![]() |
| Het Leven van de Heilige Hilarion, monnik |
| door Hiëronymus, priester en godgeleerde | |
| Proloog Leertijd bij bij Antonius De duivel Wonderen Correspondentie met Antonius Bezoek aan klooster van Antonius Paphos Folklore en Cultus rond Hilarion Het klooster van Hilarion in Gaza | |
| Het Leven van de Heilige Hilarion, werd waarschijnlijk in 390 te Bethlehem geschreven. Hiëronymus was een stormachtig, hartstochtelijk persoon die ook als kluizenaar in de woestijn probeerde te leven, maar zich daar toch niet goed bij voelde, waarna hij zijn energieën op een schoolser leven richtte. Terug in Rome, werd hij door de Paus overreed om Latijnse vertalingen van Hebreeuwse en Griekse manuscripten te maken. Jerome wijdde de rest van zijn leven aan deze taak. De legende over hem smukte zijn leven als kluizenaar en geleerde op, inclusief 'fantastische' episodes, zoals de verleiding, waaraan hij in de woestijn werd onderworpen, zijn visioenen, en 'zijn' leeuw die hij getemd had door een doorn uit zijn poot te verwijderen. De dag van Sint Hilarion in de Romeinse lijst van martelaren is 21 oktober.
|
![]() |
| Hilarion is als een vroege Christelijke asceet en 'woestijnvader' sowieso interessant , maar voor mij is hij toch vooral van belang vanwege zijn relatie met Antonius. Hilarion is twee maanden bij Antonius in de leer geweest (hoofdstuk 2), ze correspondeerden met elkaar (hoofdstuk 19), hij voorspelde zijn dood (hoofdstuk 24), en hij bezocht zijn klooster na zijn dood (hoofdstuk 25), waar hij al dan niet de 'tombe' van Antonius zag (hoofdstuk 26). | |
| Proloog | |
|
Voordat ik begin het leven van heilige Hilarion te beschrijven roep ik de hulp van de Heilige Geest in die in hem leefde en die hem met deugden overlaadde, opdat Hij mij op dezelfde manier met de woorden kan inspireren om hem te beschrijven, zodat mijn woorden recht mogen doen aan zijn daden. Want (zoals Crispus zegt) , zij die een leven van deugd leiden worden slechts geprijsd voorzover er begaafde schrijvers zijn om hun lof te zingen. |
Crispus was een Romeins geschiedschrijver uit 86-34 v.Chr. |
| Toen Alexander de Grote van Macedonië, die door Daniël brons wordt genoemd (Daniël 2.39), of luipaard (Daniël 7.4-7), of bok [Daniël 8.5), bij de tombe van Achilles kwam, riep hij uit: "Gezegend ben jij, oh held die voor eeuwig jong blijft, want jouw verdiensten zijn opgehemeld door niemand minder dan Homerus zelf. Evenzo wil ik het leven en de daden van deze grote mens bezingen als ware Homerus nog steeds onder ons om hem te begrijpen en onder zijn betovering te vallen. |
Volgens commentaren op deze passages in de Willibrord Bijbel symboliseren ijzer en "een vierde dier ... afschrikwekkend, angstaanjagend en geweldig sterk [met] grote ijzeren tanden [en] tien hoorns", het rijk van Alexander de Grote, en was Alexander zelf de hoorn van een "geitenbok" met "een opvallende hoorn boven zijn ogen" die "uit het westen" kwam "zonder de aarde te raken". |
Epiphanius, bisschop van Salamis (ca. 310-315 403) |
Ik weet dat de heilige Epiphanius, bisschop van Salamis in Cyprus, zeer lange tijd een metgezel van Hilarion was, en een korte brief te zijner lof heeft geschreven die een flinke circulatie heeft gekend. Maar het is één ding om de dode op een algemene wijze te prijzen, en een geheel andere om zijn deugden tot in alle details te prijzen. Maar wij die het werk voortzetten dat hij begon, doen dat niet om hem te verlagen maar om hem van dienst te zijn, en zo veroordeel ik de mopperaars die, niet tevreden met het bekritiseren van mijn verhaal over Paulus, nu over Hilarion klagen. |
| De eerste berispten ze voor zijn leven van afzondering; op de andere zouden ze kunnen vitten vanwege zijn betrekkingen met de wereld. De een was altijd uit het gezicht, daarom denken zij dat hij geen bestaan had; de andere werd gezien door velen, daarom wordt hij geacht van geen betekenis te zijn. | |
| De Farizeeërs van weleer deden precies hetzelfde en meer; en bekritiseerden zowel Johannes de Doper die in de woestijn vastte, als onze Lord en Redder die dronk en at te midden van veel mensen (Matteüs 11.18-19). Ik sluit mijn oren voor het geblaf van die dolle honden, en, ondanks hen, vat ik dit werk op zodat het vrucht kan dragen. En ik bid, O Heiligste Maagd, dat u altijd in Christus kunt zijn en me gedenkt in uw gebeden. |
18 Want Johannes is gekomen, hij at niet en dronk niet, en ze zeggen: Hij is in de macht van een demon. 19 De Mensenzoon is gekomen, Hij at en dronk, en ze zeggen: Kijk die veelvraat, die slemper, die vriend van tollenaars en zondaars. |
| Het leven |
| Hoofdstuk I De geboorteplaats van Hilarion was het dorp Thabatha, dat ongeveer vijf mijl ten zuiden van Gaza ligt, een stad in Palestina. Geboren uit ouders die de afgoden aanbaden, was hij, zoals het gezegde luidt, de roos die op de doornen bloeide. Zij stuurden hem naar Alexandrië om bij een Taalkundige te studeren, en de verslagen tonen aan dat hij daar in elk stadium van zijn leven zowel knap was als zich goed gedroeg. Kortom, hij was bekwaam in het spreken en populair bij iedereen. Zijn geloof in de Heer Jezus was groter dan dat van wie ook. Hij beleefde geen genoegen aan het met bloed bevlekte zand en de wreedheid van de arena, noch in de verloedering van de theaters. Zijn enige plezier bestond uit de samenkomsten van de Kerk. |
| Hoofdstuk 2 In die tijd hoorde hij de beroemde naam van Antonius, die onder alle volkeren van Egypte werd rond gebazuind, en hij werd door het verlangen bezeten om net als hem te leven en ging op weg naar de woestijn. Zodra hij hem had gezien veranderde hij zijn levensstijl volledig. Hij verbleef twee maanden bij Antonius, en zag zijn manier van leven en de integriteit van zijn karakter. Hoe ijverig hij steeds in gebed was, hoe bescheiden hij was in zijn interacties met de broeders, hoe streng in zijn berispingen, hoe enthousiast in het geven van aanmoediging! Zelfs ziekte kon hem er niet toe brengen de gebruikelijke strengheid van zijn onthouding van voedsel te breken. |
|
| Maar toen was Hilarion niet langer in staat om met de grote aantallen mensen om te gaan die naar Antonius kwamen op zoek naar hulp bij het overwinnen van hun hartstochten en aanvallen van demonen. Hij vond het een vreemde tegenstrijdigheid dat hij in de woestijn de menigten stadsmensen zou moeten verdragen, en hij dacht dat het voor hem beter was te beginnen zoals Antonius was begonnen. Zo zei hij: "Antonius is de beloning van zijn overwinning aan het oogsten zoals een held die zijn moed heeft bewezen. Ik ben nog niet eens begonnen aan de carrière van soldaat." | ![]() |
| Hij keerde daarom met een paar monniken terug naar zijn geboorteland, en omdat zijn ouders nu dood waren, gaf hij een deel van zijn bezit aan zijn broeders, een deel aan de armen, en behield hij totaal niets voor zich zelf, want hij herinnerde zich met ontzag de passage in de Handelingen van de Apostelen en vreesde het voorbeeld en de straf van Ananias en Saffira (Handelingen 5.1-5). Vooral was hij beducht voor de woorden van de Heer, "Hij die niet van alles dat hij heeft afstand heeft gedaan kan mijn discipel niet zijn." (Lucas 14.33) | 1 Ook een zekere Ananias verkocht, samen met zijn vrouw Saffira, een stuk grond, 2 maar hij hield met medeweten van zijn vrouw iets van de opbrengst achter en kwam slechts een gedeelte aan de voeten van de apostelen leggen. 3 Daarop zei Petrus: Ananias, hoe heeft de satan je zo in zijn greep kunnen krijgen dat je de heilige Geest bedriegt en iets achterhoudt van de opbrengst van het stuk grond? 4 Het was vóór de verkoop je eigendom, en ook daarna kon je toch vrij over het geld beschikken? Wat heeft je bezield om zoiets te doen? Je hebt niet gelogen tegen de mensen, maar tegen God. 5 Bij het horen van deze woorden viel Ananias neer en stierf, en alle omstanders werden door grote vrees bevangen. 33 Zo moet ieder van u afstand doen van alles wat hij bezit; anders kan hij geen leerling van Mij zijn. |
| Op dat moment was hij ongeveer vijftien jaar oud. |
En Antonius was toen 55, af te leiden uit Hoofdstuk 23, toen Hilarion 65 was en Antonius op zijn 105e stierf. |
| Aldus, ontdaan van al zijn bezittingen en alleen gekleed in de wapenrusting van Christus, ging hij langs de kust de wildernis in die links van de zevende mijlpaal vanaf Majoma begint, de marktstad van Gaza, als je richting Egypte gaat. Dit was een gevaarlijke plaats vanwege rovers, en zijn vrienden en familie hadden hem gewaarschuwd voor het gevaar dat hij zou lopen, maar zijn methode om de dood te vermijden was eenvoudigweg de dood te verachten. Een dergelijke moed op zon jonge leeftijd zou bijna ongelooflijk zijn, ware het niet voor de vlam die in zijn hart brandde en die zich toonde in het licht van geloof dat in zijn ogen fonkelde. Zijn wangen waren glad, zijn lichaam slank en gevoelig, maar hij maalde niet om ongemakken hetzij van de kou of van de hitte. |
|
| Hoofdstuk 3 Hij droeg een hemd van jute, met een overjas van huiden die Antonius hem als afscheidscadeau had gegeven, en hij had ook een ruwe deken. Hij leefde in deze enorme en vreselijke eenzaamheid tussen de moerassen en de zee, overlevend op vijftien vijgen per dag, die hij na zonsondergang at. En omdat het, zoals ik gezegd heb, een gebied was dat bekend was vanwege zijn rovers, was er niemand die daar leefde. |
|
| Toen de duivel zijn aanwezigheid opmerkte, pijnigde hij zijn hersens over wat hij zou kunnen doen om deze jonge man tot zich te bekeren. 'Ik zal tot in de hemel stijgen en zal mijn troon boven de sterren plaatsen, en ik zal als gelijk zijn aan het Hoogste, was eens zijn grootspraak geweest (Jesaja 14.13-14), maar nu zag hij zich verslagen door slechts een jongen. Om te voorkomen onder de voet gelopen te worden, wist hij met welke jeugdige zonde hij hem zou kunnen verleiden. | 13 U hebt bij uzelf gedacht: Ik klim naar de hemel, hoog boven Gods sterren plaats ik mijn troon; op de berg waar de goden samenkomen zal ik zetelen, op de hoogste toppen van de Safon. 14 Ik stijg hoog op de wolken, en word aan de Allerhoogste gelijk. |
| De duivel prikkelde daarom zijn zinnen, en ontstak in zijn rijpend lichaam het vuur van de wellust. Deze beginneling in de school van Christus werd gedwongen om over dingen te denken waarover hij daarvoor nooit had gedacht, en een hele optocht van ideeën overstroomde zijn geest over dingen waarmee hij geen ervaring had gehad. Hij werd boos over zichzelf en sloeg zijn borst met zijn vuisten alsof hij zijn gedachten door fysieke slagen kon wegjagen. "Jij kleine ezel!" zei hij tegen zijn lichaam, "ik zal ervoor zorgen dat je me niet vertrappelt.
De Verzoeking van Sint Hilarion |
![]() |
| Ik zal je geen gerst geven. Niets dan kaf! Ik zal je met honger en dorst temmen, ik zal je met zware vrachten belasten, ik zal je aan zowel koude als hitte onderwerpen! Zo zal je aan niets anders dan voedsel denken in plaats van aan genot!" | |
| Gedurende de daaropvolgende drie of vier dagen hield hij zijn geleidelijk verzwakkende lichaam in leven met het sap van kruiden en een paar gedroogde vijgen. Hij bad en zong constant psalmen, en hij bewerkte de aarde met een houweel, zodat het lijden van zijn vasten verdubbeld zou worden door de pijn van zijn lichamelijke arbeid. Hij weefde ook manden van biezen, in navolging van de monniken van Egypte en bracht het voorschrift van de Apostel in praktijk: Wie niet wil werken, zal ook niet eten (2 Tessalonicensen 3.10). Zijn vlees werd zo droog en uitgeteerd dat het bijna van zijn botten viel. |
10 Ook toen wij bij u waren, hielden wij u telkens deze regel voor: iemand die niet wil werken, zal ook niet eten. |
| Hoofdstuk 4 s Nachts begon hij huilende babys te horen, blatende schapen, loeiend vee, weeklagende vrouwen, brullende leeuwen, marcherende legers, en het lawaai alsof er een horde barbaren naderbij kwam, die de schrik om het hart deed slaan enkel door het geluid ervan te horen, zelfs voordat ze in zicht kwamen. Maar hij begreep dat dit allemaal trucs van de demonen waren, en hij viel op zijn knieën en maakte het teken van het kruis van Christus op zijn voorhoofd. Beschermd door die helm en door het schild van geloof vocht hij des te sterker terwijl hij daar zo lag, en keek om zich heen naar alle kanten en probeerde een glimp op te vangen van wat zo beangstigend was om naar te luisteren. |
|
| Plotseling, zonder enige waarschuwing, zag hij in het licht van de maan een vierwielige strijdwagen met dolle paarden die op hem af stormden. Hij riep naar Jezus, en plotseling opende de aarde zich vóór zijn eigen ogen en werd het gehele angstaanjagende schouwspel verzwolgen. "Het paard en zijn ruiter heeft Hij in de zee gegooid," (Exodus 15.21) zei hij, "en 'sommigen stellen hun vertrouwen in strijdwagens, sommigen in paarden, maar wij zullen in de naam van onze God triomferen'. (Psalmen 20.8) | 21 Mirjam zong het refrein: Zing voor de Heer, want Hij is de Hoogste; paard en berijder dreef Hij in zee. 8 De een zweert bij wagens, de ander bij paarden, wij zweren bij de naam van de Heer onze God. |
![]() |
Zo talrijk waren zijn verleidingen en zo verschillend de valstrikken van de demonen, dag en nacht, dat als ik die allemaal zou willen vertellen, dit boek niet groot genoeg zou zijn. Hoe vaak wel niet, als hij lag, verschenen er naakte vrouwen aan hem, hoe vaak wel niet verschenen er overdadige bankettafels als hij vastte! Soms als hij bad sprong een huilende wolf of een snauwende vos op hem af, en als hij psalmen zong werd er een gladiatorenshow vóór hem opgevoerd, en een pas gedode man viel voor zijn voeten neer en smeekte hem om een begrafenis. Op een keer bad hij met zijn hoofd op de grond. Zoals dat gaat met mensen, werd zijn aandacht afgeleid van zijn godsdienstoefeningen, en hij dacht aan iets anders. Een wagenmenner sprong op zijn rug, schopte hem in de ribben en bewerkte zijn schouders met een rijzweep. "Vort!" schreeuwde hij. "In galop! Wordt wakker! Je wilt je gerst toch krijgen, nietwaar?" De Verzoeking van Sint Hilarion |
| Hoofdstuk 5 Van zijn zestiende tot zijn twintigste beschutte hij zich tegen de zon en de regen in een kleine hut die hij van riet en gras had gemaakt. Daarna maakte hij een kleine cel voor zichzelf, die tot op de dag van vandaag nog bestaat, vier voet breed en vijf voet hoog. Dat was veel lager dan zijn eigen hoogte, hoewel het een beetje langer was dan zijn volledig gestrekt lichaam. Zoals je je kunt voorstellen, leek het meer op een doodskist dan een huis. Eén keer per jaar, met Pasen, schoor hij zijn haar af, en tot zijn dood sliep hij altijd op de kale grond of op een bed van biezen. Als hij eenmaal een juten hemd had aangetrokken waste hij het nooit, en hij zei altijd dat het te ver voerde om naar reinheid in geitenharen stof te zoeken. Ook verwisselde hij zijn hemd alleen maar als datgene dat hij droeg bijna aan flarden was. Hij had de Heilige Schrift uit zijn hoofd geleerd, en na het gebed en het zingen van psalmen, was het zijn gewoonte om deze te reciteren alsof hij in de aanwezigheid van God was. Omdat het saai zou zijn om de opeenvolgende stappen van zijn geestelijke groei afzonderlijk te vertellen, zal ik deze voor mijn lezer samenvatten, en zijn levenswijze in elk stadium beschrijven, en daarna zal ik terugkeren tot een juiste historische opeenvolging. |
| Hoofdstuk 6 Van zijn eenentwintigste tot zijn zevenentwintigste at hij, gedurende de eerste drie jaar, de helft van een pint linzen die in koud water werden geweekt, en gedurende de volgende drie jaar, droog brood met zout en water. Van zijn zevenentwintigste tot zijn dertigste leefde hij van wilde kruiden en rauwe wortels van bepaalde struiken. Van zijn dertigste tot zijn vijfendertigste bestond zijn voedsel uit een half gerstebrood en een klein beetje groente dat zonder enige olie werd bereid. Op dat punt vond hij dat zijn ogen nevelig werden en zijn gehele lichaam met een soort van ruwe en schurftige uitslag begon te branden, zodat hij wat olie aan zijn dieet toevoegde en met deze matige leefregel tot de leeftijd van drieënzestig doorging, zonder fruit, zonder linzen of wat voor smakelijke dingen dan ook. Toen hij zag dat zijn lichaam zwakker werd en het eind van zijn leven dichterbij kwam, gaf hij het eten van brood op, van zijn vierenzestigste jaar tot zijn tachtigste. De kracht van zijn geest was zo wonderbaarlijk, dat op een leeftijd wanneer anderen zich juist wat meer ontspanning veroorloven, het leek alsof hij als beginneling opnieuw aan de dienst aan God begon. |
Sint Hilarion van Cyprus of van Gaza. Toegeschreven aan Francisco Villamena. (Italiaan, 1566-1624) |
| Hij maakte een soort van zwakke soep van bloem die met olie werd gemengd, en woog daarvan ongeveer vijf ons af, dat zowel voor voedsel als drank diende. En zo ging hij verder met dit dieet, nooit zijn vasten voor zonsondergang verbrekend, zelfs niet op heilige dagen of als hij ziek was. | |
| Hoofdstuk 7 Maar nu is het tijd terug te keren naar de loop van de gebeurtenissen. Terwijl hij nog in de hut leefde, op de leeftijd van achttien jaar, kwam er s nachts een bende rovers op zoek naar hem, die of in de veronderstelling verkeerden dat hij iets had wat zij mee zouden kunnen nemen, of van mening waren dat zij belachelijk gemaakt zouden worden als een eenzame jongen voor hen geen angst zou voelen. Zij renden heen en weer tussen de zee en het moeras, van de avond tot het ochtendgloren, zonder zijn rustplaats te kunnen vinden. Pas toen de dag was aangebroken, ontdekten ze de jongen. Ze vroegen hem, half schertsend, "wat zou je doen als er rovers naar je toe kwamen?" Hij antwoordde, "hij die niets heeft, vreest geen rovers." Ze zeiden, "maar evenzogoed zou je kunnen worden gedood." "Dat zou kunnen," zei hij, "dat zou kunnen, maar toch vrees ik geen rovers omdat ik bereid ben om te sterven." Ze konden niet anders dan de standvastigheid van zijn geloof bewonderen, en nadat zij hem bekend hadden hoe zij de hele nacht blind hadden rond gezworven, beloofden ze om in de toekomst hun leven te beteren. |
| Hoofdstuk 8 Tegen de tijd dat hij tweeëntwintig jaar oud was, was zijn reputatie wijd en zijd bekend in alle steden van Palestina, met inbegrip van Eleutheropolis , waar een vrouw leefde, die zich door haar echtgenoot veracht voelde, omdat zij hem geen kinderen had gebaard, hoewel zij al vijftien jaar getrouwd waren. |
Eleutheropolis is een stad op ongeveer één dag reizen van Jeruzalem op de weg naar Ascalon. |
| Zij was de eerste persoon die stoutmoedig genoeg was om inbreuk te maken op de afzondering van de heilige Hilarion. Zonder vrees of wantrouwen omhelsde zij zijn knieën. "Vergeef me mijn onverschrokkenheid," zei zij, "maar luister alstublieft naar mijn problemen. Waarom kijkt u de andere kant op? Waarom probeert u weg te lopen van iemand die uw hulp nodig heeft? Bekijk me niet als vrouw, maar enkel als een volkomen erbarmelijk iemand. Vergeet niet dat het mijn sekse was die de Verlosser baarde, en dat 'het niet de gezonde is die een arts nodig heeft maar de zieke'. (Marcus 2.17) |
16 Toen de schriftgeleerden van de Farizeeën zagen dat Hij met zondaars en tollenaars at, zeiden ze tegen zijn leerlingen: Waarom eet Hij met tollenaars en zondaars? 17 Jezus hoorde dat en zei hun: Gezonde mensen hebben geen dokter nodig, maar zieke wel. Ik ben niet gekomen om rechtvaardigen te roepen, maar zondaars. |
| Dit was de eerste keer in al die tijd dat hij een vrouw gezien had, maar hij gaf zijn verzet op en vroeg haar waarom zij was gekomen en waarom zij huilde. Nadat hij de oorzaak van haar verdriet vernomen had, hief hij zijn ogen naar hemel op, spoorde haar aan om geloof te hebben, en huilde om haar toen ze vertrok. Nadat een jaar was voorbij gegaan kreeg ze een zoon. |
|
| Hoofdstuk 9 Dat was de eerste van de wonderen die hij heeft verricht. Een veel grotere maakte hem zelfs in nog wijdere kring bekend. Aristaeneta was de vrouw van Elpidius die later opperbevelhebber van de pretoriaanse garde werd. Zij stond in hoog aanzien bij haar eigen volk en nog meer bij de Christenen. Zij en haar echtgenoot en drie kinderen keerden naar Palestina terug van een bezoek aan de gezegende Antonius toen zij in Gaza halt hielden, waar al haar drie kinderen door de anderdaagse koorts getroffen werden en voor dood door de artsen werden opgegeven. De arme vrouw huilde ontroostbaar, en liep van het lijk van de ene zoon naar het andere, niet wetend voor welke het eerst te rouwen. De ziekte kan door iets in de lucht veroorzaakt te zijn, of misschien (zoals daarna duidelijk werd) eenvoudigweg opdat de naam van Hilarion, de dienaar van God, zou kunnen worden verheerlijkt. Want toen haar werd verteld dat er een monnik in de naburige woestijn was, had zij nauwelijks enige aansporing van haar echtgenoot nodig om al haar officiële waardigheid opzij te leggen en eenvoudig als een moeder te handelen. Zij besteeg een muilezel en begeleid door bedienden en eunuchen ging ze op weg naar Hilarion. |
![]() |
Bij het bereiken van de heilige riep zij uit, "in naam van het kruis en het bloed van Jezus, onze barmhartige God, ik smeek God om de dienaar van God naar Gaza te sturen, zodat mijn drie zonen aan mij kunnen worden teruggegeven, zodat de naam van de Heer onze Verlosser in die stad van heidenen kan worden verheerlijkt, en de goddeloze tempels van de afgod Marnas afgebroken zullen worden." "Nee, dat kan ik niet doen," antwoordde hij. "Ik verlaat nooit mijn cel. Ik ga nooit een huis binnen, laat staan de stad." Zij wierp zich op de grond. "Hilarion, dienaar van God," riep zij steeds weer uit, "geef me mijn drie zonen terug! Antonius heette ons in Egypte welkom. Wij hebben u nodig om voor ons in Syrië te zorgen." Iedereen daar barstte in tranen uit. Ook Hilarion kon het niet helpen en huilde. |
|
Wat kan ik verder nog zeggen? De vrouw wilde niet gaan tot Hilarion had beloofd dat hij na zonsondergang naar Gaza zou gaan. Toen hij daar kwam maakte hij het teken van het kruis over het bed en de droge en koortsige ledematen van elk van hen. Hij riep de naam van Jezus aan, en O de prachtige werkzaamheid van de Naam! het zweet barstte hen uit als uit drie fonteinen. Binnen het uur hadden zij voedsel genomen, herkenden ze hun treurende moeder en, met dankzegging aan God, de handen van de heilige man gekust. |
|
| Toen dit in het buitenland bekend werd, en de roem ervan zich wijd en zijd verspreide, stroomden de mensen van Syrië en Egypte naar hem toe, en velen geloofden in Christus en legden de gelofte van monnik af. Want op dat ogenblik waren er geen kloosters in Palestina, noch had iemand een monnik in Syrië gekend vóór de heilige Hilarion. Hij was de eerste, de stichter en de leraar van deze manier van het leven in de provincie. De Heer Jezus had de bejaarde Antonius in Egypte; in Palestina had hij de jeugdige Hilarion. |
Ik veronderstel dat hij Christelijke kloosters en monniken bedoelt. |
| Hoofdstuk 10 Facidia is een dorp dichtbij de stad Rhinocorura in Egypte. Een vrouw van dit dorp die al tien jaar blind was, werd door een aantal monniken die naar Hilarion gebracht. Zij vertelden Hilarion dat zij al haar geld aan artsen had besteed. "Als je aan de armen had gegeven," zei de heilige man, "wat je aan de artsen hebt besteed, zou je genezen zijn door de ware arts, Jezus." Zij huilde en smeekte om genade, waarna Hilarion haar in de ogen spuwde, in navolging van de Verlosser, en ze haar gezichtsvermogen meteen weer terugkreeg. |
| Hoofdstuk 11 Er was een wagenmenner in Gaza die zodanig door een boze geest werd bezeten dat hij geen van zijn ledematen meer kon bewegen, noch zijn hoofd draaien. Hij werd in een draagstoel naar Hilarion vervoerd, de enige beweging die hij nog kon maken, was met zijn tong die hij gebruikte om te smeken om hulp. Hem werd verteld dat hij niet kon worden genezen tenzij hij in Jezus geloofde en beloofde om zijn voormalige beroep op te geven. Hij geloofde, hij beloofde, hij werd genezen, en verheugde zich meer om de redding van zijn ziel dan om die van zijn lichaam. |
| Hoofdstuk 12 Nog een voorbeeld: Er was een zeer sterke jonge man, Marsitas genaamd, in de buurt van Jeruzalem, die zon vertrouwen in zijn eigen kracht had dat hij gedurende een lange tijd zon drie honderd pond op zijn schouders kon dragen. Dit zou een prijs in een wedstrijd voor gewichtheffen kunnen opleveren, want het was meer dan een lastdier kon dragen. Deze man werd geteisterd door een kwaadaardige demon; kettingen, boeien, sloten, zelfs deuren waren geen belemmering voor hem. Hij viel veel mensen aan door hun neuzen of oren af te bijten; van sommigen brak hij de voeten en van anderen de kaken. Iedereen was zo bang van hem dat zij hem als een wilde stier behandelden en hem met kettingen en kabels bonden die zij op elke mogelijke manier om hem heen wikkelden. Zij brachten hem naar het klooster waar de Broeders één blik op hem wierpen en versteend van angst raakten (want hij was enorm groot), en naar de Vader gingen om het hem te vertellen. |
|
| Hilarion ging zitten en gaf opdracht om Marsitas naar hem toe te brengen en zijn boeien los te maken. "Buig je hoofd, en kom hier," zei hij. Bevend boog de arme stumper zijn hoofd en durfde niet ongehoorzaam te zijn. Alle agressie stroomde uit hem weg en hij begon de voeten van Hilarion te likken terwijl hij daar zo zat. Hilarion sprak bezwerende woorden tegen de demon die de jonge man kwelde, en wist deze zo te tergen dat hij na zeven dagen naar buiten kwam. |
|
| Hoofdstuk 13 We moeten ook het verhaal van Orion vertellen, een rijke en vooraanstaande burger van de stad Haila dichtbij de Rode Zee, die door een menigte demonen werd bezeten. Met kettingen rond zijn handen, hals, zijkanten en voeten, zijn starende ogen dreigend van razende waanzin, werd hij naar Hilarion gebracht. |
|
![]() |
De Heilige liep met de Broeders een gedeelte van de Schrift te bespreken, toen Orion losbrak uit de handen die hem vasthielden, naar de heilige Hilarion rende, hem van achter vastgreep en hem optilde. Iedereen schreeuwde want ze waren bang dat hij de botten van Hilarion zou breken, verzwakt als ze waren door het vasten. Maar de Heilige glimlachte, hief zijn handen boven zijn schouders, vond het hoofd van de man, greep zijn haar, en trok hem voor zich neer, waardoor beide handen hun greep verloren. Hij plantte de zolen van zijn voeten aan weerskanten van de voeten van de man en riep, "Verlaat hem, jullie bende demonen! Verlaat hem!" Orion brulde, boog zijn nek achterover tot de kruin van zijn hoofd de grond raakte. "Heer Jezus!" schreeuwde hij. "Bevrijd me van mijn ellende! U bent de Heer van iedereen!" Wat ik u nu ga vertellen is ongekend: uit de mond van deze ene mens kwam een menigte stemmen voort en klonken als het ware de verwarde kreten van een grote massa mensen. |
| Demon die als kikker de mond van een bezetene verlaat | |
| Goed, ook hij werd genezen, en niet lang daarna kwam hij met zijn vrouw en kinderen naar het klooster om vele giften te brengt als uitdrukking van zijn dankbaarheid. De heilige richtte zich aldus tot hem, "heb je niet gelezen wat Gechazi en Simon overkwam, van wie de één een betaling aannam (2 Koningen 5.22-27), en de andere het aanbood (Handelingen 8.18-20), de eerstgenoemde om een zegening van de Heilige Geest te verkopen, de laatstgenoemde om die te kopen?" En toen Orion in tranen zei, "neem het en geef het aan de armen," antwoordde hij, "je kunt het beste je eigen giften verdelen, want jij loopt door de straten van de steden en kent de armen. Waarom zou ik streven naar wat tot iemand anders behoort? De armen zijn er in de ogen van veel mensen om zonder medelijden te worden uitgebuit. Maar je kunt niet beter doen, dan onbaatzuchtig te zijn zonder enig voordeel voor jezelf te zoeken." Orion lag uitgestrekt op de grond en huilde. "Wees niet bedroefd," ging Hilarion verder. "Wat ik heb gedaan deed ik zowel voor mijzelf als voor jou. En als ik deze giften zou accepteren, zou ik niet alleen God beledigen, maar het legioen van duivels zou terugkeren om u te kwellen." |
22 Hij antwoordde: Ja, maar mijn heer stuurt mij met de boodschap: Er zijn zojuist twee jongemannen van het gebergte van Efraïm bij me gekomen, leden van het profetengilde; wees zo goed en geef hun een talent zilver en twee feestgewaden. 23 Naäman antwoordde: Doe me een genoegen en neem twee talenten. En hij drong bij hem aan. Vervolgens liet hij twee talenten zilver in twee buidels doen en gaf die met twee feestgewaden aan twee van zijn knechten, die ze voor Gechazi uitdroegen. 24 Toen hij bij de Ofel gekomen was, nam hij ze van hen over, verborg ze ergens in huis en nam afscheid van de mannen. 25 Hij ging naar binnen en diende zich bij zijn heer aan. Maar Elisa vroeg hem: Waar kom je vandaan, Gechazi? Hij antwoordde: Uw dienaar is nergens heen geweest. 26 Maar hij zei tegen hem: Was mijn geest niet bij jou, toen iemand van zijn wagen stapte en je tegemoet liep? Moest je zo aan zilver komen, aan kleren, olijftuinen en wijngaarden, runderen, slaven en slavinnen? 27 Weet dan, dat jij en je nakomelingen voor altijd besmet zullen zijn met de ziekte van Naäman. Gechazi ging van hem vandaan en was door de huidziekte wit als sneeuw.
18 Toen Simon zag dat de Geest geschonken werd door middel van de handoplegging van de apostelen, bood hij hun geld aan 19 en zei: Verleen ook mij die macht, dat iedereen die ik de handen opleg de heilige Geest ontvangt. 20 Maar Petrus zei tegen hem: Naar de verdoemenis met je geld, als je denkt Gods geschenk met geld te kunnen kopen. |
| Hoofdstuk 14 En wie kan er zwijgen over Majomites van Gaza? Niet zo ver van het klooster was hij bouwstenen aan het hakken, toen hij plotseling volledig verlamd werd. Zijn medewerklieden droegen hem naar de Heilige en meteen daarna kon hij weer in perfecte gezondheid naar zijn werk terugkeren. Ik moet wel even uitleggen dat de kust van Palestina en Egypte oorspronkelijk uit zacht zand en grint bestond dat geleidelijk aan samengepakt werd en tot rots verhardde; en hoewel het dus voor het oog hetzelfde blijft, voelt het niet meer hetzelfde aan. |
| Hoofdstuk 15 Een ander verhaal heeft betrekking op Italicus, een inwoner van dezelfde stad. Hij was een Christen en hield paarden en wagens voor de arena om strijd te leveren tegen die van Duumvir van Gaza die een aanbidder van de afgod Marnas was. |
|
| Marnas (of Consus, de god van geheime plannen) werd vereerd in Romeinse steden sinds de tijd van Romulus, die de Sabijnen overwon en hun vrouwen greep, met behulp van zijn strijdwagens die zeven keer om hen heen renden en de paarden van de vijand versloegen. | Consus was ook de god van landbouw en vruchtbaarheid. Het festival van Consuelia, dat wordt verondersteld door Romulus ingesteld te zijn, werd op 31 Augustus gehouden. |
|
Nu had de rivaal van Italicus een tovenaar in dienst om door bepaalde duivelse toverformules zijn paarden aan te sporen en die van zijn tegenstander terug te houden. Italicus ging daarom naar de heilige Hilarion en smeekte hem om hulp, niet zozeer om zijn tegenstander te benadelen als wel om bescherming voor zichzelf. Het leek absurd voor de eerbiedwaardige oude man om gebeden aan dit soort trivialiteiten te verspillen. Hij glimlachte daarom en zei, "waarom zou je niet liever de verkoopprijs van de paarden aan de armen geven voor de redding van je ziel?" "Maar de paarden zijn staatsbezit," antwoordde hij. "Ik kan ze niet behandelen zoals ik wil, maar alleen zoals mij wordt verteld. En als Christen kan ik van de magische kunsten geen gebruik maken. Ik roep dus liever de hulp in van een dienaar van Christus, vooral tegen de mensen van Gaza die de vijanden van God zijn, en niet zo zeer voor mijn eigen belang, als wel omwille van de Kerk van Christus die zij verachten." Op verzoek van de aanwezige Broeders gaf Hilarion daarom opdracht om de kleibeker waaruit hij gewoonlijk dronk, met water te vullen en aan Italicus te geven. Deze nam de beker aan en sprenkelde het water over de stal, de paarden, de wagenmenners, de strijdwagens, en de obstakels van de arena. Zijn rivaal maakte er een grote grap van, ter vergroting van de opgewonden belangstelling van de mensen, want hij beloofde aan het publiek de overwinning voor zichzelf en de mislukking voor Italicus. Toen het teken werd gegeven, vlogen de paarden van Italicus als de wind en de wielen van zijn strijdwagen waren enkel een vaag beeld, terwijl de andere paarden worstelden om hem bij te houden en ver achter bleven. De kreten van de menigte zwollen aan tot een gebrul, en de heidenen zelf verklaarden met één stem dat Marnas door Christus was verslagen. Hierna eisten de tegenstanders in hun woede dat Hilarion, aangezien hij een Christelijke magiër was, naar zijn executie zou moeten worden gesleept. Maar men kan niet ontkennen dat de overwinning hier en in veel arenas daarna vele mensen tot het geloof bracht. |
El milago de St. Hilarion (Het Mirakel van St. Hilarion) |
| Hoofdstuk 16 In de marktstad van Gaza was een jonge man wanhopig verliefd op zijn buurmeisje, een maagd van God. Keer op keer probeerde hij allerlei tactieken, zoals aanrakingen, grappen maken, met zijn hoofd knikken, fluiten, en meer van dat soort dingen waarmee men hoopt om iemands maagdelijkheid te veroveren, maar zonder succes. Dus ging hij naar een magiër in Memphis, met het idee hem over zijn beroerde situatie te vertellen, en dan versterkt met magische kunsten terug te keren voor een hernieuwde aanval op de maagd. Na een jaar van onderricht door de priester van Aesculapius, die geen zielen heelt maar hen vernietigt, kwam hij terug, vervuld van de wellust die hij zijn geest eerder had toegestaan om zich mee te vermaken, en begroef hij onder de drempel van het huis van het meisje bepaalde magische formules en weerzinwekkende afbeeldingen gegraveerd op een plaat van Cypriotisch koper. Meteen begon het meisje tekenen van krankzinnigheid te tonen, haar hoofddoek weg te werpen, haar haar uit te trekken, met haar tanden te knarsen, en luid de naam van de jonge man te roepen. Haar intense hartstocht werd tot razernij. Haar ouders brachten haar daarom naar de bejaarde heilige in het klooster, en de duivel in haar begon ogenblikkelijk te janken en zich bloot te geven. "Ik werd gedwongen, schreeuwde hij, ik werd tegen mijn wil in weggevoerd, net toen ik plezierig bezig was de mannen van Memphis in hun dromen te verlokken! Oh, de pijnen, de martelingen die ik nu lijd! U probeert me uit te drijven, maar ik word vastgehouden door de bezweringen en amuletten onder de drempel. Ik kan niet uit haar gaan tenzij de jonge man die me daar houdt me laat gaan." De oude man antwoordde, "Jouw kracht moet inderdaad groot zijn, als een beetje draad en een plaat je vast kunnen houden. Vertel me, hoe durfde je binnen te gaan in deze maagd die tot God behoort?" Om een dienaar voor die maagd te zijn," zei hij. "Wat, jij een dienaar? Jij, de beschermer van de kuisheid? Waarom ging je niet liever degene binnen die je stuurde?" "Hoe kon ik bij hem binnen gaan, als hij al mijn collega, de liefdesdemon, in zich had?" |
|
![]() |
Nu wilde de heilige geen opdracht geven naar de jonge man of naar de amuletten te zoeken, voordat het meisje een proces van zuivering had ondergaan, uit angst dat men zou kunnen denken dat hij de demon door middel van toverformules had uitgedreven, of dat hij zijn geloof had aangepast om zich naar de woorden van demonen te schikken. Demonen waren meesters van misleiding, zei hij, en uiterst bekwaam in veinzen. In plaats daarvan genas hij de maagd door haar te berispen, en haar te doen inzien wat het in haar was dat de demon had mogelijk gemaakt binnen te komen. |
| Hoofdstuk 17 Zijn beroemdheid begon zich verder te verspreiden, niet alleen in Palestina en de naburige steden van Egypte en Syrië, maar ook tot in de verre provincies. Want Keizer Constantinus had onder zijn personeel een privé-leraar, met het rode haar en de blanke gelaatskleur die toonden waar hij vandaan kwam (want hij was een van de Saksers of Alamanni, die in het verleden Germanen genoemd werden, maar nu Franken). Vanaf vroege leeftijd al was hij bezeten door een demon die hem s nachts dwong om te huilen en te kreunen en zijn tanden te knarsen. Hij vertelde dit eerlijk aan de Keizer en vroeg om verlof, dat hem werd verleend. Hij kreeg introductiebrieven voor de Consul in Palestina, vanwaar hij met veel vertoon in een grote stoet naar Gaza werd geleid. Daar vroeg hij de lokale senatoren hoe hij Hilarion kon vinden. Zij waren doodsbang, want ze dachten dat hij speciaal door de Keizer was gestuurd, maar namen hem mee naar het klooster, hem alle eerbied betonend, in de hoop dat als de Keizer zich beledigd zou hebben gevoeld door om het even welke krenkingen Hilarion door hen in het verleden aangedaan, zij dit door hun plotseling hervonden voorkomendheid zouden kunnen herstellen. Hilarion liep wat heen en weer op het zachte zand, terwijl hij een passage uit de psalmen neuriede. Toen hij deze grote menigte naar zich toe zag komen stond hij stil. Ze begroetten elkaar en hij hief zijn hand op en gaf hen zijn zegen. Na een uur vroeg hij iedereen om weg te gaan, behalve de privé-leraar, zijn persoonlijke bedienden en ambtenaren. Door naar zijn ogen en gezicht te kijken kon hij zien waarom hij was gekomen. |
|
Demon verlaat bezetene via de mond (kb) |
Evenzogoed vroeg hij hem waarom, en de privé-leraar sprong op, op zijn tenen, zodat hij de grond met zijn voeten nauwelijks nog raakte, en antwoordde met een hard gebrul in de Syrische taal en je zou zuiver Syrisch hebben horen stromen van de lippen van een barbaar die slechts Frankisch kende en Latijn, zonder accent, geen geaspireerde klanken, niet één misplaatste Palestijnse idiomatische uitdrukking in zijn spraak! De boze geest bekende toen in die taal met wat voor methoden hij binnen was gekomen, maar opdat de tolken die slechts Grieks en Latijn kenden, het ook zouden begrijpen, vroeg Hilarion hem om in het Grieks te spreken. "Veel bezweringen en toverformules waren nodig," bekende de geest, "en ik moest gebruik maken van alle magische kunsten die mij ten dienste stonden." "Het kan me eigenlijk niet veel schelen hoe je binnenkwam," antwoordde Hilarion, "maar ik beveel dat je er nu uit komt, in naam van onze Heer Jezus Christus." |
| De man was genezen, en met een soort boertige eenvoud bood hij Hilarion tien pond goud aan. Hilarion bood hem onmiddellijk wat gerstbrood aan. "Iedereen die tevreden is met gerstbrood," zei Hilarion, "heeft aan goud niet meer dan aan slijk." |
|
| Hoofdstuk 18 Tot zo ver dan het spreken over mensen. Ook redeloze dieren, die in een staat van razernij verkeerden, werden dagelijks naar hem toe gebracht. Een zon dier was een enorme Bactrische kameel die al vele mensen had verwond. Er waren dertig mensen of meer voor nodig om hem met sterke kabels te beteugelen en naar Hilarion te brengen. Zijn ogen waren bloeddoorlopen, hij schuimbekte, zijn gezwollen tong rolde in het rond, en zijn oorverdovende gebrul joeg iedereen in de buurt schrik aan. De oude man gaf tot opdracht om hem los te maken. Niemand uitgezonderd, vluchtten zij allemaal, zij die hem hadden gebracht zowel als degenen die bij Hilarion waren, tot slechts Hilarion overbleef die voor hem bleef staan. |
|
| "Jij duivel," zei Hilarion in het Syrisch, "je maakt me, niet bang, hoe reusachtig je huidige lichaam ook is! Kamelen en kleine vossen (Hooglied 2.15) zijn tenslotte toch precies het zelfde." En hij stond daar maar, met zijn hand uitgestrekt. Het woedende dier rende op hem af, alsof hij op het punt stond hem te verslinden, maar stopte toen plotseling en boog zijn hoofd tot op de grond, tot verbazing van alle toeschouwers dat zon woest dier plotseling zo tam kon worden. |
15 Vang de vossen voor ons, de geniepige vossen, die de wijngaard vernielen, onze wijngaard die in bloei staat! |
| "Het is vanwege de mensen dat de duivel zelfs de lastdieren bezeten maakt," vertelde Hilarion hen. "De duivels zijn zo vervuld van een haat naar mensen, dat zij ernaar verlangen om niet alleen hen te vernietigen maar ook alles wat tot hen behoort. Als bewijs hiervan zie je dat de duivel alles vernietigde wat Job bezat voordat hij Job aan zijn beproeving onderwierp (Job 1.12). |
12 Toen zei de Heer tegen de satan: Goed, alles wat hij heeft is in uw hand, alleen van hemzelf moet u afblijven. |
| En laat niemand tegenwerpen dat het op bevel van de Heer zelf was dat tweeduizend varkens door de duivels naar hun dood werden gezonden (Markus 5.8-13). Want zij die het wonder gadesloegen zouden niet geloofd kunnen hebben dat zo veel demonen uit één mens konden worden verdreven, tenzij even zoveel varkens alle tezamen waren omgekomen, alsof elk individueel door het legioen werd voortgedreven. | |
![]() |
8 Want Hij had hem gezegd: Onreine geest, ga weg uit die man. 9 Jezus vroeg hem: Wat is uw naam? En hij antwoordde: Mijn naam is Legio, want we zijn met velen. 10 En hij smeekte Hem, hen niet het land uit te sturen. 11 Nu weidde daar tegen de berghelling een grote troep varkens. 12 Ze smeekten Hem: Stuur ons naar die varkens om daarin te gaan. 13 Hij stond hun dat toe. De onreine geesten kwamen eruit en gingen de varkens in, en de troep stoof de helling af, het meer in, zon tweeduizend, en ze verdronken in het meer. |
| Hoofdstuk 19 De tijd staat me niet toe om alle wonderen te vertellen die door deze man werden gedaan. God gaf hem zo veel glorie, dat toen de heilige Antonius over hem hoorde, hij aan hem schreef, en met veel genoegen in ruil daarvoor brieven van hem ontving. En als de zieken van Syrië met hun problemen bij Antonius kwamen, zei hij hen altijd, "waarom heeft u de moeite genomen om zon lange reis te maken, wanneer u mijn zoon Hilarion zo dicht bij u hebt?" |
|
| Naar het voorbeeld van Hilarion verrezen overal in heel Palestina ontelbare kloosters en fanatieke monniken stroomden er naar toe. Toen Hilarion dit zag prijsde hij de zegening van God en drong er op aan dat elke ziel voortgang zou maken, hen eraan herinnerend dat deze wereld verdwijnt (1 Korintiërs 7.31), en dat het ware leven slechts kan worden verkregen door in het heden te lijden. | 31 Zij die met het aardse omgaan, moeten er niet in opgaan, want de wereld die wij zien, gaat voorbij. |
| Hij gaf een voorbeeld van nederigheid en van inzet door de cellen van alle broeders op bepaalde vastgestelde dagen vóór de druivenoogst te bezoeken. Toen zijn eigen Broeders realiseerden wat hij deed, sloten zij zich bij hem aan, en in het gezelschap van hun eminente leider bezochten zij alle kloosters, en elk van hen bracht voedsel voor de reis mee. Soms konden er wel twee duizend mannen tezamen zijn. En naarmate de tijd verstreek ging elk klein gehucht in de buurt ertoe over voedsel aan de monniken aan te bieden, blij om zich bij de Heiligen aan te kunnen sluiten. | |
| Hoofdstuk 20 Hij was zo nauwgezet dat geen broeder, hoe bescheiden of hoe arm ook, over het oog werd gezien. Zo gebeurde het, dat terwijl hij op weg was om een broeder te bezoeken die in de woestijn van Kadesh leefde, hij en een groot gezelschap van monniken de stad van Eleusa binnengingen op een dag waarop toevallig de gehele bevolking bijeenkwam in de tempel van Venus voor een jaarlijks feest ter ere van Lucifer, die aanbeden werd door het gehele Saraceense volk. (Deze stad werd over het algemeen beschouwd als half barbaars, vanwege zijn geïsoleerde locatie.) |
|
De Venustempel in Baalbek |
Nu waren veel van de Saracenen daar door Hilarion bevrijd van demonen, en toen zij hoorden dat hij er was, kwamen zij allen aangerend om hem te zien, samen met hun vrouwen en kinderen. Zij bogen hun hoofden vóór hem en riepen in de Syrische taal 'Barech, wat 'zegen betekent. Hij ontving hen allen hoffelijk en vriendelijk, en spoorde hen aan om de ware God te aanbidden in plaats van stenen afgoden. Zijn tranen de vrije loop latend, keek hij op naar de hemel en verzekerde hen dat als zij in Christus geloofden, Hij zeker naar hen toe zou komen. |
| En door de wonderbaarlijke gratie van God, lieten ze hem niet verdergaan, voordat hij een plaats voor de toekomstige kerk had aangewezen en hun priester met zijn guirlande op zijn hoofd met het kruis van Christus had gezegend. | |
| Hoofdstuk 21 In een ander jaar, toen ze op het punt stonden om de kloosters te gaan bezoeken, en ze een lijst opstelden van degenen bij wie ze konden verblijven en degenen die ze alleen maar in het voorbijgaan zouden bezoeken, stelden enkele monniken voor dat zij bij een bepaalde broeder zouden verblijven van wie zij wisten dat hij nogal krenterig was, hopend om hem daardoor van zijn fout te genezen. "Waarom tonen jullie je in zon slecht licht," vroeg Hilarion, "in jullie wens om jullie broeder te irriteren?" De broeder in kwestie begreep wat er werd gezegd, bloosde hevig, en liet zich enigszins tegen zijn zin door de kracht van de publieke opinie overwinnen en vroeg om zijn naam op de lijst van plaatsen te zetten waar bezoekers zouden kunnen verblijven. Toen zij op de tiende dag bij zijn plaats aankwamen, bemerkten ze dat er wachten in zijn wijngaard waren die met slingers en stenen en kluiten aarde waren bewapend om indringers weg te houden, alsof deze tot iemand anders behoorde. Zonder enige druiven te plukken vertrokken zij de volgende dag, maar Hilarion had een lichte glimlach op zijn lippen, en deed net alsof hij niet wist wat er gebeurde. En toen zij naar de volgende monnik gingen wiens naam Sabas was (wij kunnen zijn naam wel noemen aangezien hij onbaatzuchtig was, maar wij zouden er niet van dromen die van de vrek te noemen), werden zij allen uitgenodigd in de wijngaard te komen om zich na de beproevingen van hun reis met wat druiven te verfrissen. Nu was het de dag van de Heer en lang vóór het gebruikelijke uur voor het nemen van voedsel. "Wij kunnen het verfrissen van het lichaam niet goedkeuren alvorens voor de behoeften van de ziel gezorgd te hebben," zei Hilarion. "Laten we bidden, laten we psalmen zingen, laten we de dienst aan God opdragen, en laat ons dan van uw gastvrijheid genieten." Toen de dienst over was, stond hij op een hoogte en zegende de wijngaard en liet zijn kudde naar hun weide gaan. Dat moeten er minstens drieduizend geweest zijn. En terwijl de gebruikelijke raming voor deze wijngaard was dat ze honderd flessen zou produceren, bleek op de twintigste dag hierna dat deze er driehonderd geproduceerd had! De krenterige broeder oogstte gewoonlijk al veel minder, maar tot zijn verdriet bemerkte hij dat zelfs wat hij had geproduceerd in azijn was veranderd. En dit is wat Hilarion vooraf aan veel van de broeders had voorspeld. |
| Hoofdstuk 22 Wat hij vooral verafschuwde was de manier waarop het sommige monniken ontbrak aan vertrouwen in de toekomst, die bezittingen vergaarden, en zich teveel zorgen maakten over hoeveel hun kleding, of een ander soortgelijk vergankelijk werelds artikel, zou gaan kosten. Zo kon hij niet meer vriendelijk doen naar een van de monniken, die ongeveer vijf mijl daarvandaan woonde, omdat hij wist dat deze monnik zeer angstvallig zijn beetje grond beheerde, waardoor hij een beetje geld had bespaard. Deze monnik wilde weer bij de oude man in de gunst komen. Daarom ging hij vaak bij de broeders op bezoek, vooral bij Hesychius, op wie Hilarion zeer gesteld was, en op een dag bracht hij hem een bundel groene kekers die Hesychius op tafel zette als deel van de avondmaaltijd. "Dit spul ruikt absoluut verrot," riep de oude man uit. "Waar komt het vandaan?" "Een broeder bracht het als een gift van eerstelingen voor het klooster," antwoordde Hesychius. "Kun je niet ruiken hoe vreselijk rot het is?" vroeg hij. "En waar deze kekers naar stinken is hebzucht! Geef het aan de ossen, geef het aan de wilde beesten, en zie of zij het willen eten." Hij deed zoals hem werd verteld en deed het in de ruif. De ossen raakten in paniek, loeiden ongebruikelijk luid, verbraken hun kettingen en vluchtten in alle richtingen. De oude man had de gave, dat hij aan de geur van lichamen of kledingstukken of dingen die iemand had aangeraakt, kon herkennen wat voor soort van demon of ondeugd in die persoon verscholen zat. |
| Hoofdstuk 23 In het drieënzestigste jaar van zijn leven keek hij om zich heen en zag het grote klooster en het grote aantal broeders dat bij hem leefde, en zag hoevelen van hen door allerlei ontaarde en onreine geesten beheerst werden. De woestijn rondom was gevuld met groepen mensen die constant personen brachten die aan allerlei ziekten leden. En toen de heilige dit alles zo zag, huilde hij dagelijks en werd vervuld van een overweldigende heimwee naar zijn vroegste manier van leven. De broeders vroegen hem wat er aan de hand was, wat hem dwars zat. "Ik ben weer naar de wereld teruggekeerd," zei hij, "en ik heb mijn beloning in dit leven ontvangen. De mensen in Palestina en de naburige provincies denken dat ik een belangrijk iemand ben, en ik, onder het mom een klooster voor het gebruik van de broeders te bouwen, bezit nu een groot huis en al het gedoe dat daarmee gepaard gaat." De broeders, echter, waakten over hem en verzorgden hem met extra aandacht, vooral Hesychius, wiens verering en liefde voor hem geen grenzen kenden. |
| Hoofdstuk 24 Nadat hij zo twee jaar met geweeklaag had doorgebracht kwam Aristaeneta hem bezoeken, de dame die wij al eerder hadden vermeld, als de vrouw van de opperbevelhebber, evenwel zonder zijn snoevende praalzucht. Zij vertelde Hilarion dat zij van plan was Antonius te bezoeken. |
Zie Hoofd-stuk 9 |
| "Dat is waar ik ook heen zou willen gaan," zei hij huilend, "als ik niet als een gevangene in dit klooster opgesloten zat, en als het enige zin had om het te doen. Want binnen twee dagen zal de wereld van deze grote vader worden beroofd." Zij geloofde hem en ging niet verder. En een paar dagen later bracht iemand het nieuws dat Antonius inderdaad in slaap was gevallen. |
|
| Hoofdstuk 25 Wonderbaarlijk waren de mirakelen en voorspellingen die hij deed, wonderbaarlijk zijn ongelooflijke onthouding, zijn kennis, zijn nederigheid. Niets verbaast me meer dan te bedenken hoe hij, ondanks alle glorie en eer die hem werd bewezen, volledig ongekunsteld bleef. Want bisschoppen bezochten hem in groten getale, geestelijken, menigten predikanten en monniken, Christelijke matrones (een grote bron van verleiding!), menigten van gewone mensen van de steden en het platteland, rechters en hooggeplaatste mensen, en allen wilden van hem een deel van het heilige brood of de olie ontvangen. |
De Verzoeking van Sint Hilarion. Octave Tassaert. 1852-1862. Musée des Beaux-arts de Montréal. |
|
Maar hij dacht voortdurend aan niets anders dan eenzaamheid. Op een dag nam hij plotseling het besluit ervan door te gaan. Hij zadelde een ezel (want hij was zo verzwakt door het vasten dat hij nauwelijks kon lopen) en ging op reis. Toen het gerucht rondging dat hij Palestina verliet voor de uitgestrektheid van de woestijn, verzamelden zich meer dan tienduizend mensen van alle leeftijden en geslachten in een poging hem tegen te houden. Hij bleef onbewogen door hun smeekbeden, en terwijl hij met zijn staf in het zand sloeg, zei hij steeds, "ik zal van God geen leugenaar maken," (1 Johannes 1.10) maar ik zal niet de omverwerping van de Kerken zien, de altaren gebroken, of het bloed van mijn zonen." |
10 Maar als wij zeggen dat wij geen zonde bedreven hebben, maken wij Hem tot leugenaar; dan woont zijn woord niet in ons. |
| Zij die hem dit hoorden zeggen, begrepen dat hem één of ander geheim was geopenbaard dat hij niet in zijn geheel wilde onthullen, maar niettemin omringden zij hem om hem te verhinderen verder te gaan. Met luide stem discussieerde hij met hen, en zei dat hij geen voedsel of drank tot zich zou nemen tot zij hem verder lieten gaan. Pas na zeven dagen, steeds zwakker wordend door zijn vasten, werd hem toegestaan van de meeste van hen afscheid te nemen en verder te gaan naar de stad Bethelia, nog steeds vergezeld door een vrij grote menigte. Daar slaagde hij erin de menigte te overreden om terug te keren, maar koos veertig monniken uit om bij hem te blijven, die voedsel voor de reis met zich mee droegen en die ervaren waren in het vasten, dat wil zeggen, zich van voedsel onthouden tot na zonsondergang. |
|
| Op de vijfde dag kwam hij in Pelusium aan en bezocht de Broeders in een naburige woestijn, in de plaats Lychnos genaamd. Drie dagen later kwam hij bij de vesting van Thebatum aan, waar hij Dracontius, de bisschop en biechtvader zag die daar in ballingschap was. Hij was ongelooflijk opgetogen bij het ontmoeten van een dergelijke groot man. Na nog eens drie dagen kwam hij in Babylon aan, waar hij bisschop Philo ontmoette, die ook biechtvader was. Zij waren allebei door Keizer Constantinus, die de ketterij van Arian aanhing, naar deze plaatsen verbannen. Twee dagen nadat hij daar vertrokken was, kwam hij aan bij de stad Aphroditos, waar hij diaken Baisanes ontmoette, die gehuurde kamelen hield, als enig mogelijke transportmiddel door de waterloze woestijn, voor reizigers die Antonius wilden bezoeken. Hij vertelde zijn broeders nu dat hij van plan was de sterfdag van Antonius te gedenken door een nachtwake te houden op de plaats waar hij was overleden. Na drie dagen in de enorme en afschuwelijke wildernis kwam hij tenslotte bij de hoge berg van Antonius aan, waar hij twee monniken aantrof, Isaac en Pelusianus, de tolk van Antonius. |
Als je de verschillende verhalen (o.a. die van de Vita van Antonius en deze, de Vita van Hilarion) naast elkaar legt, lijkt er nogal wat verwarring over de namen en aantallen van zijn leerlingen. Dus zijn het dezelfde leerlingen onder verschillende namen, of betreft het toch verschillende personen? Zoals we bij Hertling lezen
Deze twee leerlingen Makarius en Amatas worden overigens ook niet door Athanasius in de Vita vermeld, hoewel deze wel aanwezig zijn bij het overlijden van Antonius (§ 91).
|
| Hoofdstuk 26 Nu wij op dit punt in ons verhaal zijn aangekomen, en de gelegenheid zich voordoet, schijnt het juist te zijn om in het kort de plaats te beschrijven waar de grote man leefde. Het is een rotsachtige berg van zon mijl hoog, met een waterbron aan de voet ervan. Een beetje water zakt weg in het zand, maar de rest ervan stroomt naar beneden en vormt een kleine beek. Op beide oevers staat een groot aantal palmbomen, wat zowel bekoorlijkheid aan de plaats verleent als nut. De discipelen van Antonius namen de oude man overal met hen mee naartoe om hem alles te tonen. "Dit is waar hij zijn psalmen zong", zeiden ze, "hier bad hij gewoonlijk, hier werkte hij, hier rustte hij wanneer vermoeid was. Deze wijnstokken plantte hij zelf, evenals deze kleine bomen. |
Het klooster van Antonius in Egypte, (Deir Mar Antonios). |
| Hij maakte dit tuinbed met zijn eigen handen. Veel zweet ging in het maken van deze vijver, die zijn kleine tuin irrigeert. En hier is de schoffel die hij vele jaren gebruikte om er de grond mee te bewerken." Hilarion ging op het bed van Antonius liggen, en omhelsde de overtrek alsof die nog warm was. Dit was in een kleine vierkante cel, die net groot genoeg was voor een mens om zich uit te strekken en te liggen. Er waren twee andere cellen van dezelfde grootte bovenop de berg, die slechts konden worden bereikt door met heel wat inspanning als een slak omhoog te klimmen. Antonius verbleef daar doorgaans om te ontsnappen aan de menigte bezoekers of het gezelschap van zijn discipelen. Deze cellen waren uit het vaste gesteente gehakt, en waren alleen voorzien van een deur. De discipelen leidden hem toen naar de boomgaard. "Ziet u deze vruchtbomen temidden van de anderen?" vroeg Isaac. "Ongeveer drie jaar geleden veroorzaakte een kudde wilde ezels er veel schade aan. Antonius beval de leider van hen om stil te staan, bewerkte hem met zijn stok en vroeg hem hoe hij het waagde om iets te eten dat hij niet had gezaaid. Daarna kwamen zij nog vaak om uit de beek te drinken maar raakten de bomen of het fruit nooit meer aan." |
| Hilarion vroeg hen of zij hem het graf van Antonius konden tonen. Zij kwamen een beetje dichter bij hem staan en zeiden het niet mogelijk of was om die hem te tonen of hem niet te tonen, want overeenkomstig de instructies van Antonius, werd het graf geheim gehouden om een plaatselijke zeer rijke man, Pergamius genaamd, te verhinderen het lichaam mee naar zijn villa te nemen en er een heiligdom van een martelaar voor te maken. | Ik kwam ook een andere variant op dit gebeuren tegen, namelijk: "De oude man vroeg verder om zijn graf te tonen, en zij namen hem daarop terzijde; maar of zij hem de tombe toonden of niet, is onbekend." En dat is interessant vanwege de vondst van het gebeente zo'n twee eeuwen later. Hebben ze de plaats van het graf of zelfs 'tombe' nu inderdaad geheim gehouden, of hebben ze het niet kunnen laten het aan enkele 'ingewijden' te tonen, waardoor het natuurlijk geen geheim meer was, en waardoor het dan ook niet zo onwaarschijnlijk zou zijn dat het inderdaad de botten van Antonius waren, die daar gevonden en vandaar naar Alexandrië vervoerd zijn. (Zie verder nog over de inventie en translatie: pagina.) |
| Hoofdstuk 27 Hij keerde naar Aphroditos terug en hield slechts twee van de broeders bij zich. Hij verbleef enige tijd in de nabijgelegen woestijn, en beoefende een zodanige onthouding en stilte alsof hij nu pas begonnen was om Christus te dienen. |
|
![]() |
Het omringende land had gedurende de afgelopen drie jaar onder een droogte geleden, en de mensen zeiden dat zelfs de elementen rouwden om de dood van Antonius. De beroemdheid van Hilarion was bekend aan de inwoners in de omgeving, en zowel de mannen als de vrouwen, hun lippen bloedeloos en hun lichamen verzwakt van honger, smeekten de dienaar van Christus dringend, als opvolger van de heilige Antonius, voor regen te bidden. Toen hij hun benarde toestand zag, werd Hilarion van medeleven vervuld, en zijn ogen naar de hemel opheffend en beide handen uitstrekkend, bad hij onmiddellijk om wat zij hadden gevraagd. De regens vielen op het droge en dorstige land en brachten plotseling een massa slangen en giftige dieren voort, die een groot aantal mensen beten. Als zij niet onmiddellijk voor hulp naar Hilarion waren gerend zouden ze gestorven zijn, want hij zegende wat olie waarmee hij de wonden van de landbouwers en herders inwreef en hen weer gezond maakte. |
| Hilarion is de beschermheilige van Caulonia (Italië), waar dit beeld jaarlijks, in Oktober, in processie wordt rondgedragen. | |
| Hoofdstuk 28 Als gevolg hiervan werd hij met lofprijzingen overladen, zodat hij naar Alexandrië vluchtte, met de bedoeling om vandaar naar de woestijn van Oase te gaan. Maar aangezien hij in al die tijd sinds hij een monnik was geworden nooit in een stad had verbleven, ging hij door naar een paar broeders die hij kende in Bruchium, niet ver van Alexandrië, die hem met grote vreugde ontvingen. |
In de vertaling die ik voornamelijk gebruikt heb, werd Oase als de naam van een locatie gezien die 'ongeveer 40 mijl ten westen van Alexandrië' zou liggen. |
|
Het was niet lang voor de nacht begon te vallen, toen zij plotseling de discipelen van Hilarion de ezel zagen zadelen, voorbereidingen treffend voor vertrek. Zij vielen voor de voeten van Hilarion neer en smeekten hem niet te gaan. Zij strekten zich uit voor de deuropening en zeiden dat zij liever zouden sterven dan aan een dergelijk groot gebrek van gastvrijheid schuldig te zijn. "Ik dacht alleen maar dat ik beter verder kon gaan," zei Hilarion, "om te voorkomen dat ik jullie een hoop problemen bezorg. Toekomstige gebeurtenissen zullen aantonen dat ik gelijk had om zo plotseling weg te gaan." De volgende dag gingen de autoriteiten van Gaza, die van zijn aankomst op de vorige dag hadden gehoord, met de bijldragers van de Prefect het klooster in, en toen zij er niet in slaagden om ergens een spoor van hem te vinden, begonnen zij tegen elkaar te zeggen: "Wat wij hoorden is dus waar. Hij is een magiër en kan de toekomst voorspellen!" |
|
| Want nadat Hilarion Palestina had verlaten, had Julianus als Keizer de troon bestegen, en de mensen van Gaza hadden zijn klooster vernietigd en hadden de nieuwe Keizer gesmeekt om Hilarion en Hesychius ter dood te brengen. En er was een proclamatie uitgegaan dat in de gehele wereld naar allebei zou moeten worden gezocht. | Julianus de Afvallige was Keizer van Rome van 360 tot 26 juni 363. Hij kondigde weliswaar een algemene geloofsvrijheid af, maar de christenen legde hij beperkingen op. Hij droomde ervan de voorchristelijke eredienst en tradities weer tot leven wekken. Aan bloedige vervolgingen wilde hij zich niet schuldig maken: liever bestreed hij het christendom door de innerlijke verdeeldheid aan te wakkeren. Daartoe riep hij o.m. verbannen bisschoppen terug naar hun zetel. Christelijke leraren kregen verbod de jeugd te onderrichten, priesters ontnam hij hun vrijstelling van belastingen en hij stond toe de joodse tempel in Jeruzalem te herbouwen. |
| Maar hij had Bruchium reeds verlaten en ging op weg naar Oase door de ongebaande woestijn. Hij bleef daar ongeveer een jaar, maar zelfs daar was zijn bekendheid hem voorafgegaan. Er leek in het Oosten geen plaats te zijn waar hij zich kon verbergen, en hij overwoog de mogelijkheid om naar een of ander verlaten eiland te varen. Als er dan nergens op land een plaats was om zich te verstoppen, dacht hij dat hij zich misschien in de zee zou kunnen verbergen. | |
| Hoofdstuk 29 Maar net op dat moment kwam Hadrianus, zijn discipel, uit Palestina en vertelde dat Julianus was gedood, dat er nu een Christelijke Keizer regeerde, en dat hij zou moeten terugkeren naar wat er nog van zijn klooster over was. |
363 n.Chr. De nieuwe Keizer was Jovianus. |
| Maar Hilarion wou hier niets van horen en ging in plaats daarvan op een kameel in westelijke richting naar de kuststad Paretonium in Libië, waar Hadrianus, in een noodlottige wens om naar Palestina terug te keren, Hilarion snood verraadde. Want hij was onwillig afstand te doen van de roem die zo al lang verbonden was aan de naam van zijn meester, overlaadde hem met verwijten, en pakte uiteindelijk alle cadeaus in die de broeders hem voor Hilarion hadden meegegeven, en vertrok zonder dat Hilarion ervan wist. Dit is een geschikte plaats voor me om iets te vertellen wat de harten van hen die hun meesters niet eerbiedigen met schrik zou kunnen vervullen, want het was niet lang hierna dat Hadrianus door geelzucht getroffen werd en in een ontbindende massa veranderde. |
|
| Hoofdstuk 30 Hij had Zananus nog steeds bij zich, en tezamen namen ze een schip naar Sicilië, wetend dat hij voor de passage kon betalen door een exemplaar van de Evangeliën te verkopen, dat hij als jonge man zelf had gekopieerd. |
|
![]() |
In het midden van Adriatische Zee werd de zoon van de kapitein door een demon bezeten en begon luid te schreeuwen: "Hilarion, bediende van God, waarom kunnen wij zelfs niet veilig van u zijn in het midden van de zee? Laat me een beetje met rust tot we aan land komen, om te voorkomen dat u me uitdrijft en ik in de afgrond val." "Als mijn God jou toestaat om te blijven," zei Hilarion, "goed, blijf dan! Maar als Hij je uitdrijft, waarom zou je het mij dan verwijten, armzalige zondaar die ik ben?" Hij zei dit om de zeelieden te ontmoedigen, evenals de handelaren die aan boord waren, om hem uit te leveren als ze aan land zouden komen. De jongen werd niet lang daarna van de demon gezuiverd, en zijn vader en de anderen die er waren gaven hun woord dat zij later zijn naam aan niemand zouden noemen. Toen zij bij Kaap Pachynum in Sicilië aanlegden, bood hij het Evangelie aan de kapitein aan als betaling voor zijn passage, maar hij wou het niet aannemen, vooral omdat hij kon zien dat ze behalve dat boek en de kleren waar ze in stonden absoluut niets bezaten, en uiteindelijk bezwoer hij dat hij het niet zou nemen. Maar de oude heilige, vurig en zeker in het bewustzijn van zijn armoede, verheugde zich er bijzonder over dat hij geen werelds bezit had en door de mensen van de plaats als een bedelaar werd gezien. |
| Anderzijds vreesde hij dat handelaren uit het Oosten zijn naam bekend zouden maken, dus vluchtte hij naar het binnenland, zon twintig mijl van de kust, waar hij op een eenzame plek elke dag bundels hout verzamelde en er zijn discipel mee belaadde. Door deze in een nabijgelegen dorp te verkopen konden ze in hun behoeften voorzien en ook wat brood aanbieden aan degene die bij hun op bezoek zou komen. | |
| Hoofdstuk 31 Maar, inderdaad, zoals het in de Schrift staat geschreven, 'een stad die op een heuvel ligt kan niet worden verborgen' (Matteüs 5.14). Een bepaalde Scutarius, werd door een demon gekweld, en de onreine geest binnen hem schreeuwde in de basiliek van de heilige Peter in Rome, "Een paar dagen geleden kwam Hilarion, de dienaar van Christus, in Sicilië aan en niemand herkende hem. Hij dacht dat hij daar veilig was, maar ik ga verraden waar hij is." |
14 ... Een stad kan niet verborgen blijven als ze boven op een berg ligt. |
| Begeleid door zijn bedienden ging hij rechtstreeks naar de haven en nam een schip naar Pachymum, en werd daar door de demon naar de hut van de oude man geleid, waarbuiten hij zich languit op de grond uitstrekte. Hilarion genas hem onmiddellijk. Dit mirakel, zijn eerste in Sicilië, bracht de zieken in ontelbare aantallen naar hem toe (maar het bracht ook een massa godsdienstige personen). Onder de eerste die naar hem toekwamen was een man die opgezwollen was van de waterzucht, en die op dezelfde dag nog werd genezen. |
|
| Hij bood aan om de Heilige met een grote gift te belonen, maar de Heilige herhaalde slechts de woorden van de Verlosser aan zijn discipelen: 'Voor niets hebben jullie ontvangen, voor niets moet je geven' (Matteüs 10.8). | 8 Genees zieken, wek doden op, maak melaatsen rein, drijf demonen uit. Voor niets hebben jullie gekregen, voor niets moet je geven. |
| Hoofdstuk 32 Terwijl dit in Sicilië gaande was, had zijn discipel Hesychius overal gezocht en geprobeerd hem te vinden. Hij doorzocht de kusten en hij ging door de woestijnen, bemoedigd door de overtuiging dat waar Hilarion ging hij onmogelijk ongemerkt kon blijven. |
|
| Na drie jaar rondzwerven hoorde hij van een Jood in Messina, 'een stad die de mensen goedkope afval verkoopt',* dat er een Christelijke profeet in Sicilië was verschenen, die zoveel voorspellingen en wonderen deed dat hij werd verondersteld een van de Heiligen uit oude tijden te zijn. | * Horatius, Brieven 1.vii. Ik heb dit citaat nog niet kunnen vinden. |
| Maar hij kon geen enkel antwoord krijgen op zijn vragen van hoe hij gekleed was, hoe oud hij was, welke taal hij sprak of op wat voor manier hij reisde. Zijn informant kon hem slechts vertellen dat een groot aantal mensen hem over zijn roem had verteld. Hij stak daarom de Adriatische Zee over en na een voorspoedige reis kwam hij in Pachynum aan, waar hij in alle kleine dorpen langs de kust over de roem van de oude man hoorde. Iedereen die hij sprak wist waar hij was en wat hij deed. Niets over hem verbaasde hen allen zo zeer als het feit dat hij zelfs geen korst brood had aangenomen van wie dan ook in het district bij wijze van beloning voor zulke grote voorspellingen en wonderen. Hoofdstuk 33 |
De icoon, met naar het lijkt een haarhemd, is gemaakt door Nick Papas. |
|
Dus gingen zij naar Epidaurus, een stad in Dalmatië, maar na een paar dagen op een kleine stille plek vlakbij de stad geleefd te hebben, vond hij dat hij zich niet langer verborgen kon houden. Want een slang van enorme omvang teisterde het district. De plaatselijke bevolking noemde deze dieren 'boa's omdat zij vee [boves] in één hap konden doorslikken. Het ondier kon niet alleen ploegossen en vee verslinden, maar ook landbouwers en herders, die gebiologeerd door zijn onweerstaanbare macht naar hem toe werden getrokken. Hilarion gaf opdracht om een brandstapel te bouwen, bad tot Christus, riep het reptiel bij zich en beval het tot bovenop de houtstapel te klimmen. En toen, terwijl alle mensen toekeken, stak hij de brandstapel aan en verbrandde het woeste beest tot as. Hij begon zich af te vragen wat hij daarna zou moeten doen, en waar hij naartoe zou kunnen gaan, en bereidde zich erop voor om weer te vluchten, wanhopig ernaar verlangend weer eens in z'n eentje de aarde te kunnen bewandelen, betreurend dat zijn wonderen over hem konden spreken, zonder dat hij zelf iets zei. |
|
![]() |
In de stormachtige aardbeving die op de dood van Julianus volgde, barstte de zee buiten zijn grenzen, en het leek alsof God de gehele wereld weer eens met een zondvloed bedreigde, of alles tot de oerchaos terugbracht. Schepen werden aan stukken geslagen en hoog de berghellingen op getild waar zij gestrand achterbleven. De mensen van Epidaurus waren doodsbang dat de hevige beweging van de bergachtige golven met hun draaikolken de stranden weg zouden zuigen, en zij waren bang dat de fundamenten van de stad zouden worden weggespoeld, wat zij al eens eerder hadden zien gebeuren. |
| Zij renden naar de oude man, en brachten hem naar de kustlijn, tot aan de frontlinie van de strijd. Hij maakte drie keer het teken van het kruis in het zand en strekte zijn handen uit. Het is ongelooflijk om te vertellen, maar een hoge en aanzwellende muur van water hield net vóór hem stil, en zakte geleidelijk aan in zichzelf terug. Tot op de dag van vandaag spreken de mensen van Epidaurus en het gehele gebied rondom nog over deze gebeurtenis. De moeders vertellen het aan hun kinderen, en zo wordt de herinnering eraan overgebracht op het nageslacht. |
|
| Wat tot de Apostelen werd gezegd, is absoluut waar: 'Als u geloof hebt zult u tot deze berg zeggen, wordt in de zee gegooid, en het zal worden gedaan' (Matteüs 17.20). Dit kan letterlijk worden vervuld als iemand het geloof heeft, zoals de Heer beval dat de Apostelen dat zouden moeten hebben. Er is niet zon groot verschil, tenslotte, tussen een berg die in zee wordt gegooid, en anderzijds, bergachtige golven die plotseling worden tegengehouden en zacht inzakken voor de rotsachtige aanwezigheid van één oude man. Het gehele regio was verbaasd, en dit opmerkelijke wonder werd naar alle kanten ruchtbaar gemaakt, tot in Salon. |
20 ... Want Ik verzeker jullie, als je vertrouwen hebt zo groot als een mosterdzaadje, dan zeg je tegen die berg: ga van hier naar daar, en hij gaat. Niets zal voor jullie onmogelijk zijn. |
| Hoofdstuk 34 Toen de oude man wist dat dit het geval was, ontsnapte hij s nachts in het geheim in een kleine kotter, en scheepte hij twee dagen later in op een koopvaardijschip dat naar Cyprus ging. Toen zij halverwege waren, tussen de eilanden Malea en Cythera, verlieten piraten de kust in twee snelle gevechtsschepen, de golven met hun roeispanen doorklievend. De doodsangst sloeg de opvarenden van het koopvaardijschip om het hart. Zij schreeuwden, renden in paniek rond, bereidden de paar wapens voor die zij hadden, en riepen naar Hilarion dat er piraten aankwamen, alsof hij dat niet ral wist. |
|
| Hij had hen in de verte al gezien, glimlachte, en zei tegen zijn discipelen , "'O jullie kleingelovigen, waar zijn jullie bang voor?' (Matteüs 8.26). Zijn ze groter dan de legers van de Farao? Evenzogoed zijn die door de wil van God allemaal verdronken" (Exodus 14.27-28 ). Terwijl hij stond te spreken waren de vijandelijke schepen met hun schuimende boegen nog maar op een steenworp afstand. Maar hij stond zich op de voorplecht van het schip en zag hen onbevreesd onder ogen. Hij strekte een hand naar hen uit en riep, "Tot zover en niet verder!" |
Maar er waren toch ook mensen aan boord die zijn discipelen niet waren? |
|
26 Hij zei: Waarom zijn jullie bang, kleingelovigen? Toen stond Hij op en bestrafte wind en zee, en het werd volkomen stil. 27 Mozes strekte zijn hand uit over de zee, en toen het licht begon te worden vloeide de zee naar haar gewone plaats terug. En omdat de Egyptenaren er tegenin vluchtten dreef de Heer hen midden in de zee. 28 Het water dat terugvloeide overspoelde de wagens en de wagenmenners, heel de strijdmacht van de farao die de Israëlieten op de bodem van de zee achterna was gegaan. Er bleef er niet één gespaard. |
|
| Mirakel van geloof! De schepen stopten en begonnen in strijd met de beweging van de riemen, achteruit te gaan. De piraten waren verbijsterd om te zien dat ze achteruit gingen. Zij werkten met al hun kracht om hun schepen vooruit te krijgen, maar werden sneller naar de kust teruggedreven dan zij waren gekomen. | |
| Hoofdstuk 35 Ik sla de rest van de reis maar over om de schijn te vermijden dat ik in mijn verhaal een boekdeel van wonderen wil publiceren. Laat het voldoende zijn te zeggen dat zij veilig voorbij de Cycladen voeren, vanwaar zij de stemmen van onreine geesten hoorden die uit de steden en dorpen oprezen, die zelfs tot beneden aan de kust kwamen. |
|
| Uiteindelijk kwamen ze bij de haven van Paphos in Cyprus aan, een stad die in de liederen van de dichters wordt bezongen, waar zij de ruïnes van tempels zagen, vernietigd door frequente aardbevingen, die tegenwoordig het enige bewijs zijn van de vroegere grandeur. Op ongeveer twee mijl van de stad begonnen ze een bescheiden bestaan, zich er zeer op verheugend er een paar dagen in stilte te kunnen verblijven. |
Paphos is de mythische geboorteplaats van Aphrodite, de Griekse godin van liefde, seks, en schoonheid, en de oprichtingsmythe wordt met de godin op elk niveau verweven. Er zijn overblijfselen van villa's, paleizen, theaters, vestingen en graven van Klassieke, Hellenistische en Romeinse periodes. |
| Maar nog geen twintig volle dagen later, begon over het gehele eiland iedereen die door onreine geesten was bezeten, te schreeuwen: "Hilarion de dienaar van Christus is hier!" en voelden ze zich gedwongen om naar hem op zoek te gaan. De mensen van Salamina, Cyrium, Lapetha en andere steden schreeuwden allen hetzelfde, en sommigen van hen riepen dat zij Hilarion zelf kenden, de dienaar van God, zonder te weten waar hij eigenlijk was! Niettemin, voor er een maand voorbij was, waren er al zon tweehonderd mensen, zowel mannen als vrouwen, bij hem samengekomen. Hij staarde naar hen, en was bedroefd dat ze hem niet in stilte wilde laten, maar deed niettemin geweld aan zijn eigen neigingen door hen met dringende gebeden te bewerken, zodanig dat sommigen van hen onmiddellijk werden genezen, anderen binnen twee of drie dagen, en allen tegen het eind van de week. Tempel van Afrodite te Paphos |
![]() |
| Hoofdstuk 36 Hij bleef daar twee jaar, zich constant afvragend waarheen hij daarna kon vluchten. Hij zond Hesychius naar Palestina om de groeten aan de broeders over te brengen en de as van zijn klooster te inspecteren, en zei hem in de lente terug te keren. Toen Hesychius terugkwam, dacht Hilarion erover om naar Bucolia in Egypte te gaan, om dat daar geen Christenen waren, maar alleen wilde en barbaarse mensen, maar Hesychius overreedde hem dat het zou zijn beter eenvoudigweg naar een meer geheime plek te gaan zonder het eiland te verlaten. |
|
Kasteel (ruïne) en Berg Hilarion op Cyprus |
Hij zocht lang in alle richtingen, en nam Hilarion uiteindelijk mee naar een plaats ongeveer twaalf mijl het binnenland in, verlaten tussen inhammen van steile bergen, die nauwelijks op handen en knieën te beklimmen waren. Zodra hij daar eenmaal was, kon hij zich vertroosten in het alleen zijn op een eenzame en afgelegen plek, die door bomen werd omringd, en zelfs met een riviertje dat van de hogere hellingen naar beneden een gebied in stroomde |
| Dat was duidelijk ooit eens gecultiveerd geweest en had vruchtendragende bomen in overvloed waarvan hij nochtans nooit enig fruit plukte! Dichtbij waren de ruïnes van een oude tempel waaruit talloze stemmen van demonen dag en nacht opklonken, zo veel dat je gedacht zou kunnen hebben dat er een leger naderbij kwam (zo zei hij dat, en zijn discipelen konden dit getuigen). Van zo dichtbij tegen de vijand te kunnen vechten, stelde hem zeer tevreden, en hij verbleef daar vijf jaar, met Hesychius die constant een oog op hem hield. In deze laatste fase van zijn leven kon hij opnieuw tot zichzelf komen, want vanwege de grote moeite die het kostte om daar te komen was slechts zeer zelden iemand bereid en in staat om hem te bezoeken. Daarnaast waren de gewone mensen ervan overtuigd dat er op die plaats spoken rondwaarden. |
|
| Hoofdstuk 37 Op een dag ging hij zijn tuin uit en net voor de poort zag hij een man liggen die totaal verlamd was. Hij vroeg Hesychius wie hij was en hoe hij daar was gekomen. "Hij is de rentmeester van dit landgoed," antwoordde hij, "dat de tuin omvat waarin wij verblijven." Hilarion huilde en strekte zijn hand uit. "In naam van onze Heer Jezus Christus," zei hij, sta op en loop!" Wonderbare snelheid! De woorden hadden nauwelijks zijn mond verlaten, toen de ledematen van de man al hun kracht herkregen en hem in staat stelden om op te staan. Nadat dit wijd en zijd bekend werd, weigerden veel mensen in nood zich af te laten schrikken door een moeilijke reis over ongebaande paden, en zij bemerkten dat er niets in die plaats was dat hem in staat zou stellen om aan hen te ontsnappen. Hij begon door te laten schemeren dat hij daar niet veel langer zou kunnen blijven, niet vanwege een gedachteloze, kinderachtige wrok, maar omdat hij de populariteit meed, die hij haatte. Hij wenste nooit iets anders dan eenvoudig en in stilte te leven. |
| Hoofdstuk 38 Op zijn tachtigste jaar, terwijl Hesychius afwezig was, schreef hij met eigen hand een korte brief bij wijze van testament, waarin hij alles wat hij bezat aan Hesychius naliet, namelijk een boek van de Evangeliën, een juten hemd, een monnikskap en een mantel. Hij werd zeer ziek, en vele godvruchtige mensen kwamen uit Paphos om hem te zien, van wie velen hem hoorden zeggen dat hij op het punt stond naar de Heer te vertrekken, bevrijd van de ketens van het vlees. Onder hen was ook een heilige vrouw, die Constantia heette, wier nicht Hilarion van de dood had gered door haar met olie te zalven. Hij verzocht hen allen dringend om na zijn dood geen minuut te dralen, alvorens hem in de tuin met aarde te bedekken, precies zoals hij gekleed was, in zijn haren hemd, zijn monnikskap en zijn juten mantel. Terwijl zijn lichaam nog enigszins warm was, en voordat zijn levende menselijke zintuigen hem hadden verlaten, opende hij zijn ogen en sprak: "Ga, wat heb je te vrezen?" zei hij. "Ga, mijn ziel, waarom aarzel je nog? Bijna zeventig jaar heb je Christus gediend, hoe zou je bang kunnen zijn voor de dood?" Met deze woorden gaf hij de geest. Hij werd meteen in de aarde begraven, voordat het nieuws van zijn dood in de stad werd aangekondigd. Toen de heilige Hesychius in Palestina hoorde dat hij overleden was, keerde hij haastig terug naar Cyprus, en deed alsof hij alleen maar in dezelfde tuin wenste te leven, om de verdenkingen van de inwoners die strikte wacht over het lichaam van Hilarion hielden in slaap te sussen. Na ongeveer tien maanden, en met groot risico voor zijn leven, stal hij het lichaam van de heilige. Hij bracht het naar Majuma; en in een processie van alle monniken en een menigte van stadsmensen gingen ze naar het oude klooster en legden hem daar ter ruste, gekleed in zijn oude haveloze hemd en monnikskap en juten mantel. Zijn lichaam was zo gaaf dat het leek alsof hij nog in leven was en verspreidde een zoete geur alsof het met parfums gezalfd was. |
| Hoofdstuk 39 Nu dit kleine boek ten einde loopt, moet ik niet verzuimen om de toewijding van die heilige vrouw Constantia te vermelden. Toen haar het nieuws werd verteld dat het lichaam van Hilarion in Palestina was, verliet de adem onmiddellijk haar lichaam, wat de oprechtheid van haar liefde voor de dienaar van God zelfs door haar dood toonde. Want zij was gewoon geweest om nachtenlang bij zijn tombe te waken, en met hem te spreken alsof hij aanwezig was, en hem om zijn gebeden te smeken. Zelfs vandaag de dag is er nog een vreemde rivaliteit tussen de Palestijnen en de Cyprioten, waarbij de eerstgenoemden opscheppen dat ze over zijn lichaam beschikken, terwijl de laatstgenoemden er zeker van zijn dat zij de geest van Hilarion bezitten. En toch is het in beide plaatsen dat er dagelijks grote wonderen worden gezien, maar vooral in die kleine tuin in Cyprus, de plaats waar hij misschien het meest van had gehouden. |
| De Cultus van Hilarion |
| Folklore en Cultus rond Hilarion | |
|
Ik kwam de volgende weerspreuk tegen die met de gedenkdag van Hilarion verband houdt, die in het Frans mooi rijmt: Octobre 21 Saint Hilarion: "Quand en octobre le prunellier fleurit, l'hiver très durement sévit." Dat zou ik als volgt vertalen: "Als in Oktober de sleedoorn bloeit, zal er een zeer strenge winter heersen." Wat zijn iconografische attributen betreft, kwam ik de volgende beschrijving tegen: Hilarion wordt afgebeeld als een oude heremiet zittend op een ezel, met het teken van het kruis de duivel, demonen of een draak verjagend. Soms wordt Hilarion afgebeeld met een hoop hout naast hem, gekleed in huiden, een zandloper in zijn hand, met een mand, of met een boek waarin geschreven staat 'Quid est o anima mea quid dubitas'. |
| Italië: Caulonia |
![]() |
![]() |
![]() |
| In Caulonia (Italië) lijkt de meeste cultus rond Hilarion te bestaan. Behalve zijn beeld wordt er ook een groot reliek van hem in een zilveren arm-theca tijdens de jaarlijkse processie rondgedragen en vereerd. |
| Frankrijk: Saint-Hilarion, Yvelines. | |
| Saint-Hilarion is een gemeente in het Franse departement Yvelines (regio Île-de-France) en telt 799 inwoners (1999). De plaats maakt deel uit van het arrondissement Rambouillet. Het ligt zo'n 60 km van Parijs, en 30 km van Chartres, op de pelgrimsroute van Notre-Dame de Paris naar Notre-Dame de Chartres. |
| Frankrijk: Duravel (146 B1) | Frankrijk: Espalion, Auvergne |
![]() |
![]() |
| Er zijn in de kerk van Duravel ook relieken van St. Hilarion. Daar wordt iedere vijf jaar een processie gehouden, waar zijn relieken in een reliekbuste, tezamen met de reliekbusten van St.Poémon et St. Agathon aan het publiek getoond worden. De eerstvolgende processie zal in oktober 2010 zijn. De kerk van Duravel werd in 1055 overgedragen aan de Antoniaanse Abdij van Moissac, alwaar de ruïnes van het klooster nog steeds aanwezig zijn. [Met dank aan Ed Taylor.] |
|
| Kerk van St-Hilarion in Espalion. |
| Hilarion in de Kunst | |
| In de beeldende kunst is er niet erg veel over hem te vinden. Dat blijkt wel uit het geringe aantal plaatjes van hem op deze pagina. In de literatuur, voor zover ik weet, speelt hij alleen een rol van belang in het toneelstuk "De Verzoeking van Antonius" van Flaubert. En daardoor natuurlijk ook in de gelijknamige opera (of liever musical) van Wilson. |
| Het klooster van Hilarion in Gaza | |
![]() |
Bij onderzoek door Franse en Palestijnse archeologen in Gaza zijn de ruïnes gevonden van het klooster van Hilarion in zijn geboorteplaats Tabatha. De opgravingen worden (of waarschijnlijker, werden) verricht op de locatie Tell Umm Amer vlakbij het dorp Al-Nusairat, op zon 8,5 kilometers zuiden van de stad van Gaza. Het klooster bestond uit twee kerken, een begraafplaats, een doopzaal, een openbare begraafplaats, een publiekszaal en eetkamers. Het klooster was voorzien van goede infrastructuurfaciliteiten, met inbegrip van waterreservoirs, kleiovens en drainagekanalen. De vloeren waren gedeeltelijk bedekt met kalksteen, marmeren tegels en gekleurde mozaïeken die met planten en dierenscènes waren verfraaid. Bovendien was het klooster uitgerust met baden, verdeeld over verschillende zalen, naar Romeins voorbeeld bestaande uit frigedarium, tepidarium en caldarium. De zalen waren zo ruim dat de baden voldoende accommodatie konden bieden aan de vele pelgrims en handelaren die het Heilige Land vanuit Egypte doorkruisten via de belangrijkste route van Via Maris. Het klooster werd in 614 n.Chr. vernietigd. |
| Bronnen |
| De tekst van Vitae Patrum lijkt het meest plausibel, dus die heb ik bij mijn vertaling voornamelijk gebruikt. Maar daarnaast soms de versie van New Advent, die als identieke versie ook bij Catholic Forum te vinden is. Bijbelcitaten zijn ontleend aan de Willibrordvertaling. |
|
| Heeft u informatie over Hilarion, of vragen, neem dan contact op met mij: Dolf Hartsuiker |