Vita Antonii Abba's Iconografie Vuur Antonianen Kunsten Cultus Folklore Plant Dier Literatuur Paulus Hilarion Maria Simeon Adolphus
Nederlands Frans Italiaans Spaans Portugees Koptisch Duits Orthodox Engels Amerikaans Aziatisch
Antonius planten, bloemen en vruchten (deel drie)

Ik heb het overzicht van Antonius-planten over drie pagina's verdeeld.
Op de eerste pagina vermeld ik de planten die afgebeeld zijn op het Isenheimer retabel van Mathias Grünewald.
Op de tweede pagina vermeld ik planten afgebeeld op andere schilderijen en prenten.
Op deze pagina:
Planten genoemd naar Antonius. Kruiden tegen het Antoniusvuur.
Epilobium angustifolium / Sint-Antoniuslelie, Antoniuskruid, Wilgenroosje, Vuurkruid, Dondertoren;
Staphylea pinnata / Sint-Antoniusnoot, Sint-Teunisnoot, Pimpernoot;
Oenothera biennis / Teunisbloem; Rumex obtusifolius, Rumex crispus / Sint-Teunisbladeren & Sint-Antoniuswortel, Ridderzuring & Krulzuring;
Galanthus nivalis / Sneeuwklokje, Sint-Antoniusbloem;
Conopodium majus / Franse aardkastanje, Saint Anthony’s nut;
Stachys officinalis / Betonie, andoorn, koortskruid, Antoniustee, Antoniuskraut;
Brunella vulgaris / Brunel, Prunella, Godsheil, St. Antoniuskraut;
Plumbago europaea / Loodkruid, Herba St. Antonii.
Tussilago farfara / Klein hoefblad;
Capsella bursa-pastoris / St. James's Wort, Herderstasje;
Taraxacum officinale / Paardebloem.
Planten genoemd naar Antonius
Epilobium angustifolium Sint-Antoniuslelie, Antoniuskruid, Wilgenroosje, Vuurkruid, Dondertoren
[S] Het wilgenroosje behoort tot de teunisbloemfamilie, maar werd vroeger tot het geslacht basterdwederik (epilobium) gerekend. Van dit plantengeslacht zijn ca. 200 soorten over bijna de gehele wereld verspreid; in Nederland en België komen ca. tien soorten voor en bovendien veel bastaarden.

Volksnamen voor het wilgenroosje zijn Antoniuskruid, Sint-Antoniuslelie, Sint Antonius Laurier, Sint Antonius Teenrys, slangebloem, vuurkruid (massaal groeiend na bosbrand), sluimwederik, basterdwederik, dondertoren, hardijzers, witbeen (gebleekte scheuten werden als groente gegeten) en wilde salie.
In het Frans heet de plant Epilobe à feuilles étroites, Epilobe épi, Nériette, Osier fleuri of Fausse lysimaque, en Plante à feu, maar ook Epilobe de Saint Antoine, Laurier de Saint Antoine, Osier de Saint Antoine, Antonine, Herbe de Saint Antoine, Antoinette.
De Duitse benamingen zijn Antoni-Kraut, Antoniuskraut, Feuerkraut, Schweinskraut en Weidenröschen.
In het Italiaans: Erba di Sant’Antonio, Antoniana.
De Engelse benamingen zijn respectievelijk, Rose-bay en Willow-herb Codlins and cream, Spike-primrose, Hummingbird Flower, Hummingbird Trumpet en Fireweed.
Alleen in het Engels is er dus geen verwijzing naar Antonius.

De plant lijkt geen bijzondere geneeskundige eigenschappen te hebben. In het Cruijdeboek van Dodoens is het niet te vinden, maar in het kruidenboek van Bauhinus (1651) staat het epilobium wel vermeld als Antoniana vel S. Antonii herba, d.w.z. Antoniana of Sint-Antoniuskruid.
In dit geval denk ik dat deze plant niet zozeer om eventuele medicinale eigenschappen naar Antonius is genoemd maar eerder vanwege de associatie met het vuur, wat toch een typisch attribuut van Antonius is.
[*] Een andere betekenisvolle naam is Dondertoren, omdat de plant gebruikt werd om donder en bliksem af te weren, maar nog interessanter voor een herborist, omdat de plant verwerkt werd in de zogenaamde kruidwissen, een bundel van kruiden die geplukt werd en opgehangen om het huis tegen bliksem maar ook tegen duivelse krachten te beschermen.
Dit laatste kan dan een extra reden zijn geweest om de plant naar Antonius te noemen — als overwinnaar van de duivel — of vice versa, de plant die al naar Antonius vernoemd was in zo’n kruidwis te gebruiken.
Staphylea pinnata Sint-Antoniusnoot, Sint-Teunisnoot, Pimpernoot
[S] De algemene naam voor de vruchten van het plantengeslacht Staphylea is pimpernoot, van Duits Pimpernuss, d.w.z. ‘noot met klapperende pit’.
Er zijn ca. twaalf soorten, die voorkomen in de gematigde gebieden van het noordelijk halfrond. In Nederland en België komt het geslacht niet voor, wel worden enkele soorten als sierheester geteeld, echter niet algemeen. Een volksnaam voor de vruchten is (was?) Sint-Antoniusnoot, ook wel Sint-Teunisnoot.
Dodoens spreekt over de toen ook bij ons in het wild groeiende pimpernoot (vele gheuonden in Duytschlant ende somtijts oock hier te lande onder die haghen) en zegt dat het wilde ongheachte vruchten zijn, die op boompjes of struiken groeien. De blaadjes gelijken op die van de vlier, zegt hij, maar de pimpernoot heeft er minder en ze zijn groener. De bloempjes noemt hij wit ront en ghevult; na de bloeitijd worden ze gevolgd door ronde hole blaeskens, die in twee oft drie delen opgedeeld zijn, waarin gewoonlijk twee nootkens ligghen, waarvan de kern redelick suet is.
Hij vermeldt als inlandse naam pimpernoten, naast Sint Antuenis nootkens; in een latere uitgave heten ze Sint Anteunis Nootkens en ook St. Teunis-noot.
De reden van die naamgeving is niet duidelijk.


In het Cruideboeck staat erover:

[D] Naem
Dese wilde vruchten hebben gheenen naem in Griecx oft Latijn die ons bekent es/ In Hoochduytsch worden sy gheheeten Pimpernusz/ Hier te lande Pimpernoten/ ende Sint Antuenis nootkens...

Natuere Cracht ende Werckinghe
Van die natuere cracht ende werckinghe van desen nootkens/ en kunnen wy niet ghescrijven/ aenghesien dat sy nergherincx toe ghebruyckt en worden.

[*] In Engeland heet de struik Job's Tears of St. Anthony's Nut.

[*] Vanwege de vorm van de vrucht werd de struik in Brabant aangeduid met de naam 'klootzakkenboom'. Verder staan ze bekend als geveerde pimpernoot en paternosterbollekesboom.
[*] De Paternosterbollekesboom is een heel aparte struik. In de herfst zaten kleine ballonnetjes aan de takken. De wind nam die na een tijd mee. Als je zo'n decoratieve mini-ballon open maakte, zag je een bruin, hard zaadje, zo groot als een erwt. Het zaadje was beenhard. Ik vroeg aan zuster Odillia wat dat wel was. "Een paternosterbolleke" was het antwoord. Ik dacht eerst dat ze grapte, maar later werd me duidelijk dat het inderdaad de bruine bolletjes van een paternoster waren. De paters hadden er zo eentje aan hun pij hangen. Het waren onverwoestbare bollekes. Je kon er honderden weesgegroetjes mee bidden.

Misschien dat hier een relatie met Antonius ligt, voorzover één van zijn attributen een paternoster, een bidsnoer, met grote kralen is.
Oenothera biennis Teunisbloem
[S] De naam van de Teunisbloem, of Sint-Tunisbloem, verwijst wel naar Antonius, maar de bloem zelf heeft met de heilige niets te maken. Hoe de zaak precies in mekaar zit, is een vrij ingewikkeld verhaal, maar in het kort komt het neer op het volgende.
Teunisbloemfamilie is de Nederlandse naam van de plantenfamilie der Onagraceae, een familie die 24 geslachten en zowat 650 soorten telt en over de hele wereld verspreid is, maar die haar meeste vertegenwoordigers heeft in Amerika.
In Nederland en België zijn twee soorten, die in de 17e eeuw werden ingevoerd, geheel ingeburgerd. Het zijn de gewone teunisbloem (oenothera biennis), die vrij algemeen is op zandgrond, o.a. in de duinen, en de veel zeldzamere, kleine teunisbloem (oenothera parviflora).
In het Frans heet de teunisbloem herbe aux ânes, onagre, onagraire, oenothère, belle de nuit; in het Duits die Nachtkerze, in het Engels evening primrose. Ze wordt ook wel avond-uil, nachtbloem, nachtkaars of nachtschone geheten, omdat ze zich pas tegen de avond opent, en dan een heerlijk zoete geur verspreid.
Van “Antonius” is bij deze namen helemaal geen sprake. Hoe kwam dan de oenothera bij ons ook aan de naam teunisbloem, en dit pas sinds de 19e eeuw? De verklaring valt te zoeken in een naamsverwarring die in de plantkunde lang heeft geheerst.
Met de naam oenothera werd namelijk in vroegere eeuwen de basterdwederik ofwel Sint-Antoniuslelie (epilobium angustifolium) bedoeld (zie hierboven).
Daarenboven was de benaming oenothera zelf in de plaats gekomen van de vroegere naam onagra, waarmee het hele geslacht wederik werd aangeduid. Ook daarvan werden sommige soorten destijds in de volksmond naar Antonius genoemd.
Toen “onze” Teunisbloem in 1614 uit Amerika werd ingevoerd, kreeg ze de Latijnse naam onagra biennis. Later werd die naam gewijzigd in oenothera biennis, en zo erfde de bloem ook de volksnaam teunisbloem, die van oudsher met planten uit het geslacht onagra/oenothera verbonden is geweest.

Er wordt wel eens beweerd dat de Teunisbloem niet de bloem van Antonius Abt zou zijn, maar die van Antonius van Padua, omdat de bloem omtrent de jaardag van de laatste zou bloeien. Maar dat lijkt me toch niet zo waarschijnlijk. Voor zover ik weet wordt Antonius van Padua nergens Teun of Teunis genoemd en Antonius Abt juist zeer vaak.
En de hierboven aangegeven naamsverwarring wijst op zijn minst op een afleiding van de naam van Teunisbloem van de Sint-Antoniuslelie, waarbij de relatie met Antonius Abt wel duidelijk lijkt.


[*] De geslachtsnaam oenothera komt van de Griekse oinos, "wijn", en ther, "wild dier". Dit omdat de plant, met wijn begoten, de mensen vrolijk maakt en de dieren mak.
Een andere verklaring voor deze combinatie van woorden is dat wilde dieren de plant opzoeken vanwege de wijngeur.

[K] Een andere reden voor de naam zou zijn dat de eetbare (gekookte) wortel een geur als van wijn heeft. De bladeren werden tijdens de oorlog als surrogaat van tabak gerookt.
In het Cruijdeboek is de Teunisbloem niet te vinden — daarvoor kwam de plant ook te laat in onze contreien — maar elders blijkt wel dat de plant een opwekkende en/of geneeskrachtige werking heeft.

[*] De Teunisbloem wordt al vele eeuwen door verschillende Indianenstammen in Noord-Amerika gebruikt wegens zijn heilzame werking. De plant stond in hoog aanzien als middel wat kracht, gezondheid en vitaliteit gaf. Bladeren en wortels werden als een voedzame groente gegeten, de plantedelen werden in olie ingelegd en dan rauw verorberd.
Eveneens werd de plant als heilmiddel bij verschillende kwalen benut. Uit de bladeren werd een thee tegen diarree bereid en uit de bloemen een siroop tegen ademhalingsproblemen.
De zaden werden tot een brij gestampt, die werd toegepast bij huiduitslagen, kleinere wonden, steken en beten; zelfs de vrouwen gebruikten het als masker voor een reine en strakke huid.
In Engeland is er een magische folklore rond de Primrose, die ook wel Evening Star genoemd wordt. De laatste naam — star — heeft de bloem omdat deze een fosforescerend licht zou afgeven wanneer hij ’s nachts bloeit.
Uit de hierbij afgebeelde foto’s, waar de rechter met UV licht gemaakt is, blijkt wel dat de bloem er voor insecten heel anders uitziet dan voor het menselijk oog.
[*] Wanneer de Teunisbloem in een tuin geplant wordt of gedroogd opgehangen aan de voordeur, zal deze feeën aantrekken. Als je voor hun verzorging verantwoordelijk bent, moet je ze niet laten sterven! De feeën zullen door uw onzorgvuldigheid diep gekwetst worden. Terwijl de mensen slapen, maken feeën magische drankjes uit de dauw die zich op de Teunisbloem verzameld. Deze zelfde dauw geeft feeën hun magische krachten van onzichtbaarheid.
Rumex obtusifolius, Rumex crispus Sint-Teunisbladeren & Sint-Antoniuswortel, Ridderzuring & Krulzuring
[S] Rumex obtusifolius wordt volgens het Antwerpsch Idioticon aangeduid met de term sint-teunisblaren of weversblaren.
Deze wordt ook beschreven als een “plant met groote blaren die in de weiden groeit”, die elders Sint-Antoniuswortel wordt genoemd.
Volgens anderen is Sint-Antoniuswortel echter één van de vele plaatselijke namen voor de krulzuring (Rumex crispus), terwijl de ridderzuring onder meer bekend staat als riddersblad, wilde beet en smeerwortel.
In ieder geval slaat de naam Sint-Antoniuswortel op een of andere soort zuring. Of de plant zijn naam kreeg omdat hij destijds gebruikt werd bij de behandeling van Sint-Antoniusvuur, is niet bekend. Het lijkt echter niet onwaarschijnlijk, daar vermeld wordt dat de tot thee verwerkte bladeren en wortels van de Sint-Antoniuswortel gebruikt worden tegen uitslag en puisten als zijnde bloedzuiverend, waterafzettend en versterkend.
Bovendien is de smeerwortel zo genoemd omdat uit de wortelstok een papje werd bereid dat op botbreuken en wonden werd gesmeerd.
Rumex crispus
In het Cruideboeck van Dodoens worden alle zuringsoorten, waaronder Rumex obtusifolius onder één noemer beschreven, hoewel Rumex crispus er niet bij staat, met een uitgebreid scala aan geneeskrachtige werkingen. Ook de naam van Antonius komt er niet in voor, maar gezien de aard van de geneeskrachtige werkingen lijkt gebruik van zuring bij het Sint-Antoniusvuur wel mogelijk te zijn geweest.

[D] Cracht ende werckinghe
A Die bladeren van allen dese cruyden ghesoden ende voor spijse inghenomen maken saechten camerganck ende den buyck weeck. Tselve doet oock het water daer sy in ghesoden sijn ghedroncken.
B Die bladeren gruen ghestoten met olie van Roosen ende wat Sofferaens vermenght verteeren ende doen vergaen die saechte apostumatien ende gheswillen van den hoofde daer op gheleyt.
C Tsaet van Patich ende van Surckele met water oft wijn ghedroncken stopt den loop des buycx ende gheneest dat root melizoen/ ende beneemt dat walghen van den magen.
D Dit selve saet es oock seer goet tseghen die beet ende steeck van den scorpioenen/ alzoo dat die dit saet inghenomen heeft/ al wordt hy van een scorpioen gesteken gheen pijne oft weedom en ghevoelt.
E Die wortelen van desen cruyden in wijn ghesoden ende ghedroncken sijn goet tseghen die geelsucht/ doen water maken/ verwecken die natuerlijcke cranckheyt van den vrouwen/ ende doen den steen ende dat graveel breken ende rijsen.
F Die selve wortelen in azijn ghesoden/ oft rouw ghestooten/ ghenesen die ruydicheyt quade crauwagien ende alle uutwendige onsuyverheids des lichaems alsmense daer mede bestrijckt.
G Dwater daer dese wortelen in ghesoden sijn es oock seer goet tseghen dat iuecksel/ en quade crauwagien/ alsment daer in badet oft tlichaem daer mede wasschet.
H Wijn daer dese wortelen in ghesoden sijn/ versuet die pijne van den tanden/ in den mont ghehouden/ ende van den ooren daer in ghedaen.
I Die wortelen alzoo ghesoden verteeren ende doen sceyden die clieren ende gheswillen ontrent die ooren daer op gheleyt.
K Die selve wortel met azijn ghestooten verteeren ende ghenesen die herde milte/ ende alleen ghestooten ende op die heymelijcke plaetsen van den vrouwen gheleyt stelpt die vloet ende overvloedighe natuerlijcke cranckheyt van den vrouwen.
L Van desen wortelen vindtmen oock ghescreven dat sy aen den hals ghedraghen/ die croppen ende clieren doen vergaen.
Rumex obtusifolius
Gezien het nogal lokale karakter van de naamgeving, blijft het voor mij toch de vraag of we dit wel een ‘echte’ Antoniusplant kunnen noemen.
Galanthus nivalis Sneeuwklokje, Sint-Antoniusbloem
[S] Het sneeuwklokje, de witte, zeer vroeg ontluikende Galanthus nivalis, is nagenoeg de allereerste bloem van het voorjaar. Het bloempje staat onder diverse pittoreske namen bekend, zoals vastenavondzotje, zomerzotje, lichtmisbloempjes, snottebel spijtse duivelkens, juffrouwkens of zwaluweikens.
Een andere plaatselijke benaming is volgens Paque Sint-Antoniusbloem, meer bepaald te Vollezele. Waarom dit plantje (blijkbaar alleen te Vollezele?) naar Sint Antonius werd genoemd, is niet duidelijk. Misschien heeft het te maken met de feestdag van de heilige (17 januari), daar het sneeuwklokje omtrent die tijd bovenkomt. Maar veeleer zal het toch gebruikt zijn bij de behandeling van het Sint-Antoniusvuur, want het komt voor op het retabel van Isenheim.
Echter, in het overzicht van de planten op het retabel [R] wordt het niet genoemd, dus hoe [S] dit kan beweren is mij niet duidelijk.
Maar wat interessanter is, het sneeuwklokje wordt ook in Stiphout als Sint-Antoniusbloem aangeduid (zie hieronder).
[S] Bovendien is een smeersel van de fijngemaakte wortelbolletjes van dit plantje een volksremedie bij bevriezing, winterhanden en wintervoeten. Daar het Sint-Antoniusvuur handen en voeten aantast, lijkt het dus niet onmogelijk dat de plant ook daarvoor gebruikt werd. In ieder geval was Vollezele een bekend bedevaartsoord van Sint Antonius abt, zelfs nog tot in de jaren veertig van de 20e eeuw.
Zoals ik elders al schreef, ligt een verband met het bloeien van het sneeuwklokje rond de jaardag van Antonius niet zo voor de hand.
Want deze bloeit toch eigenlijk pas veel later, begin februari, en in vroeger eeuwen toen het veel kouder was in de winter, waarschijnlijk nog later. Veel namen associëren de plant uitdrukkelijk met februari — in het Engels bijvoorbeeld: Fair Maids of February.

Het verband zou nog eerder met de vorm te maken kunnen hebben — het klokje van Antonius.
Maar zoals de schrijver zelf al aangeeft is het alleen te Vollezele dat het blijkbaar Sint-Antoniusbloem genoemd wordt. Ik ben deze naamgeving verder nergens tegengekomen. Op zich dus wel een interessant plantje — zie ook de uitgebreide folklore beneden — maar toch niet echt een Antoniusplant.
In het Cruijdeboeck is Galanthus nivalis niet te vinden. Waarschijnlijk kwam de plant pas later met pelgrims uit Rome naar West Europa. Ook was er in de Middeleeuwen weinig bekend van eventuele medische eigenschappen van de plant, ook al beweert [S] wat anders.
Maar zoals ik al zei, er is een uitgebreide folklore rond het sneeuwklokje, op zich wel interessant.
[A] Tja, heel veel volksnamen voor dit bloempje geven aan dat men dit toch altijd een erg ‘bloot’ bloempje heeft gevonden. Zo wordt er gesproken over Akeneerske (naakte eerste), Akenjuffers, Akkene meisjes, Naakte mannetjes, Naakte wijfjes, Nakende aarsjes (hier lijkt het helemaal te gek te worden, maar aarsjes zijn niks anders dan kleine kinderen), Nakende mannetjes, Nakene meisjes enz…
Andere namen geven dan weer aan dat men het bloempje maar dwaas vond, om al zo vroeg te bloeien, en dan heeft men het over Febrewarigekje, Vastenavondzotjes…
En natuurlijk wijzen een heleboel namen op de klokjesvorm van de bloemetjes: Klökskes, Liedertjes (= luidertjes), Winterliedertjes.
De botanische naam van de plant, Galanthus nivalis, heeft dan weer een minder tot de verbeelding sprekende origine: De geslachtsnaam ‘Galanthus’ komt van ‘gala’ (melk) en ‘anthos’ (bloem), melkbloem dus, terwijl de soortnaam nivalis afgeleid is van het Latijn nix, wat sneeuw betekent.
[A] Voor wat betreft moderne medische toepassingen van het sneeuwklokje:
Een aantal jaren geleden werd uit het Kaukasische sneeuwklokje (Galanthus woronowii) de stof Galantamine geïsoleerd. Die stof wordt tegenwoordig gebruikt in de behandeling van de ziekte van Alzheimer en sommige andere vormen van dementie (onder de merknaam ‘Reminyl’).
De stof geneest de ziekte niet, en is ook niet in staat om de achteruitgang helemaal te stoppen, maar kan wel het proces vertragen.
En nu maken we even een hele grote sprong in de tijd, naar 9de eeuw voor onze tijdrekening, toen Homerus zijn Odyssea schreef.
Wellicht herinner je je het verhaal van Circe, die de bemanning van Odysseus’ schip vergiftigde. Odysseus zelf was echter beschermd door een kruid dat hij van Hermes had gekregen. Het gif dat Circe gebruikte, was waarschijnlijk een nachtschade-achtige plant, zoals bijvoorbeeld de Wolfskers. Tegenwoordig wordt vermoed, dat het kruid van Hermes wellicht het sneeuwklokje was, precies omwille van de werking van dat Galantamine, dat immers de effecten van giften zoals dat uit Wolfskers kan tegengaan.
[*] Sneeuwklokjes worden in zeer grote aantallen gevonden rond kloosters in Engeland. Men gaat er van uit dat pelgrims de bloem meebrachten vanuit Rome.

In het Engels heet het snow-drop, snow-flower, of white ladies of purificationflower en candlemass-bells. En die laatste namen wijzen op een bepaald religieus gebruik van het sneeuwklokje.
[*] Zo worden er op Maria Lichtmis of kortweg Lichtmis, dat op 2 februari gevierd wordt, sneeuwklokjes op het altaar geplaatst, als symbolen van de zuiverheid van de heilige Maagd, ofwel haar beeld wordt van het altaar gehaald en worden er sneeuwklokjes voor in de plaats gezet.
Het sneeuwklokje is dan ook beter op te vatten als een Maria-bloem dan een Antonius-bloem.
Overigens is Candlemass een gekerstende viering van een Keltisch voorjaarsritueel — Imbolc — gecentreerd rond de godin Brigid of Bride. Zij wordt wel afgebeeld met vuur in haar handen, of staand in het vuur, symbolisch voor de terugkeer van het licht.
En daar zou een overeenkomst kunnen zijn met Antonius als brenger en drager van het vuur, daar hij immers ook vaak wordt afgebeeld met vlammen in zijn hand en staand in het vuur.
Maar misschien is dat een beetje vergezocht.
Conopodium majus Franse aardkastanje, Saint Anthony's nut
De Nederlandse naam voor Conopodium majus is Franse aardkastanje. Het lijkt erop dat deze alleen in het Engels naar Antonius is vernoemd en Saint Anthony's nut genoemd wordt.
De soort heeft de Nederlandse naam te danken aan de kanstanjevormige wortelknol. De knol is eetbaar en heeft een zoete, aromatische, nootachtige smaak.
De wortel valt ook zeer in de smaak bij de varkens, en wordt daarom in het Engels pignut genoemd, en vanwege de associatie van Antonius met het varken, Saint Anthony's nut.
Varkens werden ook wel getraind om ze te vinden, net als met truffels.
Vroeger werden ze wel gegeten, vooral door kinderen, maar tegenwoordig schijnt dat niet veel meer voor te komen.
Maar vanuit een "medicinaal" perspectief lijkt de associatie met Antonius wat minder vanzelfsprekend, want zoals de herbalist Culpeper schrijft, vallen ze, “under the dominion of Venus; they provoke lust exceedingly, and stir up those sports she is mistress of." En John Peely, 1694 schreef: “Nuts peeled, boiled in fresh broth, pepper, nourishing stimulates the venery."
En dit soort Verzoekingen zijn nu net waar Antonius tegen streed, nietwaar.
Anderzijds heeft het zaad van de plant een wat meer geaccepteerde geneeskrachtige werking en zou het goed zijn voor de vochtafdrijving.
Tenslotte als folkloristische noot: in Ierland zou de aardkastanje gegeten worden door kabouters.
Stachys officinalis Betonie, andoorn, koortskruid, Antoniustee, Antoniuskraut
In feite kwam ik alleen in het Duits de naamgeving Antonius voor betonie tegen, [*] waar sprake is van Antoniustee en Antoniuskraut, naast de andere namen Batenie, Betonie, Botenge, Fleischblume, Katzenwedel, Pfaffenblume, Römerei, Zahnkraut, Teeblatt, Zehrkraut.
Is de plaats hier, tussen de Antoniusplanten, dan wel terecht?
Nu is betonie sowieso een heel interessant kruid, met vele geneeskrachtige eigenschappen. En, zoals zal blijken uit onderstaande beschrijvingen, beschikt het ook nog over de magische eigenschappen om als afweer tegen duivel en demonen gebruikt te kunnen worden. Tenslotte is het ook nog eens psychotroop. Al met al genoeg eigenschappen, dunkt mij, om toch wel bij Antonius te kunnen horen.
[A] In de Griekse en Romeinse oudheid was de betonie een zeer belangrijk geneeskruid.
De Griek Dioscorides heeft het over ‘Oinos Kesrites’ (Betonie-wijn), die als psychotroop (inwerkend op het zenuwstelsel) wordt beschouwd en Antonia Musa, de lijfarts van Keizer Augustus, schreef zelfs een monografie ‘De Herba Vettonica’ (Over het Kruid Betonie), waarin hij zevenenveertig aandoeningen noemt die behandeld kunnen worden met Betonie.
Later lijkt de betonie wat in de vergetelheid te zijn geraakt, hoewel ze in de middeleeuwen nog in kloostertuinen — ‘Bishop’s Wort’ — werd gekweekt.
Esculape trouve la betoine
Esculapius, de god van de medicijnen, vindt de betonie
In het Cruijdeboeck van Dodoens is er een hele reeks van fysieke kwalen die ermee genezen kunnen worden, maar geen ervan lijkt specifiek iets met Antonius of Antoniusvuur van doen te hebben.

[D] Naem
Betonie wordt gheheeten in Griecx Cestron ende Psychotrophon... In Hoochduytsch Braun betonick.
Cracht ende werckinghe
A Betonie in water ghesoden ende ghedroncken/ lost die urine/ ende breeckt den steen in die nieren/ zy suyvert ende reynicht die borst ende die longhene van den fluymen en van die ettere/ ende es mits dyen goet den ghenen die uutdrooghen ende die hoesten.
B Die bladeren van Betonie ghedroocht een vierendeel loots swaer met huenich water inghenomen/ sijn goet den ghenen die huer zenuwen ghetrocken worden oft ontcrimpen. Item den vrouwen die met die moeder ghequelt sijn.
C Die selve bladeren in der selver manieren ghebruyckt doen den vrouwen huer natuerlijcke cranckheyt comen.
D Item die ghedroochde bladeren van Betonie met wijn sijn goet den ghenen die van slanghen ende nateren ghebeten sijn gedroncken/ ende op die beten ende steken gheleyt. Dijsghelijcx oock den ghenen die fenijn inghenomen hebben. Ende alsmen dese bladeren te voren in neempt zoo bescermen zy den mensche van alle fenijn.
E Betonie opent ende gheneest die verstoptheyt van der lever/ milte/ ende van den nieren/ ende es goet tseghen die watersucht.
F Betonie met wijn ende water ghedroncken es goet tseghen bloetspouwen/ ende gheneest alle inwendighe ende uutwendighe quetsuren.
G Betonie met huenich water maeckt saechten camerganck/ ende es goet ghebruyckt tseghen die vallende sieckte/ rasernie ende weedom in thooft.
H Betonie met ghesuyverde huenich vermenght ende tsavonts naer den eten inghenomen sterckt die maghe/ ende doet die spijse verteeren ende beneempt dat ripsen ende opworpen. Tselve doet oock die conserve van Betonie met suycker ghemaeckt een boon groot inghenomen.
I Die wortel van Betonie ghedroocht/ ende met huenich water inghenomen doet spouwen ende taeye slijmachtighe fluymen ende andere quade vochticheden overgeven.
Een modernere beschrijving van de geneeskrachtige werking:
[A] Betonie is een kruid dat tegelijk een tonische (versterkende) en een ontspannende invloed uitoefent op het zenuwstelsel. Het is dan ook bruikbaar voor symptomen die samenhangen met angst en spanning. Het is verzachtend bij spanningshoofdpijn, maar wordt ook gebruikt bij hoofdpijn die samenhangt met verhoogde bloeddruk (en dan vooral als die hoge bloeddruk stress-gerelateerd is). Andere indicaties zijn faalangst, innerlijke onrust, en zenuwpijnen, vooral in het aangezicht.
De Engelse volksnaam ‘Woundwort’ slaat op het gebruik van de plant bij verwondingen, en door zijn samentrekkende en wondhelende eigenschappen is het kruid inderdaad ook te gebruiken bij de behandeling van vooral verse en eerder schone verwondingen.

In het Engels wordt betonie ook wel "St. Bride's Comb" genoemd, en is het dus gerelateerd aan de godin Bride, St. Bridget, die hierboven bij het sneeuwklokje al werd genoemd.
Maar afgezien van alle eventuele fysieke werkingen zijn ook de magische aspecten zeer interessant.
[A] Het kruid werd in de middeleeuwen gebruikt in liefdesbezweringen, maar ook om liefdesbetoveringen af te weren.
In elk geval werd de plant vaak gebruikt als bescherming tegen betovering, en verwerkt in amuletten. Er wordt ook gezegd dat de groeiplaats van betonie een magische plek, rijk aan positieve energie, aanwijst
Verder vinden we in de Flora Magica; De Plant In De Tooverwereld, van Teirlinck, de volgende beschrijving van de werking van betonie:
[*] Om het Kwade Oog en Betoovering te voorkomen of te genezen neemt men negen vleklooze Betoniebladeren, waarvan de kant (nl.~ het nervennet) niet door insekten is aangerand en negen greintjes zout in een nieuw en ongewasschen lijnwaden doek; men naait toe met ongebleekt garen. Alles wordt aan den hals gehangen, na het kruisteeken over het pakje gemaakt en twee of meer penningen voor den H.~ Geest geofferd te hebben: deze penningen steekt men in den offerblok of men geeft ze aan den priester.

En nog: [*] Betonie is een kruid van bescherming en zuivering. Het is een uitstekend kruid voor Magische genezing, en het beschermt tegen die duistere angsten en demonen die voortvloeien uit de eigen emoties en fantasie.
Dit was een zeer magisch kruid voor de Druïden. Het werd in het Midzomer vuur gegooid om te helpen bij de zuivering.
Het wordt ook verondersteld te beschermen tegen angstige visioenen en wanhoop.
Hildegard van Bingen (12de eeuw, Duitsland) gaf de aanbeveling om droomkussens met Betonie op te vullen om de slaper tegen nachtmerries te beschermen.
In Wales werd Betonie in de hoed gedragen om heksen op een afstand te houden.
Tenslotte: [*] Het werd in kerkhoven geplant om activiteit door geesten te voorkomen.
Brunella vulgaris Brunel, Prunella, Godsheil, St. Antoniuskraut
[K] Naast de Teunisbloem, die aan Antonius Abt is gewijd en zijn naam draagt, wordt ook de gewone brunella als Antoniusplant gezien; in de Elzas heet de brunella St. Antoniuskraut. In ons land was deze bekend als Godsheil en Godswondenkruid.
In de middeleeuwen werd de brunella vooral toegepast bij difterie.
[A] Prunella is postklassiek Latijn, een verkleinwoord van prunus = pruim, wat later door volksetymologie met Bruin in verband gebracht is en vervormd. Volgens anderen is de betekenis van prunella, “gloeiend kooltje”.
En er is de opvatting dat prunella een verbastering is van brunella, een verlatinisering van de Nederlandse naam bruynelle, dit naar de bruine schutbladen en bruine kelk. Die naam kan ook afgeleid zijn van het Duitse “die Braune”, een kaakziekte, die deze plant zou genezen, Duits Halskraut, Mundfaulzapfen.
In het Nederlands werd deze ziekte “bruyne” genoemd en was dus bruynelle het geneesmiddel daartegen. Zo lezen we in Den nieuwen Herbarius (1549): Bruynelle heet men daarom alsoo, want het heeft groote virtuyt teghen de bruyne oft ontstekinghe inden mondt. Inder Apoteken heet men dit cruyt Prunella.
Ook bij Dodoens treffen we "die sieckte der tonghen diemen den bruynen noempt" aan.

In het Cruijdeboeck meldt Dodoens het volgende:
[D] Bruynelle es tweederleye van gheslachte. Dierste gheslacht/ wordt gheheeten Senegroen/ dat tweede heeft den naem van Bruynelle behouwen.
Cracht en werckinghe
A Senegroen in water ghesoden ende ghedroncken doet sceyden dat bloet dat van binnen tlichaems ghestolt ende gheronnen es/ heylt ende gheneest alle inwendige ende uutwendighe quetsuren.
B Senegroen in der selver manieren ghebruyckt/ opent die verstoptheyt van der lever ende van der gallen ende es goet tseghen die geelsucht ende lanck duerende cortsen.
C Tselve water daer Senegroen in ghesoden es gheneest die vervuylde sweeringhen des monts ende des tantvleeschs alsmen den mont daer mede spoelt.
D Senegroen ghestooten ende versch op die wonden ende plaetsen daer die huyt af ghewreven es gheleyt/ heylt ende geneest die selve. Tselve doet oock tpoeder van gedroocht Senegroen daer in ghestroyt.
E Tsap van Senegroen gheneest oock die sweeringhen van der manlicheyt alst daer inne dicwils ghedruypt ende ghestooten cruyt daer op gheleyt wordt.
F Bruynelle in water oft wijn ghesoden ende ghedroncken heylt ende gheneest alle inwendighe ende uutwendighe wonden ghelijck Senegroen.
G Bruynelle gheneest oock die sweeringhen des monts/ ende es seer sonderlinghe tseghen die sieckte der tonghen diemen den bruynen noempt/ dat es als die tonge onsteeckt/ swert wordt ende seer dick swilt/ alsmen die selve in water siedt ende die mont daer mede dicwils spoelt/ naer voortgaende die generale.
[K] Op schilderijen van de Elzasser Primitieven zie je wel een vaasje met brunella afgebeeld in de buurt van het Christuskind! Men was er van overtuigd, dat er een beschermende kracht uitging van een dergelijke afbeelding.

In het Engels wordt de prunella "selfheal" genoemd, en Culpeper beschreef dit Venus-kruid als “in kwaliteiten en geneeskrachten dient het alle goede doelen”.
Alleen in het Duits is er een verwijzing naar Antonius, als St. Antonikraut. Het is wel een algemeen geneesmiddel dat “alle inwendighe ende uutwendighe wonden” geneest, en vooral die in de mond, maar het lijkt toch geen typisch geneeskrachtig middel tegen het Antoniusvuur te zijn.
Dus, kunnen we brunel wel als een Antoniusplant aanmerken? En waarom zou het in de Elzas naar Antonius vernoemd zijn?
Plumbago europaea Loodkruid, Herba St. Antonii
Op twee Duitse sites kwam ik een verwijzing tegen van loodkruid als Herba St. Antonii [*] en [*] maar ik vermoed dat deze informatie terug te voeren is op de laatste, het Apothekerlexikon van Samuel Hahnemann uit 1793.
Overigens wordt op beide sites niet uitgelegd wat de relatie is tussen Antonius en het kruid.
[*] Loodkruid is een vertaling van Plumbago, dat zelf weer is afgeleid van Latijn plumbum 'lood' en Grieks ago 'ik voer'. En die naam heeft dit geslacht gekregen omdat het sap van Plumbago europaea, een kruidachtige plant uit het Middellandse-Zeegebied, een loodgrijze verkleuring van de huid veroorzaakt wanneer dat met de huid in aanraking komt.
In de eerste plaats wordt het loodkruid als een middel tegen tandheelkundige ziekten en zweren gebruikt. De sterk ruikende wortel wordt gebruikt, en wordt Radix Dentellariae, Herba Dentellariae of Herba St. Antonii genoemd. Het kauwen daarop veroorzaakt door de brandende smaak een enorme speekselvloed.
Ook zou het al werken tegen kiespijn als het kruid op de pols wordt gebonden of zelfs als het alleen maar in de hand wordt gehouden. [Dit doet me denken aan het herderstasje waar hetzelfde beweerd werd, maar dan tegen neusbloedingen.]
Maar toch is het kauwen van het kruid niet aan te raden omdat op de huid die ermee in aanraking komt blaren ontstaan die in zweren kunnen ontaarden. Maar juist deze blaartrekkende eigenschap maakt het weer tot geneesmiddel tegen besmettelijke schurft.
Enige relatie met Antonius zou hooguit afgeleid kunnen worden uit het feit dat lijders aan het Antoniusvuur vroeger vaak tot de bedelstaf vervielen, en dat bedelaars gebruik maakten van de blaarverwekkende effecten van het kruid om de sympathie van de bevolking op te wekken.
Dit is ook een argument bij de boterbloem of het Sint-Antoniusraapje, welke eenzelfde effect zou hebben.

En de loodgrijze verkleuring van de huid die met het kruid in aanraking komt, dat doet wel een beetje denken aan de lijder aan Antoniusvuur die op het Isenheimer altaarstuk is afgebeeld. Die ziet ook zo grijs, met rode blaren en zweren. En een dergelijk vertoon zou dat zielige effect natuurlijk wel versterken.
Detail van het Isenheimer retabel, De Verzoeking van St. Antonius.
Kruiden tegen het Antoniusvuur
Op een Engelse site [U] kwam ik nog twee andere kruiden tegen die niet op het Isenheimer altaarstuk voorkomen en die ook niet qua naam aan Antonius gerelateerd zijn, maar waarvan wel beweerd wordt dat ze gebruikt werden om het Antoniusvuur te genezen, te weten klein hoefblad en herderstasje.
En de paardebloem, die op het schilderij van Bosch te zien is — en waarvan ik maar aanneem dat deze net als de planten op het Isenheimer retabel met de genezing van Antoniusvuur te maken hebben — zal ik ook nog vermelden.
Tussilago farfara Klein hoefblad
[*] De botanische naam Tussilago is afgeleid van tussis = hoesten en agere = verdrijven. De plant is dan ook gebruikt als hoestverdrijvend middel en tegen neuralgische aandoeningen.
De plant wordt als artsenijplant geteeld vanwege zijn slijm-, looi- en bitterstoffen, tannine, dextrine en bactericide stoffen. De bladeren worden gebruikt als omslagen bij gewrichts- en reumatische aandoeningen.
[A] Plinius raadde aan de bladeren van Klein Hoefblad te roken en de rook door een trechter in te ademen als middel tegen hoest. Ook door Dioscorides (een Grieks kruidkundige, in dienst van keizer Nero) wordt het als hoestbedarend middel beschreven.
Het gebruik van Klein Hoefblad als (medicinaal) rookkruid was op een bepaald ogenblik in Frankrijk dermate populair, dat het als herkenningsteken voor apotheken werd gebruikt.
Klein hoefblad is dus duidelijk al sinds lang een geneeskrachtige plant, maar in deze bronnen ontbreekt een verwijzing naar Antoniusvuur.
Daarom is natuurlijk zeer interessant belang dat Gerard schreef:
[U] "the green leaves do heal the hot inflammation called Saint Anthony's fire."
En die “hot inflammation” komt goed overeen met de beschrijving in het Cruideboeck van Dodoens als middel “dat wilt vier en alderhanden heete ghezwillen” geneest. Vanzelfsprekend doen ‘wildvuur’ en ‘hete gezwellen’ denken aan kenmerkende symptomen van het Antoniusvuur, maar Dodoens noemt het niet expliciet.

[D] Naem
In Hoochduytsch Roszhub oft Brant Lattich/ In Neerderduytsch Hoefbladeren/ Peerts clauw/ Brant lattouwe/ en S. Carijns cruyt.
Cracht en werckinghe
A Die gruene Hoefbladeren ghestooten/ ende met huenich ghemenghelt/ ghenesen dat wilt vier en alderhanden heete ghezwillen daer op ghestreken.
B Die drooghe Hoefbladeren op gloeyende colen gheleyt/ ende den roock daer af comende duer eenen treester in de mont ontfanghen es goet teghen den drooghen hoest en die dampicheyt op die borste/ ende doet sonder groote arbeyt oft pijne die Apostematien op die borste uutbreken.
C Dijerghelijcken cracht heeft oock die wortel als zy onsteken wordt/ ende den roock daer af inden mont ontfanghen wordt.
Capsella bursa-pastoris St. James's Wort, Herderstasje
[*] De Nederlandse naam herderstasje is ontleend aan de hartvormige, 6-9 mm lange hauwtjes, die het model hebben van de tas die vroeger door herders en boeren gebruikt werd. In de volksmond staat het ook bekend als lepeltjesdief, beursjeskruid, tasjeskruid, bloedkruid, eendepootjes, ganzetongen, lepels en vorken, moederstasje en tuinlepeltje.
De plant wordt in verschillende handelsproducten verwerkt. In de volksgeneeskunde werden/worden aftreksels gebruikt tegen bloedingen, ontstekingen van de urinewegen, en als kompres op open bloedende wonden.

[A] Het herderstasje werd in het verleden ook wel bloedkruid genoemd, omwille van zijn samentrekkende eigenschappen en het daaruit volgende gebruik bij bloedingen. En ook tegenwoordig wordt het herderstasje vooral gebruikt bij bloedingen. Het kruid wordt onder andere toegepast bij inwendige bloedingen maar ook bij uitwendige bloedingen zoals een bloedneus of bloedend tandvlees.
En in het verleden was het vertrouwen in de bloedstelpende kwaliteiten van het herderstasje wel heel groot. Men geloofde dat een bloeding uit het rechterneusgat gestopt kon worden door een herderstasjes-plant in de linkerhand te houden en omgekeerd.
Daarnaast heeft het herderstasje een regulerend effect op de bloeddruk: het verlaagt een te hoge, en verhoogt een te lage bloeddruk. Ook stimuleert het de bloedsomloop, en kan daarom een toepassing krijgen bij spataderen en zware benen als gevolg daarvan.
Een verwijzing naar Antoniusvuur vinden we slechts op één plaats:
[U] "Our old herbalists called it St. James's Wort, as a gift from that Saint to the people for the cure of various diseases, St. Anthony's Fire, and several skin eruptions."
St James”, dat is Sint Jacob (Santiago) van Compostella, en dan is het herderstasje dus beter op te vatten als een pelgrimstasje.
Dodoens zegt er het volgende over:
[D] Naem
In Hoochduytsch heetet Deschelkraut/ Seckelkraut ende Herten seckel/ hier te lande Teskens oft Vorsekens cruyt.

Cracht en werckinghe
A Teskens cruyt in water ghesoden ende ghedroncken/ stelpt den loop des buycx/ dat root melizoen/ tbloet spouwen/ tbloet pissen/ ende die overvloedighe vloet van den vrouwen/ ende alderhande bloetganck/ hoe ende in wat manieren dattet ghebruyckt worde/ ende is daer toe seer crachtich/ alzoo dat sommige scryven/ dattet het bloet stelpt al en worddet maer in die hant ghehouden/ oft over tlichaem ghedraghen.

Veel geciteerde sites:
  • [A] Annetannes Kruidenklets
  • [B] Bloemrijk; Honderd Kempische planten met een verhaal. Frans Hoppenbrouwers. (pdf)
  • [D] Dodoens, Rembert (Rembertus Dodonaeus) Cruydt-Boeck.
  • [K] Kerktuin NPB Wassenaar
  • [W] Natuurlijk welzijn

contact: Adolf Hartsuiker