![]() |
Antonius planten, bloemen en vruchten en één Antoniusdier
|
|
Ik heb het overzicht van Antonius planten over twee pagina's verdeeld.
Op de andere pagina vermeld ik de planten die afgebeeld zijn op het Isenheimer retabel van Mathias Grünewald. |
||||||||||||
| Antonius in de kruidentuin |
| Planten genoemd naar Antonius. Epilobium angustifolium / Sint-Antoniuslelie, Antoniuskruid, Wilgenroosje, Vuurkruid, Dondertoren; Staphylea pinnata / Sint-Antoniusnoot, Sint-Teunisnoot, Pimpernoot; Oenothera biennis / Teunisbloem; Rumex obtusifolius, Rumex crispus / Sint-Teunisbladeren & Sint-Antoniuswortel, Ridderzuring & Krulzuring; Galanthus nivalis / Sneeuwklokje, Sint-Antoniusbloem; Conopodium majus / Franse aardkastanje, Saint Anthonys nut; Stachys officinalis / Betonie, andoorn, koortskruid, Antoniustee, Antoniuskraut; Brunella vulgaris / Brunel, Prunella, Godsheil, St. Antoniuskraut; Plumbago europaea / Loodkruid, Herba St. Antonii. Kruiden tegen het Antoniusvuur. Tussilago farfara / Klein hoefblad; Capsella bursa-pastoris / St. James's Wort, Herderstasje; Taraxacum officinale / Paardebloem. Nog meer planten rond Antonius. Planten op het schilderij van Bosch; Randversieringen op Illuminaties en prenten; Twee schilderijen met bloemen; Vaandel van het Antoniusgilde van Stiphout; Eén Antoniusdier. Armadillium vulgare / Pissebed, St. Anthonys Hog. Tenslotte nog wat kruiden bij Dürer; Das große Rasenstück / De grote graszode; Türkenbund, Turkse lelie; Liebäugel, Gewone ossentong; Maria mit den vielen Tieren. En bij Van Eyck; De aanbidding van het Lam Gods. |
| Planten genoemd naar Antonius |
| Epilobium angustifolium | Sint-Antoniuslelie, Antoniuskruid, Wilgenroosje, Vuurkruid, Dondertoren |
| [S] Het wilgenroosje behoort tot de teunisbloemfamilie, maar werd vroeger tot het geslacht basterdwederik (epilobium) gerekend. Van dit plantengeslacht zijn ca. 200 soorten over bijna de gehele wereld verspreid; in Nederland en België komen ca. tien soorten voor en bovendien veel bastaarden. Volksnamen voor het wilgenroosje zijn Antoniuskruid, Sint-Antoniuslelie, Sint Antonius Laurier, Sint Antonius Teenrys, slangebloem, vuurkruid (massaal groeiend na bosbrand), sluimwederik, basterdwederik, dondertoren, hardijzers, witbeen (gebleekte scheuten werden als groente gegeten) en wilde salie. In het Frans heet de plant Epilobe à feuilles étroites, Epilobe épi, Nériette, Osier fleuri of Fausse lysimaque, en Plante à feu, maar ook Epilobe de Saint Antoine, Laurier de Saint Antoine, Osier de Saint Antoine, Antonine, Herbe de Saint Antoine, Antoinette. De Duitse benamingen zijn Antoni-Kraut, Antoniuskraut, Feuerkraut, Schweinskraut en Weidenröschen. In het Italiaans: Erba di SantAntonio, Antoniana. De Engelse benamingen zijn respectievelijk, Rose-bay en Willow-herb Codlins and cream, Spike-primrose, Hummingbird Flower, Hummingbird Trumpet en Fireweed. |
![]() |
| Alleen in het Engels is er dus geen verwijzing naar Antonius. De plant lijkt geen bijzondere geneeskundige eigenschappen te hebben. In het Cruijdeboek van Dodoens is het niet te vinden, maar in het kruidenboek van Bauhinus (1651) staat het epilobium wel vermeld als Antoniana vel S. Antonii herba, d.w.z. Antoniana of Sint-Antoniuskruid. |
|
![]() |
| In dit geval denk ik dat deze plant niet zozeer om eventuele medicinale eigenschappen naar Antonius is genoemd maar eerder vanwege de associatie met het vuur, wat toch een typisch attribuut van Antoniusis. |
| [*] Een andere betekenisvolle naam is Dondertoren, omdat de plant gebruikt werd om donder en bliksem af te weren, maar nog interessanter voor een herborist, omdat de plant verwerkt werd in de zogenaamde kruidwissen, een bundel van kruiden die geplukt werd en opgehangen om het huis tegen bliksem maar ook tegen duivelse krachten te beschermen. Dit laatste kan dan een extra reden zijn geweest om de plant naar Antonius te noemen als overwinnaar van de duivel of vice versa, de plant die al naar Antonius vernoemd was in zon kruidwis te gebruiken. |
| Staphylea pinnata | Sint-Antoniusnoot, Sint-Teunisnoot, Pimpernoot |
| [S] De algemene naam voor de vruchten van het plantengeslacht Staphylea is pimpernoot, van Duits Pimpernuss, d.w.z. noot met klapperende pit. Er zijn ca. twaalf soorten, die voorkomen in de gematigde gebieden van het noordelijk halfrond. In Nederland en België komt het geslacht niet voor, wel worden enkele soorten als sierheester geteeld, echter niet algemeen. Een volksnaam voor de vruchten is (was?) Sint-Antoniusnoot, ook wel Sint-Teunisnoot. Dodoens spreekt over de toen ook bij ons in het wild groeiende pimpernoot (vele gheuonden in Duytschlant ende somtijts oock hier te lande onder die haghen) en zegt dat het wilde ongheachte vruchten zijn, die op boompjes of struiken groeien. De blaadjes gelijken op die van de vlier, zegt hij, maar de pimpernoot heeft er minder en ze zijn groener. De bloempjes noemt hij wit ront en ghevult; na de bloeitijd worden ze gevolgd door ronde hole blaeskens, die in twee oft drie delen opgedeeld zijn, waarin gewoonlijk twee nootkens ligghen, waarvan de kern redelick suet is. Hij vermeldt als inlandse naam pimpernoten, naast Sint Antuenis nootkens; in een latere uitgave heten ze Sint Anteunis Nootkens en ook St. Teunis-noot. De reden van die naamgeving is niet duidelijk. |
![]() |
|
| In het Cruideboeck staat erover: [D] Naem Dese wilde vruchten hebben gheenen naem in Griecx oft Latijn die ons bekent es/ In Hoochduytsch worden sy gheheeten Pimpernusz/ Hier te lande Pimpernoten/ ende Sint Antuenis nootkens... Natuere Cracht ende Werckinghe Van die natuere cracht ende werckinghe van desen nootkens/ en kunnen wy niet ghescrijven/ aenghesien dat sy nergherincx toe ghebruyckt en worden. |
| [*] In Engeland heet de struik Job's Tears of St. Anthony's Nut. |
![]() |
[*] Vanwege de vorm van de vrucht werd de struik in Brabant aangeduid met de naam 'klootzakkenboom'. Verder staan ze bekend als geveerde pimpernoot en paternosterbollekesboom. |
| [*] De Paternosterbollekesboom is een heel aparte struik. In de herfst zaten kleine ballonnetjes aan de takken. De wind nam die na een tijd mee. Als je zo'n decoratieve mini-ballon open maakte, zag je een bruin, hard zaadje, zo groot als een erwt. Het zaadje was beenhard. Ik vroeg aan zuster Odillia wat dat wel was. "Een paternosterbolleke" was het antwoord. Ik dacht eerst dat ze grapte, maar later werd me duidelijk dat het inderdaad de bruine bolletjes van een paternoster waren. De paters hadden er zo eentje aan hun pij hangen. Het waren onverwoestbare bollekes. Je kon er honderden weesgegroetjes mee bidden. | |
| Misschien dat hier een relatie met Antonius ligt, voorzover één van zijn attributen een paternoster, een bidsnoer, met grote kralen is. |
| Oenothera biennis | Teunisbloem |
| [S] De naam van de Teunisbloem, of Sint-Tunisbloem, verwijst wel naar Antonius, maar de bloem zelf heeft met de heilige niets te maken. Hoe de zaak precies in mekaar zit, is een vrij ingewikkeld verhaal, maar in het kort komt het neer op het volgende. Teunisbloemfamilie is de Nederlandse naam van de plantenfamilie der Onagraceae, een familie die 24 geslachten en zowat 650 soorten telt en over de hele wereld verspreid is, maar die haar meeste vertegenwoordigers heeft in Amerika. In Nederland en België zijn twee soorten, die in de 17e eeuw werden ingevoerd, geheel ingeburgerd. Het zijn de gewone teunisbloem (oenothera biennis), die vrij algemeen is op zandgrond, o.a. in de duinen, en de veel zeldzamere, kleine teunisbloem (oenothera parviflora). In het Frans heet de teunisbloem herbe aux ânes, onagre, onagraire, oenothère, belle de nuit; in het Duits die Nachtkerze, in het Engels evening primrose. Ze wordt ook wel avond-uil, nachtbloem, nachtkaars of nachtschone geheten, omdat ze zich pas tegen de avond opent, en dan een heerlijk zoete geur verspreid. Van Antonius is bij deze namen helemaal geen sprake. Hoe kwam dan de oenothera bij ons ook aan de naam teunisbloem, en dit pas sinds de 19e eeuw? De verklaring valt te zoeken in een naamsverwarring die in de plantkunde lang heeft geheerst. |
![]() |
| Met de naam oenothera werd namelijk in vroegere eeuwen de basterdwederik ofwel Sint-Antoniuslelie (epilobium angustifolium) bedoeld (zie hierboven). Daarenboven was de benaming oenothera zelf in de plaats gekomen van de vroegere naam onagra, waarmee het hele geslacht wederik werd aangeduid. Ook daarvan werden sommige soorten destijds in de volksmond naar Antonius genoemd. Toen onze Teunisbloem in 1614 uit Amerika werd ingevoerd, kreeg ze de Latijnse naam onagra biennis. Later werd die naam gewijzigd in oenothera biennis, en zo erfde de bloem ook de volksnaam teunisbloem, die van oudsher met planten uit het geslacht onagra/oenothera verbonden is geweest. |
|
![]() |
Er wordt wel eens beweerd dat de Teunisbloem niet de bloem van Antonius Abt zou zijn, maar die van Antonius van Padua, omdat de bloem omtrent de jaardag van de laatste zou bloeien. Maar dat lijkt me toch niet zo waarschijnlijk. Voor zover ik weet wordt Antonius van Padua nergens Teun of Teunis genoemd en Antonius Abt juist zeer vaak. En de hierboven aangegeven naamsverwarring wijst op zijn minst op een afleiding van de naam van Teunisbloem van de Sint-Antoniuslelie, waarbij de relatie met Antonius Abt wel duidelijk lijkt. In het Cruijdeboek is de Teunisbloem niet te vinden daarvoor kwam de plant ook te laat in onze contreien maar elders blijkt wel dat de plant een opwekkende en/of geneeskrachtige werking heeft. [*] De geslachtsnaam oenothera komt van de Griekse oinos, "wijn", en ther, "wild dier". Dit omdat de plant, met wijn begoten, de mensen vrolijk maakt en de dieren mak. Een andere verklaring voor deze combinatie van woorden is dat wilde dieren de plant opzoeken vanwege de wijngeur. |
| [K] Een andere reden voor de naam zou zijn dat de eetbare (gekookte) wortel een geur als van wijn heeft. De bladeren werden tijdens de oorlog als surrogaat van tabak gerookt. |
| [*] De Teunisbloem wordt al vele eeuwen door verschillende Indianenstammen in Noord-Amerika gebruikt wegens zijn heilzame werking. De plant stond in hoog aanzien als middel wat kracht, gezondheid en vitaliteit gaf. Bladeren en wortels werden als een voedzame groente gegeten, de plantedelen werden in olie ingelegd en dan rauw verorberd. Eveneens werd de plant als heilmiddel bij verschillende kwalen benut. Uit de bladeren werd een thee tegen diarree bereid en uit de bloemen een siroop tegen ademhalingsproblemen. De zaden werden tot een brij gestampt, die werd toegepast bij huiduitslagen, kleinere wonden, steken en beten; zelfs de vrouwen gebruikten het als masker voor een reine en strakke huid. |
| In Engeland, in ieder geval, is er een magische folklore rond de Primrose, die ook wel Evening Star genoemd wordt. De laatste naam star heeft de bloem omdat deze een fosforescerend licht zou afgeven wanneer hij s nachts bloeit. |
![]() |
![]() |
| Uit de hierbij afgebeelde fotos, waar de rechter met UV licht gemaakt is, blijkt wel dat de bloem er voor insecten heel anders uitziet dan voor het menselijk oog. | |
| [*] Wanneer de Teunisbloem in een tuin geplant wordt of gedroogd opgehangen aan de voordeur, zal deze feeën aantrekken. Als je voor hun verzorging verantwoordelijk bent, moet je ze niet laten sterven! De feeën zullen door uw onzorgvuldigheid diep gekwetst worden. Terwijl de mensen slapen, maken feeën magische drankjes uit de dauw die zich op de Teunisbloem verzameld. Deze zelfde dauw geeft feeën hun magische krachten van onzichtbaarheid. |
| Rumex obtusifolius, Rumex crispus | Sint-Teunisbladeren & Sint-Antoniuswortel, Ridderzuring & Krulzuring |
| [S] Rumex obtusifolius wordt volgens het Antwerpsch Idioticon aangeduid met de term sint-teunisblaren of weversblaren. Deze wordt ook beschreven als een plant met groote blaren die in de weiden groeit, die elders Sint-Antoniuswortel wordt genoemd. Volgens anderen is Sint-Antoniuswortel echter één van de vele plaatselijke namen voor de krulzuring (Rumex crispus), terwijl de ridderzuring onder meer bekend staat als riddersblad, wilde beet en smeerwortel. In ieder geval slaat de naam Sint-Antoniuswortel op een of andere soort zuring. Of de plant zijn naam kreeg omdat hij destijds gebruikt werd bij de behandeling van Sint-Antoniusvuur, is niet bekend. Het lijkt echter niet onwaarschijnlijk, daar vermeld wordt dat de tot thee verwerkte bladeren en wortels van de Sint-Antoniuswortel gebruikt worden tegen uitslag en puisten als zijnde bloedzuiverend, waterafzettend en versterkend. Bovendien is de smeerwortel zo genoemd omdat uit de wortelstok een papje werd bereid dat op botbreuken en wonden werd gesmeerd. |
![]() |
| Rumex crispus | |
| In het Cruideboeck van Dodoens worden alle zuringsoorten, waaronder Rumex obtusifolius onder één noemer beschreven, hoewel Rumex crispus er niet bij staat, met een uitgebreid scala aan geneeskrachtige werkingen. Ook de naam van Antonius komt er niet in voor, maar gezien de aard van de geneeskrachtige werkingen lijkt gebruik van zuring bij het Sint-Antoniusvuur wel mogelijk te zijn geweest. |
![]() |
[D] Cracht ende werckinghe A Die bladeren van allen dese cruyden ghesoden ende voor spijse inghenomen maken saechten camerganck ende den buyck weeck. Tselve doet oock het water daer sy in ghesoden sijn ghedroncken. B Die bladeren gruen ghestoten met olie van Roosen ende wat Sofferaens vermenght verteeren ende doen vergaen die saechte apostumatien ende gheswillen van den hoofde daer op gheleyt. C Tsaet van Patich ende van Surckele met water oft wijn ghedroncken stopt den loop des buycx ende gheneest dat root melizoen/ ende beneemt dat walghen van den magen. D Dit selve saet es oock seer goet tseghen die beet ende steeck van den scorpioenen/ alzoo dat die dit saet inghenomen heeft/ al wordt hy van een scorpioen gesteken gheen pijne oft weedom en ghevoelt. E Die wortelen van desen cruyden in wijn ghesoden ende ghedroncken sijn goet tseghen die geelsucht/ doen water maken/ verwecken die natuerlijcke cranckheyt van den vrouwen/ ende doen den steen ende dat graveel breken ende rijsen. F Die selve wortelen in azijn ghesoden/ oft rouw ghestooten/ ghenesen die ruydicheyt quade crauwagien ende alle uutwendige onsuyverheids des lichaems alsmense daer mede bestrijckt. |
| Rumex obtusifolius | |
| G Dwater daer dese wortelen in ghesoden sijn es oock seer goet tseghen dat iuecksel/ en quade crauwagien/ alsment daer in badet oft tlichaem daer mede wasschet. H Wijn daer dese wortelen in ghesoden sijn/ versuet die pijne van den tanden/ in den mont ghehouden/ ende van den ooren daer in ghedaen. I Die wortelen alzoo ghesoden verteeren ende doen sceyden die clieren ende gheswillen ontrent die ooren daer op gheleyt. K Die selve wortel met azijn ghestooten verteeren ende ghenesen die herde milte/ ende alleen ghestooten ende op die heymelijcke plaetsen van den vrouwen gheleyt stelpt die vloet ende overvloedighe natuerlijcke cranckheyt van den vrouwen. L Van desen wortelen vindtmen oock ghescreven dat sy aen den hals ghedraghen/ die croppen ende clieren doen vergaen. |
|
| Gezien het nogal lokale karakter van de naamgeving, blijft het voor mij toch de vraag of we dit wel een echte Antoniusplant kunnen noemen. |
| Galanthus nivalis | Sneeuwklokje, Sint-Antoniusbloem |
| [S] Het sneeuwklokje, de witte, zeer vroeg ontluikende Galanthus nivalis, is nagenoeg de allereerste bloem van het voorjaar. Het bloempje staat onder diverse pittoreske namen bekend, zoals vastenavondzotje, zomerzotje, lichtmisbloempjes, snottebel spijtse duivelkens, juffrouwkens of zwaluweikens. Een andere plaatselijke benaming is volgens Paque Sint-Antoniusbloem, meer bepaald te Vollezele. Waarom dit plantje (blijkbaar alleen te Vollezele?) naar Sint Antonius werd genoemd, is niet duidelijk. Misschien heeft het te maken met de feestdag van de heilige (17 januari), daar het sneeuwklokje omtrent die tijd bovenkomt. Maar veeleer zal het toch gebruikt zijn bij de behandeling van het Sint-Antoniusvuur, want het komt voor op het retabel van Isenheim. |
![]() |
| Echter, in het overzicht van de planten op het retabel [R] wordt het niet genoemd, dus hoe [S] dit kan beweren is mij niet duidelijk. Maar wat interessanter is, het sneeuwklokje wordt ook in Stiphout als Sint-Antoniusbloem aangeduid (zie hieronder) |
|
| [S] Bovendien is een smeersel van de fijngemaakte wortelbolletjes van dit plantje een volksremedie bij bevriezing, winterhanden en wintervoeten. Daar het Sint-Antoniusvuur handen en voeten aantast, lijkt het dus niet onmogelijk dat de plant ook daarvoor gebruikt werd. In ieder geval was Vollezele een bekend bedevaartsoord van Sint Antonius abt, zelfs nog tot in de jaren veertig van de 20e eeuw. |
|
| Zoals ik elders al schreef, ligt een verband met het bloeien van het sneeuwklokje rond de jaardag van Antonius niet zo voor de hand. | |
| Want deze bloeit toch eigenlijk pas veel later, begin februari, en in vroeger eeuwen toen het veel kouder was in de winter, waarschijnlijk nog later. Veel namen associëren de plant uitdrukkelijk met februari in het Engels bijvoorbeeld: Fair Maids of February. Het verband zou nog eerder met de vorm te maken kunnen hebben het klokje van Antonius. Maar zoals de schrijver zelf al aangeeft is het alleen te Vollezele dat het blijkbaar Sint-Antoniusbloem genoemd wordt. Ik ben deze naamgeving verder nergens tegengekomen. Op zich dus wel een interessant plantje zie ook de uitgebreide folklore beneden maar toch niet echt een Antoniusplant. In het Cruijdeboeck is Galanthus nivalis niet te vinden. Waarschijnlijk kwam de plant pas later met pelgrims uit Rome naar West Europa. Ook was er in de Middeleeuwen weinig bekend van eventuele medische eigenschappen van de plant, ook al beweert [S] wat anders. Maar zoals ik al zei, er is een uitgebreide folklore rond het sneeuwklokje, op zich wel interessant. |
|
![]() |
[A] Tja, heel veel volksnamen voor dit bloempje geven aan dat men dit toch altijd een erg bloot bloempje heeft gevonden. Zo wordt er gesproken over Akeneerske (naakte eerste), Akenjuffers, Akkene meisjes, Naakte mannetjes, Naakte wijfjes, Nakende aarsjes (hier lijkt het helemaal te gek te worden, maar aarsjes zijn niks anders dan kleine kinderen), Nakende mannetjes, Nakene meisjes enz
Andere namen geven dan weer aan dat men het bloempje maar dwaas vond, om al zo vroeg te bloeien, en dan heeft men het over Febrewarigekje, Vastenavondzotjes En natuurlijk wijzen een heleboel namen op de klokjesvorm van de bloemetjes: Klökskes, Liedertjes (= luidertjes), Winterliedertjes. De botanische naam van de plant, Galanthus nivalis, heeft dan weer een minder tot de verbeelding sprekende origine: De geslachtsnaam Galanthus komt van gala (melk) en anthos (bloem), melkbloem dus, terwijl de soortnaam nivalis afgeleid is van het Latijn nix, wat sneeuw betekent. |
| [A] Voor wat betreft moderne medische toepassingen van het sneeuwklokje: Een aantal jaren geleden werd uit het Kaukasische sneeuwklokje (Galanthus woronowii) de stof Galantamine geïsoleerd. Die stof wordt tegenwoordig gebruikt in de behandeling van de ziekte van Alzheimer en sommige andere vormen van dementie (onder de merknaam Reminyl). De stof geneest de ziekte niet, en is ook niet in staat om de achteruitgang helemaal te stoppen, maar kan wel het proces vertragen. En nu maken we even een hele grote sprong in de tijd, naar 9de eeuw voor onze tijdrekening, toen Homerus zijn Odyssea schreef. Wellicht herinner je je het verhaal van Circe, die de bemanning van Odysseus schip vergiftigde. Odysseus zelf was echter beschermd door een kruid dat hij van Hermes had gekregen. Het gif dat Circe gebruikte, was waarschijnlijk een nachtschade-achtige plant, zoals bijvoorbeeld de Wolfskers. Tegenwoordig wordt vermoed, dat het kruid van Hermes wellicht het sneeuwklokje was, precies omwille van de werking van dat Galantamine, dat immers de effecten van giften zoals dat uit Wolfskers kan tegengaan. |
|
| [*] Sneeuwklokjes worden in zeer grote aantallen gevonden rond kloosters in Engeland. Men gaat er van uit dat pelgrims de bloem meebrachten vanuit Rome. |
|
| In het Engels heet het snow-drop, snow-flower, of white ladies of purificationflower en candlemass-bells. En die laatste namen wijzen op een bepaald religieus gebruik van het sneeuwklokje. [*] Zo worden er op Maria Lichtmis of kortweg Lichtmis (), dat op 2 februari gevierd wordt, sneeuwklokjes op het altaar geplaatst, als symbolen van de zuiverheid van de heilige Maagd, ofwel haar beeld wordt van het altaar gehaald en worden er sneeuwklokjes voor in de plaats gezet. Het sneeuwklokje is dan ook beter op te vatten als een Maria-bloem dan een Antonius-bloem. Overigens is Candlemass een gekerstende viering van een Keltisch voorjaarsritueel Imbolc gecentreerd rond de godin Brigid of Bride. Zij wordt wel afgebeeld met vuur in haar handen, of staand in het vuur, symbolisch voor de terugkeer van het licht. En daar zou een overeenkomst kunnen zijn met Antonius als brenger en drager van het vuur, daar hij immers ook vaak wordt afgebeeld met vlammen in zijn hand en staand in het vuur. Maar misschien is dat een beetje vergezocht. |
![]() |
| Conopodium majus | Franse aardkastanje, Saint Anthony's nut |
| De Nederlandse naam voor Conopodium majus is Franse aardkastanje. Het lijkt erop dat deze alleen in het Engels naar Antonius is vernoemd en Saint Anthony's nut genoemd wordt. De soort heeft de Nederlandse naam te danken aan de kanstanjevormige wortelknol. De knol is eetbaar en heeft een zoete, aromatische, nootachtige smaak. De wortel valt ook zeer in de smaak bij de varkens, en wordt daarom in het Engels pignut genoemd, en vanwege de associatie van Antonius met het varken, Saint Anthony's nut. Varkens werden ook wel getraind om ze te vinden, net als met truffels. Vroeger werden ze wel gegeten, vooral door kinderen, maar tegenwoordig schijnt dat niet veel meer voor te komen. |
![]() |
| Maar vanuit een "medicinaal" perspectief lijkt de associatie met Antonius wat minder vanzelfsprekend, want zoals de herbalist Culpeper schrijft, vallen ze, under the dominion of Venus; they provoke lust exceedingly, and stir up those sports she is mistress of." En John Peely, 1694 schreef: Nuts peeled, boiled in fresh broth, pepper, nourishing stimulates the venery." En dit soort Verzoekingen zijn nu net waar Antonius tegen streed, nietwaar. Anderzijds heeft het zaad van de plant een wat meer geaccepteerde geneeskrachtige werking en zou het goed zijn voor de vochtafdrijving. Tenslotte als folkloristische noot: in Ierland zou de aardkastanje gegeten worden door kabouters. |
| Stachys officinalis | Betonie, andoorn, koortskruid, Antoniustee, Antoniuskraut |
| In feite kwam ik alleen in het Duits de naamgeving Antonius voor betonie tegen, [*] waar sprake is van Antoniustee en Antoniuskraut, naast de andere namen Batenie, Betonie, Botenge, Fleischblume, Katzenwedel, Pfaffenblume, Römerei, Zahnkraut, Teeblatt, Zehrkraut. Is de plaats hier, tussen de Antoniusplanten, dan wel terecht? Nu is betonie sowieso een heel interessant kruid, met vele geneeskrachtige eigenschappen. En, zoals zal blijken uit onderstaande beschrijvingen, beschikt het ook nog over de magische eigenschappen om als afweer tegen duivel en demonen gebruikt te kunnen worden. Tenslotte is het ook nog eens psychotroop. Al met al genoeg eigenschappen, dunkt mij, om toch wel bij Antonius te kunnen horen. |
| [A] In de Griekse en Romeinse oudheid was de betonie een zeer belangrijk geneeskruid. De Griek Dioscorides heeft het over Oinos Kesrites (Betonie-wijn), die als psychotroop (inwerkend op het zenuwstelsel) wordt beschouwd en Antonia Musa, de lijfarts van Keizer Augustus, schreef zelfs een monografie De Herba Vettonica (Over het Kruid Betonie), waarin hij zevenenveertig aandoeningen noemt die behandeld kunnen worden met Betonie. Later lijkt de betonie wat in de vergetelheid te zijn geraakt, hoewel ze in de middeleeuwen nog in kloostertuinen Bishops Wort werd gekweekt. |
![]() |
| Esculape trouve la betoine Esculapius, de god van de medicijnen, vindt de betonie |
| In het Cruijdeboeck van Dodoens is er een hele reeks van fysieke kwalen die ermee genezen kunnen worden, maar geen ervan lijkt specifiek iets met Antonius of Antoniusvuur van doen te hebben. | |
![]() |
[D] Naem Betonie wordt gheheeten in Griecx Cestron ende Psychotrophon... In Hoochduytsch Braun betonick. Cracht ende werckinghe A Betonie in water ghesoden ende ghedroncken/ lost die urine/ ende breeckt den steen in die nieren/ zy suyvert ende reynicht die borst ende die longhene van den fluymen en van die ettere/ ende es mits dyen goet den ghenen die uutdrooghen ende die hoesten. B Die bladeren van Betonie ghedroocht een vierendeel loots swaer met huenich water inghenomen/ sijn goet den ghenen die huer zenuwen ghetrocken worden oft ontcrimpen. Item den vrouwen die met die moeder ghequelt sijn. C Die selve bladeren in der selver manieren ghebruyckt doen den vrouwen huer natuerlijcke cranckheyt comen. D Item die ghedroochde bladeren van Betonie met wijn sijn goet den ghenen die van slanghen ende nateren ghebeten sijn gedroncken/ ende op die beten ende steken gheleyt. Dijsghelijcx oock den ghenen die fenijn inghenomen hebben. Ende alsmen dese bladeren te voren in neempt zoo bescermen zy den mensche van alle fenijn. E Betonie opent ende gheneest die verstoptheyt van der lever/ milte/ ende van den nieren/ ende es goet tseghen die watersucht. |
| F Betonie met wijn ende water ghedroncken es goet tseghen bloetspouwen/ ende gheneest alle inwendighe ende uutwendighe quetsuren. G Betonie met huenich water maeckt saechten camerganck/ ende es goet ghebruyckt tseghen die vallende sieckte/ rasernie ende weedom in thooft. H Betonie met ghesuyverde huenich vermenght ende tsavonts naer den eten inghenomen sterckt die maghe/ ende doet die spijse verteeren ende beneempt dat ripsen ende opworpen. Tselve doet oock die conserve van Betonie met suycker ghemaeckt een boon groot inghenomen. I Die wortel van Betonie ghedroocht/ ende met huenich water inghenomen doet spouwen ende taeye slijmachtighe fluymen ende andere quade vochticheden overgeven. |
|
| Een modernere beschrijving van de geneeskrachtige werking: [A] Betonie is een kruid dat tegelijk een tonische (versterkende) en een ontspannende invloed uitoefent op het zenuwstelsel. Het is dan ook bruikbaar voor symptomen die samenhangen met angst en spanning. Het is verzachtend bij spanningshoofdpijn, maar wordt ook gebruikt bij hoofdpijn die samenhangt met verhoogde bloeddruk (en dan vooral als die hoge bloeddruk stress-gerelateerd is). Andere indicaties zijn faalangst, innerlijke onrust, en zenuwpijnen, vooral in het aangezicht. De Engelse volksnaam Woundwort slaat op het gebruik van de plant bij verwondingen, en door zijn samentrekkende en wondhelende eigenschappen is het kruid inderdaad ook te gebruiken bij de behandeling van vooral verse en eerder schone verwondingen. In het Engels wordt betonie ook wel "St. Bride's Comb" genoemd, en is het dus gerelateerd aan de godin Bride, St. Bridget, die hierboven bij het sneeuwklokje al werd genoemd. |
![]() |
| Maar afgezien van alle eventuele fysieke werkingen zijn ook de magische aspecten zeer interessant. | |
| [A] Het kruid werd in de middeleeuwen gebruikt in liefdesbezweringen, maar ook om liefdesbetoveringen af te weren. In elk geval werd de plant vaak gebruikt als bescherming tegen betovering, en verwerkt in amuletten. Er wordt ook gezegd dat de groeiplaats van betonie een magische plek, rijk aan positieve energie, aanwijst |
|
![]() |
Verder vinden we in de Flora Magica; De Plant In De Tooverwereld, van Teirlinck, de volgende beschrijving van de werking van betonie: [*] Om het Kwade Oog en Betoovering te voorkomen of te genezen neemt men negen vleklooze Betoniebladeren, waarvan de kant (nl.~ het nervennet) niet door insekten is aangerand en negen greintjes zout in een nieuw en ongewasschen lijnwaden doek; men naait toe met ongebleekt garen. Alles wordt aan den hals gehangen, na het kruisteeken over het pakje gemaakt en twee of meer penningen voor den H.~ Geest geofferd te hebben: deze penningen steekt men in den offerblok of men geeft ze aan den priester. En nog: [*] Betonie is een kruid van bescherming en zuivering. Het is een uitstekend kruid voor Magische genezing, en het beschermt tegen die duistere angsten en demonen die voortvloeien uit de eigen emoties en fantasie. Dit was een zeer magisch kruid voor de Druïden. Het werd in het Midzomer vuur gegooid om te helpen bij de zuivering. |
| Het wordt ook verondersteld te beschermen tegen angstige visioenen en wanhoop. Hildegard van Bingen (12de eeuw, Duitsland) gaf de aanbeveling om droomkussens met Betonie op te vullen om de slaper tegen nachtmerries te beschermen. In Wales werd Betonie in de hoed gedragen om heksen op een afstand te houden. Tenslotte: [*] Het werd in kerkhoven geplant om activiteit door geesten te voorkomen. |
|
| Brunella vulgaris | Brunel, Prunella, Godsheil, St. Antoniuskraut |
| [K] Naast de Teunisbloem, die aan Antonius Abt is gewijd en zijn naam draagt, wordt ook de gewone brunella als Antoniusplant gezien; in de Elzas heet de brunella St. Antoniuskraut. In ons land was deze bekend als Godsheil en Godswondenkruid. In de middeleeuwen werd de brunella vooral toegepast bij difterie. |
![]() |
| [A] Prunella is postklassiek Latijn, een verkleinwoord van prunus = pruim, wat later door volksetymologie met Bruin in verband gebracht is en vervormd. Volgens anderen is de betekenis van prunella, gloeiend kooltje. En er is de opvatting dat prunella een verbastering is van brunella, een verlatinisering van de Nederlandse naam bruynelle, dit naar de bruine schutbladen en bruine kelk. Die naam kan ook afgeleid zijn van het Duitse die Braune, een kaakziekte, die deze plant zou genezen, Duits Halskraut, Mundfaulzapfen. |
| In het Nederlands werd deze ziekte bruyne genoemd en was dus bruynelle het geneesmiddel daartegen. Zo lezen we in Den nieuwen Herbarius (1549): Bruynelle heet men daarom alsoo, want het heeft groote virtuyt teghen de bruyne oft ontstekinghe inden mondt. Inder Apoteken heet men dit cruyt Prunella. Ook bij Dodoens treffen we "die sieckte der tonghen diemen den bruynen noempt" aan. |
| In het Cruijdeboeck meldt Dodoens het volgende: [D] Bruynelle es tweederleye van gheslachte. Dierste gheslacht/ wordt gheheeten Senegroen/ dat tweede heeft den naem van Bruynelle behouwen. |
|
![]() |
Cracht en werckinghe A Senegroen in water ghesoden ende ghedroncken doet sceyden dat bloet dat van binnen tlichaems ghestolt ende gheronnen es/ heylt ende gheneest alle inwendige ende uutwendighe quetsuren. B Senegroen in der selver manieren ghebruyckt/ opent die verstoptheyt van der lever ende van der gallen ende es goet tseghen die geelsucht ende lanck duerende cortsen. C Tselve water daer Senegroen in ghesoden es gheneest die vervuylde sweeringhen des monts ende des tantvleeschs alsmen den mont daer mede spoelt. D Senegroen ghestooten ende versch op die wonden ende plaetsen daer die huyt af ghewreven es gheleyt/ heylt ende geneest die selve. Tselve doet oock tpoeder van gedroocht Senegroen daer in ghestroyt. E Tsap van Senegroen gheneest oock die sweeringhen van der manlicheyt alst daer inne dicwils ghedruypt ende ghestooten cruyt daer op gheleyt wordt. F Bruynelle in water oft wijn ghesoden ende ghedroncken heylt ende gheneest alle inwendighe ende uutwendighe wonden ghelijck Senegroen. G Bruynelle gheneest oock die sweeringhen des monts/ ende es seer sonderlinghe tseghen die sieckte der tonghen diemen den bruynen noempt/ dat es als die tonge onsteeckt/ swert wordt ende seer dick swilt/ alsmen die selve in water siedt ende die mont daer mede dicwils spoelt/ naer voortgaende die generale. |
![]() |
[K] Op schilderijen van de Elzasser Primitieven zie je wel een vaasje met brunella afgebeeld in de buurt van het Christuskind! Men was er van overtuigd, dat er een beschermende kracht uitging van een dergelijke afbeelding. In het Engels wordt de prunella "selfheal" genoemd, en Culpeper beschreef dit Venus-kruid als in kwaliteiten en geneeskrachten dient het alle goede doelen. |
![]() |
| Alleen in het Duits is er een verwijzing naar Antonius, als St. Antonikraut. Het is wel een algemeen geneesmiddel dat alle inwendighe ende uutwendighe wonden geneest, en vooral die in de mond, maar het lijkt toch geen typisch geneeskrachtig middel tegen het Antoniusvuur te zijn. | ||
| Dus, kunnen we brunel wel als een Antoniusplant aanmerken? En waarom zou het in de Elzas naar Antonius vernoemd zijn? | ||
| Plumbago europaea | Loodkruid, Herba St. Antonii |
![]() |
![]() |
| [*] Loodkruid is een vertaling van Plumbago, dat zelf weer is afgeleid van Latijn plumbum 'lood' en Grieks ago 'ik voer'. En die naam heeft dit geslacht gekregen omdat het sap van Plumbago europaea, een kruidachtige plant uit het Middellandse-Zeegebied, een loodgrijze verkleuring van de huid veroorzaakt wanneer dat met de huid in aanraking komt. |
| Op twee Duitse sites kwam ik een verwijzing tegen van loodkruid als Herba St. Antonii [*] en [*] maar ik vermoed dat deze informatie terug te voeren is op de laatste, het Apothekerlexikon van Samuel Hahnemann uit 1793. Overigens wordt op beide sites niet uitgelegd wat de relatie is tussen Antonius en het kruid. |
| In de eerste plaats wordt het loodkruid als een middel tegen tandheelkundige ziekten en zweren gebruikt. De sterk ruikende wortel wordt gebruikt, en wordt Radix Dentellariae, Herba Dentellariae of Herba St. Antonii genoemd. Het kauwen daarop veroorzaakt door de brandende smaak een enorme speekselvloed. Ook zou het al werken tegen kiespijn als het kruid op de pols wordt gebonden of zelfs als het alleen maar in de hand wordt gehouden. [Dit doet me denken aan het herderstasje waar hetzelfde beweerd werd, maar dan tegen neusbloedingen.] Maar toch is het kauwen van het kruid niet aan te raden omdat op de huid die ermee in aanraking komt blaren ontstaan die in zweren kunnen ontaarden. Maar juist deze blaartrekkende eigenschap maakt het weer tot geneesmiddel tegen besmettelijke schurft. |
![]() |
![]() |
Enige relatie met Antonius zou hooguit afgeleid kunne worden uit het feit dat lijders aan het Antoniusvuur vroeger vaak tot de bedelstaf vervielen, en dat bedelaars gebruik maakten van de blaarverwekkende effecten van het kruid om de sympathie van de bevolking op te wekken. Dit is ook een argument bij de boterbloem of het Sint-Antoniusraapje, welke eenzelfde effect zou hebben. En de loodgrijze verkleuring van de huid die met het kruid in aanraking komt, dat doet wel een beetje denken aan de lijder aan Antoniusvuur die op het Isenheimer altaarstuk is afgebeeld. Die ziet ook zo grijs, met rode blaren en zweren. En een dergelijk vertoon zou dat zielige effect natuurlijk wel versterken. |
| Detail van het Isenheimer retabel, De Verzoeking van St. Antonius, |
| Kruiden tegen het Antoniusvuur |
| Op een Engelse site [U] kwam ik nog twee andere kruiden tegen die niet op het Isenheimer altaarstuk voorkomen en die ook niet qua naam aan Antonius gerelateerd zijn, maar waarvan wel beweerd wordt dat ze gebruikt werden om het Antoniusvuur te genezen, te weten klein hoefblad en herderstasje. En de paardebloem, die op het schilderij van Bosch te zien is en waarvan ik maar aanneem dat deze net als de planten op het Isenheimer retabel met de genezing van Antoniusvuur te maken hebben zal ik ook nog vermelden. |
| Tussilago farfara | Klein hoefblad |
| [*] De botanische naam Tussilago is afgeleid van tussis = hoesten en agere = verdrijven. De plant is dan ook gebruikt als hoestverdrijvend middel en tegen neuralgische aandoeningen. De plant wordt als artsenijplant geteeld vanwege zijn slijm-, looi- en bitterstoffen, tannine, dextrine en bactericide stoffen. De bladeren worden gebruikt als omslagen bij gewrichts- en reumatische aandoeningen. [A] Plinius raadde aan de bladeren van Klein Hoefblad te roken (op een vuurtje van cipreshout?), en de rook door een trechter in te ademen als middel tegen hoest. Ook door Dioscorides (een Grieks kruidkundige, in dienst van keizer Nero) wordt het als hoestbedarend middel beschreven. |
![]() |
| Het gebruik van Klein Hoefblad als (medicinaal) rookkruid was op een bepaald ogenblik in Frankrijk dermate populair, dat het als herkenningsteken voor apotheken werd gebruikt. | |
| Klein hoefblad is dus duidelijk al sinds lang een geneeskrachtige plant, maar in deze bronnen ontbreekt een verwijzing naar Antoniusvuur. Daarom is natuurlijk zeer interessant belang dat Gerard schreef: [U] "the green leaves do heal the hot inflammation called Saint Anthony's fire." |
![]() |
En die hot inflammation komt goed overeen met de beschrijving in het Cruideboeck van Dodoens als middel dat wilt vier en alderhanden heete ghezwillen geneest. Vanzelfsprekend doen wildvuur en hete gezwellen denken aan kenmerkende symptomen van het Antoniusvuur, maar Dodoens noemt het niet expliciet. | ![]() |
| [D] Naem In Hoochduytsch Roszhub oft Brant Lattich/ In Neerderduytsch Hoefbladeren/ Peerts clauw/ Brant lattouwe/ en S. Carijns cruyt. Cracht en werckinghe A Die gruene Hoefbladeren ghestooten/ ende met huenich ghemenghelt/ ghenesen dat wilt vier en alderhanden heete ghezwillen daer op ghestreken. |
||
| B Die drooghe Hoefbladeren op gloeyende colen gheleyt/ ende den roock daer af comende duer eenen treester in de mont ontfanghen es goet teghen den drooghen hoest en die dampicheyt op die borste/ ende doet sonder groote arbeyt oft pijne die Apostematien op die borste uutbreken. C Dijerghelijcken cracht heeft oock die wortel als zy onsteken wordt/ ende den roock daer af inden mont ontfanghen wordt. |
||
| Capsella bursa-pastoris | St. James's Wort, Herderstasje |
| [*] De Nederlandse naam herderstasje is ontleend aan de hartvormige, 6-9 mm lange hauwtjes, die het model hebben van de tas die vroeger door herders en boeren gebruikt werd. In de volksmond staat het ook bekend als lepeltjesdief, beursjeskruid, tasjeskruid, bloedkruid, eendepootjes, ganzetongen, lepels en vorken, moederstasje en tuinlepeltje. De plant wordt in verschillende handelsproducten verwerkt. In de volksgeneeskunde werden/worden aftreksels gebruikt tegen bloedingen, ontstekingen van de urinewegen, en als kompres op open bloedende wonden. |
![]() |
| [A] Het herderstasje werd in het verleden ook wel bloedkruid genoemd, omwille van zijn samentrekkende eigenschappen en het daaruit volgende gebruik bij bloedingen. En ook tegenwoordig wordt het herderstasje vooral gebruikt bij bloedingen. Het kruid wordt onder andere toegepast bij inwendige bloedingen maar ook bij uitwendige bloedingen zoals een bloedneus of bloedend tandvlees. En in het verleden was het vertrouwen in de bloedstelpende kwaliteiten van het herderstasje wel heel groot. Men geloofde dat een bloeding uit het rechterneusgat gestopt kon worden door een herderstasjes-plant in de linkerhand te houden en omgekeerd. Daarnaast heeft het herderstasje een regulerend effect op de bloeddruk: het verlaagt een te hoge, en verhoogt een te lage bloeddruk. Ook stimuleert het de bloedsomloop, en kan daarom een toepassing krijgen bij spataderen en zware benen als gevolg daarvan. |
![]() |
Een verwijzing naar Antoniusvuur vinden we slechts op één plaats: [U] "Our old herbalists called it St. James's Wort, as a gift from that Saint to the people for the cure of various diseases, St. Anthony's Fire, and several skin eruptions." St James, dat is Sint Jacob (Santiago) van Compostella, en dan is het herderstasje dus beter op te vatten als een pelgrimstasje. |
| Dodoens zegt er het volgende over: [D] Naem In Hoochduytsch heetet Deschelkraut/ Seckelkraut ende Herten seckel/ hier te lande Teskens oft Vorsekens cruyt. Cracht en werckinghe A Teskens cruyt in water ghesoden ende ghedroncken/ stelpt den loop des buycx/ dat root melizoen/ tbloet spouwen/ tbloet pissen/ ende die overvloedighe vloet van den vrouwen/ ende alderhande bloetganck/ hoe ende in wat manieren dattet ghebruyckt worde/ ende is daer toe seer crachtich/ alzoo dat sommige scryven/ dattet het bloet stelpt al en worddet maer in die hant ghehouden/ oft over tlichaem ghedraghen. |
| Nog meer planten rond Antonius |
| Planten op het schilderij van (de navolger van) Hiëronymus Bosch. |
| Net als bij het Isenheimer retabel, kunnen we aannemen dat de planten die op dit schilderij van Bosch zijn afgebeeld, als geneeskrachtige kruiden werden gebruikt, en zeer waarschijnlijk ook bij de behandeling van het Sint-Antoniusvuur. En dat zou ook kunnen gelden voor de bloemen en planten rond Antonius op middeleeuwe en later illustraties. Hoewel het erop lijkt dat de geneeskrachtige betekenis in de loop der tijden vervangen is door een meer decoratieve dat men als het ware dit aspect 'vergeten' is. De determinatie van de planten op het schilderij van Bosch en op de prenten daaronder (01 t/m 06) is verricht door de kruidendeskundige Hans van Boxtel, en is gebaseerd op zijn eigen jarenlange ervaring, bestudering van de 5-delige flora van de gebroeders Weeda (deze was zeer behulpzaam) en het boek Planten van Europa van de Standaarduitgeverij, oude prenten- en geneeskruidenboeken waaronder de Tacuinum Sanitatis met prenten van het einde van de 14e en 15e eeuw en het het Cruydeboek van R. Dodoens. Van de behandelde afbeeldingen vindt Hans deze schilderkunstig gezien de mooiste, maar dat wil niet zeggen dat het daarmee makkelijker wordt. |
![]() |
|
Detail van het schilderij van Bosch |
![]() |
Hans gaat ervan uit dat dit Paardebloemen (Taraxacum officinalis) zijn. Het zouden ook nog Leeuwentanden (Leontodon hispidus) kunnen zijn. | ![]() |
| Maar dat is minder waarschijnlijk. De Paardebloem komt niet voor op het schilderij in Isenheim en wordt daarom hieronder uitgebreid besproken. |
||
![]() |
Interessante plant. Ongetwijfeld de Weegbree; maar welke? De Smalle weegbree (Plantago lanceolata) valt af vanwege de bladvorm welke niet lancetvormig is. Blijven over de Brede (Plantago major) of de Ruige (Plantago media) weegbree. | ![]() |
| Hans kiest voor de laatste vanwege de bloemstengel. Deze is namelijk ongeveer even lang als die van de Brede weegbree maar het bloeigedeelte hiervan is veel korter. En dat is wat we op het schilderij zien (zie rechts). | ||
| De Brede weegbree en de Smalle weegbree zijn ook afgebeeld op het Isenheimer altaarstuk, en zijn dus op de andere plantenpagina al uitgebreid besproken. | ||
![]() |
We kunnen hier (links) veel speculeren omdat er nogal wat planten met gezaagd blad zijn. De hele Lipbloemenfamilie, met name de Andoorns, valt af alhoewel er planten zijn die op het eerste gezicht erop lijken. Hiertegen spreekt echter dat er twee maal een etage met 3 blaadjes voorkomt. En dat kan beslist niet bij deze familie. De vertanding, het gezaagde gedeelte van het blad, komt ook te fel over om het bijvoorbeeld een Witte dovenetel te laten zijn (en is bovendien lid van de Lipbloemenfamilie). Het meest waarschijnlijk is de Grote brandnetel (Urtica dioica). |
![]() |
| Het is nog vroeg in het jaar dus is er nog geen bloeiwijze. Het jaargetijde valt af te leiden uit de bloeiende Paardebloem en de nog niet bloeiende Weegbree. | ||
| Juist omdat het nog vroeg in het jaar is, zal dit (rechts) een Witte dovenetel (Lamium album) kunnen zijn. Dat zijn vroege bloeiers. De basis van de plant wordt aan het oog onttrokken door een rozet van de Weegbree. | ||
| De Dovenetel is ook afgebeeld op het Isenheimer altaarstuk, en is dus op de andere plantenpagina al uitgebreid besproken. | ||
![]() |
Deze is moeilijk te determineren, want we zien een soort van Weegbreerozet maar met een wit bloempje. Er zijn tweemaal 4 bloemblaadjes dus mogelijk is het een kruisbloemige. Te denken valt aan Look zonder look (Alliaria petiolata, ook een vrij vroege bloeier) maar dan hadden er veel blaadjes aan de stengel moeten zitten die ook nog eens enigszins gekarteld zijn. Kortom zo'n kruisbloemige bestaat niet. | |
| Behalve als je de Vroegling neemt, maar die heeft zo'n klein rozetje, dat valt nauwelijks op. Het kan tenslotte zijn dat het de bloeiwijze van de Ruige weegbree is omdat deze een roze-witte kleur heeft in tegenstelling tot de andere Weegbreeën. Al met al, het is onzeker. | ||
| Taraxacum officinale | Paardebloem |
| Op het schilderij van Bosch, de Verzoeking van Antonius, zijn duidelijk paardebloemen te herkennen, die in tegenstelling to de andere planten niet op het Isenheimer altaarstuk afgebeeld zijn. Ik zal deze daarom hier aandacht geven. Op het schilderij is de bloem in de eerste fase van zijn bloei. Het zal dus vroeg in het voorjaar zijn. Dat is ook wel aan de andere planten te zien: geen weelderige groei zoals in de zomer. Dat geldt trouwens ook voor het schilderij van Grünewald; ook daar zijn de planten merendeels in hun voorjaarsverschijning (afgezien misschien van de papaver, aangezien deze al zaaddoosjes heeft). |
![]() |
| De paardebloem heeft overigens in de andere Europese talen wel een wat indrukwekkender naam. Zo heet de plant in het Engels Dandelion, in het Frans, Dent de Lion, in het Spaans, Diente de León, en in het Duits, Löwenzahn, dus Leeuwentand. Deze naam verwijst naar de getande bladeren. Het is zon veel voorkomende plant dat ie haast niet meer opvalt, maar als je er goed naar kijkt dan zie je hoe mooi de bloem eigenlijk is; zeker wel een naam als Leeuwentand waardig. |
![]() |
[N] De felgele bloem opent zich bij zonsopgang en sluit zich in de schemering en bij regen. De naam Taraxacum komt van het Griekse "taraxos" wat wanorde betekent en van "aka" wat remedie betekend. |
![]() |
| Foto's van de paardebloem bij gewoon en UV licht | ||
| [A] Heel wat volksnamen, zowel in het Nederlands als in andere talen, verwijzen naar de vochtafdrijvende eigenschappen van het kruid. Daarom is de paardebloem bekend onder de naam Pisbloem. In andere streken wordt/werd gesproken over Beddepisser, Beddezeeker, Bedpieser, Paddepister, Pis-in-'t-bed, Pissebed, Seekebed, Zeekers.... Andere namen verwijzen naar de getande bladeren, die men vergeleek met het stekelige van distels. Zo krijg je dan namen als Dissel of Distel, Zuurdistel, Zevendistel, Melkdistel... Het witte melksap gaf nog aanleiding tot andere benamingen: Melkbloem, Melkbladen, Melkwietsel, Melkriet.... Konijnen zijnen dol op paardebloem. Hiervan getuigen ook volksnamen als Knineblèden en Konijnengroen. De officiële naam paardebloem laat zien dat ook paarden het kruid als een lekker hapje beschouwden. Andere namen met die oorsprong zijn Paardsbloem, Hijnstebloem (hengstenbloem), Paardensla.... |
![]() |
| Namen als Kaarsjes, Pluimpje, Uitblazertjes, Brievenbesteller, Pluimbol verwijzen allemaal naar het uitgebloeide bloempluis dat door kinderen zo graag wordt weggeblazen. Kinderen maken vaak bloemslingers van de paardebloem. Vandaar namen als Kettingbloem, Kettekroet, Kettingstronk, Kettingspol. Namen als Papencrut, Papenblad, Papenstoelen, Monnikskop... zouden verwijzen naar de kale bloembodem die, als alle zaden afgevallen zijn, gelijkenis zou vertonen met de tonsuur van een geestelijke. Ook de namen Platters en Platgatters wijzen in dezelfde richting, want in de middeleeuwen heette die tonsuur 'platte'. |
|
| De namen die verwijzen naar 'hond', zoals Hoensbloem, hondeblöme, Hondeblômesloat... zou betekenen dat de plant als minderwaardig werd beschouwd. 'Molsla' tenslotte verwijst naar de wit gebleven paardebloemenbladeren die van onder molshopen werd opgegraven en als witlof werd gegeten. [D] Vreemd genoeg wordt de paardebloem niet genoemd door de schrijvers in de klassieke oudheid, hoewel de plant in overvloed groeide in alle gematigde gebieden van Europa. In China wordt de plant al in de 7de eeuw genoemd als medicinaal kruid. Binnen de Ayurveda wordt Paardebloem toegepast bij leverkwalen. Door de Arabische artsen wordt het kruid voor het eerst genoemd in de 10de en 11de eeuw, zij noemden de plant 'Taraxacon'. in Wales werd de plant ook veel in de middeleeuwen toegepast, tijdens de renaissance werd het kruid in toenemende mate gebruikt. [*] In 1546 beschrijft Bock de plant als urinedrijvend middel. Tabernaemontus (botanicus) roemt enige tijd later de wondhelende werking. Toch had men in vroegere eeuwen in de officiële geneeskunde weinig waardering voor de Paardebloem, al bleef het volksgebruik algemeen. In oude kruidenboeken wordt de Paardebloem beschreven als een soort andijvie. Consumptie van het blad in het voorjaar zou het bloed zuiveren. Paardebloem gold als verkoelend en heilzaam voor patiënten die door de koorts niet konden slapen. De plant vormt op zichzelf één van de best voorziene medicijnkastjes van moeder natuur. Vroeger gebruikten de boeren de Paardebloem om in het voorjaar hun huizen en stallen uit te roken, om de boerderij te reinigen van onzuiverheden. |
![]() |
| In het Cruijdeboeck van Dodoens staat er niet zoveel over: | |
![]() |
[D] Naem In Neerduytsch Papencruyt/ Honts roosen/ Canckerbloemen/ ende Scorftbloemen. Cracht ende werckinghe D Papecruyt es van crachten ende werckinghen der Cichoreyen seer ghelijck ende mach daervoor altijt ghebruyckt worden. E Item Papecruyt doet dat hayr dat aen die sceelen van den ooghen aver rechts wast uut vallen ende wel wassen/ alsmen tsap daer aen dicwijls strijckt. Dodoens stelt het op één lijn met cichorei, en bij de beschrijving daarvan treffen we een en ander aan dat op gebruik bij Antoniusvuur zou kunnen wijzen: [D] E Die selve bladeren met meel van gersten mout vermenght/ sijn goet gheleyt op dwilt vier/ ende alderhande heete gheswillen. G Item dit selve sap met ceruysse ende azijn vermenght/ es goet gheleyt ende ghestreken op alle gheswillen ende apostumatien die vercoelt behooren te worden/ ende op alle verhittinghen. Interessant is het waar hij het heeft over wildvuur en hete gezwellen en alle verhittingen. Maar je zou natuurlijk een band met Antonius als genezer van allerlei of zelfs alle kwalen kunnen zien en dan zouden alle kruiden in aanmerking komen om met hem te worden afgebeeld. En soms lijkt het daar ook wel op, zoals zal blijken uit het hoofdstuk hieronder. |
| [D] Sinds de 20ste eeuw wordt de plant gebruikt in de zogenaamde 'taraxacotherapie', voor nieren, blaas en constitutie. Voor de lever, bij geelzucht en een trage leverwerking. Ook bij hepatitis, verstopping van de lever en de galblaas, ook bij galstenen, stimuleert de galafvoer. Door de diuretische werking ook een goed middel bij reuma en jicht. Stimuleert de pancreas bij diabetespatiënten. Een zeer goede vochtdrijver, ook als het vasthouden van vocht wordt veroorzaakt door hartfalen. Heeft een mild laxerende werking. Bij branderige ogen, vermoeide ogen,. Ook voor huidproblemen die door problemen van de lever worden veroorzaakt (droog eczeem). |
![]() |
| Folklore en magisch gebruik [D] De wortel kan wanneer deze is gedroogd, worden gemalen; als men hiervan een thee maakt kan deze voorspellende krachten teweeg brengen. Ook kan men deze thee naast het bed zetten om geesten op te roepen. |
|
[N] De vruchten werden gezien als een orakel, zoveel parachutes na het wegblazen nog blijven staan zoveel kinderen zal hij of zij krijgen. En wanneer je alle parachutes weg kon blazen mocht je een wens doen. |
|
| [D] Als je wilt weten hoe lang je nog te leven hebt, blaas dan de pluisjes van een Paardebloem, zoveel als erop blijven staan, zoveel jaren heb je nog te leven. Op deze manier kun je ook de tijd lezen, zoveel pluisjes als er nog op de Paardebloem staan, zo laat is het. Om een boodschap aan een geliefde te sturen, kun je Paardebloempluisjes in zijn of haar richting blazen en je boodschap visualiseren. Als je Paardebloemblad begraaft in de zuidwesthoek van je huis, zal er een gunstige wind over blazen. |
![]() |
| [K] Paardebloemen komen op middeleeuwse schilderijen vaak voor als symbool van rouw, gemakkelijk te herkennen op schilderijen van de Kruisiging door vroege Vlaamse en Duitse kunstenaars. De paardebloem komt soms voor in onderwerpen die verband houden met de Passie, | |
| Randversieringen op Illuminaties en prenten |
| Op tal van prenten, illustraties, illuminaties en afbeeldingen van Antonius zijn bloemen, planten en vruchten afgebeeld. Hieronder geef ik slechts een paar voorbeelden; er zijn er veel meer. |
| Middeleeuwse prent 01 |
| Commentaar van Hans van Boxtel: Een mooi blad! Met duidelijk herkenbare planten. Deze schilder heeft beter gekeken of was begaafder dan die van prent 02 (hieronder). |
||
![]() |
Dit (rechts) is ongetwijfeld een Akelei (Aquilegia vulgaris). Dit is meteen te zien aan de bloem. Deze heeft 5 kroonbladeren die uitlopen in een zogenaamd spoor (ook al zie je er maar 4. Dat is ook op moderne fotos vaak het geval door het camerastandpunt). Bovendien is een ander kenmerk van de Akelei dat het blad driedelig is en elk deel weer in drieën verdeeld. Dat zie je goed bij het volledige blad net boven het midden. De vrijheid van de schilder is wel geweest dat hij de bloemen allemaal aan dezelfde stengel heeft geplaatst en dat is in het echt beslist niet zo. Maar gezien het golvende en zwierige karakter van de totale omlijsting is het wel te verdedigen om het zo te doen. |
![]() |
| Dodoens in zijn Cruijdeboeck is er heel kort over: Dese bloemen ... hebben in der medecynen gheen ghebruyck. Zouden deze bloemen hier dus alleen als randversiering dienen? | ||
![]() |
(Rechts) Ongetwijfeld de Goudsbloem (CalenduIa officinalis). En nog wel in de favoriete kleurstelling van Hans: oranje met een bruin hartje. | ![]() |
| Dit (links boven) is een mooier voorbeeld van het Viooltje (Viola) dan bij prent 02. Een goede poging om het enigszins gekartelde en ingesneden blad te schilderen en met ook een prima uitvoering van de 5 bloemblaadjes waarvan de onderste (vaak het grootmoedertje genoemd) de grootste is. Welke viool het precies is valt niet te zeggen maar wel heeft dit exemplaar een mooi geel hartje wat je bij veel violen tegenkomt. Nog een voorbeeld van goed kijken en uitvoeren van deze schilder. |
Er staat in Dodoens Cruijdeboeck niet veel over de Cracht en werckinghe van Goutbloemen en uit wat er staat kan je opmaken dat deze waarschijnlijk niets met genezing van het Antoniusvuur te maken hebben. | |
| In Dodoens Cruijdeboeck worden de Violetten wel uitgebreid beschreven, met vele geneeskundige toepassingen. | |
![]() |
Zo staat er onder meer over de Cracht en werckinghe: A Violetten in water ghesoden ende ghedroncken sijn goet tseghen die heete cortsen ende tseghen alle verhittinghen van der levere ende van alle inwendighe leden/ ende iaghen af duer den camerganck die heete geele cholerijcke vochticheden. Tselve doen oock/ dat sap/ syrope ende conserve van Violetten. C Die selve Syrope gheneest alle verhittinghen ende rouwicheden van der keelen alsmense dicwils in den mont neempt. Tselve doen oock dat suycker/ conserve ende tsap van Violetten. E Violetten ghestooten ende alleen oft met olie vermenght op thooft gheleyt leschen ende nemen af/ die hitte ende versueten die pijne des hoofts/ ende verwecken tot slapen/ ende maken die hersenen vochtich/ ende midts dyen sijn goet tseghen die verdrooginghe van den herssenen/ melancolie/ swaericheyt ende diepe ghepeysen. |
| F Violetten ghestooten ende met meel van gersten mout ghemenght/ sijn goet gheleyt op alle heete gheswellen ende apostumatien/ ende ghenesen die verhittinghe ende pijne der ooghen/ ende die heete sweeringhen ende swellinghen/ ende dat uutgaen des eersderms. H Tcruyt van den Violetten es goet ghebruyckt tseghen die heete cortsen/ ende verhittinghen van der levere/ ende verweckt den camerganck. Dit zou dus wel een plant kunnen zijn die een geneeskrachtige werking op sommige symptomen van het Antoniusvuur zou kunnen hebben. |
|
![]() |
![]() |
![]() |
| Onmiskenbaar op prent 01 zijn (links en boven) dit Ereprijzen. In de middeleeuwen was de Veronica officinalis, oftewel Mannetjesereprijs, nogal favoriet ook bij kruidkundigen. Belangrijke kenmerken zijn de 4 bloemblaadjes met een lichter hartje. De rozerode variëteit is mogelijk ook weer een schilders vrijheid, dan wel kende de schilder meer variëteiten van deze familie zoals de rode Waterereprijs (Veronica catenata). Goed mogelijk is het ook dat hij zowel de Mannetjesereprijs heeft geschilderd die lila-blauw is (maar niet zo rozerood) en de gewone ereprijs die echt diep blauw is. De Grote ereprijs is ook afgebeeld op het Isenheimer altaarstuk, en is dus op de andere plantenpagina al uitgebreid besproken. |
| Middeleeuwse prent 02 |
![]() |
Op deze illuminatie lijkt Antonius in een kruidentuin te staan met een kruidenboek in de hand. Er groeien weliswaar weinig kruiden in de tuin, maar de bloemen en peulen! eromheen zouden dan toch wel betekenisvol moeten zijn. | ![]() |
| Commentaar van Hans van Boxtel: De planten in de voorstelling van Antonius in de tuin zijn hier en daar een graspol met op de voorgrond rechts misschien een varenachtige, namelijk de Steenbreekvaren (Asplenium trichomanes). De bomen op de achtergrond zijn ook niet zo te duiden. Mogelijk is de boom rechts een naaldboom met kale onderstam wat je wel vaker ziet op sterk verarmde gronden. Een wat desolaat landschap. Wat de rest van de prent betreft, is het opvallend dat de schilder alle planten op deze voorstelling dezelfde blaadjes en bloemplantstengels geeft. |
||
![]() |
Deze plant is gezien zijn kleur en bloemblaadjes waarschijnlijk een Goudsbloem | ![]() |
| Hier valt niets over te zeggen. Er zijn 5 bloemblaadjes en een hartje. Dit zou uit kunnen wijzen op een composiet met zogenaamde buis en lintbloemen maar dan is het aantal lintbloemen (de 5) weer te weinig. Mogelijk alleen maar een "dichterlijke" vrijheid, decoratie? | ![]() |
![]() |
Deze plant (links) valt ook nauwelijks te determineren. Het lijkt op een soort van (eetbare) peul of boon (Phaseolus vulgaris) maar dit stemt niet helemaal overeen met het blad. | ![]() |
| Ondanks het feit dat de plant (rechts) niet geweldig geschilderd is, kan het haast niet anders zijn dan een viooltje (Viola) vooral gezien de plaatsing van de bloemblaadjes. Op prent 01 zien we een viooltje dat een stuk beter geschilderd is wat betreft de detaillering van een en ander. |
![]() |
Een fantasievolle en kleurige acanthusvoorstelling. De Acanthus is een geliefde plant in de architectuur (gebeeldhouwde zuilen van tempels en kerken etc.) en de schilderkunst. De schilder heeft hier beduidend meer werk van gemaakt dan van de overige voorstellingen welke veel minder fraai van uitvoering zijn en er eerder bij gepenseeld lijken te zijn. | ![]() |
|
![]() |
Overigens wordt in Dodoens Cruijdeboeck wel enige geneeskrachtige werking wellicht zelfs voor Antoniusvuur toegeschreven aan de Acanthus: | ||
| Deser wortelen gruen ghestooten sijn goet gheleyt op die verbrantheyt/ ende op die leden die uut huer ledt ende ioncturen gheweest hebbe/ ende dijsghelijck oock op die handen ende voeten daer tfledercijn in es. | |||
| Middeleeuwse prent 03 | |
![]() |
Een Chrysant maar dan wel zonder de kenmerkende bladtooi. |
| Een Goudsbloem. | |
| Duidelijk een Madeliefje (Bellis perennis). | |
| Een Chrysant zonder de kenmerkende bladtooi. | |
| Voor prenten 03 en 04 geldt dat de schilders enerzijds wel oog hebben voor detail maar anderzijds zonder aanziens des plants maar 1 soort blaadje schilderen voor toch echt verschillende planten. Gemakzucht? Het Madeliefje (Bellis perennis) wordt wel in Dodoens genoemd als geneeskrachtig kruid, zoals o.a.: A Cruyt van den Madelieven met den bloemen oft alleene/ sonderlinghe van den cleynen enden wilden/ in water ghesoden/ is goet ghedroncken tseghen die cortsen/ verhittinghe van der lever/ en van alle inwendighe leden. Maar verder lijkt het erop dat we met deze prenten al voorbeelden hebben van het prevaleren van de decoratieve functie boven de betekenis van de planten in geneeskrachtig opzicht. |
|
| Middeleeuwse prent 04 | |
| Ook op prent 04 lijkt Antonius in een kruidentuin te staan, een even desolate tuin als die van prent 02. | |
![]() |
![]() |
| Chrysanten zonder de kenmerkende bladtooi.
De Chrysant wordt in Dodoens Cruijdeboeck niet genoemd. |
|
![]() |
|
| Het meest schrijnende voorbeeld van misbruik van schildervrijheid. De bloem is zonder enige twijfel een Distel. Mogelijk de Wegdistel (Onopordum acanthium) maar ook de Wollige vederdistel (Cirsium eriophorum) kan heel goed. Dit alles vanuit het oogpunt dat de bloemkorf (het bekleedsel) ook stekels heeft en geen omwindsel zoals ook veel voorkomt bij de distels. |
|
| Evenzogoed heeft ook één van de distels (Onopordum acanthium) enige geneeskrachtige werking, zoals blijkt in Dodoens Cruijdeboeck: Die bladeren oft wortel van deser Distele sijn goet ghedroncken ende inghenomen den ghenen die van den cramp sieck sijn oft eenich ledt vercrompen oft ghespannen hebben/ als Dioscorides ende Galenus scrijven. Maar over de andere distels schrijft Dodoens: Natuere cracht ende werckinghe van desen Distelen es onbekent/ om dat sy in die medecynen gheen ghebruyck en hebben. |
|
| Prent 05 | Prent 06 |
| Ook op de wat 'modernere' prenten nummer 05 en 06 (ca. 1840-1852), in het Musée des Civilisations de l'Europe et de la Méditerranée [*], zijn bloemen en planten nadrukkelijk aanwezig. Maar nu lijken ze vrijwel alleen nog maar decoratief bedoeld te zijn. Hans van Boxtel geeft hierop het volgende commentaar: |
|
| De planten op prent 06 goed willen duiden is om moeilijkheden vragen omdat de bloemen helemaal niet sporen met het blad. Het blad lijkt het meest op de Aronskelk (Arum maculatum) maar de bloeiwijze die je er steeds bij ziet klopt in het geheel niet. Het is dus onduidelijk welke bloemen hier zijn geschilderd. De vrijheid van de schilder? | ![]() |
![]() |
|
| De planten op prent 06 kunnen niet anders dan een heleboel Chrysanten zijn. De hartjes zijn duidelijk zichtbaar wat kan betekenen dat we hier met de zgn. enkelvoudige of de anemoonvormige variëteiten van doen hebben. Daarnaast zijn er zeer klein afgebeeld, nog twee bloemen te onderscheiden. |
|
| Dit zou een Goudsbloem, maar dan met teruggeslagen bloemblad, kunnen zijn. | |
| We kunnen hier 6 bloemblaadjes tellen wat er op kan duiden dat we van doen hebben met een loot uit de leliefamilie. Gezien de gele meeldraden zijn of het Lenteklokje (Leucojum vernum) of het Zomerklokje (Leucojum aestivum) kandidaat. Maar deze planten hebben wel een duidelijke kelk en op het schilderij zijn de bloemblaadjes duidelijk teruggeslagen. Anderzijds zijn op dit schilderij alle bloemen afgebeeld met teruggeslagen bloem(=kroon)bladeren. | |
| Het kan ook nog zijn dat de Anemoonfamilie hier model heeft gestaan en dan zijn goede kandidaten de Berganemoon (Anemone narcissiflora) of Bosanemoon (Anemone sylvestris). [De laatste wordt besproken op de andere plantenpagina] Het is allemaal vrij tricky omdat die teruggeslagen bloemblaadjes determinatie moeilijk maken. Als uitsmijter: het zou ook nog het Zonneroosje (Cistus Salvifolius) kunnen zijn. | |
| Bij Dodoens vinden we over Leucojum vernum: Natuere ende werckinghe van desen bloemkens en is noch ter tijt niet bekent. Over Cistus albidus: Die bloemen van Cistus in wijn ghesoden ende ghedroncken/ stelpen alle loop des buycx/ ende alle bloetganck/ ende verdrooghen alle overvloedighe vochticheyt van der maghen ende van den anderen leden des buycx. Die bladeren van Cistus heylen ende ghenesen die cleyne wonden daer op gheleyt. |
|
| Twee schilderijen met bloemen |
![]() |
![]() |
| Twee schilderijen in Saint-Antoine-l'Abbaye uit de 17e eeuw, van Monnoyer (links) en Nicolas Robert (rechts). Schilderijen van boeketten van zomaar mooie bloemen waren op een gegeven moment erg populair in Europa, maar aangezien deze twee schilderijen zich het "hoofdkwartier" van de Antonianen bevinden, waar hun belangrijkste hospitaal was, zouden we kunnen verwachten dat dit bloemen van kruiden zijn die bij de genezing van Antoniusvuur werden gebruikt. |
|
| Vaandel van het Antoniusgilde van Stiphout |
| Op een vaandel van het Antoniusgilde van Stiphout zijn bloemen afgebeeld. Een aantal daarvan zijn heb hierboven al besproken [h], en een aantal op de pagina over het Isenheimer retabel [i], maar er zijn er ook bij die geen relatie, althans een mij niet bekende relatie, met Antonius lijken te hebben. En vraag één is, zijn dat zomaar decoratieve versieringen? En vraag twee is, geldt dat ook voor andere afbeeldingen van Antonius met bloemen om hem heen, zoals op Middeleeuwse illuminaties? |
|
Zoals op hun site staat te lezen, ... zijn er bloemen afgebeeld, die in Stiphout voorkomen:
|
![]() |
| Gebruiken met bloemen en planten en een vrucht bij Antoniusvieringen |
| Bloemen worden bij elke viering gebruikt, dus als een Antoniusbeeld met bloemen getooid is, hoeft dat niet altijd een speciale betekenis te hebben. Hoewel we er wel vanuit kunnen gaan dat de keuze voor de soort bloemen en de schikking toch ook niet helemaal toevallig is (links). Traditie zal daar toch een rol spelen. Zie verder Cultus en vieringen rond Antonius. Ook voor:
|
| Eén Antoniusdier |
| Armadillium vulgare | Pissebed, St. Anthony's Hog |
| Ik ben één vermelding van een Antoniusdier tegengekomen, en wel in Herbal Simples Approved for Modern Uses of Cure, van William Thomas Fernie. Hier volgt een vrij letterlijke vertaling: |
|
| De Zwijnluis [Hoglouse] of duizendpoot [Millepede] was de primitieve geneesmiddelen pil. Hij is te vinden in droge tuinen onder stenen, enz., en rolt zich op in een bal wanneer hij aangeraakt wordt. Ze worden ook wel Chiselbobs en Cudworms genoemd. Vroeger werden er van drie tot twaalf gedurende honderd dagen in Rijnwijn geweekt om alle vormen van kanker te genezen, of zij werden soms in een kleine tas rond de nek gedragen... In de oostelijke provincies zijn ze bekend als "Oude Zeugen" [Old Sows] of Sint Antonius zwijnen [St. Anthonys Hogs]. Hun Latijnse naam is Porcellus Scaber. In Wales noemt men het diertje de verschrompelde oude vrouw van het bos, het kleine varken van het bos, en het kleine grijze zwijn... |
![]() |
| Er zijn nog meer geneeskrachtige werkingen bekend. [*] Heel lang geleden aten mensen pissebedden tegen buikpijn. [*] De naam pissebed zou erop wijzen dat dit diertje in de volksgeneeskunde, net als de paardebloem die ook wel pissebed wordt genoemd als pisafdrijvend gold, en bedwateren voorkwam. En ook in het Frans worden zowel het diertje als de paardebloem pissenlit genoemd. |
![]() |
Fernie noemt dit dier wel Porcellus Scaber, maar gezien de verdere beschrijving zou de Latijnse naam Porcellio Scaber iets correcter zijn, waarmee namelijk pissebed bedoeld wordt en dus niet duizendpoot. Maar eigenlijk ga ik ervan uit dat Fernie de Armadillium vulgare bedoelt. Deze houtluis wordt namelijk pill-bug genoemd, omdat hij zich tot een balletje kan oprollen, en wordt daarom ook wel verward met de Millepede, duizendpoot. In het Nederlands heet deze oprolpissebed. |
| En qua beschrijving, als bosbewoner bijvoorbeeld, komt deze zeker dichter in de buurt van de volkse naamgeving het kleine varken van het bos. | |
![]() |
Hoe dit diertje aan de naam Sint Antonius zwijn is gekomen is onduidelijk. Omdat de volksnaam van het diertje van pig, varken of hog, zwijn afgeleid is, zou de naam Antonius door de associatie met het varken tot stand kunnen zijn gekomen. Anderzijds werd het diertje ook als medicijn gebruikt, zowel voor de mens als voor het vee (de Cudworm is naar de cud herkauwsel van de koe genoemd), dus daar zou ook een connectie kunnen zijn. |
| Het is trouwens ook een raadsel waarom dit dier Zwijnluis [Hoglouse] wordt genoemd, want een relatie met het zwijn lijkt er niet te zijn. Dat is wel het geval met een ander diertje dat ook Hoglouse wordt genoemd, namelijk Haematopinus suis, een echte luis, die als parasiet op varkens gedijt en die zijn naam dus meer eer aandoet. |
|
| Maar ook in Nederland in ieder geval in het zuiden wordt de pissebed met het varken geassocieerd. Zo wordt in Lottum, een dorp vlak bij Venlo, de pissebed kelderverken genoemd, en in het Woordenboek van Brabantse Dialecten zijn er de volgende aanduidingen: wild varken (o.a. in Tilburg, Kempen, Peel), kelderzeug, stekelvarken, varken, zeug, varkensbeest, keldervarken, varkenluis (Burcht) en varkensluis (Zwijndrecht, Hingene, Eikevliet en Puurs). Wat de associatie tussen varken en pissebed keldervarken, kelderzeug betreft, kwam ik in het Etymologisch dialectwoordenboek de uitleg tegen dat de pissebed grijs is, evenals het varken vroeger was (en niet roze, zoals nu) en dat de vele pootjes aan de vele tepels doen denken. Echt helder is het allemaal niet, maar dit lijkt me toch wel afdoende informatie over het Sint Antonius zwijn, hoe dan ook een zeer nederig en nuttig dier. |
![]() |
| De Armadillium weet ook een kunstenaar te inspireren. En hij noemt hem naast pillbug ook "rolly-polly". Het kunstwerk heet: Cirque du Soil I | |
| Tenslotte nog wat kruiden bij Dürer |
| Al googelend op de kruiden van Antonius kwam ik de aquarel van Dürer tegen. Deze heeft slechts zijdelings met het onderwerp te maken, maar is toch zo mooi en toch ook zeer interessant dat ik niet kan nalaten deze erbij te verwerken. En van het een komt het ander, dus heb ik ook de andere afbeeldingen van kruiden door Dürer erbij opgenomen. |
| Das große Rasenstück | De grote graszode |
![]() |
De aquarel De grote graszode van Albrecht Dürer, uit 1503, toont een stuk hooiland met diverse grassen en kruiden. Het jaartal 1503 is nauwelijks leesbaar verstopt in de donkere partijen in de rechter benedenhoek. In tegenstelling tot de eerste indruk wordt hier geen natuurlijke grasplag getoond. Het standpunt ligt zeer laag. De afbeelding kan daarom niet op het hooiland zijn gemaakt. Mogelijk werden de grassen afzonderlijk bestudeerd en getekend. Hoewel de studie slechts een natuuruitsnede toont, zijn de afzonderlijke grassen, alsook de paardebloem en de weegbree, als volledige planten afgebeeld, van wortel tot top of bloem. Onder de afgebeelde planten bevinden zich grote weegbree (Plantago major), ereprijs (Veronica chamedrys), duizendblad (Achillea millefolium), madeliefje (Bellis perennis) en paardebloem (Taraxacum officinale). |
| Op een Engelse site staan de verschillende grassen vermeld, zoals Kropaar (Dactylis glomerata), Fioringras (Agrostis stolonifera) en Veldbeemdgras (Poa pratensis); en verder nog het kruid Veldhondstong (Cynoglossum officinale). |
|
| Het lijkt historici niet duidelijk te zijn waarom Dürer de aquarel maakte en waarom hij deze verzameling grassen en kruiden koos. Deed hij het alleen maar als observator van de natuur, als schilderkunstige oefening, of bedoelde hij een verzameling geneeskrachtige kruiden te maken? Mij lijkt eigenlijk de laatste reden het meest waarschijnlijk. Want op de aquarel komen een aantal kruiden voor die ik in verband met Antonius besproken heb, zoals Ereprijs (Veronica chamedrys), Grote weegbree (Plantago major) en de Paardebloem (Taraxacum officinale) en deze twee laatste staan zowel op het retabel van Isenheim als op het schilderij van Bosch. Bovendien komen ook in het Cruijdeboeck van Dodoens alle andere planten voor: Duizendblad (Achillea millefolium) als Geruwe, Madeliefje (Bellis perennis) als Madelieven ende Kersouwen, en Veldhondstong (Cynoglossum officinale) als Hondtstonghe. Alleen de grassen worden bij Dodoens niet vermeld. |
|
| Ook het jaar waarin de aquarel gemaakt is, 1503, is interessant. Het retabel van Isenheim is in 1512-1516 tot stand gekomen en Mathias Grünewald kende ongetwijfeld (het werk van) Dürer. En misschien geldt dit ook wel voor de (navolger van) Jeroen Bosch die de Verzoeking van Antonius schilderde in c. 1500-25. |
| Türkenbund, Turkse lelie | Liebäugel, Gewone ossentong | |
![]() |
En Dürer schilderde nog meer geneeskrachtige kruiden, zoals de "Türkenbund" (Lilium martagon), 1495, de Turkse lelie, die in het Cruijdeboeck van Dodoens Lelikens van Calvarien/ Heydens bloeme ende wilde Lelien genoemd wordt.
En de "Liebäugel" (Anchusa officinalis), ± 1503/05, de Gewone ossentong, die in het Cruijdeboeck van Dodoens Ossentonghe genoemd wordt. |
![]() |
| Maria mit den vielen Tieren |
| Tenslotte wil ik nog even "Maria mit den vielen Tieren" uit 1503 vermelden. Er zijn meerdere versies van, waarvan ik de pentekening met aquarel hier toon die zich in het Albertina museum in Wenen bevindt, en de kopie daarvan door Jan Brueghel de Oudere in 1604 geschilderd, op een mij onbekende locatie. |
|
![]() |
![]() |
| Op deze afbeeldingen staan naast de vele dieren ook aardig wat planten, en naar we mogen aannemen niet zonder bedoeling. Helaas vallen op de afbeeldingen die ik op internet vond niet alle planten goed te onderscheiden. Ik meen links een iris te herkennen (Iris germanica of florentina), die ook bij Dodoens wordt genoemd, als Lisch over zee of Lisch. Op één site wordt de stokroos genoemd, en die valt inderdaad te onderscheiden, rechts van Maria (Alcea rosea) die bij Dodoens wordt vermeld als, Maluwe. En op een andere site onderscheid men de aardbei (Fragaria vesca),die bij Dodoens Eerdtbesien wordt genoemd. Dus ook hier weer zijn de identificeerbare planten geneeskrachtige kruiden. |
|
| En bij Van Eyck |
| Zoals Dürer wellicht Mathias Grünewald en de (navolger van) Jeroen Bosch beïnvloed heeft. zo zou hij zelf zeker beïnvloed kunnen zijn door Jan van Eyck. Hij heeft in ieder geval het belangrijkste werk van Van Eyck gezien, "De aanbidding van het Lam Gods", zoals blijkt uit zijn "Tagebuch der niederländischen Reise", uit 1521: |
| Wat dit bezoek betreft: |
| Interessant is wel dat op dat zeer realistische veelluik bijzonder veel bloemen en planten zijn afgebeeld, Van Eycks natuurschildering is niet alleen een verzamelplaats van middeleeuwse natuurkennis, zij is vóór alles een vindplaats van geschilderde poëzie." Ik laat er hier maar een klein deel van zien, maar de paardebloem (in het midden) is makkelijk te herkennen, evenals de weegbree en lelietje-van-dalen. |
![]() |
![]() |
| [K] In deze middeleeuwse, Hemelse tuin ziet men: witte druiven, granaatappelen, vlier, egelantier, vijg (grote struik) op de achtergrond en daarvoor van links naar rechts: (valeriaan, op dit fragment niet zichtbaar), rode anjers, wilde aardbeien, waarachter dalkruid, boerenwormkruid, Salomonszegel, en in het gras: nachtviolier, steenbreek, paardebloemen, een bladrozet van weegbree en rechts blad en bloem van de stinkende gouwe. Al deze bloemen hebben een speciale betekenis. Soms omdat ze heilzaam zijn, soms ook door hun geur (lekker ruikende planten werden gehaat door de duivel!) of door de vorm van blad of bloem. In het algemeen was het zo, dat drie-lobbige bladeren duidden op de Drieëenheid, alles met vierduidde op het kruis of de vier evangeliën, vijf op de vijf wonden van Jezus aan het Kruis, wit op de onschuld van Maria en blauw op haar trouw of het duidde op de hemel, rood duidde op het bloed van Christus en witte vlekken waren ontstaan uit de melk van de zogende Maria! Laag-bij-de grond-groeiende plantjes waren symbool van Nederigheid, en deze deugd was de allerbelangrijkste! |
| Voor meer planten en bloemen zie de pagina Antonius planten op het Isenheimer retabel . |
Veel geciteerde sites:
|
| contact: Adolf Hartsuiker |