen)
2. Grablegung (Graflegging)
3. Versuchung des heiligen Antonius (De Verzoeking van de heilige Antonius).
Deze drie titels refereren aan de diverse onderdelen van het altaarstuk.
Op YouTube kwam ik een serie filmpjes tegen van een opvoering van de opera in het Gran Teatre del Liceu in 1994. Gezien de taal van de ondertiteling, Catalaans, en de onverstaanbaarheid van de tekst (Duits), weet ik niet zeker of het hierbij getoonde fragment wel De Verzoeking is, maar de projektie van één van de demonen van het schilderij (vogelkop) lijkt daar wel op te wijzen.
Zelfportret van Matthias Grünewald; 1512-14.
In de Opera vinden de Verzoekingen plaats in scène 6:
In het Odenwald wordt Mathis getransformeerd tot Antonius zoals die verbeeld wordt op het rechter paneel van het altaarstuk, en wordt hij in Verzoeking gebracht door diverse personages. (
In deze synopsis hebben de namen natuurlijk geen betekenis, maar ik noem ze toch maar.)
Een figuur die lijkt op Gravin Helfenstein biedt hem een leven van luxe aan; Pommersfelden prijst macht over geld; Ursula verschijnt eerst in de gedaante van een bedelaarster, dan als een verleidster en dan, als ze naar het schavot wordt geleid, als een martelares; Capito, nu een geleerde, vertelt 'Antonius' dat de wereld door de wetenschap kan worden overmeestert en verwijt hem zijn gebrek aan objectiviteit; Schwalb beticht hem van vredelievend mededogen.
Het koor komt samen voor een uitvoering van de Verzoekings-scène van het Issenheimer altaarstuk (
hoe zou dat eruit zien?) totdat de scène plotseling verandert in die van het bezoek van Antonius aan Paulus, zoals afgebeeld op het linker paneel van het altaarstuk.
De Verzoekingen van de diverse personages, zoals hier vermeld, lijken toch eerder ontleend te zijn aan theaterstukken, zoals die van Flaubert, dan aan het altaarstuk van Grünewald. Daar zijn toch duidelijk alleen maar duivelse of demonische figuren uitgebeeld die Antonius kwellen, en dan vooral fysiek. Bezoekingen dus.
La Tentation de Saint Antoine. 1915. Jules Pascin.


La grande Tentation de Saint Antoine Michel de Ghelderode 1932
Michel de Ghelderode (1898 - 1962), pseudoniem van Adémar Adolphe Louis Martens, was een Franstalige auteur van Vlaamse origine.
Michel de Ghelderode schreef het boek ”Heiligen Antonius”, een antiklerikale publicatie, die vanaf 1922 door hemzelf verboden werd. Het was blijkbaar een van de weinige werken die hij in het Vlaams schreef. Ik neem de hieronder volgende beschrijving (pdf) ervan toch op, omdat het ongetwijfeld van invloed is geweest op zijn latere wel gepubliceerde “Grande Tentation”.
Eerst bedoelde hij het als een “epos”, maar het werd later omgedoopt tot "kluchtige roman" en betekenisvol getiteld, Heiligen Antonius of de bewonderenswaardige, vreselijke en filosofische geschiedenis van Antonius, heilige van Vlaanderen en zijn verleidingen verteld in vier boeken zonder rekening te houden met de goede zeden of mooie taal voor de bevolking van België. Het was opgedragen, ook zeer betekenisvol, "aan de herinnering van mijn volk aan het genie van Hiéronymus Bosch, van Jacques Jordaens en Marnix van Ste Aldegonde."
De eerste hoofdstukken van dit werk verhalen de kindertijd en adolescentie van Antonius in "Luilekkerland" het meest welvarende deel van Vlaanderen, meer sensueel dan mystiek. Dorpen heten "Botermelkbeek", "Lekkerpot" en "Alles op gefret" en liggen aan de rivier “Smakelijk”.
In Hoofdstuk V bezoekt Antonius "het bewonderenswaardige Brabantse waarover men niet genoeg wonderen kan zeggen." In Brussel, “het sieraad van België, het koninkrijk van eerlijk plezier", is hij in het bijzonder geïnteresseerd in wat ze eten, "gezoute scholl”, “smotebollen","pateekes","rijstotjes","brood van den gracht, ook wel Grieks brood genoemd,"slaphangers", enz.. Hij drinkt met zoveel aanleg dat "de raad van de tonneklinkers" hem toejuicht met de kreten, “de koning zuipt ... le roi boit !”
Naar huis teruggekeerd, spreekt hij een prachtige "choeselade” [wat zou dat zijn?] uit, waarna een "vetlap" de Vlamingen uitnodigt tot een aanval op de beroemde Brusselse specialiteit, door te roepen (zijn accent is noch Brussels noch Leuvens): " Speltch moor â klûte vol" [wat zou dat betekenen?].
Na de festiviteiten kiest Antonius, die tot koning werd gekozen, als motto "Dik en vet" en richt een soort sekte op die slechts één waarde erkent: het instinct. Weg met de logica en de moraal, "excuus van impo†ente eunuchen of mas†urberende stiekemerds" [
vrij vertaald]. Maar de geestelijkheid perforeert de maag van Antonius, die zijn toevlucht neemt in de duinen.
Vanaf Boek II (ver)wordt de roman van folkloristisch tot satirisch. De toespraken van Luppe, een uitgetreden monnik die de metgezel van Antonius wordt, zijn ongekend felle aanvallen op de geestelijkheid en de katholieke kerk. Het tweede deel van het manuscript van Boek II is verdwenen omdat het door Ghelderode werd herbewerkt om er De ware verleidingen van St. Antonius uit te halen, het laatste verhaal in de bundel La Halte Catholique van 1922, opgedragen "Aan Ensor”.
Antonius, weer alleen, wordt "soldaat van Christus", en overwint dan alle verleidingen, zelfs de "verleiding van het voer", die veel moeilijker te overwinnen is dan die van de "dochters van Babylon" en hij weet met het teken van het Kruis een eind te maken aan de helse straffen die de duivels hem zenden.
Boek III verscheen, gezoet en stilistisch bewerkt, in 1926 onder de titel Kwiebe-Kwiebus, en in 1947 onder de titel “Voyage autour de ma Flandre, tel que le fit aux anciens jours Messer Kwiebe-Kwiebus, philosophe des dunes” [Reis rond mijn Vlaanderen, die Messer Kwiebe-Kwiebus, filosoof van de duinen in vroeger dagen maakte].
Na zijn reis herwint Kwiebus, die totaal verbleekt in vergelijking met Antonius, zijn duinen, volledig gedesillusioneerd en vastbesloten nooit meer toe te geven aan de ijdele wens om de wereld te zien. Veel van zijn avonturen worden verteld in de vorm van parafrases van gezegden van de schilderijen van Breughel.
In Boek IV, vindt Antonius Luppe weer terug, cynischer en hypocrieter dan in Boek II. Na een bezoek aan een kermis waar "heel Vlaanderen boemelend en er gei/ uitziend” bijeen is, waar ze "alle hop in België" drinken, en waar "bier, bloed en sper=a stroomt", worden de twee monniken zo dronken dat ze vreselijke hallucinaties krijgen, geïnspireerd door de schilderijen van Pieter Huys en Jeroen Bosch.
La grande Tentation de Saint Antoine
Michel de Ghelderode typeerde La grande Tentation de Saint Antoine, dat hij in 1932 voor poppenspel schreef, als een ‘cantate burlesque’ en gaf aan dat hij hiertoe geïnspireerd was door een schilderij van Jeroen Bosch.
De cantate vertelt in 13 taferelen het verhaal van Sint-Antonius die probeert te weerstaan aan al de verleidingen die hem door de opperduivel Leonardus voorgeschoteld worden. Het speelt zich af in de duinen of op een kade aan de kust, waar Antonius door
zingende zeemeerminnen en duivels wordt belaagd.

Een integrale tekst ben ik nog niet tegengekomen, maar de foto's hier rechts van het Corsicaanse het theatergezelschap Thé à Trois geven een fraaie indruk.

Er is verder nog een bewerking van door Louis de Meester (zie hieronder).

De Grote Verzoeking van Sint-Antonius Louis De Meester 1957
De componist Louis De Meester (1904-1987) verwierf in 1954 de Italiaprijs in de categorie radio voor zijn radio-opera De Grote Verzoeking van Sint-Antonius, een werk waarin naast vocale en instrumentale ook gemanipuleerde electro-akoestische klanken aan bod komen.
Om een droomwereld op te roepen, al dan niet met exotisch accent, gebruikt De Meester de timbres van akoestische instrumenten. Deze verwijzing naar het exotische heeft zijn wortels in zijn verblijf in Meknès, Marokko, waar hij in het “Café de la paix” jazzmuziek speelde.
De muziek is een opeenstapeling van allerlei stijlen en muziekinstrumenten. Antonius wordt bijvoorbeeld begeleid door een accordeon of een klavecimbel, Leonardus' interventies gaan vaak gepaard met trombones en tuba. Er wordt ook uitbundig gebruik gemaakt van elektronische vervormingen en klankbanden.
Een van de grappigste momenten is bijvoorbeeld het moment dat Antonius een laatste lofzang gaat zingen en de duivel hem als begeleiding voorziet van "een septuor van Amerikaanse duivelen die zich bedienen van allerzoetste instrumenten", waarna er een jazz-bandje uit de luidsprekers klinkt...
Als je het allemaal niet te serieus opvat, is het best wel een leuk en grappig werkje voor tijdens een warme zondagnamiddag. Ook de zangers schenen zich wel te amuseren.

Helaas beschik ik niet over muziek of tekst, maar verwijs naar gegevens over een De Meester:
De grote verzoeking van Sint-Antonius, Soli, BRTN-koor en orkest o.l.v. H. Rotman, Radio 3, R3 98006, 1998.
Volledigheidshalve geef ik nog een link.

Deze ‘Verzoeking’ werd later aangepast voor het podium en werd drie seizoenen in de Koninklijke Opera van Antwerpen opgevoerd.
Verder werd ze dan ook nog uitgezonden in de Engelse radio, twee keer zelfs, en dan ook nog door de Franse radio. De opera van Antwerpen heeft ze gespeeld in de Théâtre des Nations in Parijs en ten slotte is er ook nog een televisieversie gekomen in 1963.

La grande tentation de saint Antoine Le Thé à Trois
De Grote Verzoeking van Sint Antonius is ook uitgevoerd door het Corsicaanse theatergezelschap Le Thé à Trois, dat in 1993 is opgericht door Paul Grenier, acteur, regisseur, en auteur van talrijke stukken op het repertoire, en Rachel Grenier, ontwerper en artistiek adviseur.
Het is me niet duidelijk of het als opera of als toneel is uitgevoerd; ook niet wanneer.


La Tentación de San Antonio Luis Jaime Cortez 1998
Er is nog een opera gebaseerd op Gustave Flaubert's Tentation, van de Mexicaanse componist Luis Jaime Cortez, daterend uit 1998, en die in 2004 aan de Universiteit van Texas zijn première beleefde.

Verder is er heel weinig informatie over beschikbaar, en zeker geen visualia, behalve dan een foto (links) waarvan niet duidelijk is of dit San Antonio is of de componist.

Er is dus alleen wat tekst.
Een citaat van Cortez: "De Heilige Antonius is, in de visie van Flaubert, een soort heidens persoon die het slachtoffer van een modern probleem is: Hij weet wie niet hij is. Hij wil een andere persoon zijn — dat is zijn echte, fundamentele verzoeking. Het is belangrijk om dit te zeggen: Het is geen godsdienstig werk. Het boek van Flaubert is absoluut heidens en oneerbiedig."
In de Texas productie, toont het Theater van de Opera zowel vrome als wulpse beelden. Helder gekleurde Mexicaanse Katholieke iconografie staat naast een verleidelijke presentatie van de Koningin van Sheba, één van de vele historische figuren (met inbegrip van Helen van Troy en St. Hilarion) die de kluizenaar verleiden. De Koningin van Sheba zal een onthullende botstplaat dragen die de wenkbrauwen zal doen optrekken, volgens de kostuumontwerper: "ik wilde iets volledig sensueels en volledig bijzonders."
Cortez zegt verder nog: "Ik koos ervoor om de opera in het Spaans te schrijven omdat ik van mijn taal houd en ik Flaubert in die klanken wilde weergeven." Cortez, die ook het libretto schreef, zegt dat de muziek sporen draagt van de circusatmosfeer van de films van Fellini en het expressionisme van Alban Berg . "De constructie van een Satan-achtig personage was misschien wel het moeilijkste. Ik besloot een complexe Satan te maken, die door drie zangers gestalte wordt gegeven: een bariton, een tenor, en een contra-tenor."


The Temptation of Saint Anthony Bernice Johnson Reagon
& Robert Wilson
2003
Op 13 mei 2005 was ik bij de opvoering van The Temptation in het Muziektheater in Amsterdam met Carl Hancock Rux en Helga Davis.
Bernice Johnson Reagon, stichtster van het a capella ensemble, Sweet Honey in the Rock schreef muziek en tekst voor de opera The Temptation of Saint Anthony.
Bernice Johnson Reagon heeft voor veel films muziek geschreven en gearrangeerd, zoals meest recentelijk voor vier films over de geschiedenis van de slavernij in de Verenigde Staten.
De vormgeving en uitvoering stond onder leiding van regisseur Robert Wilson, bekend van eerdere producties als Einstein on the Beach en Hamletmachine. De première vond plaats in juni 2003 in Duisburg.
The Temptation of Saint Anthony werd geïnspireerd door het toneelstuk van Gustave Flaubert dat, zoals Wilson zegt, lang een bron van fascinatie voor hem is geweest.

Voor Bernice Johnson Reagon was het een nieuw verhaal waar ze over zegt: “Toen ik Flaubert door zijn manuscript leerde kennen, kreeg ik steeds eerbied voor hem. Hij stond zich in de 19de eeuw en gebruikte deze reis van de Heilige Antonius als een manier om een dialoog over geest en lichaam op te zetten, over wetenschap en godsdienst, over diversiteit en de capaciteit om goddelijkheid overal te zien.”

Om een idee te krijgen van de opvattingen van de producent, regisseur, en componist over Antonius vat ik de informatie samen die op hun sites te vinden is. En ik geef commentaar op de opvoering die ik zelf heb kunnen aanschouwen.
De Heilige Antonius wordt beschreven als een kluizenaar uit de derde eeuw die gevangen zit in een wereld van godsdienstige en politieke opschudding en verdeling.
Zoekend naar waarheid door een leven van onthouding, heeft Antonius twijfels over zijn lotsbestemming en ervaart hij des te sterker de verleidingen van het vlees. Een rijk banket van voedsel verleidt hem tot gulzigheid; een visioen van de mooie Koningin van Sheba verleidt hem tot begeren; een jonge man, Adonis, kwelt hem met de genoegens van het vlees.
Dit klinkt allemaal wat mooier dan het in beeld wordt gebracht. In feite zijn deze verlokkingen (voor mij althans) nauwelijk als zodanig op te merken. Het is alleen te zien aan de stereotype gebaren van afwering die Carl Hancock Rux van tijd tot tijd maakt.
Ten slotte beginnend aan een zoektocht om zijn eigen weg te ontdekken en om uit te vinden waarom godsdienst zowel verdeelt als verenigt, komt hij er uiteindelijk toe om de diversiteit in een complexe wereld te waarderen.
Hier blijkt weinig van. Eigenlijk is het ook zo dat een toeschouwer die niets van Antonius en/of niets van Flaubert's toneelstuk afweet, na afloop van de voorstelling hoogst waarschijnlijk geen idee heeft waar het nou eigenlijk over ging.
Weet de toeschouwer wel iets van Antonius en/of Flaubert, dan zal hij zich verbazen over de wel zeer zwakke echo die in deze voorstelling daarvan terug te vinden is.
Maar waar alle toeschouwers ongetwijfeld moeite mee hadden, is simpelweg het verstaan van de teksten. Er werd slecht gezongen, met meer kwantiteit (volume) dan kwaliteit. Eigenlijk werd maar één song met enig gevoel (en ook verstaanbaar) gezongen, en dat was "I knew the carpenter's son," door 'Ebonite', d.i. Charles Williams. Hij had ook voldoende gravitas. Het zou heel wat beter geweest zijn als hij de hoofdrol had mogen spelen i.p.v. Rux die eigenlijk alleen maar een zombie-achtige act gaf met verbijsterde blik in de ogen en zware volumineuze stem (maar geen gewicht).
Wat wel vreemd is aan die song, "I knew the carpenter's son," is dat Ebonite, als we de tekst letterlijk nemen, zo'n 300 jaar oud zou moeten zijn. Zo zegt hij: "I grew up with him, We were the same age, We played together."
Zou de librettiste Reagon niet weten dat Antonius leefde van 251-356 na Christus? Of moeten we maar aannemen dat ze het overdrachtelijk bedoelde?
Een klein filmpje geeft enige indruk.
(Als het filmpje niet werkt, download gratis de Quicktime speler, of ga naar de site van de producent.)
De tekst van de song van dit filmpje geef ik hieronder weer:
LONG, LONG WAY TO THE RIVER
Ensemble/Band

My jug is empty and I’m thirsty and dry
It’s a long long way to the river
My hunger’s biting and all my bread is gone
It’s a long long way to the river
Somebody help me!
It’s a long way, it’s a long way
It’s a long long way to the river
Flowing streams of silver and gold
Greed’s got me hooked in its seductive fold
It doesn’t matter whether I’m sleep or I’m dreaming
Can’t get beyond my body’s lust and needing

LANGE, LANGE WEG NAAR DE RIVIER
Ensemble/Band

Mijn kruik is leeg en ik ben dorstig en droog
het is een lange lange weg naar de rivier
Mijn honger bijt en al mijn brood is op
het is een lange lange weg naar de rivier
Iemand help me!
Het is een lange weg, het is een lange weg
Het is een lange weg naar de rivier
Vloeiende stromen van zilver en goud
Hebzucht heeft me vastgehaakt in zijn verleidelijke kronkels
Het doet er niet toe of ik slaap of droom
Ik kan niet voorbijgaan aan het verlangen en de behoeften van mijn lichaam

De song hierboven is nogal 'spiritual'-achtig, zoals wel meerdere songs van deze opera. Het doet denken aan zo'n Amerikaans neger kerkje in het zuiden, met allerlei swingende en handenklappende Afrikaanse Amerikanen. Maar helaas, dit gezelschap swingde totaal niet.
Qua inhoud is van deze song overigens niets terug te vinden in Flaubert.
Hieronder heb ik nog een tekst en een paar songs opgenomen, die wel enige relatie lijken te hebben met het toneelstuk van Flaubert.
THIS LIFE APART... IS BAD

Hilarion
This life apart... is bad.

Anthony
On the contrary!
Man, being spirit, must withdraw from mortal things.
All action degrades him.
I could wish not to be attached to the earth – not even by the soles of my feet!
DIT LEVEN IN AFZONDERING... IS SLECHT

Hilarion
Dit leven in afzondering... is slecht.

Antonius
Integendeel!
De mens, omdat die geest is, moet zich van sterfelijke dingen terugtrekken.
Elke handeling haalt hem naar beneden hem.
Ik zou wensen om niet aan de aarde gebonden te zijn - niet zelfs door de zolen van mijn voeten!
(Hier zou dus moeten staan: de zolen van mijn schoenen! Zie hieronder)
Hier linksboven zien we Carl Hancock Rux als Antonius in één van zijn stereotype versteende houdingen — zonder enige betekenis.
Maar waar ik me vooral aan stoorde waren zijn leren schoenen en zijn witte pyjama. Een asceet met schoenen aan! En een broek! Op een stoel!
Je zou als excuus kunnen beweren dat het "moderne" vormgeving in het theater is, maar alle anderen droegen lange gewaden, en sommigen waren blootsvoets.
YOU’RE A HYPOCRITE!

Hilarion/Anthony/Ensemble/Band
You’re a Hypocrite!
Sinking into solitude
You’re a Hypocrite!
Making up your own rules
You’re a Hypocrite
Sinking into solitude
Torture is not the highest ground
You think that denial is the way
To reach the highest ground
You think that spirit cannot rise
When your body is earthbound
So, you don’t eat meat,
You don’t drink wine
You don’t surrender to love
You spend every day denying yourself
In service to God above
Every night when you lay down to rest
Your dreams and fantasies rise
This journey you walk in the light of the day
Is corrupted when you close your eyes
JE BENT EEN HUICHELAAR

Hilarion/Antonius/Ensemble/Band
Je bent een Huichelaar!
Verzinkend in eenzaamheid
Je bent een Huichelaar!
Je eigen regels verzinnend
Je bent een Huichelaar!
Verzinkend in eenzaamheid
Marteling is niet het hoogste goed
Je denkt dat de zelfverloochening de manier is
Om het hoogste goed te bereiken
Je denkt dat de geest niet kan opstijgen
Wanneer je lichaam aan de aarde gebonden is
Dus eet je geen vlees,
Drink je geen wijn
Geef je je niet over aan de liefde
Breng je elke dag door met zelfonthouding
In de dienst van God daarboven
Elke nacht wanneer je gaat liggen om te rusten
Komen je dromen en fantasieën op
Deze weg die je gaat in het licht van de dag
Wordt verdorven wanneer je je ogen sluit
Het lied hierboven is ontleend aan de passage uit het toneelstuk van Flaubert, waarin de leerling van Antonius hem verwijt:

Huichelaar! Je trekt je terug in de eenzaamheid om je lusten beter te kunnen botvieren! Je onthoudt je van vlees, wijn, zweetbaden, slaven en eerbetoon; maar wat laat je je door je verbeelding onthalen op banketten, geurwerken, naakte vrouwen en juichende menigten! Je kuisheid is niets dan geraffineerde zedeloosheid...

Maar in het stuk van Flaubert komt het woord 'huichelaar' slechts één keer voor, en is het verder ook ingebed in een geheel van werkelijke onthoudingen, wijsgerige en religieuze visioenen, en beschrijft het fraai de paradox van de asceet/mysticus die zich één soort genot wil onthouden — het fysieke — om een andere soort genot te bereiken — het spirituele.
Zoals het echter in deze opera wordt vormgegeven, met tientallen herhalingen van het woord 'hypocrite' (en later in het stuk komt het nog eens terug), en daarbij een tiental beschuldigende wijsvingers (het hele ensemble) jennend wijzend naar Rux, krijgt het een heel andere betekenis. Zo lijkt het of Antonius er eigenlijk op uit is om met zijn onthouding alleen maar zijn lustvolle fantasieën op te zwepen.

BRAHMAN’S SONG

Brahman/Ensemble/Band
Everything begotten will die,
Everything dead must live again;
Beings now vanished will come back to earth
To serve others in pain
Again and Again...
Over and over again
Again and again
Over and over again
Again and again
Over and over again
Again and again
Over and over again
Beings now vanished will come back to earth
To serve others in pain
Over and over Again
I once lived in the tree behind me
I fed on flowers and fruit
Since existence stems from corruption,
Corruption stems from desire,
Desire stems from sensation,
Sensation stems from contact,
I fled all action, I fled all contact.
I fled all action, I fled all contact
Everything begotten will die...
By the very fact that I know a thing
That thing ceases to existence.
For me there is now no hope
For me there is now no anxiety,
For me there is now no happiness,
For me there is no virtue,
Neither night nor day,
Nor you nor me –
Absolutely nothing.
I fled all action, I fled all contact
I fled all action, I fled all contact
HET LIED VAN DE BRAHMAAN

Brahmaan/Ensemble/Band
Alles dat geschapen is zal sterven,
Alles dat dood is moet opnieuw leven;
Wezens nu verdwenen komen op aarde terug
Om anderen in pijn te dienen
Opnieuw en opnieuw...
Weer en weer opnieuw
Opnieuw en opnieuw
Weer en weer opnieuw
Opnieuw en opnieuw
Weer en weer opnieuw
Opnieuw en opnieuw
Weer en weer opnieuw
Wezens nu verdwenen komen op aarde terug
Om anderen in pijn te dienen
Opnieuw en opnieuw
Ik leefde ooit in de boom achter me
Ik voedde me met bloemen en fruit
Aangezien het bestaan afstamt van bederf,
Bederf afstamt van verlangen,
Verlangen afstamt van sensatie,
Sensatie afstamt van contact,
Ben ik alle actie ontvlucht, alle contact ontvlucht.
Ben ik alle actie ontvlucht, alle contact ontvlucht.
Alles dat geschapen is zal sterven ...
Door het feit zelf dat ik een ding ken
Houdt dat ding op met bestaan.
Voor mij is er nu geen hoop
Voor mij is er nu geen angst,
Voor mij is er nu geen geluk,
Voor mij is er geen deugd,
Noch nacht noch dag,
Noch jullie noch mij –
Absoluut niets.
Ik ben alle actie ontvlucht, alle contact ontvlucht.
Ik ben alle actie ontvlucht, alle contact ontvlucht.
Deze song is een redelijk directe vertaling van de toespraak van de Gymnosofist (zie het citaat uit het stuk van Flaubert), die overigens Antonius aanspreekt als "Brahmaan van de Nijloevers," en niet zichzelf als zodanig betitelt.
Maar wat in deze song toch wel ontbreekt is het spirituele doel dat deze Gymnosofist ermee bereikt heeft zoals duidelijk wordt uit wat hij zegt, bijvoorbeeld:

"Tenslotte heb ik de hoogste Ziel doorgrond in alle wezens, alle wezens in de hoogste Ziel; en door de beteugeling van mijn zinnen heb ik mijn ziel in Haar doen opgaan."

De song lijkt daardoor alleen het negatieve, het wanhopige haast, te benadrukken.

Er schuilt een zekere ironie in het feit dat deze opera wordt gespeeld door African-Americans. Want in het milieu van Antonius en de woestijnvaders waren 'Ethiopiërs' of 'Ethiopische jongetjes', dat wil zeggen negers of 'zwarte jongetjes' (vertegenwoordigers van) de duivel of demonen.
Een tweede ironisch feit is dat de rol van Hilarion, de leerling van Antonius (en een man), gespeeld wordt door een vrouwelijke African-American, omdat in het vrouwonvriendelijke milieu van de woestijnvaders vrouwen eveneens de duivel waren, maar dan in weer een andere vermomming. Dus de Hilarion die hier gespeeld wordt door een zwarte vrouw zou eigenlijk een soort duivel in het kwadraat zijn.
Heel weinig toeschouwers van deze opera zal dit zijn opgevallen, evenmin als überhaupt het feit dat deze vrouw de rol van Hilarion, de leerling van Antonius, speelde. Ze onderscheidde zich niet echt van de vrouw(en) die de verleidster — de koningin van Sheba — moest(en) voorstellen; en ook dat 'verleidelijke' was überhaupt niet waarneembaar, behalve dan dat het af te leiden was uit het stereotype gebaar van afwering dat Rux maakte.
Er waren overigens wel uitzonderingen op de neger als duivel, zoals de hiernaast afgebeelde Moses (of Moyses) de Ethiopiër, wiens levensverhaal verteld wordt in de Historia Lausiaca (hoofdstuk 22).
Hij was een zwarte Ethiopiër, en slaaf van een overheidsbeambte. Zijn meester ontsloeg hem wegens veelvuldig wangedrag en diefstal. En hij zou moorden begaan hebben.
Maar hij werd bekeerd, verrichtte lange tijd verregaande vormen van ascese, zoals alleen nog maar droog brood eten, ongeveer drie ons per dag, en hij verzette bijzonder veel werk onder het uitspreken van vijftig gebeden per dag. Hij bleef zes jaar lang rechtop staan in zijn cel en stond alle nachten midden in zijn cel te bidden zonder een oog dicht te doen. Mozes vocht met de demonen van zijn wellust, en eindelijk kreeg hij ze eronder.
Hij werd gerekend tot de groten onder de vaders. Hij stierf op 75-jarige leeftijd in Sketis waar hij priester geworden was en liet 75 leerlingen achter.
Het was een lange zit, deze opera; er was geen enkel moment dat je nou echt 'uit jezelf getild' werd. Herhaaldelijk stelde ik me voor hoe Flaubert zich van ergernis in zijn graf omkeerde en hoe de botten van Antonius verontwaardigd in zijn tombe rammelden. Maar bij het einde van het stuk verhief het publiek zich voor een staande ovatie!



Film

Tentation de Saint-Antoine Georges Melies 1898
Georges Melies - Tentation de Saint-Antoine, uit 1898.



Antonianen in de kunst

Divina comedia Dante Alighieri 1307
De Goddelijke Komedie, Vertaald door Christinus Kops in 1930, Amsterdam, 1982.
Een fragment uit Het Paradijs, canto 29, regels 94-126
Doch eigen vondsten wil thans ieder geven;
die galmen luidkeels uit uw predikanten,
en van het Evangelie wordt gezwegen.
De een zegt, dat bij des Heren droevig sterven
de maan terugliep en de zon bedekte,
zodat diens licht niet doordrong naar beneden.
Een ander, dat het licht vanzelf verdoofde,
waarom de duisternis zo goed bij de Ebro
en de Indus als bij 't joodse volk zich toonde.
Uw stad telt zoveel Lapo's niet en Bindo's
als links en rechts door 't jaar vanaf de kansel
wordt uitgestrooid aan fabels en verdichtsels.
Lapo en Bindo:
namen die toen veel voorkwamen
Het doodsmasker van Dante. Het lijkt op een reliekenkastje! Zo keren overal de onnoozle schaapjes
alleen met wind gevoed vanuit de weide,
maar zulke onwetendheid weert schuld noch schade.
Neen, Christus sprak niet tot zijn eerste jongren:
'Gaat uit en predikt grappen aan de wereld!’
De waarheid gaf Hij hun om op te bouwen.
Die waarheid preekten zij zó luid en krachtig,
dat ze in hun strijd om 't waar geloof te ontsteken
van 't Evangelie schild en lans zich maakten.
Thans trekt men rond met fratsen en met grollen
en als de preek het volk maar braaf doet lachen,
dan zwelt de
kap, en meer wordt niet gevorderd.
kap: monnikskap
Doch zag het volk eerst goed, wat vogel nestelt
in 't donker van die kap, 0, vast zou 't weigren
de
vrijspraak, waar 't nog steeds zijn hoop op vestigt.
vogel: duivel. vrijspraak: de absolutie
Hierdoor schoot zoveel domheid uit de bodem,
dat rijk en arm, naar geen bewijzen vragend,
aanvliegen zou op allerlei beloften.
Hiermee mest Sint Antonius zijn varken,
ook anderen, veel erger nog dan zwijnen,
en
waar hij mee betaalt, mist alle waarde.
De zin hierboven: "waar hij mee betaalt, mist alle waarde" is iets anders in de Nederlandse vertaling dan die in de Decamerone, waar staat: "betaalden met munten die klonken ook al waren ze niet geslagen", maar in het Italiaans zijn ze precies hetzelfde.
Sint Antonius, eind 15e begin 16e eeuw, Holland, Eikenhout.
Het volk weet niet dat er een duivelse vogel in de monnikskap zit verborgen, die de predikant zijn theatrale redevoeringen influistert. Met hun leugenachtige preken worden de lichtgelovige toehoorders tot de verdoemenis geleid, terwijl zij denken vergeven te worden en de zolang verwachte aflaat te verkrijgen.
Het is immers met beloftes van aflaten dat de predikanten trouwe aanhangers willen verwerven, en in ruil daarvoor gulle aalmoezen ontvangen. En het is hieruit dat de bedelorden hun voornaamste inkomsten trekken, zegt Dante ons. Als voorbeeld wijst hij vooral naar de zwendel die door beroepsklaplopers van de orde van Sint Antonius wordt gepleegd.
Antonianen
mesten zo hun varkens vet met de aalmoezen die zij ontvangen in ruil voor vage beloftes van aflaten, voor de vergeving van de zonden, en erger nog, mesten bovendien nog anderen vetter dan de varkens zelf: namelijk hun onwettige nakomelingen, hun concubines en bastaarden, ook een soort varkens, volgens Dante.

In de Decamerone (zie hieronder) is Boccaccio wat minder extreem gefocust op de Antonianen. Ook andere orden maken zich schuldig aan zelfverrijking met behulp van valse beloften.
Maar niet voor niets herhaalt hij ook de zin die we bij Dante tegenkomen: "
betaalden met munten die klonken ook al waren ze niet geslagen"

Passies van Christus en de Antichrist (detail), Lucas Cranach the Elder, 1521. Houtsnede. Verkoop van aflaten.
Wat wil zeggen dat de Antonianen voor de aalmoezen die zij krijgen, voor hun eigen welvaren en voor dat van hun varkens, betalen met ongemunt geld, niet gegraveerd, zonder stempel in reliëf, zonder de absoluut noodzakelijk zegelafdruk, die het als echt merkt.
Dus ze betalen met valse religieuze munt, met onwettige aflaten, niet gevalideerd door de Kerk, die zij niet bevoegd zijn om te verstrekken en dus zonder enige waarde.
De orde van Antonianen wordt hier expliciet door Dante als schuilplaats van fraudeurs en vervalsers van de godsdienst aangewezen.


Decamerone Giovanni Boccaccio 1353
Vertaald door Frans Denissen.
Uit het dorp Certaldo (boven) was de familie van Boccaccio (rechts) afkomstig; vanaf 1361 tot zijn dood zou hij er zelf wonen.
Zesde dag. Tiende Verhaal.
Broeder Ajuin belooft een aantal boeren dat hij hun een veer van de engel Gabriël zal tonen. Als hij in zijn koffertje echter houtskool aantreft, maakt hij hun wijs dat daarop Sint-Laurentius geroosterd is.
Toen iedereen van het gezelschap zijn verhaal had verteld, wist Dioneo dat zijn beurt gekomen was. Zonder een formele uitnodiging af te wachten verzocht hij [ ] om stilte en begon:
Bekoorlijke dames, hoewel ik volgens onze afspraak het voorrecht geniet te praten waarover ik wil, ben ik vandaag niet voornemens een ander onderwerp aan te snijden dan dat waarover jullie allemaal zo boeiend verteld hebben. Integendeel, ik wil in jullie voetsporen treden en jullie verhalen hoe een van de broeders van Sint-Antonius dankzij zijn sluwheid en tegenwoordigheid van geest wist te ontsnappen aan een valstrik die twee jongelui hem hadden gespannen. Jullie zullen het me niet kwalijk nemen als ik, om het verhaal goed uit de verf te laten komen, het wat breed uitmeet: jullie zien immers dat de zon nog steeds hoog aan de hemel staat.
Een verhaal uit de Decamerone. Waterhouse, 1916.
Zoals jullie misschien wel weten, is Certaldo een kasteeldorp in de Val d'Elsa op Florentijns grondgebied, dat, ook al is het klein, eertijds door welvarende en vrijgevige burgers werd bewoond.
Omdat er dus wel wat te verdienen viel, werd het plaatsje gedurende lange tijd één keer 's jaars bezocht door een broeder van Sint-Antonius, die er de dwazen een vette aalmoes afhandig probeerde te maken.
Hij heette broeder Ajuin en was daar een graag geziene figuur, wat misschien minder te danken was aan de godsvrucht van de inwoners dan wel aan zijn naam: Certaldo stond namelijk in heel Toscane bekend om de smakelijke uien die er groeiden.
Broeder Ajuin was een gedrongen mannetje met rood haar en een goedmoedig gezicht en hij was de vrolijkste snuiter die je je kon indenken. Bovendien was hij — ook al kon hij amper lezen en schrijven — zo goed van de tongriem gesneden dat een buitenstaander hem niet alleen voor een groot redenaar zou hebben gehouden, maar zelfs zou hebben gedacht dat hij met Cicero of Quintilianus in hoogsteigen persoon te maken had. En door haast iedereen in de streek werd hij als een lid van de familie, een vriend of toch minstens als een goede kennis beschouwd.

Broeder Ajuin heet in het Italiaans "Cipolla".

Nu was broeder Ajuin in de maand augustus weer eens voor zijn jaarlijkse bedeltocht naar Certaldo afgezakt, en toen alle godvrezende mannen en vrouwen uit de omliggende gehuchten voor de zondagsmis in de parochiekerk waren samengestroomd, stapte hij op het meest geschikte moment naar voren en sprak: 'Broeders en zusters, zoals bekend is het jullie gewoonte om elk jaar, ieder naar eigen godsvrucht en vermogen, aan de behoeftigen van de hoogeerwaarde heer Sint-Antonius een deel van de oogst te schenken, opdat deze heilige man zijn beschermende hand zal uitstrekken over jullie ossen, ezels, varkens en schapen. Ook plegen jullie, en vooral dan diegenen die lid zijn van onze broederschap, eenmaal per jaar voor datzelfde goede doel een bescheiden som gelds af te staan. Om deze milde giften in ontvangst te nemen ben ik door mijn overste, de abt, hiernaartoe gezonden. Ik nodig dan ook iedereen met Gods zegen uit om na de nonen, als de klokken luiden, hier voor de kerk samen te komen, waar ik gewoontegetrouw de preek zal houden, waarna jullie in de gelegenheid zullen worden gesteld het kruis te kussen.
En omdat ik weet dat jullie allemaal trouwe vereerders zijn van Sint-Antonius, zal ik jullie als bijzondere toegift een fraaie en aanbiddenswaardige relikwie tonen, die ik eigenhandig uit het Heilige Land overzee heb meegebracht. Het gaat om een van de veren die de engel Gabriël in de kamer van de Maagd Maria achterliet nadat hij haar in Nazareth de blijde boodschap had gebracht.'
Aartsengel Gabriël in Maria-Boodschap. Bernardo Daddi. In Florence bekend van 1320 tot 1348. Musée du Louvre.
Na deze woorden zweeg hij en kon de mis verdergaan.
Terwijl broeder Ajuin dit alles vertelde, waren er onder de talrijke toehoorders in de kerk ook twee gewiekste jongelui, Giovanni del Bragoniera en Biagio Pizzini, die, nadat ze samen hartelijk hadden gelachen om de relikwie van broeder Ajuin, besloten hem met die engelenveer een poets te bakken, hoewel ze goed met hem bevriend waren en vaak in zijn gezelschap vertoefden. Ze hadden opgevangen dat de bedelbroeder het middagmaal zou gebruiken bij een vriend in de bovenstad en dus wachtten ze het moment af dat hij aan tafel zou zitten en gingen toen naar de herberg waar hij gelogeerd was. Ze spraken af dat Biagio de knecht van broeder Ajuin aan de praat zou houden, terwijl Giovanni tussen de bagage van de frater naar die fameuze veer zou zoeken — hoe die er ook mocht uitzien — en hem zou laten verdwijnen, om eens te zien hoe hij die verdwijning aan het volk zou verklaren.
Broeder Ajuin had een knecht, die door sommigen Guccio de Walvis genoemd werd en door anderen Guccio de Viespeuk of Guccio het Zwijn. Hij was zo'n schurftig kereltje, dat zelfs Lippo Topo's karikaturen er in vergelijking met hem nog heel onschuldig uitzagen.
Broeder Ajuin liet zich tegenover vrienden vaak spottend over hem uit met de woorden: 'Mijn knecht heeft negen ondeugden, die zo erg zijn dat zelfs één ervan, mocht die bij Salomo, Aristoteles of Seneca voorkomen, in staat zou zijn om al hun wijsheid, scherpzinnigheid en deugdzaamheid teniet te doen. Je kunt je dus indenken wat voor een man hij is, die geen spoor van wijsheid, scherpzinnigheid of deugdzaamheid in zich draagt, maar wél negen van die ondeugden bezit.'
De "Walvis" heeft vanuit Bijbels perspectie iets duivels (denk aan Jonas), terwijl het "Zwijn" natuurlijk en verwijzing is naar het varkentje, de metgezel van Antonius, zij het hier in de negatieve betekenis van 'wellusteling'.
Lippo Topo is een apocriefe figuur, aan wie spreekwoordelijk allerlei grappen en potsemakerijen worden toegeschreven.
Als ze hem dan vroegen wat voor ondeugden dat wel waren, antwoordde hij met een rijmpje: 'Hij is een luierik, een lomperik en een viezerik; een leugenaar, een treiteraar en een pruttelaar; een lammeling, een stommeling en een ellendeling; en daarnaast heeft hij nog wat kleine foutjes die we maar beter met de mantel der liefde kunnen bedekken. En wat vooral zo lachwekkend aan hem is: overal waar hij komt wil hij een vrouw strikken en een nestje bouwen; omdat hij een lange, vettige zwarte baard heeft, vindt hij zichzelf zo knap dat naar zijn vaste overtuiging alle vrouwen bij de eerste aanblik al verliefd op hem worden, en als ze hem dan in de kou laten staan, rent hij hen zo hard achterna dat hij er zijn broek bij zou verliezen. Maar hij betekent een grote hulp voor me, want niemand kan mij een geheim vertellen zonder dat hij het ook wil horen. En als mij iets gevraagd wordt, is hij zo bang dat ik het antwoord schuldig zal blijven dat hij al meteen in mijn plaats ja of nee antwoordt zoals het hem uitkomt.'
Toen broeder Ajuin de herberg had verlaten, had hij Guccio op het hart gedrukt niemand toe te laten in de buurt van zijn reisgoed, en zeker niet van zijn zadeltas, omdat daarin de gewijde voorwerpen opgeborgen waren.
Maar Guccio de Viespeuk voelde zich beter in een keuken thuis dan een nachtegaal in het groene lover, vooral als hij vermoedde dat daar een dienstmeid te vinden was. En nu had hij in de keuken van de herberg een kokkin ontdekt die al even breed als hoog was, met kromme benen, een paar memmen als twee mestemmers en een gezicht als dat van de Baronci's. Ze droop van het vet en was helemaal bezweet en berookt, maar Guccio vloog op haar af als een gier op zijn prooi, waarbij hij alle spullen van broeder Ajuin onbeheerd achterliet en er zelfs niet aan dacht de deur op slot te doen.
Het varken wordt gevoed met rozen, wat een variatie is op het gezegde: "parels voor de zwijnen" en is in dit schilderij ook symbolisch voor wellust en vraatzucht. De gevolgen van onmatigheid. Jan Steen, 1626 -1679. National Gallery.
En hoewel het augustus was, ging hij bij het vuur zitten en knoopte met Nuta — want zo heette ze — een gesprek aan.
Hij vertelde haar bloedernstig dat hij een edelman was bij volmacht, dat hij ruim elfendertigduizend florijnen bezat — die welke hij aan anderen schuldig was, en die eerder meer dan minder bedroegen, nog niet eens meegerekend — en dat hij meer dingen kende en kon dan Dominus Vobiscum zelf. En zonder zich te laten weerhouden door zijn hoed, die zo vettig was dat de Zusters der Armen er een grote pan soep van hadden kunnen koken, noch door zijn gescheurde en gelapte wambuis, dat rond de hals en onder de oksels wel verglaasd leek door het vuil en dat door het grote aantal bonte vlekken kleurrijker was dan een Tataarse of Indische deken, noch door zijn kapotte schoenen en zijn kousen vol gaten, verklaarde hij haar, alsof hij de Seigneur van Châtillon in eigen persoon was, dat hij haar een nieuwe garderobe zou schenken en haar een opknapbeurt zou laten geven, haar uit haar slavernij zou bevrijden en haar — al kon hij geen grote rijkdommen beloven — het vooruitzicht op een onbezorgde oude dag kon bieden, en nog veel dingen meer. Maar met hoeveel genegenheid hij deze voorstellen ook te berde bracht, ze maakten zoals de meeste van zijn ondernemingen evenveel indruk als een vlieg op een koeienvlaai.
Toen de twee jongelui ontdekten dat Guccio het Zwijn druk in de weer was met het versieren van Nuta, konden ze hun vreugde niet op: zo was het karwei immers al voor de helft geklaard.
Ze stapten de kamer van broeder Ajuin, waarvan ze de deur open vonden, ongehinderd binnen, en het eerste wat ze zagen was de zadeltas waarin de veer moest zitten. Toen ze die geopend hadden, vonden ze een overvloedig in tule gewikkeld kistje met daarin de staartveer van een papegaai: dit moest ongetwijfeld de relikwie zijn die hij aan de Certaldezen had beloofd.
Hij kon deze simpele landlieden zoiets inderdaad makkelijk wijsmaken want de oosterse rariteiten, die later helaas heel Italië zouden overspoelen, waren in die tijd nog nauwelijks tot in Toscane doorgedrongen. En ook al waren ze daar misschien reeds bij een enkeling bekend, in een boeren gat als Certaldo hadden de inwoners vast nog nooit over papegaaien gehoord, laat staan dat ze er al een onder ogen hadden gekregen.
Tevreden met hun vondst staken de jongelui dus de veer bij zich, en om het kistje niet leeg te laten deden ze er wat houtskooltjes in die ze toevallig in een hoek van de kamer hadden zien liggen.
Ze brachten de zadeltas weer in zijn oorspronkelijke staat terug en stapten ongezien met hun buit naar buiten, waar ze benieuwd afwachtten hoe broeder Ajuin, als hij in plaats van de fel geprezen relikwie een handvol kooltjes vond, zich uit de nesten zou helpen.
De "houtskooltjes" zijn een verwijzing naar de Divina Comedia van Dante, waarin hij deze als symbool van complete duisternis gebruikt, een totale afwezigheid van het licht van de waarheid.
Er zijn in de Decamerone meer verwijzingen naar Dante, zeker voor wat betreft bedriegende priesters en leugenachtige monniken.
Zie ook verderop in dit verhaal, en het fragment uit de Divina Comedia, Paradijs, hieronder.
De simpele mannen en vrouwen die in de kerk gehoord hadden dat ze na de nonen de veer van de engel Gabriël te zien zouden krijgen, keerden na de mis naar huis terug. Iedereen vertelde het nieuws aan de buren, en de kletskousen van het dorp zorgden wel voor de verdere verspreiding ervan. Na het middageten kwamen de mensen in zulke dichte drommen naar het kasteel plein toegestroomd dat er geen muis meer bij had gekund, en trappelend van ongeduld stonden ze te wachten op het vertonen van de veer.
Broeder Ajuin, die een hartig maal had genoten en daarna nog vlug een tukje had gedaan, werd even na de nonen wakker, en toen hij hoorde dat er een grote menigte boeren op de bezichtiging van de relikwie was afgekomen, droeg hij Guccio de Viespeuk op om de zadeltas samen met de rinkelbel naar het plein te brengen. Deze rukte zich met moeite los van de keuken en van Nuta en sleepte zich met de gevraagde voorwerpen naar het dorp hogerop, waar hij hijgend aankwam, want hij had zoveel water gedronken dat zijn lichaam nog eens zo zwaar geworden leek. Vervolgens ging hij, zoals broeder Ajuin hem gezegd had, voor de kerkpoort staan en begon luid met de bel te klingelen.
Het is hier duidelijk waar de bel van Antonius voor dient: het trekken van de aandacht en het vragen om aalmoes.
Toen het er zwart zag van de mensen, begon broeder Ajuin nietsvermoedend met zijn preek, waarbij hij zijn stellingen met een vloed van woorden kracht bijzette. Toen het ogenblik was aangebroken om de veer van de engel Gabriël te laten zien, bad hij eerst plechtig het confiteor, liet vervolgens twee toortsen aansteken en wikkelde voorzichtig de tule los. Pas nadat hij eerbiedig zijn hoofd had ontbloot, haalde hij het kistje tevoorschijn. En nadat hij nog enige woordjes gesproken had tot lof en eer van de heilige Gabriël en zijn relikwie, maakte hij het open.
Uit de Grandes Heures de Rohan. 15e eeuw. Bibliothèque Nationale de France.
Toen hij zag dat het vol kooltjes zat, was Guccio de Walvis wel de laatste die hij van deze streek verdacht: daarvoor was de knecht veel te eenvoudig van geest. Evenmin vervloekte hij hem omdat hij niet op zijn spullen had gelet, want hij had niets anders verwacht. Maar hij was razend op zichzelf omdat hij hem zijn bezittingen had toevertrouwd, want hij wist toch dat het een lammeling, een stommeling en een ellendeling was.
Hij vertrok echter geen spier van zijn gezicht, hief de ogen en de handen ten hemel en zei, zo hard dat iedereen het kon horen: '0 God, gezegend zijt Gij om Uw almacht.' Vervolgens deed hij het kistje weer dicht en wendde zich tot de toehoorders met de woorden: 'Broeders en zusters, jullie moeten weten dat ik, toen ik nog maar pas het habijt droeg, door mijn overste naar de landen werd gestuurd waar de zon opgaat, met de uitdrukkelijke opdracht net zo lang te zoeken tot ik de privileges van Varkadië gevonden zou hebben, die, ofschoon er geen zegelrecht op rust, heel wat nuttiger zijn voor anderen dan voor ons. "Varkadië" heet in het Italiaans, "Porcellana", wat natuurlijk betrekking heeft op het varken (porc), wat niet alleen een oort betekent waar men de pleziertjes van het wellustige varken kan beleven, maar wat ook refereert aan de 'rosse' wijk in Florence, waar een straat en een hospitaal zo heetten.
Tegelijkertijd heeft het ook betrekking op Guccio het Zwijn, die namelijk naar een historische figuur verwijst, die Guccio Porcellana heette, en die in de straat Porcellana in Florence woonde en die omstreeks 1324 bewaker was van het Hospitaal Porcellana, dat gesitueerd was in de wijk waar de familie Boccaccio woonde.
Ook de verder nog genoemde 'landen' zijn dubbelzinnige verwijzingen naar straten in Florence met een slechte reputatie, iets wat voor de Florentijnse lezers en toehoorders het verhaal nog extra komisch gemaakt zal hebben.
Voor degenen die dit fragment in het Italiaans willen horen:
Dus begaf ik me vanuit Tortellinië op weg naar Boezoekië, waarna ik de koninkrijken Sultanië en Tulbanië aandeed. Ten slotte kwam ik in Ayatolië, vanwaar ik, niet zonder dorst, na enige tijd Fakirië bereikte. Maar waarom zou ik alle landen beschrijven die ik bereisde?
Nadat ik de Straat van Penarië had overgestoken, zette ik voet aan wal in Mopland en Grolland, twee dichtbevolkte naties waar veel mensen wonen. Vervolgens zette ik koers naar Jokkelije, waar ik heel wat confraters vond, naast broeders van andere orden, die allemaal om de liefde Gods honger en dorst uit de weg gingen en zich zorgvuldig van hulp aan hun naaste onthielden om hun beloning in de hemel veilig te stellen, en die altijd betaalden met munten die klonken ook al waren ze niet geslagen. "Mopland" is "Truffia", d.w.z. 'oplichterij' en "Grolland" is "Buffia", d.w.z. 'kluchtigheid' en 'bluf'. "Jokkelije" is 'Leugenland'.
Het betalen "
met munten die klonken ook al waren ze niet geslagen" is weer een verwijzing naar Dante, zie hieronder de laatste regel van het canto.
Daarna kwam ik in het land van de Abruzzen terecht, waar de mensen op klompen door berg en dal trekken en de varkens in hun eigen darmen stoppen. Verder kwam ik mannen tegen die hun stokbroden in de broodmand staken en hun wijn in de wijnzak goten. Van daaruit kwam ik bij de bergen van de Basken, waar alle beekjes naar beneden stromen. Kortom, ik reisde steeds maar verder, tot ik ten slotte Voorachterindië bereikte, waar ik, dat zweer ik op de pij die ik draag, het gevogelte zag vliegen: een ongelooflijke ervaring voor wie zoiets nog nooit heeft aanschouwd. En wie mij niet gelooft, moet het maar eens vragen aan de bekende zakenman Jan Contant, die daar noten kraakte en de doppen in het klein verkocht.
Maar omdat ik niet vond wat ik zocht en geen roeispanen bij me had, keerde ik op mijn schreden terug en kwam in het Heilige Land waar 's zomers het koude brood vier stuivers kost, terwijl je het voor niets warm krijgt. Daar ontmoette ik de eerbiedwaardige pater Lamemetrust Asteffekan, de hooggeprezen patriarch van Jeruzalem, die er uit eerbied voor de pij van Sint-Antonius die ik altijd gedragen heb, op stond dat ik alle heilige relikwieën in ogenschouw zou nemen die hij bezat. Dat waren er zoveel dat ik er een mijlenlange opsomming van zou moeten geven, maar om jullie niet teleur te stellen zal ik er toch enkele noemen: eerst toonde hij me de duim van de Heilige Geest, die er gaver uitzag dan ooit tevoren, vervolgens het kuifje van de Serafijn die aan Sint-Franciscus verscheen, en een van de nagels van een Cherubijn, daarna een van de Asperges waarover in de hoogmis gezongen wordt, de jurk van onze Moeder de Heilige Kerk, een paar stralen van de ster die aan de drie Wijzen in het Oosten verscheen, een flesje met het zweet van Sint-Michiel na zijn gevecht met de duivel, de kinnebak van Magere Hein die Lazarus bezocht en nog talloze andere relikwieën.

Reliek van Sint Antonius in de San José kerk in Avila, Spanje, waarschijnlijk een 'vinger'.
En omdat ik hem in mijn vrijgevigheid een exemplaar afstond van de codex met de Griekse beginselen in de volkstaal, samen met een paar hoofdstukken van Sodomitius die hij allang zocht, schonk hij me een deel van zijn gewijde relieken: een van de spijkergaten van het Heilige Kruis, een ampul met wat klokgelui van de tempel van Salomo, de veer van de engel Gabriël waar ik het al over had, een van de klompen van de Sint-Gerardus van Villamagna, die ik niet zo lang geleden in Florence cadeau heb gedaan aan een vurige vereerder en naamgenoot van hem, en ook een handvol houtskolen waarop de gelukzalige martelaar Laurentius geroosterd werd.
Al deze dingen bracht ik eerbiedig mee naar onze contreien, waar ik ze zorgvuldig bewaar. Weliswaar heeft mijn overste nooit toegestaan dat ik ze aan iemand zou tonen zolang er geen bewijsstuk van hun echtheid voorhanden was, maar nu die echtheid, niet alleen door brieven van de patriarch maar ook door bepaalde mirakelen die ze verricht hebben, vast is komen te staan, heb ik zijn toestemming gekregen.
De martelaar Laurentius, die op een laag vuurtje geroosterd wordt. Meester van Jean Rolin II (illuminator).
Omdat ik ze niet aan anderen durf toe te vertrouwen, houd ik ze steeds bij me. Nu bewaar ik de veer van de engel Gabriël voorzichtigheidshalve in een kistje, en de kolen waarop Sint-Laurentius geroosterd werd in een ander, en deze twee kistjes lijken zo op elkaar dat ik ze vaak met elkaar verwar, wat me ook vandaag is overkomen: in plaats van het kistje met de veer blijk ik namelijk dat met de kolen bij me te hebben.
Ik geloof trouwens niet dat het zomaar een vergissing betreft, integendeel, ik ben ervan overtuigd dat het Gods wil is en dat Hij zelf het kistje met de kolen in mijn handen heeft gelegd om mij er op het laatste ogenblik aan te herinneren dat het overmorgen het feest van Sint-Laurentius is.
En omdat het Gods wil is dat ik op die manier in jullie zielen de vlam van de devotie voor die heilige aanwakker, liet Hij me niet de engelenveer meebrengen, zoals ik me had voorgenomen, maar de gezegende kolen die gedoofd werden door de wegdruipende levenssappen van dit gemartelde lichaam.
Reliek beeldje en houder van een vinger van Sint Laurentius. Koper en verguld zilver. Eind 13e begin 14e eeuw. Musée du Louvre.
Ontbloot daarom, beminde broeders en zusters, het hoofd en kom eerbiedig nader om die te aanschouwen. Maar dit wil ik jullie eerst nog zeggen: ieder die door deze kolen met het kruisteken wordt aangeraakt, zal het hele jaar lang niet door het vuur omkomen zonder het zelf te voelen.' Sint Antonius genas niet alleen de ziekte Antoniusvuur, maar hij voorkwam ook gewone vuren.
Vandaar dat hij ook beschermheilige was van de Pauselijke brandweer!
Na deze woorden hief hij een lofzang aan ter ere van Sint-Laurentius, deed het kistje open en toonde het kolengruis. En toen de dwaze menigte daar een tijdje eerbiedig en vol bewondering naar had staan gapen, haastten allen zich met veel gedrang naar broeder Ajuin en smeekten hem, na rijkelijker offergaven dan ooit gestort te hebben, hen met die heilige kolen aan te raken.
Daarop begon de bedelmonnik kwistig levensgrote kruisen te tekenen op hun witte kielen en wambuizen en op de sluiers van de vrouwen, waarbij hij hun verzekerde dat de kooltjes na gebruik toch weer in het kistje zouden aangroeien, zoals hij al ettelijke malen had vastgesteld.
Het is grappig dat Boccaccio zo de draak steekt met de verering van relieken, en dat hij daar een Antoniaanse monnik voor gekozen heeft, want hoewel reliekverering ook bij andere orden een rol speelde, was juist bij de Antoniaanse Hospitaalbroeders de verering van de relieken van Antonius, en het gebruik ervan als Saint Vinage in de bereiding van de medicijn tegen het Antoniusvuur, uiterst belangrijk.
Het dragen van grote kruizen op de kledij was trouwens in die dagen een straf (of boetedoening) die door de Inquisitie kon worden opgelegd.
Zo nam broeder Ajuin — tot groot profijt van zichzelf — de lichtgelovigheid van de Certaldezen te baat om wraak te nemen op degenen die hem door de veer te ontvreemden een poets hadden willen bakken. Toen de twee jongelui hoorden en zagen met welke omwegen en in welke bewoordingen de broeder zich hieruit had weten te redden, moesten ze zo hard lachen dat hun kaken er bijna door ontwricht werden.
Nadat het volk huiswaarts was gekeerd, gingen ze naar hem toe en vertelden hem met de grootste vrolijkheid van de wereld wat ze gedaan hadden. Daarop gaven ze hem de papegaaienveer terug, die hem een jaar later niet minder aalmoezen opbracht dan deze keer de houtskool.
Het gezelschap was in de wolken over dit verhaal en er werd hard gelachen om broeder Ajuin en bovenal om zijn pelgrimstocht en om de relikwieën die hij had gezien en meegebracht.

Boccaccio die de Decamerone voorleest aan koningin Jeanne van Napels. Gustaf Wappers, 1849. Musées royaux des Beaux-Arts de Belgique, Brussel.
In dit satirische boek is niet echt sprake van oneerbiedige goddeloosheid, of van minachting voor de verering van heilige objecten, noch twijfel aan de waarde van boetedoeningen zoals het geven van aalmoezen, het reciteren van gebeden of zelfs het verkrijgen van aflaten. Zo stelt hij in III, 7: "Nu is het inderdaad zo dat zonden worden uitgewist met aalmoezen en gebed..." (Zie hieronder)
Door de overdrijving van zijn voorstellingen, door de onwaarschijnlijkheid van de fictieve relieken, maakt Boccaccio duidelijk dat hij de verering van relieken alleen maar bekritiseert, wanneer die omslaat in bijgeloof, als het onderscheid tussen echte en vervalste relieken niet meer gemaakt wordt, als het echte geloof overgaat in blinde lichtgelovigheid.
Boccaccio stelt de domme onwetenden aan de kaak die blindelings in van alles geloven. Hij stelt eveneens degenen aan de kaak die verkeerde overtuigingen propageren en materieel en moreel voordeel uit het bijgeloof van de onwetende massa's halen: niet alleen degenen die zich verrijken (volgens de meest traditionele kritiek op de kerk), maar vooral degenen die aldus hun macht en hun gezag over de eenvoudige zielen vestigen, die zij vervolgens aan hun wil kunnen onderwerpen.
Er zijn talrijke officiële pogingen door de Kerk ondernomen, om een onderscheid te maken tussen de echte heilige objecten die het waard zouden zijn om vereerd te worden, en de voorwerpen die het niet zijn.
Eveneens zijn er talloze besluiten van concilies geweest, die zich tegen het bijgeloof hebben gekeerd en het valse vroomheid rond de relieken.
De handel in valse relieken en het gebruik van vervalste pauselijke attesten schijnen een notoire praktijk van Antonianen geweest te zijn. In 1240 schreef Gregorius IX aan de bisschoppen van Lyon om de voornaamste vestiging van de broeders van Saint-Antoine, die van Vienne, hiervoor te veroordelen.
Het is natuurlijk wel zo dat relieken werken, althans voor degenen die geloven dat ze zo — letterlijk — contact krijgen met een hogere macht. Je kan dat afdoen als bijgeloof, of "magie", maar zeker is dat dit geloof ouder is dan de Katholieke kerk. Het gaat terug naar een geloof in 'aardse' goden en godinnen, zoals vertegenwoordigd in heilige bomen, of in heilige bronnen — later gekerstend in Maria-vereringen. En het heeft ook elementen van voorouderverering.
Hoewel deze praktijkendoor de Kerk als 'heidens' zijn veroordeeld, is de kerk er niet in geslaagd ze uit te roeien. Hooguit heeft ze de gelovigen van zich vervreemd.
Maar daar moet ik wel aan toevoegen dat het eigenlijk niet uitmaakt of de reliek 'echt' of 'vals' is. In die zin is een positief effekt meer een demonstratie van de bijzondere kracht van de geest (mind).

Ook heden ten dage nog leeft het geloof in de kracht van relieken, zoals deze foto's demonstreren.

Het aanraken van de reliek (geen Antonius) in Essene.
Na de mis en eucharistie in Salphen kon men het Antonius relikwie kussen.
Tijdens de Paardenommegang in Serskamp konden de deelnemers de relikwie van de Heilige Antonius, gevat in een T-vormige houten theca, kussen.

Decamerone, Derde dag, Tiende verhaal
Alibech, een jonge vrouw met ascetische aspiraties, gaat op zoek naar een guru en vindt de kluizenaar Rusticus, met wie ze zijn duivel uit haar hel verdrijft. Er zijn zeker echo's van de Vita van Antonius: deze scene speelt zich af in de Thebeïsche woestijn, en Alibech kan nauwelijks lezen of schrijven. De kluizenaars worden blootgesteld aan de Verzoeking des vlezes, die ze niet kunnen weerstaan — dit dan in tegenstelling tot Sint Antonius.
In de stad Gafsa in Berberije leefde eens een schatrijke man, die naast een aantal zonen ook een mooie en charmante dochter had wier naam Alibech was. Ze was geen christin, maar hoorde veel christenen die in de stad woonden vaak de lof zingen van hun geloof en van een godgewijd leven en daarom vroeg ze een van hen op een mooie dag hoe ze God het best kon dienen. Ze kreeg te horen dat de godvruchtigste christenen de wereld ontvluchten, zoals degenen die zich in de eenzaamheid van de Thebeïsche woestijn hadden teruggetrokken.
Eerder door kinderlijke nieuwsgierigheid dan door een weldoordachte overtuiging gedreven, begaf het naïeve meisje, dat hooguit veertien was, zich reeds de volgende morgen zonder iemand iets te zeggen in haar eentje op weg naar de Thebeïsche woestijn.
Na een vermoeiende voettocht van enkele dagen, die haar verlangen echter geenszins aantastte, bereikte ze uiteindelijk de onherbergzame streek.
Gafsa in Tunesië. Vandaar naar Thebe is een heel eind.
In de verte ontwaarde ze een hutje, stapte erop af en trof op de drempel een vrome kluizenaar, die haar stomverbaasd vroeg wat ze kwam doen.
Ze antwoordde dat ze Gods roepstem had gehoord en op zoek was gegaan naar iemand die haar kon leren hoe ze Hem het best kon dienen. Bij het zien van haar jeugdige schoonheid vreesde de brave man dat de duivel hem een loer zou draaien als hij haar onderdak bood. Daarom prees hij haar goede voornemens, gaf haar wat wortels, wilde appels en dadels te eten en leste haar dorst met water, waarna hij haar van zich afschudde met de woorden: 'Mijn dochter, hier niet ver vandaan woont een heilig man, die op dat punt een veel beter leermeester is dan ik: wend je tot hem.'
Hij wees haar de weg, maar van deze kluizenaar kreeg ze precies hetzelfde te horen. Zo trok ze steeds maar verder tot ze terechtkwam bij een nog jonge monnik, Rusticus, een bijzonder vroom en goedhartig man, aan wie ze dezelfde vraag voorlegde als aan zijn collega's. Rusticus of Rustico, zoals hij in het Italiaans heet, is een naam die in eerste instantie nogal landelijk, 'rustiek'. aandoet. Maar er waren inderdaad wel een een drietal heiligen — maar geen kluizenaars — die Rusticus heetten, in de 3e en de 5e eeuw.
Deze zag daarin een kans om zijn eigen standvastigheid op de proef te stellen en zond haar dus niet zoals de anderen door, maar verleende haar gastvrijheid. Tegen het vallen van de avond spreidde hij voor haar een bedje van palmbladeren en nodigde haar uit zich daarop ter ruste te leggen.
Nauwelijks was ze echter gaan liggen, of de Verzoeker begon zich met zijn krachten te meten en algauw moest hij vaststellen dat hij die laatste schromelijk had overschat. Het duurde dan ook niet lang of hij keerde zijn belager de rug toe en gaf zich gewonnen. Hij liet de godvruchtige gedachten, gebeden en boetedoeningen voor wat ze waren vermeide zich in de geest met het beeld van Alibechs jeugd en schoonheid, waarbij hij naar een manier zocht om zijn lusten op haar bot te vieren zonder haar te laten merken dat hij enkel door vleselijke begeerte gedreven werd.
Nadat hij enkele vragen had gesteld om de mogelijkheden af te tasten, bleek dat ze nog nooit met een man had verkeerd en dus even onschuldig was als ze eruitzag. Daarom besloot hij haar onder de dekmantel van een godsdienstige oefening naar zijn hand te zetten. Eerst bracht hij haar omstandig bij dat de duivel de aartsvijand van God is, waarna hij haar te verstaan gaf dat er geen godgevalliger werk denkbaar is dan de duivel terug te sturen naar de hel, waarheen de Heer hem verbannen had.
Het meisje vroeg hem hoe dat in zijn werk ging. 'Dat zul je zo dadelijk zien,' antwoordde Rusticus. 'Je hoeft alleen maar te doen wat je mij ziet voordoen.'
De Verzoeking van de Heilige Antonius. Félicien Rops (1833 - 1898)
Daarop begon hij zich van zijn schamele kledij te ontdoen. Alibech volgde gehoorzaam zijn voorbeeld en weldra stonden ze daar allebei spiernaakt. Vervolgens liet hij het meisje tegenover zich plaatsnemen en knielde als in aanbidding voor haar neer. In deze positie werd de aanblik van haar charmes hem echter te machtig en kwam de opstanding des vleses.
'Wat is dat voor een uitsteeksel dat ik niet heb?' riep Alibech bij het zien daarvan verwonderd uit.
'Mijn dochter,' zei Rusticus, 'dat is nu de duivel waar ik het daarnet over had. Zoals je ziet, maakt hij me op dit ogenblik het leven zo zuur dat ik het haast niet uithoud.' '
God zij geprezen,' zei het meisje, 'dat ik er beter aan toe ben dan jij: ik heb namelijk niet zo'n duivel.'
'Dat klopt,' zei Rusticus, 'maar omgekeerd heb jij weer iets wat ik niet heb.'
'Wat dan?'
'Jij hebt de hel. Volgens mij heeft God jou trouwens hier naartoe gezonden voor mijn zieleheil. Als die duivel me lastig blijft vallen, zou je me een grote dienst bewijzen als je me toestaat hem in de hel te jagen. En tegelijk zou je een godgewijd werk verrichten, wat naar je me vertelde toch het doel is van je komst.'
'Vader,' antwoordde het argeloze meisje, 'als ik dan toch de hel heb, ga dan gerust je gang.'
Het verhaal van Alibech en Rustico. Houtsnede uit de Italiaanse uitgave van 1492. De afbeelding toont een p^nis in ere*tie, wat in middeleeuwse voorstellingen een zeldzaamheid is.
'Wees gezegend, mijn dochter,' antwoordde Rusticus. 'Laten we dan maar aan de slag gaan en hem op zijn plaats zetten, zodat hij me in het vervolg met rust laat.'
Met deze woorden voerde hij het meisje naar een van de bedjes en leerde haar hoe ze de vervloekeling moest kerkeren.
Alibech, die nog nooit enige duivel naar de hel had gestuurd, voelde de eerste keer een beetje pijn, en daarom zei ze: 'Vader, die Satan moet bepaald een booswicht en een vijand van God zijn, want hij doet, om van het andere maar te zwijgen, zelfs de hel pijn als hij daarheen wordt gestuurd.'
'Kind, dat zal niet altijd zo blijven,' troostte Rusticus haar. En om te vermijden dat zulke ongewenste neveneffecten zich in de toekomst nog zouden voordoen stuurde hij, voordat ze opstonden, de vorst der duisternis tot zesmaal toe naar zijn rijk terug, tot hij compleet van zijn hovaardij was genezen en zich koest hield.
Maar de volgende dagen stak de hoogmoed nog meer dan eens de kop op en telkens was het meisje maar al te bereid om die te kastijden.
Op den duur begon zij in deze taak zoveel behagen te scheppen dat ze tegen Rusticus zei: 'Ik zie nu wel in dat de mensen in Gafsa die me vertelden hoe zoet het is om God te dienen, de waarheid spraken. Voorzover ik me kan herinneren, heb ik nooit een werk verricht dat me zoveel voldoening bezorgde als het in de hel stoppen van de duivel. Volgens mij is iedereen die zich aan andere bezigheden wijdt dan aan de dienst van God een driedubbel overgehaalde ezel.' Vaak trommelde ze Rusticus op met de woorden: 'Vader, ik ben hier gekomen om God te dienen en niet om de handen in de schoot te leggen.
Laten we Satan naar zijn gerechte verblijfplaats terugjagen.' En terwijl ze met dat vrome werk bezig waren, zei ze wel eens: 'Rusticus, ik begrijp niet waarom de duivel de hel telkens weer ontvlucht, want als hij er verbleef met evenveel genoegen als waarmee hij er ontvangen en vastgehouden wordt, zou hij er nooit meer weg willen.'
Door haar geestelijke vader telkens weer tot godsdienstoefeningen aan te sporen jakkerde ze hem zo af dat hij rilde van de kou waar een ander zou zweten. Dus begon hij haar af te schepen met het argument dat de duivel alleen maar gekastijd en de hel ingejaagd moest worden als hij uit hoogmoed de kop opstak: 'En wij hebben hem godzijdank zo zijn vet gegeven dat hij de Heer smeekt hem met rust te laten.'
Zo wist hij haar een tijdje zoet te houden, maar toen ze merkte dat Rusticus helemaal niet meer van plan leek om Heintje Pik nog naar het inferno te sturen, zei ze op een dag: 'Rusticus, al is jouw duivel nu getuchtigd en plaagt hij je niet meer, daarom laat mijn hel me nog geen vrede: dus zou je er goed aan doen om nu met je duivel de woede van mijn hel te helpen bedwingen, zoals ik jou met mijn hel geholpen heb om de verwaandheid uit jouw duivel te verdrijven.'
Rusticus, die
op wortels en water leefde, kon het op den duur niet meer bolwerken.
Hij zei dat er te veel duivels nodig waren om zo'n hellevuur te blussen, maar dat hij zijn uiterste best zou doen. En zo wist hij soms wat balsem in de wonde te gieten, al stelde dat niet méér voor dan een boon in een brouwketel. Alibech, die meende dat ze in haar godsdienstige plichten schromelijk tekortschoot, stak haar ontgoocheling niet onder stoelen of banken.
Terwijl aldus tussen Rusticus' duivel en Alibechs hel, of tussen willen en niet kunnen, een hevige strijd aan de gang was, brak in Gafsa een brand uit, die ook het ouderlijk huis van Alibech in de as legde en waarin haar vader, broers en andere bloedverwanten jammerlijk omkwamen. Het gevolg was dat Alibech het gehele familiebezit erfde.
Toen een jongeman met de naam Neherbal, die zijn hele vermogen had verbrast, vernam dat de erfgename nog in leven was, ging hij op zoek naar haar en slaagde erin haar op te sporen voordat de rechtbank de bezittingen van haar vader bij gebreke van rechthebbenden had aangeslagen. Tot groot genoegen van Rusticus en tot haar eigen ongenoegen voerde hij haar mee naar Gafsa en trouwde met haar, waardoor hij mede-eigenaar werd van haar immense fortuin.
Toen een paar vriendinnen haar nog vóór de bruidsnacht vroegen hoe ze in de woestijn God had gediend, antwoordde ze dat ze de duivel naar de hel had teruggestuurd en dat Neherbal een zware zonde had begaan door haar van zo'n godgevallig werk weg te halen.
'Hoe doe je zoiets?' vroegen de vrouwen, en toen Alibech hun dat in woord en gebaar duidelijk maakte, kregen ze haast een stuip van het lachen. 'Wees maar niet bang, kindje,' proestten ze, 'dat wordt ook hier gedaan. Je kunt ervan op aan dat Neherbal met jou God niet minder ijverig zal dienen.'
Het verhaal van de bekeerlinge ging als een lopend vuurtje door de stad en weldra was het een gevleugeld woord dat de beste manier om God te dienen erin bestaat de duivel de hel in te drijven. Van overzee bereikte dit spreekwoord onze moederstad en het is er in zwang gebleven.
De melodie Fenesta ca lucive van Morriconi is uit de de film de Decamerone van Pasolini.

Decamerone, Derde dag, Zevende verhaal
Verder vinden we in de Decamerone, Derde dag, Zevende verhaal, een passage, die ook handelt over bedriegelijke praktijken van geestelijken, waaruit overigens eens te meer de invloed van Dante duidelijk wordt, want deze passage lijkt Canto 29 uit de Divina Comedia (zie hierboven) te imiteren, in slechts iets andere woorden.
Maar hier is zeker sprake van ongezouten kritiek en is de luchtige toon ver te zoeken. En het wordt ook duidelijk dat het niet alleen de Antonianen zijn die zich schuldig maken aan onoirbare praktijken, wat Dant lijkt te willen suggeren.
Vroeger waren paters uiterst vrome en eerbiedwaardige mensen, maar heden ten dage kan men degenen die zich de naam pater aanmatigen nog slechts herkennen aan hun habijt, en zelfs dat is niet meer wat het placht te zijn, want terwijl de stichters van de kloosterorden voorschreven dat het krap, schamel en uit ruwe stof vervaardigd moest zijn als teken van hun verachting voor de wereld, gaan de paters van vandaag gekleed in ruime, gevoerde, glanzende pijen van het fijnste laken. Met die elegante, vorstelijke gewaden lopen ze schaamtelozer dan leken in de kerken en op de pleinen te pronken.
En zoals vissers het erop aanleggen om met één worp van hun net zoveel mogelijk vissen binnen te halen, zo trachten die zogenaamde paters zoveel mogelijk kwezels, weduwen en pilaarbijters van beiderlei kunne in de wijde zakken van hun pij te stoppen. Met iets anders houden ze zich nauwelijks bezig. Om de waarheid eer aan te doen zou ik dus moeten zeggen dat ze niet eens het habijt van geestelijken dragen, maar enkel de kleur ervan.
De paters van weleer beijverden zich bovendien voor het zielenheil van hun medemens, terwijl die van vandaag alleen op vrouwen en geld uit zijn. Ze putten zich uit in vervloekingen en schilderen afschuwwekkende helletaferelen om goedgelovige zielen de stuipen op het lijf te jagen en hun aan het verstand te brengen dat zonden met aalmoezen en missen moeten worden afgekocht. Zo krijgen deze heren, die meer uit luiheid dan uit devotie in het klooster zijn getreden, het voor elkaar dat de een hun brood toestopt en een ander hen van wijn voorziet, terwijl een derde hen aan tafel uitnodigt om de zielerust van zijn overledenen te verzekeren.
Een tarotkaart, geïnspireerd door de Decamerone.
Nu is het inderdaad zo dat zonden worden uitgewist met aalmoezen en gebed, maar als de milde schenkers zouden beseffen van welk allooi de begunstigden zijn, dan hielden ze hun goeie geld voor zich of wierpen het nog liever voor de zwijnen.
En omdat die huichelaars maar al te goed weten dat
veel varkens de spoeling dun maken, trachten ze met getier en bangmakerij anderen uit de buurt van de goudmijn te houden, zodat alleen zijzelf daaruit kunnen putten.
Ze klagen de wellust van de mannen aan in de hoop dat die hun staart zullen intrekken en de vrouwtjes aan hun aanklager overlaten.
Ze laken woeker en oneerlijke winst in de hoop met de terugbetaling te worden belast: dan kunnen ze, met hetzelfde geld waarvan ze beweerden dat het de bezitter ervan in het verderf zou storten, hun habijt nog wat ruimer maken en bisschopszetels en andere prelaatschappen najagen.
En als iemand hun deze en andere wandaden aanwrijft, maken ze zich ervan af met de leuze "Luister naar onze woorden, maar kijk niet naar onze daden", alsof de schapen en niet de herder het goede voorbeeld moeten geven.
Maar hoewel velen zich door hun misleidende taal zand in de ogen laten strooien, zijn er toch ook heel wat die hun listen en lagen doorzien.
De monniken van vandaag eisen van de gelovigen dat ze doen wat hun gezegd wordt: hun beurzen spekken, hun alle zielsgeheimen toevertrouwen, de kuisheid beoefenen, geduldig en vergevingsgezind zijn, achterklap mijden. Allemaal goede, prijzenswaardige en godgevallige betrachtingen. Maar waarom vragen ze dat alles?
Enkel en alleen om bij hun streven naar wereldse geneugten alle mogelijke concurrentie van de leken te voorkomen.
Wie zal ontkennen dat ledigheid zonder geld niet lang kan duren?
Als Jan met de pet zijn geld laat rollen voor zijn eigen pleziertjes, is het afgelopen met het luilekkere leventje van de papen in hun klooster; als hij de vrouwtjes het hof maakt, is de kans voor de papen verkeken; als hij prikkelbaar of haatdragend is, zullen de papen niet het lef hebben om in zijn huishouden ruzie te komen stoken. Maar waarom zou ik hier nog verder over uitweiden?
Telkens als ze weer met hun welbekende excuus voor den dag komen, vallen ze voor de goede verstaander door de mand. Waarom blijven ze niet bij hun moeder thuis als ze zich niet in staat voelen om een kuis en deugdzaam leven te leiden?
En als ze dan toch het geestelijke kleed aantrekken, waarom treden ze dan niet in de voetsporen van Christus, die volgens het evangelie genezend en predikend rondtrok? Laten ze eerst zélf het goede voorbeeld geven, vóór ze anderen de les lezen. Ik heb er in mijn leven wel duizend gekend die het dag en nacht aanlegden met al wat rokken draagt, niet alleen met wereldse vrouwen, maar zelfs met kloosterzusters.
En meestal waren dat degenen die het hardst verdoemenis riepen op de preekstoel.
De Decamerone werd in 1497 door Girolamo Savonarola verbrand omdat het onzedelijk zou zijn. Ook de kerk was niet altijd blij met het boek, niet zozeer vanwege de vrijmoedigheid alleen, maar vooral om de manier waarop kerkelijke prelaten werden beschreven.



Vita Antonii Abba's Iconografie Antoniusvuur Antonianen In de Kunsten Vieringen Orthodox Literatuur
Folklore Sint Antonius Saint Antoine Sant'Antonio Sant Antoni Sankt Antonius Saint Anthony
Adolphus Hilarion Paulus van Thebe Maria van Egypte Simeon de Pilaarheilige Christen Asceten


Heeft u informatie over Antonius Abt, of vragen, neem dan contact op met mij: Dolf Hartsuiker