Vita Antonii Abba's Iconografie Antoniusvuur Antonianen In de Kunsten Vieringen Orthodox Literatuur
Folklore Sint Antonius Saint Antoine Sant'Antonio Sant Antoni Sankt Antonius Saint Anthony
Adolphus Hilarion Paulus van Thebe Maria van Egypte Simeon de Pilaarheilige Christen Asceten


Antonius in het theater

Toneel - La tentation de Saint Antoine. Flaubert, 1874. Een uitgave van La tentation de Saint Antoine door J.G. Daragnes, 1942. - La grande tentation de Saint-Antoine, een poppenspel van Michel de Ghelderode. - Een uitvoering hiervan als opera van De Meester, 1957.- Een uitvoering als toneel door Le Thé à Trois.
Opera - Mathis der Maler. Hindemith, 1935. - La Tentación de San Antonio. Cortez, 1998. - The Temptation of Saint Anthony. Reagon & Wilson, 2003.
Film - La Tentation de Saint Antoine. Georges Melies, 1898.


Toneel

Gustave Flaubert — La tentation de Saint Antoine — 1874
in de vertaling van Hans van Pinxteren (1985): De Verzoeking van de Heilige Antonius
en Louis Couperus (1896): De Verzoeking van den H. Antonius
Het toneelstuk La tentation de Saint Antoine van de 19e eeuwse schrijver Gustave Flaubert is nooit een succes geweest. Dat kan ook niet, want de daarin opgeroepen beelden zijn alleen begrijpelijk voor iemand die een uitgebreide studie van de ascese en de geschiedenis van de eerste paar eeuwen voor en na Christus van dat territorium (Griekenland, Midden Oosten, Egypte, Perzië, India) heeft gemaakt. Dit houdt dan ook vanzelfsprekend in dat Gustave Flaubert zelf een soortgelijke studie heeft verricht.
Ook qua vorm is het nauwelijks geschikt om op te voeren. Grote delen bestaan uit beschrijvingen van de hallucinaties / visioenen / dromen van Antonius die op het toneel niet weer te geven zijn. Verder is er vrijwel geen actie, erg veel monologen van Antonius en weinig dialoog. Vaak wordt het dan ook eerder opgevat als een roman, novelle of zelfs gedicht. De laatste opvatting wordt vooral gevoed door het prachtige taalgebruik.
Een moderne film, met de huidige trucages, zou wel zeer geschikt zijn voor het in beeld brengen van de visioenen. Maar tegenwoordig zou het grote publiek het inhoudelijk niet interessan vindent — en eigenlijk was dat in Flaubert's tijd ook al niet..
Maar ook al was het toneelstuk dan geen populair succes, het heeft enorm veel invloed gehad op de kunstenaars uit zijn tijd — die het zeker een fantastisch stuk vonden, met prachtige beelden — en op de kunstenaars van later tijden, tot op heden.
Lovis Corinth 1858-1925. De Verzoeking van St. Antonius naar Gustave Flaubert; 1908.
Dit schilderij geeft de scène weer waarin Antonius wordt 'verleid' door de koningin van Sheba, met haar exotisch gevolg van dienaren, olifanten, en kamelen.
In mijn citaten uit het toneelstuk zal ik voornamelijk gebruik maken van citaten uit de vertaling van Van Pinxteren, die de integrale tekst omvat, maar zo nu en dan ter vergelijking uit de vertaling van Couperus citeren. Zijn tekst is overigens een gekuiste versie van het stuk. Grote delen ontbreken, en het zal niet verbazen dat het vooral die delen zijn waarin se+ voorkomt, maar ook een hoofdstuk met Apollonius als hoofdfiguur ontbreekt geheel.
Anderzijds is het taalgebruik van Couperus wel zeer poëtisch, dus vandaar dat een vergelijking toch interessant kan zijn.

Het toneelstuk zou dus al geen succes hebben kunnen zijn vanwege het 'obscure' onderwerp of in ieder geval de onbekende personages, en op de koningin van Sheba na, ook "onaantrekkelijke" personages.
Maar gezien de spotprent uit 1896, waarin een soort commerciële samenzwering wordt afgebeeld tussen de uitgevers en Couperus, scheen men daar destijds anders over te denken.
Spotprent op Couperus' Flaubert-bewerking, in De Kroniek van 1896, een litho van Marius Bauer:
"Flaubert's Verzoeking van den Heiligen Antonius, door Couperus in het Hollandsch vertoond." (vrij naar Teniers)
Een belangrijke tweede rol in het toneelstuk wordt ingenomen door Hilarion, een discipel van Antonius, die in de dialogen prachtig weerwoord geeft. Hilarion wordt door Athanasius in de Vita overigens niet genoemd, maar hij noemt daarin sowieso weinig namen van anderen. Voor Hilarion moeten we zijn bij de Vita die Hiëronymus over hem geschreven heeft. En dan blijkt dat Hilarion slechts een paar maanden bij Antonius in de leer is geweest, hoewel ze later ook correspondeerden. Uit het toneelstuk zou je haast de indruk krijgen dat Hilarion zijn hele leven bij Antonius heeft doorgebracht.

In tegenstelling tot veel van de kunstenaars die op de pagina's in mijn site aan de orde komen, en er in het algemeen een nogal beperkte (Christelijke, ‘Middeleeuwse’) zienswijze op na houden, zien we in het toneelstuk veel ‘helden’ en goden uit de geschiedenis van de ascese en mystiek aan het geestesoog van Antonius voorbijtrekken, en Flaubert suggereert aldus dat deze hem als asceet gevormd hebben.
Terwijl veel kunstwerken nogal clichématig de standaard elementen van Antonius’ Leven (zoals de Verzoeking) verbeelden, en daar hooguit eigentijdse problematiek of thematiek aan verbinden, zien we dat Flaubert’s toneelstuk veel toevoegt aan de kennis die we van Antonius en zijn tijd (zouden kunnen) hebben.

De Verzoeking komt in Flaubert’s toneelstuk natuurlijk grootschalig aan de orde, en we zien dat de duivel in verschillende gedaantes de heilige met filosofische en godsdienstig hallucinaties bestookt, en het zijn naast de échte verzoekingen — naakte vrouwen, seks, lekker eten, macht — of paranoïde angsten zoals die vooral in de Middeleeuwen gedaante gekregen hebben — schijtende duiveltjes die je aan stukken scheuren — ook vaak instructieve visioenen.

Zo zien we, of horen we verwijzingen naar Alexander de Grote en ‘zijn’ gymnosofisten zoals o.a. Kalanos en de latere Zarmanochegas [zie ook op deze site mijn artikel over Alexander], die grote indruk maakten in de oudheid door zich levend te laten verbranden.
Verder zien we de wijsgeer en asceet Apollonius uit de eerste eeuw van onze jaartelling, die een aanhanger is van Pythagoras, met zijn metgezel Damis, die vertelt over ‘zijn’ gymnosofisten in India en Egypte.
Dan krijgen we een aantal Indiase goden te zien, zoals Vishnoe uit wiens navel een lotus ontspringt waaruit Brahma geboren wordt, en Shiva en Bhairava of Kali met een mala van mensenschedels, Ganesh met zijn olifantensnuit, en de Brahmanen, de priesterkaste van de Hindoes.
Dan verschijnt de demigod Boeddha, maar uitgeteerd, zoals hij eruit zag na jarenlang vasten.
En tenslotte zijn er nog de relaties van Antonius zelf, zoals Didymus, zijn leermeester, en Athanasius, de bisschop die zijn biografie schreef.

Als toevoeging aan de kennis van Antonius en zijn tijd, legt Flaubert Antonius een beschrijving in de mond van Alexandrië en de volkeren die je daar zou kunnen tegenkomen, waaronder ook Indiërs:

[9] “Op een keer zijn reizigers van een karavaan mij te hulp gekomen, en ik werd meegenomen naar Alexandrië. Daar ben ik in de leer gegaan bij de goede oude Didymus. Hoewel hij blind was, had hij zijnsgelijke niet in de kennis van de Schrift. ... Je zag er zelfs Cimmeriërs in berevellen en gymnosofisten van de Ganges, die zich insmeren met koeiedrek. Maar op straat deden zich altijd ongeregeldheden voor: er waren Joden die weigerden belasting te betalen, of oproerlingen die de Romeinen wilden verdrijven. Daarbij wemelt het in de stad van de ketters: aanhangers van Mani, Valentinus, Basilides, Arius - en stuk voor stuk klampen ze je aan en beginnen een discussie om je te overtuigen van hun gelijk. Soms nog vallen mij hun woorden in. Hoezeer je ook probeert daar geen acht op te slaan, je raakt er toch van in de war.”
The Temptation of Saint Anthony
Circa 1832, Hippolyte (Paul) Delaroche
De situatie die hieronder beschreven wordt, is echt een prachtige weergave van een naakte heilige man, een gymnosofist (of sadhoe) zoals de rolverdeling aangeeft, en dan ook nog een ‘éénarmige' sadhoe, zoals je die tegenwoordig, zij het zelden, nog zou kunnen aantreffen. Ik vraag me af waar Flaubert deze figuur gezien heeft, of waar hij erover gelezen heeft.
Het speelt zich onder de takken van de heilige banian boom, wat ook al weer zo goed getroffen is, en hij is omgeven door dieren zoals herten en gazellen (wat sterk doet denken aan de Rishi van wie ik op de Leven van Antonius pagina een afbeelding heb gegeven).
De sadhoe zit op een houtstapel, omgeven door vier vuren met de brandende zon boven hem als vijfde vuur, wat de ‘ascese van het vuur’ is, in India bekend als panch-agni tapasya. Aan het eind van deze toneel episode ontbrand de houtstapel en verbrandt de gymnosofist wat natuurlijk sterk doet denken aan Kalanos en Zarmanochegas. En hij spreekt Antonius aan als “Brahmaan van de Nijloevers,” wat verwijst naar de gymnosofisten die Apollonius in Egypte ontmoette en van welke Antonius dan een ‘erfgenaam’ zou zijn.
[80-82] ... [er] zit op een soort houtstapel iets vreemds — een man — ingesmeerd met koeiedrek, spiernaakt, dorder dan een mummie; aan het uiteinde van zijn beenderen, die dun als talhouten zijn, steken zijn gewrichten uit als knoesten. Aan zijn oren hangen trosjes schelpen; zijn gezicht is langgerekt en hij heeft een haviksneus. Zijn linkerarm is verstijfd en wijst als een staak recht omhoog. Hij zit daar al zo lang dat er vogels nestelen in zijn haar.
Kapil Das maakt offerandes aan het vuur tijdens zijn vijf-vuur-ascese.
Aan de vier hoeken van zijn houtstapel laait een vuur op. Hij staart met wijdopen ogen naar de zon, die pal in zijn gezicht schijnt, en zegt zonder Antonius aan te kijken:
Brahmaan van de Nijloevers, wat vind je ervan?
Aan alle kanten lekken de vlammen tussen de stammetjes door.

DE GYMNOSOFIST gaat verder:
Zoals de rinoceros heb ik mij diep in de eenzaamheid teruggetrokken. Ik woonde in de boom achter mij.
Inderdaad vertoont de grote vijgeboom in zijn gegroefde stam een natuurlijke, manshoge uitholling.
Ik voedde mij met bloemen en vruchten, en nam de voorschriften in acht, zo dat zelfs de honden mij niet zagen eten.
Daar het leven voortkomt uit verdorvenheid, verdorvenheid uit verlangen, verlangen uit zintuiglijke gewaarwording, zintuiglijke gewaarwording uit aanraking, heb ik alle doen gemeden, iedere aanraking. Zonder mij ooit te bewegen, als een grafzuil, ademde ik met gesloten mond; en mijn blik richtend op mijn neus, schouwde ik de ether in mijn geest, de wereld in mijn ledematen, de maan in mijn hart, en ik peinsde over de essentie van de grote Ziel, waaraan voortdurend, als spranken uit het vuur, de levensprincipes ontspringen.
Tenslotte heb ik de hoogste Ziel doorgrond in alle wezens, alle wezens in de hoogste Ziel; en door de beteugeling van mijn zinnen heb ik mijn ziel in Haar doen opgaan.
Ik ontvang het weten rechtstreeks uit de hemel, zoals de vogel Tchataka, die zich aan niets dan regenstralen laaft.
Juist omdat ik de dingen ken, bestaan de dingen niet meer.
Voor mij, nu, bestaat er hoop noch angst, geluk noch deugd, dag noch nacht, jij noch ik, helemaal niets.
Door nietsontziende zelftucht ben ik boven de Machten komen te staan. Eén samentrekking van mijn geest kan honderd koningszonen doden, de goden onttronen, de wereld verwoesten.
Amar Bharati, de één-arm Baba.
[vertaling van Van Pinxteren]
Dit alles heeft hij met monotone stem gezegd. Om hem heen verschrompelen de bladeren. Over de grond vluchten ratten weg.
Traag zinkt zijn blik in de uitslaande vlammen, en hij voegt er aan toe:
Ik kreeg een afkeer van de vorm, een afkeer van de waarneming, een afkeer zelfs van het weten — want de gedachte is niet van langere duur dan haar vergankelijke aanleiding en zoals al het andere is ook de geest niet meer dan een illusie.
Al wat verwekt is, zal vergaan, al het gestorvene moet herleven; de wezens die voor het ogenblik verdwenen zijn, verwijlen een poos in de nog ongevormde moederschoot, en komen op de aarde terug om in smart andere schepselen te dienen.
[vertaling van Couperus]
Hij heeft dit alles gezegd met eentonige stem.
De bladeren, om hem heen, krullen zich om. De ratten over den grond vluchten weg.
Langzaam laat hij zijn oogen zakken naar de vlammen, die opstijgen; dan zegt hij:
- Ik heb een walging gekregen van den vorm, een walging van het doorzien, een walging zelfs van het weten, - want de gedachte overleeft niet het vluchtige feit, dat haar veroorzaakt, en de geest is zoo goed illuzie als alles.
Wat gewonnen is, zal sterven, wat dood is herleven; wezens, die nu zijn verzwonden, zullen kiemen in ingewanden, die nog niet bestaan, en op de aarde terugkeeren om met smart andere wezens te dienen.
Maar na mijn zwerftocht door eindeloos veel levens, in het omhulsel van goden, mensen en dieren, zie ik af van de reis: ik ben deze vermoeienis beu! Ik verlaat de vunze herberg die mijn lichaam is, deze muren van vlees, doordrenkt met bloed en bedekt met een afzichtelijke huid vol ongerechtigheden. En eindelijk zal mij tot beloning de slaap deelachtig worden in het diepst van het absolute, in de vernietiging. Maar, omdat ik door een oneindig aantal van levens gegaan ben, onder den vorm van goden, menschen en dieren, verhuis ik niet meer mijn ziel en wil ik dien last niet meer. Ik verlaat het vuile huis van mijn lichaam, gemetseld van vleesch, met rood cement van bloed, bedekt met een afzichtelijke huid vol onzindelijkheid; - en voor mijne belooning ga ik eindelijk slapen in het diepst van het volstrekte, in de Vernietiging.
De vlammen stijgen tot zijn borst en sluiten hem in. Zijn hoofd steekt er boven uit, als door een gat in een muur. Zijn opengesperde ogen kijken nog altijd. De vlammen stijgen tot zijn borst, omhullen hem dan. Zijn hoofd steekt er uit als door het gat van een muur. Zijn gapende oogen staren steeds.
Even later herinnert Antonius zich dat hij al eerder van deze wijze van zelfverbranding heeft gehoord, en spreekt tot zichzelf:

[82-83] ANTONIUS
Rustig! Waar was ik? Wat gebeurde er?
0 ja! De gymnosofist!... Die manier van sterven komt veel voor bij de Indische wijzen. Kalanos stak zich in brand voor de ogen van Alexander; iemand anders heeft dat ook gedaan ten tijde van Augustus. Wat moet je dan het leven haten! Of zou het hoogmoed zijn die hen tot zoiets brengt?.. Nou ja, ze zijn zo onversaagd als martelaren!
Ook Apollonius komt even voorbij, vergezeld van Damis, zijn onafscheidelijke kompaan en hier als domoor een soort komische noot inbrengend. Inhoudelijk heeft Apollonius niet zo veel te vertellen helaas:
[92] APOLLONIUS
Vier jaren achtereen bewaarde ik het volledig stilzwijgen van de Pythagoreërs. Geen pijn, al kwam die nog zo onverwacht, kon mij een zucht ontlokken; en als ik het theater betrad, liepen de mensen voor mij weg, alsof ik een spook was.
DAMIS
Zou u dat ook hebben gedaan?
APOLLONIUS
Toen mijn proeftijd was verstreken, nam ik het onderricht op mij van de priesters die waren afgeweken van de leer.
ANTONIUS
Van welke leer?
DAMIS
Stil! Laat hem verdergaan!
APOLLONIUS
Ik heb gesproken met de Samaneeërs van de Ganges, met de wichelaars van Chaldea, met de magiërs van Babylon, met de Gallische Druïden en met de negerpriesters! Ik beklom de veertien toppen van de Olympus, ik peilde de meren van Scythië, ik mat de uitgestrektheid van de woestijn!
DAMIS
Het is allemaal echt waar! Ik was er zelf bij!
Een buste van Apollonius
Na een wemeling van Indiase goden en godinnen — Vishnoe, Brahma, Shiva, Bhairava, Kali en Ganesh — waar Antonius en zijn leerling Hilarion met verbijstering naar kijken, zien ze plotseling:
[112-115] EEN NAAKTE MAN
midden op het zand, de benen gekruist.
Groot en zinderend staat een halo achter hem. Zijn zwarte, blauwglanzende kroeshaar omkranst gelijkmatig een knobbel op zijn schedel. Zijn zeer lange armen hangen langs zijn zijden af Zijn handen rusten, met de palmen open, plat op zijn dijen. Op zijn voetzolen staan twee zonnen afgebeeld, en hij zit onbeweeglijk - recht voor Antonius en Hilarion - met op de rotsen om hem heen alle goden, trapsgewijs, als in een circus. Zijn lippen wijken uiteen, en er klinkt een diepe stem:
Ik ben de heer van de grote aalmoes, toeverlaat van de schepselen, en ik openbaar de wet aan gelovigen en ongelovigen.
Ter verlossing van de wereld besloot ik geboren te worden onder de mensen.
De goden treurden toen ik vertrok.
En allereerst zocht ik mij een vrouw van niveau: afkomstig uit de ridderstand, gemalin van een koning, nobel, uitzonderlijk mooi, met diepliggende navel, het lichaam hard als diamant; en bij volle maan ben ik zonder toedoen van een man haar schoot binnengegaan.
Die heb ik weer verlaten door haar rechterzijde. Er waren sterren die stil bleven staan.
HILARION
mompelt:
'En toen zij zagen dat de ster bleef stilstaan, verheugden zij zich met grote vreugde!'
Antonius kijkt nu aandachtiger naar de
BOEDDHA die weer het woord neemt:
Diep uit de Himalaya kwam een honderdjarige monnik, om mij te zien.
HILARION
'Een man, genaamd Simeon, die niet zou sterven alvorens hij Christus had gezien!'
BOEDDHA
Ze brachten me naar de scholen. Ik wist meer dan de leraren.
HILARION
'... In het midden van de leraren; en allen die hem hoorden, stonden versteld van zijn wijsheid.'
Antonius beduidt Hilarion
[die allemaal parallelle bijbelteksten citeert, om de overeenkomst tussen de Boeddha en Christus aan te geven] te zwijgen.
BOEDDHA
Ik zat voortdurend te mediteren in de tuinen. De schaduw van de bomen verschoof, maar niet van die waaronder ik beschutting had gezocht. Niemand evenaarde mij in de kennis van de Schrift, de telling van atomen, het mennen van olifanten of het modelleren van was, in astronomie, poëzie of vuistgevecht, in welke kunst of vaardigheid dan ook!
Om de traditie in ere te houden nam ik een gemalin, en gekleed in paarlen gewaden, besprenkeld met geuren, en toegewaaierd door drieëndertigduizend vrouwen die de vliegen verjoegen, bracht ik de dagen door in mijn koninklijk paleis, terwijl ik vanaf mijn terrassen, waar sierlijke klokjes klingelden, op mijn volkeren neerzag.
Maar bij de aanblik van de ellende in de wereld keerde ik mij af van het genot en vluchtte.
Bedelend zwierf ik langs de wegen, gehuld in lompen die ik uit de graven haalde; en bij een zeer geleerde kluizenaar bood ik mij aan als slaaf. Ik bewaakte zijn deur en waste zijn voeten.
Iedere gemoedsaandoening werd tenietgedaan, iedere vreugde, iedere smart.
[vertaling van Van Pinxteren]
Toen concentreerde ik mijn gedachten, en in diepgaande meditatie schouwde ik het wezen van de dingen, de begoocheling van de verschijningsvormen.
[vertaling van Couperus]
Toen, samendringende mijne gedachte in een intensere bespiegeling, doordrong ik de grondstof der dingen, den schijn der gestalten.
Al gauw doorgrondde ik de wijsheid van de Brahmanen. Onder hun maskers van strengheid en plicht worden ze verteerd door hebzucht; zij smeren zich in met drek en slapen op de doornen, want ze denken langs de weg van de dood tot het geluk te komen! Zeer snel putte ik uit de kennis der Brahmanen. Zij worden verteerd van gretigheid onder hun doen van gestrengheid, zij smeren zich met vuil, slapen op stekels, geloovend te komen tot het geluk door den weg van den dood!
HILARION
'Farizeeërs, huichelaars, witgepleisterde graven, addergebroed!'
[een citaat uit de Bijbel van Johannes de Doper]
BOEDDHA
Ook ik heb wonderbare dingen verricht, terwijl ik slechts één korrel rijst per dag at — en in die tijd waren de rijstkorrels niet groter dan nu; mijn haar viel uit, mijn lichaam werd zwart; mijn ogen zonken in hun kassen weg, alsof het sterren waren die weerkaatsen op de bodem van een put.
Zes jaar lang bleef ik roerloos zitten, blootgesteld aan vliegen, leeuwen en slangen; en brandende zon, stromende regen, sneeuw, bliksem, hagel en storm, dat alles liet ik over mij heen komen, zonder mij ook maar met één hand te beschutten.
De reizigers die voorbijtrokken, dachten dat ik dood was, en uit de verte wierpen ze met kluiten aarde!
De verzoeking van de Duivel ontbrak er nog aan.
Ik heb hem ontboden.
Zijn zonen daagden op — gruwelijk, met schubben overdekt, weerzinwekkend als het knekelhuis, gierend, fluitend en loeiend. Ze rammelen met wapens en beenderen, ze blazen vlammen uit hun neus, ze brengen duisternis met hun vlerken, ze dragen snoeren van afgehakte vingers; anderen weer drinken slangegif uit de kom van hun handen; ze hebben
koppen van varkens, van rinocerossen of padden, alle tronies die maar schrik of afschuw aanjagen.
ANTONIUS in zichzelf:
Datzelfde heb ik ook doorstaan, vroeger!
BOEDDHA
Toen zond hij zijn dochters — schoon, en wel geblanket, met gouden gordels, met tanden zo wit als jasmijn, met dijen zo rond als een olifantsslurf. Ze geeuwen en strekken de armen, zodat je de kuiltjes in hun ellebogen ziet; of ze geven knipoogjes en beginnen te lachen; anderen weer doen hun kleren half open. Er zijn blozende maagden, trotse matrones en koninginnen met een groot gevolg van goederen en slaven.
ANTONIUS in zichzelf:
Ach! Hij ook?
BOEDDHA
Na mijn overwinning op de Boze heb ik mij twaalf jaar lang uitsluitend met reukwerken gevoed; — en daar ik de vijf deugden, de vijf machten, de tien krachten en de achttien substanties had verworven, en was doorgedrongen in de vier sferen van de onzichtbare wereld, behoorde het Inzicht mij toe! Ik werd de Boeddha!
De parallellen tussen de ascese — en de bezoekingen — van de Boeddha en Antonius zijn duidelijk. Wat niet helemaal klopt is waar de Boeddha het over de Duivel heeft; dat is toch wel een typisch Christelijke figuur. In zijn geval was het Mara, de Heer der Illusie, die hem met een schare demonen trachtte af te leiden van het bereiken van de Verlichting.

Tot slot van de citaten uit Flaubert’s Antonius, wil ik de ongezouten kritiek vermelden op Athanasius, de biograaf nota bene van Antonius, en bisschop van Alexandrië die hier als een oplichter en onnozele hals wordt neergezet:
La Tentation de saint Antoine
Eugène Isabey (v.1869)
Musée d'Orsay
[vertaling van Van Pinxteren]
HILARION
Alle Hoofdzonden zijn hier geweest. Maar hun armzalige listen falen, omdat jij zo heilig bent!
ANTONIUS
Nee, O nee! Ik bezwijk ieder ogenblik voor de verleiding! Was mijn ziel maar altijd onversaagd en was ik maar zo vastberaden als, bijvoorbeeld, de grote Athanasius.
HILARION
Hij is onwettig aangesteld door zeven bisschoppen!
ANTONIUS
Wat geeft dat? Als zijn deugd...
HILARION
Ach kom! Dat trotse, wrede heerschap! Die nooit aflatende intrigant! Tenslotte is hij verbannen als korenwoekeraar.
[vertaling van Couperus]
HILARION
- Alle Hoofdzonden zijn gekomen. Maar hare listen vermogen niet tegen een heilige als u!
ANTONIUS
- O, neen, neen! Iedere minuut bezwijk ik! Waarom ben ik niet een van hen, wier ziel altijd onverschrokken is en wier geest krachtig, - zooals de groote Athanazius, bijvoorbeeld.
HILARION
- Hij is onwettig aangesteld door zeven bisschoppen!
ANTONIUS
- Wat geeft dat, als zijn deugd...
HILARION
- Kom, wat! Een trotsche man, wreed, altijd vol intrigues, en eindelijk verbannen als een gauwdief.
ANTONIUS
Laster!
HILARION
Je wilt toch niet ontkennen dat hij Eustates, de beheerder van de strooigelden, heeft willen omkopen?
ANTONIUS
Dat wordt wel beweerd, ja.
HILARION
Uit wraak heeft hij het huis van Arsenius in brand gestoken!
ANTONIUS
Ach!
ANTONIUS
- Je lastert!
HILARION
- Je zal niet ontkennen, dat hij Eustates heeft willen omkoopen, den schatbewaarder der publieke giften?
ANTONIUS
- Men beweert dit, dat moet ik zeggen.
HILARION
- Uit wraak heeft hij het huis van Arsenius verbrand.
ANTONIUS
- Helaas!
HILARION
Op het Concilie van Nicea heeft hij Jezus ‘de Godsman' genoemd.
ANTONIUS
Oh! Dat is heiligschennis!
HILARION
Daarbij is hij wel zó kortzichtig; hij geeft zelf toe dat hij niets begrijpt van de natuur van het Woord.
ANTONlUS meesmuilend:
Inderdaad, zijn intelligentie is niet bepaald... superieur.
HILARION
Als men jou in zijn plaats had aangesteld, zou dit een groot geluk zijn geweest, zowel voor je broeders als voor jou. Het is slecht om zo afgezonderd van de anderen te leven.
HILARION
- In het concilie van Nicea heeft hij, over Jezus sprekende, gezegd: de handlanger des Heeren.
ANTONIUS
- Ja, dat is godslastering!
HILARION
- Daarbij zoo bekrompen, dat hij bekent niets te begrijpen van het wezen des Woords.
ANTONIUS lacht van leedvermaak:
- Ja... snugger is hij niet.
HILARION
- Als men u in zijn plaats had aangesteld, zoû dit een groot geluk zijn geweest voor uwe broederen, zoowel als voor u. Dat leven ver van anderen is slecht.
ANTONIUS
Volstrekt niet! Als geestelijk wezen moet de mens zich terugtrekken uit al het vergankelijke. Iedere handeling haalt hem omlaag. Was ik maar los van de aarde — zelfs met mijn voetzolen!
HILARION
Huichelaar! Je trekt je terug in de eenzaamheid om je lusten beter te kunnen botvieren! Je onthoudt je van vlees, wijn, zweetbaden, slaven en eerbetoon; maar wat laat je je door je verbeelding onthalen op banketten, geurwerken, naakte vrouwen en juichende menigten! Je kuisheid is niets dan geraffineerde zedeloosheid, je verachting voor de wereld: een op haar gestrande haat.
Dát is wat jou en je soortgenoten zo somber maakt, of misschien ook omdat jullie aan jezelf twijfelen. Het bezit van de waarheid leidt tot vreugde. Was Jezus soms mistroostig? Hij had vrienden om zich heen, rustte in de schaduw van de olijfboom, trad binnen bij de tollenaar, vermenigvuldigde spijs en drank, vergaf de zondares en genas alle smarten. Maar jij bent alleen met jezelf begaan. Het is alsof je in jezelf wroet, totdat je in een niet te temmen razernij zelfs de liefkozing van een hond of de lach van een kind afwijst.
ANTONIUS
- Integendeel. De mensch, die geest is, moet zich onthouden van sterflijke dingen. Iedere handeling verlaagt hem. Ik woû, dat ik geheel los van de aarde was, zelfs met mijn voetzolen!
HILARION
- Huichelaar, die zich in de eenzaamheid terugtrekt om zich beter aan de uitspatting van je begeerten over te geven. Je ontzegt je vleesch, wijn, een lauw bad, slaven en eerbewijzing, maar hoe laat je jouw verbeelding je banketten aanbieden, geurwerken, naakte vrouwen en toejubelende volksmenigte! Je kuischheid is alleen maar een subtiler verderf, en die wereldverachting de onmacht van je haat!
Dàt maakt zoo somber allen, die je gelijk zijn, of... misschien omdat ze twijfelen. Het bezit der waarheid schenkt vreugde. Was Jezus treurig? Hij was omringd van vrienden, hij rustte uit in de schaduw der olijfboomen, hij trad binnen bij den tollenaar, vermeerderde spijzen en dranken, vergaf der zondaresse, genas er alle smart. Jij, je hebt alleen erbarmen met je eigen ellende. Dat is als een twijfel, die je beroert, als een woeste Waanzin, die je zelfs de liefkoozing van een hond, den lach van een kind doet terugstooten.
Ook heel wat ongezouten kritiek dus van Hilarion op Antonius zelf! Hij wordt hier neergezet als een hypocriet, die zich met al zijn ascese alleen maar wil verlustigen.

La tentation de Saint Antoine — Jean Gabriel Daragnès, 1942.
Een zeer fraaie uitgave van het boek van Flaubert is gedrukt door Jean Gabriel Daragnès, in een oplage van 1480 exemplaren. Het bevat 25 originele composities in kleur vervaardigd door Daragnès, waarvan 9 een gehele pagina beslaan. Gestart in 1939, werd dit boek in 1942 voltooid. Hieronder een aantal pagina's.
Tegenover het titelblad: Een biddende, geknielde Antonius, omringd door verlokkingen en duivels. In de hemel een hand met het teken van Christus.
De teksten in donker rood hieronder zijn citaten uit Couperus. In donkerblauw, van Van Pinxteren.
Begin van het stuk.
Het is in de Thebaïde, op een hoogen berg, boven op een platform, gerond als een halve maan, ingesloten door groote steenen.
De hut van den heremiet is achter. Ze is gemaakt van slik en rieten, met een plat dak, zonder deur. Binnen ziet men een kruik en een zwart brood; in het midden, op een houten lezenaar, een zwaar boek; over den grond hier en daar stukken rietwerk, twee of drie matten, een korf en een mes. Tien passen van de hut af is een groot kruis geplant in den grond; en aan de andere zijde van het platform wringt zich een oude palmboom en helt over den afgrond, want de berg schiet er steil naar omlaag en de Nijl schijnt er een meer te vormen, beneden aan den oeverrand.
Het uitzicht wordt er links en rechts afgesloten door een keten van rotsen. Maar aan de woestijnzijde, als stranden, die ...
Antonius biddend op zijn knieën, een naakte vrouw achter hem glimlacht en een kleine demon houdt een boek voor hem op.
Nu teekent zich op de aarde, subtiler dan een natuurlijke schaduw, eene Schaduw, groot, en andere schaduwen omzoomen hare zijden... Het is de Duivel, leunende tegen het dak van de hut, en dragende onder zijne twee vlerken-als een reuzenvleêrmuis, die zijne jongen zoogen zoû-de Zeven Hoofdzonden, wier grijze koppen zich vaag laten zien.
Antonius, de oogen steeds gesloten, geniet van zijn nietsdoen; en hij strekt de leden uit op de mat.
De mat schijnt hem zacht toe en zachter en zachter als vulde ze zich op met dons, als verhief ze zich; ze wordt een bed, het bed een sloep: water klappert tegen de wanden.
Links, rechts, breiden zich twee zwarte landtongen uit...
De illustratie toont de Konigin van Sheba op een olifant.
Hij waant zich in Alexandrië te wezen... [] Monumenten van verschillenden bouwstijl hoopen zich op elkander. Egyptische pylonen overheerschen Grieksche tempels. Obelisken verschijnen als lansen tusschen tinnen van rooden baksteen. Midden op de pleinen zijn Hermessen met puntooren en Anubissen met hondekoppen. [] Hij omvat, in een enkelen blik, de twee havens: de Groote Haven en de Eunostes, beiden rond als twee circussen, en gescheiden door een havenhoofd, dat Alexandrië verbindt aan het steile eilandje, waarop de vuurtoren zich heft, vierkant, vijfhonderd vademen hoog en met negen verdiepingen-met een hoop zwarte steenkool gloeiende aan zijn top.
Zoodra zij gegaan is, ziet Antonius op den drempel van zijn hut een kind.
Een van de pages van de koningin, denkt hij.
Dit kind is klein als een dwerg en toch breed in elkaar als een kabir, verwrongen en ellendig. Witte haren bedekken zijn wonderbaarlijk groot hoofd en hij bibbert onder een versleten samaar, een rol papyrus in de hand.
Het licht van de maan, waarover een wolk trekt, schijnt op hem neêr.
ANTONIUS beschouwt hem op een afstand en is bang...
De hand van God die 's nachts in de wolken verschijnt en een naakte vrouw en man samen lijkt te knijpen — of die daaruit ontspringen?
De vallei wordt een zee van melk, roerloos en zonder grenzen. In het midden drijft een lange wieg, gevormd door de kronkelingen van een slang, alle wier hoofden zich buigen te gelijk, beschaduwende een god, die sluimert op haar lichaam.
Hij is jong, baardeloos, mooier dan een meisje, en bedekt met doorzichtige sluiers. De parelen van zijn tiara schitteren zacht als manen, een rozekrans van sterren omslingert eenige malen zijn lichaam, — en de hand onder het hoofd, den anderen arm gestrekt, verpoost hij droomerig en bezwijmeld. Eene vrouw, aan zijn voeten gehurkt, wacht tot hij ontwaakt.
HILARION -Het is de allereerste twee-eenigheid der Brahmanen; het Volstrekte drukt zich door geen daden uit.
Op den navel van den God groeit een lotosstengel uit en in den kelk verschijnt een God met drie gezichten.
ANTONIUS -Neen, maar, wat een uitvinding!
HILARION - Vader, Zoon en Heilige Geest vormen ook één enkel wezen.
De oude vrouw - "Elke avond als je op de aarde gaat liggen om te slapen, hoop je dat die je spoedig zal bedekken."
De jonge vrouw - "Maar je gelooft in de wederopstanding van het vlees, wat de overgang van het leven naar de eeuwigheid is."
De oude vrouw wordt steeds magerder terwijl zij spreekt, en boven haar schedel, waar geen haar op zit, vliegt een vleermuis in cirkels door de lucht.
De jonge vrouw is voller geworden. Haar mantel verandert van kleur, haar neusgaten verwijden zich, haar ogen rollen zachtjes.
[] Antonius keert zich op zijn hielen om te vluchten. Elk van hen legt een hand op zijn schouder.
Het lijkkleed vliegt open en onthult het skelet van de Dood. De mantel valt open en ontbloot het totale lichaam van Lust, die een slank figuur heeft ...
De dag verschijnt ten laatste, en als de voorhang van een tabernakel, dien men haalt omhoog, rollen met zware golvingen goudene wolken op, en laten den hemel bloot.
In het middelpunt, in het midden van de schijf van de zon, straalt uit het gelaat van]ezus Christus.
Antonius maakt het teeken des kruises, en hervat zijn gebed.



Opera

Mathis der Maler Paul Hindemith 1935
Het retabel van Issenheim, te zien in het Musée d'Unterlinden te Colmar, inspireerde de componist Paul Hindemith tot het componeren van de symfonieMathis der Maler” (1932) en een opera met dezelfde naam (1935). De hoofdfiguur is Mathias Grünewald, de schilder van het altaarstuk.
De symfonie bestaat uit drie delen:
1. Engelskonzert (Concert van de Engelen)
2. Grablegung (Graflegging)
3. Versuchung des heiligen Antonius (De Verzoeking van de heilige Antonius).
Deze drie titels refereren aan de diverse onderdelen van het altaarstuk.
Op YouTube kwam ik een serie filmpjes tegen van een opvoering van de opera in het Gran Teatre del Liceu in 1994. Gezien de taal van de ondertiteling, Catalaans, en de onverstaanbaarheid van de tekst (Duits), weet ik niet zeker of het hierbij getoonde fragment wel De Verzoeking is, maar de projektie van één van de demonen van het schilderij (vogelkop) lijkt daar wel op te wijzen.
Zelfportret van Matthias Grünewald; 1512-14.
In de Opera vinden de Verzoekingen plaats in scène 6:
In het Odenwald wordt Mathis getransformeerd tot Antonius zoals die verbeeld wordt op het rechter paneel van het altaarstuk, en wordt hij in Verzoeking gebracht door diverse personages. (
In deze synopsis hebben de namen natuurlijk geen betekenis, maar ik noem ze toch maar.)
Een figuur die lijkt op Gravin Helfenstein biedt hem een leven van luxe aan; Pommersfelden prijst macht over geld; Ursula verschijnt eerst in de gedaante van een bedelaarster, dan als een verleidster en dan, als ze naar het schavot wordt geleid, als een martelares; Capito, nu een geleerde, vertelt 'Antonius' dat de wereld door de wetenschap kan worden overmeestert en verwijt hem zijn gebrek aan objectiviteit; Schwalb beticht hem van vredelievend mededogen.
Het koor komt samen voor een uitvoering van de Verzoekings-scène van het Issenheimer altaarstuk (
hoe zou dat eruit zien?) totdat de scène plotseling verandert in die van het bezoek van Antonius aan Paulus, zoals afgebeeld op het linker paneel van het altaarstuk.
De Verzoekingen van de diverse personages, zoals hier vermeld, lijken toch eerder ontleend te zijn aan theaterstukken, zoals die van Flaubert, dan aan het altaarstuk van Grünewald. Daar zijn toch duidelijk alleen maar duivelse of demonische figuren uitgebeeld die Antonius kwellen, en dan vooral fysiek. Bezoekingen dus.
La Tentation de Saint Antoine. 1915. Jules Pascin.


La grande Tentation de Saint Antoine Michel de Ghelderode 1932
Michel de Ghelderode (1898 - 1962), pseudoniem van Adémar Adolphe Louis Martens, was een Franstalige auteur van Vlaamse origine.
Michel de Ghelderode schreef het boek ”Heiligen Antonius”, een antiklerikale publicatie, die vanaf 1922 door hemzelf verboden werd. Het was blijkbaar een van de weinige werken die hij in het Vlaams schreef. Ik neem de hieronder volgende beschrijving (pdf) ervan toch op, omdat het ongetwijfeld van invloed is geweest op zijn latere wel gepubliceerde “Grande Tentation”.
Eerst bedoelde hij het als een “epos”, maar het werd later omgedoopt tot "kluchtige roman" en betekenisvol getiteld, Heiligen Antonius of de bewonderenswaardige, vreselijke en filosofische geschiedenis van Antonius, heilige van Vlaanderen en zijn verleidingen verteld in vier boeken zonder rekening te houden met de goede zeden of mooie taal voor de bevolking van België. Het was opgedragen, ook zeer betekenisvol, "aan de herinnering van mijn volk aan het genie van Hiéronymus Bosch, van Jacques Jordaens en Marnix van Ste Aldegonde."
De eerste hoofdstukken van dit werk verhalen de kindertijd en adolescentie van Antonius in "Luilekkerland" het meest welvarende deel van Vlaanderen, meer sensueel dan mystiek. Dorpen heten "Botermelkbeek", "Lekkerpot" en "Alles op gefret" en liggen aan de rivier “Smakelijk”.
In Hoofdstuk V bezoekt Antonius "het bewonderenswaardige Brabantse waarover men niet genoeg wonderen kan zeggen." In Brussel, “het sieraad van België, het koninkrijk van eerlijk plezier", is hij in het bijzonder geïnteresseerd in wat ze eten, "gezoute scholl”, “smotebollen","pateekes","rijstotjes","brood van den gracht, ook wel Grieks brood genoemd,"slaphangers", enz.. Hij drinkt met zoveel aanleg dat "de raad van de tonneklinkers" hem toejuicht met de kreten, “de koning zuipt ... le roi boit !”
Naar huis teruggekeerd, spreekt hij een prachtige "choeselade” [wat zou dat zijn?] uit, waarna een "vetlap" de Vlamingen uitnodigt tot een aanval op de beroemde Brusselse specialiteit, door te roepen (zijn accent is noch Brussels noch Leuvens): " Speltch moor â klûte vol" [wat zou dat betekenen?].
Na de festiviteiten kiest Antonius, die tot koning werd gekozen, als motto "Dik en vet" en richt een soort sekte op die slechts één waarde erkent: het instinct. Weg met de logica en de moraal, "excuus van impo†ente eunuchen of mas†urberende stiekemerds" [
vrij vertaald]. Maar de geestelijkheid perforeert de maag van Antonius, die zijn toevlucht neemt in de duinen.
Vanaf Boek II (ver)wordt de roman van folkloristisch tot satirisch. De toespraken van Luppe, een uitgetreden monnik die de metgezel van Antonius wordt, zijn ongekend felle aanvallen op de geestelijkheid en de katholieke kerk. Het tweede deel van het manuscript van Boek II is verdwenen omdat het door Ghelderode werd herbewerkt om er De ware verleidingen van St. Antonius uit te halen, het laatste verhaal in de bundel La Halte Catholique van 1922, opgedragen "Aan Ensor”.
Antonius, weer alleen, wordt "soldaat van Christus", en overwint dan alle verleidingen, zelfs de "verleiding van het voer", die veel moeilijker te overwinnen is dan die van de "dochters van Babylon" en hij weet met het teken van het Kruis een eind te maken aan de helse straffen die de duivels hem zenden.
Boek III verscheen, gezoet en stilistisch bewerkt, in 1926 onder de titel Kwiebe-Kwiebus, en in 1947 onder de titel “Voyage autour de ma Flandre, tel que le fit aux anciens jours Messer Kwiebe-Kwiebus, philosophe des dunes” [Reis rond mijn Vlaanderen, die Messer Kwiebe-Kwiebus, filosoof van de duinen in vroeger dagen maakte].
Na zijn reis herwint Kwiebus, die totaal verbleekt in vergelijking met Antonius, zijn duinen, volledig gedesillusioneerd en vastbesloten nooit meer toe te geven aan de ijdele wens om de wereld te zien. Veel van zijn avonturen worden verteld in de vorm van parafrases van gezegden van de schilderijen van Breughel.
In Boek IV, vindt Antonius Luppe weer terug, cynischer en hypocrieter dan in Boek II. Na een bezoek aan een kermis waar "heel Vlaanderen boemelend en er gei/ uitziend” bijeen is, waar ze "alle hop in België" drinken, en waar "bier, bloed en sper=a stroomt", worden de twee monniken zo dronken dat ze vreselijke hallucinaties krijgen, geïnspireerd door de schilderijen van Pieter Huys en Jeroen Bosch.
La grande Tentation de Saint Antoine
Michel de Ghelderode typeerde La grande Tentation de Saint Antoine, dat hij in 1932 voor poppenspel schreef, als een ‘cantate burlesque’ en gaf aan dat hij hiertoe geïnspireerd was door een schilderij van Jeroen Bosch.
De cantate vertelt in 13 taferelen het verhaal van Sint-Antonius die probeert te weerstaan aan al de verleidingen die hem door de opperduivel Leonardus voorgeschoteld worden. Het speelt zich af in de duinen of op een kade aan de kust, waar Antonius door
zingende zeemeerminnen en duivels wordt belaagd.

Een integrale tekst ben ik nog niet tegengekomen, maar de foto's hier rechts van het Corsicaanse het theatergezelschap Thé à Trois geven een fraaie indruk.

Er is verder nog een bewerking van door Louis de Meester (zie hieronder).

De Grote Verzoeking van Sint-Antonius Louis De Meester 1957
De componist Louis De Meester (1904-1987) verwierf in 1954 de Italiaprijs in de categorie radio voor zijn radio-opera De Grote Verzoeking van Sint-Antonius, een werk waarin naast vocale en instrumentale ook gemanipuleerde electro-akoestische klanken aan bod komen.
Om een droomwereld op te roepen, al dan niet met exotisch accent, gebruikt De Meester de timbres van akoestische instrumenten. Deze verwijzing naar het exotische heeft zijn wortels in zijn verblijf in Meknès, Marokko, waar hij in het “Café de la paix” jazzmuziek speelde.
De muziek is een opeenstapeling van allerlei stijlen en muziekinstrumenten. Antonius wordt bijvoorbeeld begeleid door een accordeon of een klavecimbel, Leonardus' interventies gaan vaak gepaard met trombones en tuba. Er wordt ook uitbundig gebruik gemaakt van elektronische vervormingen en klankbanden.
Een van de grappigste momenten is bijvoorbeeld het moment dat Antonius een laatste lofzang gaat zingen en de duivel hem als begeleiding voorziet van "een septuor van Amerikaanse duivelen die zich bedienen van allerzoetste instrumenten", waarna er een jazz-bandje uit de luidsprekers klinkt...
Als je het allemaal niet te serieus opvat, is het best wel een leuk en grappig werkje voor tijdens een warme zondagnamiddag. Ook de zangers schenen zich wel te amuseren.

Helaas beschik ik niet over muziek of tekst, maar verwijs naar gegevens over een De Meester:
De grote verzoeking van Sint-Antonius, Soli, BRTN-koor en orkest o.l.v. H. Rotman, Radio 3, R3 98006, 1998.
Volledigheidshalve geef ik nog een link.

Deze ‘Verzoeking’ werd later aangepast voor het podium en werd drie seizoenen in de Koninklijke Opera van Antwerpen opgevoerd.
Verder werd ze dan ook nog uitgezonden in de Engelse radio, twee keer zelfs, en dan ook nog door de Franse radio. De opera van Antwerpen heeft ze gespeeld in de Théâtre des Nations in Parijs en ten slotte is er ook nog een televisieversie gekomen in 1963.

La grande tentation de saint Antoine Le Thé à Trois
De Grote Verzoeking van Sint Antonius is ook uitgevoerd door het Corsicaanse theatergezelschap Le Thé à Trois, dat in 1993 is opgericht door Paul Grenier, acteur, regisseur, en auteur van talrijke stukken op het repertoire, en Rachel Grenier, ontwerper en artistiek adviseur.
Het is me niet duidelijk of het als opera of als toneel is uitgevoerd; ook niet wanneer.


La Tentación de San Antonio Luis Jaime Cortez 1998
Er is nog een opera gebaseerd op Gustave Flaubert's Tentation, van de Mexicaanse componist Luis Jaime Cortez, daterend uit 1998, en die in 2004 aan de Universiteit van Texas zijn première beleefde.

Verder is er heel weinig informatie over beschikbaar, en zeker geen visualia, behalve dan een foto (links) waarvan niet duidelijk is of dit San Antonio is of de componist.

Er is dus alleen wat tekst.
Een citaat van Cortez: "De Heilige Antonius is, in de visie van Flaubert, een soort heidens persoon die het slachtoffer van een modern probleem is: Hij weet wie niet hij is. Hij wil een andere persoon zijn — dat is zijn echte, fundamentele verzoeking. Het is belangrijk om dit te zeggen: Het is geen godsdienstig werk. Het boek van Flaubert is absoluut heidens en oneerbiedig."
In de Texas productie, toont het Theater van de Opera zowel vrome als wulpse beelden. Helder gekleurde Mexicaanse Katholieke iconografie staat naast een verleidelijke presentatie van de Koningin van Sheba, één van de vele historische figuren (met inbegrip van Helen van Troy en St. Hilarion) die de kluizenaar verleiden. De Koningin van Sheba zal een onthullende botstplaat dragen die de wenkbrauwen zal doen optrekken, volgens de kostuumontwerper: "ik wilde iets volledig sensueels en volledig bijzonders."
Cortez zegt verder nog: "Ik koos ervoor om de opera in het Spaans te schrijven omdat ik van mijn taal houd en ik Flaubert in die klanken wilde weergeven." Cortez, die ook het libretto schreef, zegt dat de muziek sporen draagt van de circusatmosfeer van de films van Fellini en het expressionisme van Alban Berg . "De constructie van een Satan-achtig personage was misschien wel het moeilijkste. Ik besloot een complexe Satan te maken, die door drie zangers gestalte wordt gegeven: een bariton, een tenor, en een contra-tenor."


The Temptation of Saint Anthony Bernice Johnson Reagon
& Robert Wilson
2003
Op 13 mei 2005 was ik bij de opvoering van The Temptation in het Muziektheater in Amsterdam met Carl Hancock Rux en Helga Davis.
Bernice Johnson Reagon, stichtster van het a capella ensemble, Sweet Honey in the Rock schreef muziek en tekst voor de opera The Temptation of Saint Anthony.
Bernice Johnson Reagon heeft voor veel films muziek geschreven en gearrangeerd, zoals meest recentelijk voor vier films over de geschiedenis van de slavernij in de Verenigde Staten.
De vormgeving en uitvoering stond onder leiding van regisseur Robert Wilson, bekend van eerdere producties als Einstein on the Beach en Hamletmachine. De première vond plaats in juni 2003 in Duisburg.
The Temptation of Saint Anthony werd geïnspireerd door het toneelstuk van Gustave Flaubert dat, zoals Wilson zegt, lang een bron van fascinatie voor hem is geweest.

Voor Bernice Johnson Reagon was het een nieuw verhaal waar ze over zegt: “Toen ik Flaubert door zijn manuscript leerde kennen, kreeg ik steeds eerbied voor hem. Hij stond zich in de 19de eeuw en gebruikte deze reis van de Heilige Antonius als een manier om een dialoog over geest en lichaam op te zetten, over wetenschap en godsdienst, over diversiteit en de capaciteit om goddelijkheid overal te zien.”

Om een idee te krijgen van de opvattingen van de producent, regisseur, en componist over Antonius vat ik de informatie samen die op hun sites te vinden is. En ik geef commentaar op de opvoering die ik zelf heb kunnen aanschouwen.
De Heilige Antonius wordt beschreven als een kluizenaar uit de derde eeuw die gevangen zit in een wereld van godsdienstige en politieke opschudding en verdeling.
Zoekend naar waarheid door een leven van onthouding, heeft Antonius twijfels over zijn lotsbestemming en ervaart hij des te sterker de verleidingen van het vlees. Een rijk banket van voedsel verleidt hem tot gulzigheid; een visioen van de mooie Koningin van Sheba verleidt hem tot begeren; een jonge man, Adonis, kwelt hem met de genoegens van het vlees.
Dit klinkt allemaal wat mooier dan het in beeld wordt gebracht. In feite zijn deze verlokkingen (voor mij althans) nauwelijk als zodanig op te merken. Het is alleen te zien aan de stereotype gebaren van afwering die Carl Hancock Rux van tijd tot tijd maakt.
Ten slotte beginnend aan een zoektocht om zijn eigen weg te ontdekken en om uit te vinden waarom godsdienst zowel verdeelt als verenigt, komt hij er uiteindelijk toe om de diversiteit in een complexe wereld te waarderen.
Hier blijkt weinig van. Eigenlijk is het ook zo dat een toeschouwer die niets van Antonius en/of niets van Flaubert's toneelstuk afweet, na afloop van de voorstelling hoogst waarschijnlijk geen idee heeft waar het nou eigenlijk over ging.
Weet de toeschouwer wel iets van Antonius en/of Flaubert, dan zal hij zich verbazen over de wel zeer zwakke echo die in deze voorstelling daarvan terug te vinden is.
Maar waar alle toeschouwers ongetwijfeld moeite mee hadden, is simpelweg het verstaan van de teksten. Er werd slecht gezongen, met meer kwantiteit (volume) dan kwaliteit. Eigenlijk werd maar één song met enig gevoel (en ook verstaanbaar) gezongen, en dat was "I knew the carpenter's son," door 'Ebonite', d.i. Charles Williams. Hij had ook voldoende gravitas. Het zou heel wat beter geweest zijn als hij de hoofdrol had mogen spelen i.p.v. Rux die eigenlijk alleen maar een zombie-achtige act gaf met verbijsterde blik in de ogen en zware volumineuze stem (maar geen gewicht).
Wat wel vreemd is aan die song, "I knew the carpenter's son," is dat Ebonite, als we de tekst letterlijk nemen, zo'n 300 jaar oud zou moeten zijn. Zo zegt hij: "I grew up with him, We were the same age, We played together."
Zou de librettiste Reagon niet weten dat Antonius leefde van 251-356 na Christus? Of moeten we maar aannemen dat ze het overdrachtelijk bedoelde?
Een klein filmpje geeft enige indruk.
(Als het filmpje niet werkt, download gratis de Quicktime speler, of ga naar de site van de producent.)
De tekst van de song van dit filmpje geef ik hieronder weer:
LONG, LONG WAY TO THE RIVER
Ensemble/Band

My jug is empty and I’m thirsty and dry
It’s a long long way to the river
My hunger’s biting and all my bread is gone
It’s a long long way to the river
Somebody help me!
It’s a long way, it’s a long way
It’s a long long way to the river
Flowing streams of silver and gold
Greed’s got me hooked in its seductive fold
It doesn’t matter whether I’m sleep or I’m dreaming
Can’t get beyond my body’s lust and needing

LANGE, LANGE WEG NAAR DE RIVIER
Ensemble/Band

Mijn kruik is leeg en ik ben dorstig en droog
het is een lange lange weg naar de rivier
Mijn honger bijt en al mijn brood is op
het is een lange lange weg naar de rivier
Iemand help me!
Het is een lange weg, het is een lange weg
Het is een lange weg naar de rivier
Vloeiende stromen van zilver en goud
Hebzucht heeft me vastgehaakt in zijn verleidelijke kronkels
Het doet er niet toe of ik slaap of droom
Ik kan niet voorbijgaan aan het verlangen en de behoeften van mijn lichaam

De song hierboven is nogal 'spiritual'-achtig, zoals wel meerdere songs van deze opera. Het doet denken aan zo'n Amerikaans neger kerkje in het zuiden, met allerlei swingende en handenklappende Afrikaanse Amerikanen. Maar helaas, dit gezelschap swingde totaal niet.
Qua inhoud is van deze song overigens niets terug te vinden in Flaubert.
Hieronder heb ik nog een tekst en een paar songs opgenomen, die wel enige relatie lijken te hebben met het toneelstuk van Flaubert.
THIS LIFE APART... IS BAD

Hilarion
This life apart... is bad.

Anthony
On the contrary!
Man, being spirit, must withdraw from mortal things.
All action degrades him.
I could wish not to be attached to the earth – not even by the soles of my feet!
DIT LEVEN IN AFZONDERING... IS SLECHT

Hilarion
Dit leven in afzondering... is slecht.

Antonius
Integendeel!
De mens, omdat die geest is, moet zich van sterfelijke dingen terugtrekken.
Elke handeling haalt hem naar beneden hem.
Ik zou wensen om niet aan de aarde gebonden te zijn - niet zelfs door de zolen van mijn voeten!
(Hier zou dus moeten staan: de zolen van mijn schoenen! Zie hieronder)
Hier linksboven zien we Carl Hancock Rux als Antonius in één van zijn stereotype versteende houdingen — zonder enige betekenis.
Maar waar ik me vooral aan stoorde waren zijn leren schoenen en zijn witte pyjama. Een asceet met schoenen aan! En een broek! Op een stoel!
Je zou als excuus kunnen beweren dat het "moderne" vormgeving in het theater is, maar alle anderen droegen lange gewaden, en sommigen waren blootsvoets.
YOU’RE A HYPOCRITE!

Hilarion/Anthony/Ensemble/Band
You’re a Hypocrite!
Sinking into solitude
You’re a Hypocrite!
Making up your own rules
You’re a Hypocrite
Sinking into solitude
Torture is not the highest ground
You think that denial is the way
To reach the highest ground
You think that spirit cannot rise
When your body is earthbound
So, you don’t eat meat,
You don’t drink wine
You don’t surrender to love
You spend every day denying yourself
In service to God above
Every night when you lay down to rest
Your dreams and fantasies rise
This journey you walk in the light of the day
Is corrupted when you close your eyes
JE BENT EEN HUICHELAAR

Hilarion/Antonius/Ensemble/Band
Je bent een Huichelaar!
Verzinkend in eenzaamheid
Je bent een Huichelaar!
Je eigen regels verzinnend
Je bent een Huichelaar!
Verzinkend in eenzaamheid
Marteling is niet het hoogste goed
Je denkt dat de zelfverloochening de manier is
Om het hoogste goed te bereiken
Je denkt dat de geest niet kan opstijgen
Wanneer je lichaam aan de aarde gebonden is
Dus eet je geen vlees,
Drink je geen wijn
Geef je je niet over aan de liefde
Breng je elke dag door met zelfonthouding
In de dienst van God daarboven
Elke nacht wanneer je gaat liggen om te rusten
Komen je dromen en fantasieën op
Deze weg die je gaat in het licht van de dag
Wordt verdorven wanneer je je ogen sluit
Het lied hierboven is ontleend aan de passage uit het toneelstuk van Flaubert, waarin de leerling van Antonius hem verwijt:

Huichelaar! Je trekt je terug in de eenzaamheid om je lusten beter te kunnen botvieren! Je onthoudt je van vlees, wijn, zweetbaden, slaven en eerbetoon; maar wat laat je je door je verbeelding onthalen op banketten, geurwerken, naakte vrouwen en juichende menigten! Je kuisheid is niets dan geraffineerde zedeloosheid...

Maar in het stuk van Flaubert komt het woord 'huichelaar' slechts één keer voor, en is het verder ook ingebed in een geheel van werkelijke onthoudingen, wijsgerige en religieuze visioenen, en beschrijft het fraai de paradox van de asceet/mysticus die zich één soort genot wil onthouden — het fysieke — om een andere soort genot te bereiken — het spirituele.
Zoals het echter in deze opera wordt vormgegeven, met tientallen herhalingen van het woord 'hypocrite' (en later in het stuk komt het nog eens terug), en daarbij een tiental beschuldigende wijsvingers (het hele ensemble) jennend wijzend naar Rux, krijgt het een heel andere betekenis. Zo lijkt het of Antonius er eigenlijk op uit is om met zijn onthouding alleen maar zijn lustvolle fantasieën op te zwepen.

BRAHMAN’S SONG

Brahman/Ensemble/Band
Everything begotten will die,
Everything dead must live again;
Beings now vanished will come back to earth
To serve others in pain
Again and Again...
Over and over again
Again and again
Over and over again
Again and again
Over and over again
Again and again
Over and over again
Beings now vanished will come back to earth
To serve others in pain
Over and over Again
I once lived in the tree behind me
I fed on flowers and fruit
Since existence stems from corruption,
Corruption stems from desire,
Desire stems from sensation,
Sensation stems from contact,
I fled all action, I fled all contact.
I fled all action, I fled all contact
Everything begotten will die...
By the very fact that I know a thing
That thing ceases to existence.
For me there is now no hope
For me there is now no anxiety,
For me there is now no happiness,
For me there is no virtue,
Neither night nor day,
Nor you nor me –
Absolutely nothing.
I fled all action, I fled all contact
I fled all action, I fled all contact
HET LIED VAN DE BRAHMAAN

Brahmaan/Ensemble/Band
Alles dat geschapen is zal sterven,
Alles dat dood is moet opnieuw leven;
Wezens nu verdwenen komen op aarde terug
Om anderen in pijn te dienen
Opnieuw en opnieuw...
Weer en weer opnieuw
Opnieuw en opnieuw
Weer en weer opnieuw
Opnieuw en opnieuw
Weer en weer opnieuw
Opnieuw en opnieuw
Weer en weer opnieuw
Wezens nu verdwenen komen op aarde terug
Om anderen in pijn te dienen
Opnieuw en opnieuw
Ik leefde ooit in de boom achter me
Ik voedde me met bloemen en fruit
Aangezien het bestaan afstamt van bederf,
Bederf afstamt van verlangen,
Verlangen afstamt van sensatie,
Sensatie afstamt van contact,
Ben ik alle actie ontvlucht, alle contact ontvlucht.
Ben ik alle actie ontvlucht, alle contact ontvlucht.
Alles dat geschapen is zal sterven ...
Door het feit zelf dat ik een ding ken
Houdt dat ding op met bestaan.
Voor mij is er nu geen hoop
Voor mij is er nu geen angst,
Voor mij is er nu geen geluk,
Voor mij is er geen deugd,
Noch nacht noch dag,
Noch jullie noch mij –
Absoluut niets.
Ik ben alle actie ontvlucht, alle contact ontvlucht.
Ik ben alle actie ontvlucht, alle contact ontvlucht.
Deze song is een redelijk directe vertaling van de toespraak van de Gymnosofist (zie het citaat uit het stuk van Flaubert), die overigens Antonius aanspreekt als "Brahmaan van de Nijloevers," en niet zichzelf als zodanig betitelt.
Maar wat in deze song toch wel ontbreekt is het spirituele doel dat deze Gymnosofist ermee bereikt heeft zoals duidelijk wordt uit wat hij zegt, bijvoorbeeld:

"Tenslotte heb ik de hoogste Ziel doorgrond in alle wezens, alle wezens in de hoogste Ziel; en door de beteugeling van mijn zinnen heb ik mijn ziel in Haar doen opgaan."

De song lijkt daardoor alleen het negatieve, het wanhopige haast, te benadrukken.

Er schuilt een zekere ironie in het feit dat deze opera wordt gespeeld door African-Americans. Want in het milieu van Antonius en de woestijnvaders waren 'Ethiopiërs' of 'Ethiopische jongetjes', dat wil zeggen negers of 'zwarte jongetjes' (vertegenwoordigers van) de duivel of demonen.
Een tweede ironisch feit is dat de rol van Hilarion, de leerling van Antonius (en een man), gespeeld wordt door een vrouwelijke African-American, omdat in het vrouwonvriendelijke milieu van de woestijnvaders vrouwen eveneens de duivel waren, maar dan in weer een andere vermomming. Dus de Hilarion die hier gespeeld wordt door een zwarte vrouw zou eigenlijk een soort duivel in het kwadraat zijn.
Heel weinig toeschouwers van deze opera zal dit zijn opgevallen, evenmin als überhaupt het feit dat deze vrouw de rol van Hilarion, de leerling van Antonius, speelde. Ze onderscheidde zich niet echt van de vrouw(en) die de verleidster — de koningin van Sheba — moest(en) voorstellen; en ook dat 'verleidelijke' was überhaupt niet waarneembaar, behalve dan dat het af te leiden was uit het stereotype gebaar van afwering dat Rux maakte.
Er waren overigens wel uitzonderingen op de neger als duivel, zoals de hiernaast afgebeelde Moses (of Moyses) de Ethiopiër, wiens levensverhaal verteld wordt in de Historia Lausiaca (hoofdstuk 22).
Hij was een zwarte Ethiopiër, en slaaf van een overheidsbeambte. Zijn meester ontsloeg hem wegens veelvuldig wangedrag en diefstal. En hij zou moorden begaan hebben.
Maar hij werd bekeerd, verrichtte lange tijd verregaande vormen van ascese, zoals alleen nog maar droog brood eten, ongeveer drie ons per dag, en hij verzette bijzonder veel werk onder het uitspreken van vijftig gebeden per dag. Hij bleef zes jaar lang rechtop staan in zijn cel en stond alle nachten midden in zijn cel te bidden zonder een oog dicht te doen. Mozes vocht met de demonen van zijn wellust, en eindelijk kreeg hij ze eronder.
Hij werd gerekend tot de groten onder de vaders. Hij stierf op 75-jarige leeftijd in Sketis waar hij priester geworden was en liet 75 leerlingen achter.
Het was een lange zit, deze opera; er was geen enkel moment dat je nou echt 'uit jezelf getild' werd. Herhaaldelijk stelde ik me voor hoe Flaubert zich van ergernis in zijn graf omkeerde en hoe de botten van Antonius verontwaardigd in zijn tombe rammelden. Maar bij het einde van het stuk verhief het publiek zich voor een staande ovatie!



Film

Tentation de Saint-Antoine Georges Melies 1898
Georges Melies - Tentation de Saint-Antoine, uit 1898.



Vita Antonii Abba's Iconografie Antoniusvuur Antonianen In de Kunsten Vieringen Orthodox Literatuur
Folklore Sint Antonius Saint Antoine Sant'Antonio Sant Antoni Sankt Antonius Saint Anthony
Adolphus Hilarion Paulus van Thebe Maria van Egypte Simeon de Pilaarheilige Christen Asceten


Heeft u informatie over Antonius Abt, of vragen, neem dan contact op met mij: Dolf Hartsuiker