Antonius Abt Paulus van Thebe Hilarion van Gaza Maria van Egypte Simeon Styliticus Adolphus
Het Leven van de Heilige Maria van Egypte
door Sophronius, bischop van Jeruzalem
[Sophronius was een Syriër uit Damascus die in 634 bischop van Jeruzalem werd]
Vanuit het Grieks in het Latijn vertaald door Paulus, diaken van de kerk van Napels.

Over de sterfdatum van Maria van Egypte bestaat onenigheid. Het zou tijdens het bewind van de Oostelijke Keizer Justinius II, 565-578, plaats gevonden hebben of in 522.
Voorwoord van de Auteur [Sophronius]
Het is goed om de geheimen van een koning te verbergen, maar eerbaar om de werkzaamheden van God bekend te maken en te vieren (Tobit 12,7 ). Zo sprak de Engel tegen Tobias nadat de blindheid van zijn vader omgezet was in glorieuze verlichting, en nadat zijn verlossing van allerlei soorten gevaren zijn toewijding aan God tot ontwikkeling bracht.
Want het is inderdaad schadelijk en gevaarlijk om de geheimen van een koning te openbaren, maar voor de ziel is het schadelijk om over de glorieuze werkzaamheden van God te zwijgen. Ik aarzelde erover of ik over de dingen van God durfde te spreken, maar ik vreesde hetzelfde oordeel op te lopen zoals dat uitgesproken tegen de luie bediende die een talent van zijn Heer ontving en het in de grond verborg in plaats van het aan het werk te zetten door handel te drijven.
Dus daarom kan ik op geen enkele manier zwijgen over het onderwerp van dit heilige verhaal dat ik u nu aanbied. En laat niemand de dingen die ik op het punt sta te beschrijven weigeren te geloven, of denken dat ik lieg vanwege hun buitengewone hoedanigheid. Het zij verre van mij om over heilige dingen te liegen, of om verhalen te vervalsen over dingen die God heeft gedaan.
Maar ik voorzie geen gevaar van iemand met weinig intelligentie, die op onwaardige wijze de grootheid van de God, die in vleselijke gedaante verscheen, kleineert, en die degenen die zulke dingen vertellen niet gelooft. Als er iemand is zoals deze, die leest wat ik heb geschreven en weigert om geloof aan een dergelijk glorieus wonder te hechten, laat de Heer dan genade met hem hebben en hem geschikt maken om woorden van heiligheid te begrijpen, opdat hij, wanneer hem de mirakelen worden getoond die God voorbereid heeft voor de uitverkorenen, niet denkt dat de glorieuze dingen die over die heilige mensen worden verteld onmogelijk zijn, eenvoudigweg omdat hij zich niet iets kan voorstellen dat hoger is dan de zwakheid van zijn eigen menselijke aard.
St. Maria van Egypte. Raphaël, 16e eeuw.
Maria alleen gekleed in haar haar.
Het is met dat in gedachte dat ik dit verhaal begin over iets wat ik vernomen dat in onze eigen tijd is gebeurd, zoals het door een heilige man wordt verteld die zeer bedreven is in het kunnen begrijpen en onderwijzen van de dingen van God.
Zoals wij hebben gezegd, laat niemand dit betwijfelen, of denken dat het onmogelijk is dat dergelijke grote wonderen in onze generatie voorkomen, want de genade van God wordt gegeven aan heilige zielen in alle generaties, ter inspiratie van de profeten en andere vrienden van God, zoals Solomon zelf heeft gezegd (Wijsheid 7,27 ).
Het is tijd om met mijn heilig verhaal te beginnen, het verhaal van de grootse en moedige strijd van de eerwaarde Maria van Egypte, die zij gedurende haar hele leven heeft gevoerd.
Maria Magdalena. Atelier van Della Robia, 15e eeuw. Musée du Louvre, Parijs.
Maria van Egypte en Maria Magdalena werden vanaf een bepaald moment als één voorgesteld. Zie ook hieronder.
Het Leven
1. Er was een man die Zosimas heette, een man met een voorbeeldige levenshouding en leerstelling die al vanaf zijn kinderjaren was getraind in de monastieke gewoonten en disciplines in een van de kloosters van Palestina. (Laat nu niemand vanwege deze naam hem verwarren met die Zosimas die vanwege het onderwijzen van de leringen van een andere sekte is veroordeeld, want ook al hebben ze dezelfde naam, er zou geen groter verschil tussen beiden kunnen zijn.) Onze Zosimas nu, die vanaf het begin van zijn hele leven in een klooster in Palestina woonde, had elke vorm van ascese nagestreefd en was zeer ervaren in alle aspecten van de onthouding. Want hij hield zich met perfecte monastische discipline aan alle voorschriften die hem door zijn leraren waren gegeven, en die waren er zelf van kindsheid af aan mee opgevoed. Bovendien voegde hij daaraan vanuit zichzelf nog meer toe dan de regels vereisten, omdat hij zo vurig het vlees wilde onderwerpen aan de geest. Hij gaf nooit aanstoot aan iemand anders, want hij was volmaakt in het uitoefenen van de plichten van het klooster, zozeer zelfs dat veel mensen uit de omliggende en uit verafgelegen kloosters naar hem toe kwamen om van zijn voorbeeld en onderricht te leren hoe zijn onthouding na te bootsen en zich beter in de hand te houden dan daarvoor.
2. Tegelijkertijd mediteerde hij constant op de heilige geschriften, want of hij nu op zijn bed lag te rusten, of opstond, of met zijn handen werkte, of voedsel at wanneer dat nodig was, hij hield nooit op met zijn gewoonte van het stil reciteren van psalmen en het mediteren op hun heilige wijsheid.
Men zei vaak over hem dat hij waardig gekeurd was om visioenen van God te krijgen en dat is niet echt opmerkelijk of ongelooflijk, want zoals de Heer zegt: 'Zalig zijn de reinen van hart, want zij zullen God zien.' (Matteüs 5,8 ) Hoeveel meer dan wel niet zullen zij, die hun vlees zuiveren, altijd nuchter zijn, en wiens zielen altijd waakzaam zijn, visioenen voor ogen krijgen van de zegeningen die voor hun in het toekomstige leven bereid zijn.
Zosimas placht te vertellen dat hij, zodra hij van zijn moeders borst gespeend was, hij aan het klooster was afgestaan waar hij het kloosterleven tot de leeftijd van 53 jaar had nagestreefd.
Maar toen, hoewel hij reeds in alle opzichten volmaakt was geworden en van niemand anders meer enig onderricht nodig had, begon hij gekweld te worden door bepaalde gedachten.
Hij begon tegen zichzelf te zeggen: 'Is het niet mogelijk dat er nog een andere persoon op aarde is, onder hen die een leven van eenzaamheid leiden, die mij iets nieuws of iets nuttigs kan leren, een vorm van ascese die ik nog niet vaardig ben of nog nooit beoefend heb? Is er in de woestijn iemand te vinden die mij overtroffen heeft?'
Terwijl de oude man zulke gedachten koesterde, verscheen hem plotseling een engel die tot hem sprak: 'Zosimas, je hebt zo heldhaftig gestreden als een mens maar kan, en je hebt de ascetische weg heldhaftig afgelegd. Maar er is niemand die kan beweren dat hij de volmaaktheid heeft bereikt. En voor je liggen krachtsinspanningen die zwaarder zijn dan degene die je al voleindigd hebt. Om nu ook zelf te weten te komen hoeveel andere wegen er nog zijn die tot de Verlossing leiden, moet je nu het land van je geboorte verlaten, zoals ook die eerbiedwaardige aartsvader Abraham heeft gedaan, (Genesis 12,1 ) en naar het klooster gaan dat vlak bij de rivier de Jordaan gelegen is.'
St. Maria van Egypte
3. Zosimas deed direct wat hem verteld was en verliet het klooster waar hij van jongs af aan had gewoond, en ging naar de heiligste van alle rivieren, de Jordaan, en bereikte eindelijk de gemeenschap, waar de engel die met hem gesproken had hem naar toe leidde en waarvan God wilde dat hij ernaar toe ging. Hij klopte op de poort van het klooster en vertelde de monnik die de poortwachter was, wie hij was en deze vertelde het aan de abt. Die ontving hem en Zosimas maakte een diepe buiging zoals bij monniken gebruikelijk is en deed zijn gebed, waaruit de abt kon opmaken dat hij een monnik was, en toen vroeg hij hem: 'Waar kom je vandaan, broeder, en waarom ben je naar ons nederige monniken gekomen?'
Zosimas antwoordde: 'Waar ik vandaan kom hoef ik niet te vertellen. Ik ben gekomen voor mijn geestelijke nut, vader, want ik heb schitterende en prijzenswaardige dingen over jullie kennis gehoord en dat jullie mijn ziel dichter bij God kunnen brengen.'
Toen zei de abt tot hem: 'Broeder, alleen God heelt de zwakte van de ziel en moge hij jou en ons zijn goddelijke geboden leren en ons leiden om het juiste te doen.
Een mens kan een andere mens geen verlichting brengen, tenzij elk van hen zorgzaam is voor de ander en doet wat hij kan en daarbij vertrouwd op de hulp van God.
Maar omdat nu, zoals je zegt, de liefde voor Christus je ertoe heeft bewogen ons, nederige monniken, op te zoeken, moet je maar bij ons blijven, als dat tenminste je bedoeling is, en de Goede Herder zal ons met de genade van de Heilige Geest vervullen, Hij die Zijn leven voor onze redding heeft gegeven en Zijn eigen schapen bij name roept.' (Johannes 10,11-15 )
Toen de abt dat tot Zosimas gezegd had, boog deze opnieuw, vroeg hem om zijn gebeden en zegen, zei 'Amen' en trok in het klooster in.
Ik ben de goede herder. Een goede herder geeft zijn leven voor zijn schapen. Maar een huurling, geen echte herder dus, als die een wolf ziet komen, laat hij de schapen in de steek en gaat ervandoor - het zijn z'n eigen schapen niet! - en de wolf overvalt ze en drijft ze uiteen. Hij is immers een huurling en bekommert zich niet om de schapen. Ik ben de goede herder: Ik ken mijn schapen en mijn schapen kennen Mij, zoals de Vader Mij kent en Ik de Vader ken; Ik geef dan ook mijn leven voor mijn schapen.
4. Hij zag daar oude mannen die er niet alleen prachtig uitzagen maar dat ook konden waarmaken in daden en beschouwingen van God, vurig van geest en werkend voor de Heer. Zij zongen ononderbroken en stonden de hele nacht in gebed. Altijd hadden zij iets om te werken in hun handen en een goddelijke psalm op hun lippen. Er viel geen ijdel woord en zij wisten niets van het verwerven van wereldse goederen of de zorgen over het levensonderhoud. Zij brachten al hun tijd door met het mediteren op de beperkingen van dit tijdelijke bestaan vol met verdriet. Geen enkel persoon stak boven de anderen uit, maar allen hadden één doel; voordat ze zouden geboren zouden kunnen worden in het kloosterleven, zou ieder van hen moeten sterven uit zijn lichaam, sterven voor de wereld en voor allen die daarin zijn. Elk van hen streefde naar het versterven van de behoeften van het lichaam. Zeker, zij hadden het constante voedsel van het Woord van God, maar hun lichamen onderhielden zij alleen met water en brood, zoveel als hun liefde tot God het mogelijk maakte.
5. Toen Zosimas dat alles zag, werd hij zeer gesticht en hij bereidde zich voor op de strijd die vóór hem lag, want hij was in het gezelschap van mede-arbeiders die werkten aan het herscheppen van het goddelijke paradijs.
Vele dagen gingen voorbij en de tijd naderde waarin alle Christenen het traditionele seizoen van het vasten vieren en zich reinigen door de aanbidding van het goddelijke lijden en de wederopstanding van Christus. Nu is het zo dat de poort van het klooster gewoonlijk nooit werd geopend maar altijd gesloten bleef om zo de monniken het ongestoord uitoefenen van hun taken mogelijk te maken. De poort werd alleen geopend als een monnik er voor een boodschap op uit gestuurd werd. Het klooster lag geïsoleerd in de woestijn en mensen uit de omgeving bezochten het niet alleen weinig, maar kenden het zelfs niet. Er werd een regel in dat klooster nageleefd vanaf het allereerste begin, wat volgens mij de reden was waarom God Zosimas juist naar dat klooster had geleid.
Maria Aegyptiaca (St. Maria van Egypte)
Jusepe de Ribera, 1591-1652.
Maria met brood en schedel.
6. Ik zal u nu een indruk geven van wat de traditie van dit klooster was. Op de eerste zondag van de Vasten vierden zij als gewoonlijk de goddelijke Sacramenten en iedereen nam deel aan het onbevlekte en leven schenkende lichaam en bloed van onze Heer Jezus Christus.
Na een klein beetje voedsel tot zich genomen te hebben, kwamen ze samen in de refter en na een lang gebed op de knieën groetten zij elkaar en dan knielde elk voor de abt, omhelsde hem en vroeg om de bijstand van zijn gebeden en broederschap in de komende strijd van het Vasten.
Dan liepen ze allen meteen het klooster uit onder het gezamenlijk zingen van de psalm 'De Heer is mijn licht en mijn heil, wie zal ik vrezen? De Heer is de beschermer van mijn leven, voor wie zal ik bang zijn?' (Psalm 27,1 ) en gingen de woestijn in en staken de rivier de Jordaan over. Een of twee broeders werden als bewakers achtergelaten - niet om de bezittingen te bewaken, want er was niets waar dieven twee keer naar zouden kijken - maar om de kapel niet zonder eredienst te laten.
Iedereen nam zo veel voedsel mee als hij kon en wilde. De een nam genoeg brood mee voor zijn lichamelijke behoefte, een ander vijgen, weer een ander dadels, of in water geweekte linzen; sommigen namen niets mee, behalve hun lichaam en de kleren die ze aan hadden, en die voedde zich dan zo nodig met planten die in de woestijn groeiden.
Want de regel was dat ieder dat voor zichzelf daarover moest beslissen, en dat niemand zich zou bemoeien met de onthouding of de handelingen van zijn medemonnik.
Na het oversteken van de Jordaan gingen ze verschillende kanten op, ieder geheel op zichzelf, de woestijn zelf als zijn eigen stad beschouwend. Als iemand in de verte een ander zag aankomen, dan nam hij direct een andere route, want ieder leefde alleen met God, onder veelvuldig psalmzingen en naar eigen goeddunken etend.
Wanneer ze de hele Vasten op deze manier hadden doorgebracht, keerden ze een week voor het feest van de levenbrengende opstanding van onze Heer en Heiland Jezus Christus, de zondag die de kerk viert met palmtakken, naar het klooster terug. Ieder keerde terug met zijn eigen geweten als getuige van de manier waarop hij zijn tijd besteed had en welke de vruchten de zaden van zijn arbeid voortgebracht hadden. En niemand ondervroeg de ander over de resultaten van zijn inspanning en strijd.
7. Dit was de regel van het klooster, die ze strikt en op zo goed mogelijke wijze naleefden. Want ieder zocht door eenzaamheid de vereniging met God te verwerven, en leverde zijn eigen gevechten, niet met de bedoeling om een ander mens te behagen, maar alleen God. Wat namelijk ter wille van mensen wordt gedaan, of met de bedoeling om lofprijzing en eer te verwerven, blijkt vaak niet alleen van geen nut te zijn, maar leidt zelfs tot het maken van veel fouten wat resulteert in daaropvolgende verdoeming.
Gehoorzaam aan de gebruikelijke regel van het klooster stak dus ook Zosimas de Jordaan over, met slechts een beetje voedsel bij zich om zijn lichaam in stand te houden, en met de kleren die hij droeg. Hij hield zich met vreugde aan de regel, doorkruiste de woestijn, en gunde zichzelf alleen tijd om te eten als de natuur dat eiste. Hij lag 's nachts op de grond, altijd op de plek waar hij toevallig was als de avond aanbrak, om een beetje te rusten en een beetje te slapen. Met zonsopgang liep hij weer, met een niet aflatende drang verder de woestijn in te gaan, in de hoop daar iemand te vinden die een belangrijk voorbeeld, zoals we al gezegd hebben, voor hem kon zijn. Ingespannen zette hij zijn reis voort, alsof hij zich spoedde naar een bepaald persoon.
St. Maria van Egypte (Santa Maria Egiziaca) 1651, Jusepe de Ribera.
Museo Civico "G. Filangeri", Napels. Maria met brood en schedel.
Na twintig dagen te hebben gelopen, stopte hij toen het zesde uur aanbrak, om te rusten en om naar het oosten gericht zijn gebruikelijke gebed te doen. Het was namelijk zijn gewoonte om op vaste tijden van de dag zijn tocht te onderbreken, zich even rust te gunnen, staande psalmen te zingen en geknield te bidden.
Terwijl hij zo aan het zingen was met zijn ogen strak op de hemel gericht, zag hij uit zijn ooghoeken iets wat op de verschijning van een menselijke vorm leek. Aanvankelijk schrok hij omdat hij dacht dat hij een demonische geest zag, en hij begon te trillen, maar hij sloeg een kruis en verjoeg zijn angst. Zijn gebed was inmiddels beëindigd, dus draaide hij zich om en zag dat het werkelijk iemand of iets was dat op hem af kwam lopen. Het was in feite een vrouw waar hij naar keek, haar huid zwart verbrand door de hitte van de zon. Het weinige haar dat ze had was zo wit als wol, en viel tot op haar schouders.
8. Toen Zosimas dat zag, voelde hij een sprankje vreugde in zijn hart opkomen, en zich afvragende of hetgeen hij nu voor zich zag, dat was waar hij naar verlangde, begon hij die richting op te rennen. Hij was onuitsprekelijk verheugd, want hij had in al die twintig dagen geen menselijk wezen gezien, of dier of vogel of beest. Hij wilde nu weten wat voor wezen het was dat hij daar zag, hopende dat het iemand was die groter was dan hijzelf.
Maar toen zij Zosimas van verre zag aankomen, vluchtte ze de woestijn in. Zosimas vergat toen zijn hoge leeftijd en geen acht slaand op hoe hard hij moest lopen, spande hij zich tot het uiterste in om haar in te halen, in zijn verlangen dit wezen eens goed te bekijken. Hij bleef rennen, maar zij ook.
Uit een Getijdenboek, gebonden door Ludovicus Bloc, in Brugge, Vlaanderen 1484-1529.
Maria met haar drie broden.
Zosimas bleek sneller te zijn en geleidelijk aan haalde hij haar in. Toen hij binnen gehoorsafstand was gekomen, riep Zosimas het volgende:
'Waarom vlucht u weg van mij, een verzwakte oude zondaar? Luister naar mij, wie u ook bent, ter wille van God, in wiens naam u in deze woestijn gekomen bent. Luister naar mij, zwak en onwaardig als ik ben. Luister naar mij, ter wille van de beloningen die u hoopt te verdienen met al uw inspanningen. Stop waar u bent en bid voor deze oude man en zegen hem, in de naam van God die niemand afwijst die een beroep op Hem doet!'
Al deze dringende verzoeken deed Zosimas in tranen, en intussen waren zij op een plek aangekomen die in feite een droge rivierbedding was, maar waarvan Zosimas dacht dat er nog wel water in stroomde. Toevallig vond daar net een luchtspiegeling plaats, als zo vaak gebeurd in dat land.
De vluchtende ging naar beneden de rivierbedding in en klom aan de overzijde weer omhoog, maar Zosimas schreeuwde van schrik en durfde niet verder. Hij dacht naast een woeste stroom te staan en liet zijn tranen en weeklachten de vrije loop, steeds luider en luider, zodat zijn gejammer het geluid van de denkbeeldige stroom zou overstemmen.
Toen klonk er een stem uit de vluchtende gestalte:
Abba Zosimas, vergeef mij in de naam van God, maar ik kan mij niet omdraaien om u aan te kijken, want ik ben een vrouw, en mijn lichaam is geheel zonder kleding, zoals u ziet. Zelfs de schaamtevolle delen van mijn lichaam zijn onbedekt. Maar als u echt samen met deze zondige vrouw wilt bidden, werp dan het kleed dat u aan hebt naar mij toe, zodat ik mijn vrouwelijke zwakheid kan bedekken en me tot u wenden om uw gebeden te ontvangen.'
Zosimas trilde van angst en zijn geest sprong bijna uit zijn lichaam. Hij was een zeer ervaren man en wijs op het gebied van goddelijke gaven en hij wist dat iemand die hem nooit had gezien en nooit van hem had gehoord, hem niet met zijn naam had kunnen aanspreken, tenzij dat onthuld was door de manifeste gave van de helderziendheid.
Hij deed snel wat hem was opgedragen. Hij deed zijn oude en versleten mantel uit en wierp die achter haar. Zij pakte deze op en slaagde erin die delen van haar lichaam ermee te bedekken die bedekt behoren te worden, en draaide zich om naar Zosimas.
'Waarom zou u deze zondige vrouw willen zien, Abba? U die zelf nooit teruggedeinsd bent voor zware inspanningen. Wat denkt u in mij te zien waar u iets van zou kunnen leren?'
Hij wierp zich op de grond en vroeg om haar zegen. Zij deed hetzelfde, en zo lagen zaten zij beiden uitgestrekt op de grond en vroegen elkaar om de zegen. Ze zeiden beiden slechts één woord: 'Zegen mij!'
Maria van Egypte en Zosimas. Modern icoon, detail
10. Na lange tijd zei de vrouw tot Zosimas:
Abba Zosimas, u moet de zegen geven en het gebed uitspreken, want u bent bekleed met priesterlijke waardigheid en hebt vele jaren lang voor het heilige altaar gestaan, en de geheimen van de gaven van Christus’ goddelijkheid onderzocht.’
Deze woorden joegen Zosimas grote angst aan en hij begon nog meer trillen en te beven en grote druppels zweet welden op. Bijna zonder kracht en moeizaam ademend zei hij tot haar: 'Oh geestelijke moeder, het is duidelijk uit uw visioen dat u dicht bij God bent en dat u vrijwel aan de wereld bent gestorven. Meer dan iets anders is het duidelijk dat u een genadegave geschonken is, want u hebt me bij mijn naam aangesproken en gezegd dat ik een priester ben, terwijl u me nog nooit had ontmoet. Maar zoals u weet wordt genade niet aan mensen gegeven volgens hun status maar volgens de capaciteit van hun zielen om die te ontvangen, dus moet u de zegen geven in het aangezicht van Gods en bidden in overeenkomst met uw staat van vervolmaking.
De vrouw gaf toe aan de standvastigheid van de oude man en zei: 'Gezegend zij de Heer die zorgt voor de redding van de mensen en hun zielen.'
Zosimas zei 'Amen' en beiden stonden op van de grond.
Toen vroeg zei de vrouw aan de oudere: 'Waarom heeft u, een man van God, deze zondares opgespoord? Waarom wilde u een vrouw zien die naakt is en zonder enige deugd? Misschien heeft de genade van de Heilige Geest u hier gebracht zodat u mij op een gegeven moment een dienst kunt bewijzen die past bij mijn zwakte van lichaam. Dus vertel mij Abba, hoe gaat het tegenwoordig met de christelijke gemeenten? Hoe is het met de koningen? Hoe wordt de kudde van de kerk geleid?'
Zosimas antwoordde: 'Dankzij uw gebeden, moeder, heeft Christus aan allen een voortdurende vrede geschonken. Maar vervul het onwaardige verzoek van een oude man, en bid voor de hele wereld en voor mij, een zondaar, dat mijn zwerftocht door de woestijn niet vruchteloos zal zijn.' Daarop antwoordde zij: ‘U die een priester bent, Abba Zosimas, zou juist voor mij en allen moeten bidden, want dat is uw roeping. Maar omdat wij allemaal gehoorzaam moeten zijn, zal ik doen wat u mij hebt gevraagd.'
Met deze woorden wendde ze zich naar het oosten, hief haar ogen op naar de hemel, strekte haar handen uit, en begon fluisterend te bidden. Haar lippen bewogen maar haar stem was zo zacht, dat je niet kon verstaan wat ze zei.
Zosimas bleef daar staan, volgens zijn eigen woorden, trillend van opwinding, en keek naar de grond zonder iets te zeggen.
Russisch icoon, 19e eeuw
En hij zwoer, God als getuige aanroepend, dat toen hij merkte dat ze maar bleef bidden, hij even opkeek van de grond en zag dat zij wel een halve meter boven de aarde opgetild was en in de lucht stond te bidden. Door dit schouwspel werd hij door een nog grotere vrees bevangen en hij wierp zich ter aarde, door paniek gegrepen, en het zweet brak hem uit; hij was zo bang dat hij niets meer durfde zeggen. Alleen herhaalde hij telkens: 'Heer, heb genade met mij!'
11. Terwijl hij languit op de grond lag, werd hij gekweld door de achterdocht dat zij misschien een geest was en het gebed misschien schijnheilig vertoon. Maar de vrouw draaide zich om, hielp hem overeind en zei: Abba, waarom laat u zich in de war brengen door zulke achterdochtige gedachten over mij, dat ik een geest zou zijn en mijn gebed gehuichel? Weest u ervan overtuigd dat ik een zondige vrouw ben, hoewel gezegend door het heilig doopsel. En ik ben geen geest, maar stof en as en helemaal vlees, en geen spirituele fantasie heeft ooit bezit genomen van mijn geest.' Bij deze woorden beschermde ze zichzelf met het kruisteken op haar voorhoofd, ogen, lippen, en borst, en ze vervolgde: Abba Zosimas, moge God ons bevrijden van de boze en zijn hinderlagen, want hij levert felle strijd tegen ons.'
Toen de oude man dit alles hoorde en zag, wierp hij zich languit ter aarde, raakte haar voeten aan en riep in tranen uit:
'Ik smeek u in de naam van Christus onze God, die uit een maagd geboren is, ter wille van wie u zich van kleren ontdaan hebt en uw vlees zo uitgeteerd hebt, verberg toch niet voor uw dienaar wie u bent, vanwaar u komt, en hoe en waarom u in deze woestijn gekomen bent? Vertel mij alles aangaande uzelf, zodat de wonderbare daden van God bekend gemaakt kunnen worden. "Want verborgen wijsheid en een onzichtbare schat, wat voor nut heeft men daarvan?", zo staat er geschreven. (Sirach 20,30 )
Vertel mij alles ter wille van de Heer. Want u zult dat niet doen om op te scheppen of ermee te pronken, maar om mij, een onwaardige zondaar, de waarheid te onthullen. Ik geloof namelijk dat God, in wie u leeft en voor wie u werkt, mij hiervoor naar deze woestijn heeft geleid, namelijk om aan mij te openbaren wat hij voor u gedaan heeft. Het ligt niet in onze macht ons te verzetten tegen Gods plannen.
Want als het niet de wil van Christus onze God was geweest dat u en uw strevingen bekend zouden worden, dan had Hij mij nooit toegestaan u te zien en had Hij mij niet de kracht gegeven deze reis te maken, ik die mijn cel nooit durfde te verlaten.'
12. Abba Zosimas zei nog veel meer, maar de vrouw hielp hem overeind en zei: 'Ik schaam me, Abba, te spreken over mijn schandelijke leven, vergeef mij ter wille van de Heer. Maar aangezien u toch al mijn naakte lichaam gezien hebt, zal ik u net zo mijn daden onthullen, zodat u weet hoe vol mijn ziel is van schaamtevolle begeerten en schandelijke obsceniteiten. Want het is niet zo, zoals u dacht, dat ik uit ijdelheid wegrende, want wat heb ik om trots op te zijn, ik die een uitverkoren instrument van de duivel was? Maar als ik met mijn verhaal begin, zult u van mij wegrennen, zoals men bij een slang vandaan rent, want uw oren zullen de walgelijkheid van mijn daden niet kunnen verdragen. Toch zal ik u alles vertellen zonder iets te weg te laten, u de hele waarheid vertellen, maar ik smeek u eerst dat u ononderbroken voor mij zult bidden opdat ik genade mag vinden op de dag van het laatste oordeel.'
En de oude man voelde zijn tranen opkomen en huilde, en de vrouw begon met haar verhaal.
13. 'Heilige vader, ik ben in Egypte geboren. Toen mijn ouders nog leefden en ik nog maar twaalf jaar was, verwierp ik hun liefde en vertrok ik in een rebelse opwelling naar Alexandrië. Ik schaam me om me te herinneren hoe ik daar om te beginnen mijn maagdelijkheid verwoestte en mij daarna ongeremd en onverzadigbaar overgaf aan een leven van oneindige seksuele hartstocht. Het is passender om dit kort te noemen, zodat u iets van mijn hartstocht en ontucht af weet: zeventien jaar of langer, vergeef me, heb ik openlijk een leven van vurige bandeloosheid geleid. En ik deed dat niet om er iets mee te verdienen, — en hier spreek ik de pure waarheid — want vaak wilden ze me ervoor betalen, maar weigerde ik het geld. Het was eenvoudigweg omdat ik aangevuurd werd door een brandend verlangen naar seks en omdat het makkelijker was om het te krijgen als ik niks rekende voor mijn slechte en walgelijke verlangens.
Denk niet dat ik niet om betaling vroeg omdat ik rijk was, want ik moest rondkomen door te bedelen of vaak ook door vlas te spinnen. Maar ik had gewoon een onverzadigbare begeerte en een ontembare lust om mij in de modder te wentelen. En ik genoot ervan. Ik dacht dat dat het echte leven was, als ik er maar onbeperkt mee door zou kunnen gaan mijn eigen wezen geweld aan te doen.
Zo leefde ik dus. Toen zag ik op een zomer een grote groep Libische en Egyptische mannen naar de haven rennen. Ik vroeg aan een voorbijganger waar die mannen zo haastig naar op weg waren. Hij zei: "Ze gaan allemaal naar Jeruzalem voor het feest van de Exaltatie van het Heilige Kruis * dat daar over enkele dagen gevierd gaat worden." * Dit feest werd gehouden ter herdenking aan de inwijding in 335 door Keizer Constantijn van een basiliek op de plek van het Heilige Graf.
Toen zei ik tot hem: "Als ik mee zou willen, denk je dat ze me dan zullen meenemen?" En hij zei tegen mij: "Als je reisgeld en iets te eten hebt, zal niemand je tegenhouden." "Broeder," zei ik, "om je de waarheid te zeggen, reisgeld en eten heb ik niet, maar toch ga ik mee aan boord. En ze zullen me voeden of ze willen of niet, want ik heb een lichaam en dat zullen ze wel willen nemen in plaats van reisgeld." Ik was plotseling vervuld van een verlangen om te gaan, vergeef mij Abba, om meer minnaars te krijgen die mijn wellust konden bevredigen.
14. Ik hoop dat u me wilt vergeven voor wat ik u tot dusver verteld heb, Abba. Vraag me niet nog meer te vertellen over mijn verwarde leven. God is mijn getuige dat het me doet beven. Wat ik gezegd heb, bezoedelt zelfs de lucht.'
'In Godsnaam, moeder,’ antwoordde Zosimas, terwijl zijn tranen op de grond drupten, ‘ga door met spreken, en verbreek de draad niet van zo'n stichtelijke geschiedenis.'
Hierop hervatte zij haar verhaal en vervolgde: 'Toen die jongen mijn schaamteloze woorden hoorden, ging hij er lachend vandoor. Ik gooide de spintol die ik bij me droeg weg (ik had er namelijk in die tijd voor gekozen om wat te spinnen) en rende naar de kade in de richting waar iedereen leek te gaan. Ik zag daar aan de waterkant een stuk of tien jonge mannen staan, vol levenskracht en alert van beweging, en ze leken me wel geschikt voor mijn doel.
Sommigen leken nog op mede-opvarenden te wachten, terwijl anderen aan wal waren gegaan. Schaamteloos, zoals mijn gewoonte was, begaf ik me onder hen en zei: "Neem mij mee naar de plaats waar jullie heen gaan. Jullie zullen merken dat ik niet teveel voor jullie zal zijn!"
Met nog een paar obscene opmerkingen kreeg ik ze allemaal aan het lachen.
Zodra ze merkten dat ik tot elke schaamteloosheid bereid was, namen ze me graag mee aan boord. Degenen die ze verwachtten kwamen ook en we gingen meteen onder zeil.
O man van God, hoe moet ik u vertellen, wat er gebeurde nadat we afvoeren? Wiens tong kan vertellen, wiens oren zouden willen aanhoren welke daden er tijdens die reis op dat schip allemaal gepleegd zijn, of hoe ik veel arme drommels overtuigde dingen te doen, zelfs als ze het helemaal niet wilden! Ik kan u niet al de onuitsprekelijke manieren vertellen waarmee ik hen leidde in pornografische slechtheid. Geloof me, Abba, ik ben nu nog verbijsterd dat de zee onze losbandigheid heeft verdragen, dat de aarde haar mond niet heeft geopend en dat de hel mij, die zo veel zielen in haar netten verstrikt had, niet levend en wel heeft opgeslokt. Maar ik denk dat God mijn bekering zocht, want Hij wil dat niemand vergaat en dat allen gered worden. (1 Tim. 2,3-4 ) Hij wenst niet de dood van de zondaar, maar liever dat deze zijn verdorvenheid de rug toekeert en leeft. (Ez. 18,23 )
Spoedig arriveerden we in Jeruzalem. De dagen die ik voorafgaand aan het festival in de stad doorbracht gedroeg ik mij evenzo, of misschien nog erger. Want ik was niet tevreden met alleen maar de jongemannen die ik op zee had verleid en die mij hadden geholpen naar Jeruzalem te komen, ik verleidde nu ook vele anderen, niet alleen inwoners van de stad maar ook pelgrims.
15. Toen de dag voor de viering van de Exaltatie van het Kruis aanbrak, was ik nog steeds aan het rondfladderen, op jacht naar jongemannen, hun zielen bezoedelend. Maar toen ik zag dat allen zich bij zonsopgang in harmonie naar de kerk haastten, deed ik mee, meedrijvend in de stroom, en tenslotte kwamen we allemaal op de binnenplaats van de kerk aan. Toen het tijdstip van de Exaltatie van het Heilige Kruis aangebroken was, duwde ik voorwaarts en werd ik van achteren voorwaarts geduwd, maar op de een of andere manier maakte ik niet veel voortgang terwijl ik samen met de menigte de kerk probeerde in te komen. Zo kwam ik met moeite tot aan de ingang van de tempel vanwaar de levenschenkende Boom van het Kruis aan de mensen werd getoond. Maar zodra ik op de drempel stapte waarover iedereen naar binnen ging, werd ik tegengehouden door een goddelijke kracht die mij niet toeliet naar binnen te gaan. Ik werd terug gedreven, eruit gegooid, achteruit geduwd en ik constateerde dat ik als enige nog op de binnenplaats stond. Omdat ik dacht dat dat alleen maar gebeurde omdat ik een zwakke vrouw was, probeerde ik opnieuw om bij de anderen te komen door hard te dringen. Maar al mijn inspanningen waren tevergeefs.
16. Zodra mijn voet de drempel aanraakte, waarover de anderen de kerk ingingen zonder enige hindernis tegen te komen, leek het alsof de kerk mij als enige niet wilde ontvangen. Het was alsof er een troep soldaten stond opgesteld om mij de toegang te verhinderen. Weer werd ik door dezelfde wonderbare kracht buitengesloten en weer vond ik mezelf terug op de binnenplaats.
Ik probeerde het nog drie of vier keer, maar toen was ik uitgeput en had ik geen kracht meer om te duwen en teruggeduwd te worden. Ik trok me terug en ging in een hoek van de binnenplaats staan, nauwelijks in staat te begrijpen waarom ik verhinderd werd het levenschenkende Kruis te zien, toen plotseling een reddende gedachte mijn ogen en hart zachtjes aanraakte en mij onthulde dat het mijn onreine leven was wat de toegang voor mij afsloot. Ik begon te huilen en te weeklagen en op mijn borst te slaan, en te zuchten vanuit het diepst van mijn hart. Terwijl ik zo stond te huilen, zag ik boven me een icoon van de heilige moeder Gods, en me tot haar wendend met mijn lichamelijke en geestelijke ogen, zei ik:
"O Moeder van God, die God het Woord in het vlees hebt gebaard, ik weet, ja ik weet heel goed, dat het voor u geen eer en lof is als iemand die zo onrein en zedeloos is als ik, opkijkt naar uw beeltenis, O eeuwige maagd, u die uw lichaam en ziel altijd rein en onbevlekt hebt gehouden. Terecht roep ik staande voor uw maagdelijke zuiverheid haat en walging op. Maar ik heb gehoord dat de God die u gebaard hebt mens is geworden met het doel om zondaren tot berouw te brengen. Help mij dan, want ik heb geen andere hulp! Beveel dat de toegang tot de kerk voor mij geopend wordt. Sta me toe het vereerde hout te zien waarop Degene Die uit u geboren is, in den vleze geleden heeft en waarop Hij vastgespijkerd Zijn heilige bloed voor de verlossing van zondaren en voor mij, onwaardig als ik ben, heeft gegeven. Ik smeek u, meesteres, de deur te openen zodat ik bij het kruis van de Heer kan komen. Dan zweer ik een plechtige eed aan u die waardig was Christus te baren dat ik nooit meer mijn vlees in de smeerboel van de promiscuïteit zal laten zinken. Zodra ik het kruishout van uw Zoon gezien heb, zal ik direct de wereld en alles wat in de wereld is verzaken en zal ik, ter vervulling van mijn gelofte, onmiddellijk daarheen gaan waarheen u mij leidt."
17. Terwijl ik sprak, kreeg ik een warm gevoel, waarvan ik alleen maar kon geloven dat van het barmhartige hart van de moeder Gods kwam, wat me vertrouwen gaf dat mijn geloof werd geaccepteerd. Ik verliet de plek waar ik had staan bidden en mengde mij onder de mensen die de kerk in gingen en deze keer was er niets meer dat me terugduwde, niets dat me verhinderde bij de deur naar de kerk te komen. Ik werd overweldigd door een extatische trilling die alle botten in mijn lijf deed beven.
Toen ik de deur, die ik eerst niet door had kunnen gaan, bereikt had, was het alsof diezelfde macht die mij eerst had tegengehouden, nu de weg voor mij vrijmaakte en me naar binnen trok.
Zo bevond ik mij in het heiligste der heilige en werd ik waardig bevonden om het mysterie van het dierbare en levenschenkende hout van het kruis te vereren. Ik begreep toen ook de beloften van God en wat de Heer had gedaan om de acceptatie van zondaren mogelijk te maken. Ik wierp me ter aarde en vereerde en kuste die heilige grond. Daarna ging ik naar buiten en haastte mij naar Haar die mijn borg was geweest. Op dezelfde plek waar ik mijn eed gezworen had, knielde ik neer voor het gezicht van de heilige Maagd, de moeder Gods, en bad tot haar:
"O, liefhebbende meesteres, die uw grote liefde voor alle mensen toont, u hebt mijn onwaardige gebeden niet geminacht.
Ik heb nu een heerlijkheid gezien die zondaren niet verdienen te zien, de glorie van de almachtige God die door u de boetedoening en het berouw van zondaars accepteert.
St. Maria van Egypte (1582-87). Tintoretto. Scuola di San Rocco, Venetië.
Wat kan ik, een zondares, nog meer te berde brengen of zeggen? Nu is het tijd voor mij, O meesteres, om de gelofte, waarvan u getuige was, in te lossen.
Vertel mij nu waarheen ik moet gaan, wees mijn reddende gids, en leid mij naar de waarheid. Ga voor mij uit op de weg die tot boetedoening en berouw leidt."
Toen ik dat gezegd had, hoorde ik een stem als van iemand die uit de verte roept:
"Als je de Jordaan oversteekt, zal je een antwoord op je gebed vinden."
Toen ik naar die stem luisterde, geloofde ik dat die er speciaal ter wille van mij was, en ik barstte in tranen uit en riep tot de beeltenis van de moeder Gods: "Meesteres, meesteres, laat mij niet in de steek!" Met die woorden verliet ik de binnenplaats van het heiligdom en haastte mij ervandaan.
Terwijl ik wegliep, gaf iemand die mij zag mij drie muntstukken met de opmerking: "Neem die van mij aan, zuster." Ik nam het geld aan en kocht er drie broden van die ik als een gezegende gift voor onderweg meenam. Ik vroeg aan de man die het brood verkocht: "Waar is de weg naar de Jordaan?" Hij wees me de weg naar de stadspoort die in die richting leidde, en ik rende de poort door en begon, nog steeds huilend, aan mijn reis.
18. Ik vroeg de weg aan een paar voorbijgangers en liep verder voor de rest van de dag; het was, geloof ik, om negen uur dat ik het Heilige Kruis had gezien en tegen zonsondergang bereikte ik eindelijk de kerk van de heilige Johannes de Doper aan de oever van de Jordaan. Eerst ging ik in de kerk bidden, en direct daarna daalde ik af naar de Jordaan en waste daar mijn gezicht en handen in het heilige water. Ik kreeg de heilige en levenschenkende Sacramenten van Christus de Heer in de kerk van de Voorloper, en daarna at ik de helft van één van de broden en dronk ik water uit de Jordaan, en sliep daar die nacht op de grond. De volgende morgen vond ik daar een klein bootje en ging daarmee naar de overkant. Opnieuw bad ik tot mijn leidsvrouw om mij te leiden waarheen zij maar wilde. En zo kwam ik dan in deze woestijn, en vanaf toen tot op de dag van vandaag ben ik van alles vervreemd geraakt, uit de buurt van mensen gebleven, en van iedereen weggelopen. En hier leef ik nu, trouw aan mijn God, Die allen redt die zich vanuit hun kleingeestigheid en problemen tot Hem wenden.'
'Hoeveel jaren zijn er verstreken, moeder,’ vroeg Zosimas, ‘sinds u in deze woestijn begon te leven?'
Zij antwoordde: '47 jaar zijn al voorbijgegaan, denk ik, sinds ik de heilige stad verliet.'
Daarop vroeg Zosimas: 'Maar wat voor voedsel heeft u dan kunnen vinden?'
De vrouw zei: 'Toen ik de Jordaan overstak, had ik tweeënhalf brood bij me; die waren spoedig uitgedroogd en werden zo hard als steen. Door weinig te eten deed ik er een paar jaar mee.'
Toen vroeg Zosimas: 'Maar hoe kan het dat u zoveel jaren zo heeft kunnen leven zonder ziek te worden, zonder dat u ook maar enigszins onder die totale verandering geleden heeft?'
Daarop antwoordde de vrouw: 'U doet me aan dingen denken, Zosimas, waarover ik huiver te spreken. Want als ik nu denk aan al die gevaren die ik overwonnen heb en de gewelddadige gedachten die me verward hebben, ben ik bang dat ik er opnieuw door bezeten wordt.'
Maar Zosimas zei: 'Moeder, verberg alstublieft niets voor mij en vertel mij alles! Nu dat ik u heb ontmoet, bent u in de openbaarheid gebracht, en u zou het juiste doen met ons te verlichten zonder iets achter te houden.
Maria van Egypte met haar drie broden.
19. Ze zei toen tegen hem: 'Geloof me, Abba, zeventien jaar heb ik door in deze woestijn doorgebracht in gevecht met de wilde dieren van mijn redeloze begeerten en hartstochten. Het is vreemd dat in de vorige passage over ’47 jaar’ wordt gesproken, maar nu — en in alle volgende passages — over 17 jaar.
Als ik een beetje voedsel nam, dacht ik met spijt aan het vlees en de vis die ik altijd in Egypte at; ook betreurde ik het geen wijn te hebben waar ik zo van hield, want ik hield ervan veel wijn te drinken en dronk het vaak om alleen maar dronken te worden.
Mijn verlangen ernaar was nog net zo groot als het was voordat ik de wereld verliet. Maar hier had ik vaak nauwelijks water terwijl ik brandde van de dorst en bijna bezweek door gebrek daaraan. Ook kwam er een waanzinnige begeerte naar losbandige liedjes in mij op, die mij erg verwarde en die mij er toe aanzette al die duivelse liedjes te gaan zingen die ik vroeger in de wereld geleerd had. Maar als zulke begeerten in mij opkwamen, sloeg ik mezelf op de borst en herinnerde mezelf aan de eed die ik gezworen had toen ik de woestijn introk. Ik ging dan in gedachten weer staan voor de beeltenis van de moeder Gods die mij met haar vertrouwen moed had gegeven, en ik bad huilend tot haar, en smeekte dat ze die gedachten zou verjagen waaraan mijn arme ziel ten onder ging. Als ik dan heel lang gehuild had en op mijn borst geslagen, dan kreeg ik tenslotte meestal een licht te zien dat van alle kanten op mij straalde, en meteen werd ik op de een of andere manier standvastig en sereen.
Maar al die gedachten aan ontucht die me weer benauwden, Abba, hoe kan ik u daarover vertellen? Er brandde een fel vuur in mijn arme hart dat mij geheel en al in vlam zette en mijn begeerte naar seks aanwakkerde.
Wanneer zulke gedachten opkwamen, wierp ik mij onmiddellijk languit op de grond en maakte die nat met mijn tranen, terwijl ik hoopte dat zij die mijn getuige was, echt voor mij zou verschijnen.
Terwijl mijn waanzin woedde voelde ik me bedreigd met de straf die ieder verdient die het vertrouwen beschaamt. De straf die me voor verraad boven het hoofd hing was de dood door middel van het zwaard. Ik stond dan niet eerder op van de grond — en soms moest ik een hele dag en een nacht zo blijven liggen — voordat dat rustige en zoete licht op mij neerdaalde en me verlichtte en mijn kwellende gedachten verjoeg. Ik hield dan altijd mijn geestesoog onafgebroken mijn Beschermster gericht en vroeg haar om mij in mijn eenzaamheid en boetedoening te helpen. En zij was er altijd om mij te helpen en mijn berouw te aanvaarden. Zo heb ik zeventien jaren geleefd temidden van constante gevaren, maar sindsdien, zelfs tot op de dag van vandaag, is de Moeder van God mijn constante helpster geweest en leidt ze mij als het ware bij de hand.'
Maria van Egypte en Zosimas
Zosimas vroeg: 'Kan het zijn dat u geen voedsel en kleding nodig had?'
Zij antwoordde: Toen die broden, waarover ik u al vertelde, op waren, heb ik me zeventien jaar lang gevoed met kruiden en alles wat in de woestijn te vinden is.
De kleren die ik droeg toen ik de Jordaan overstak, raakten gescheurd en versleten. Ik moest dan ook wel de ijzige koude en de extreme hitte verdragen. Ik verbrandde door de zon in de zomer en rilde en verstijfde in de tijden van de vreselijke vorst en kou, zodat ik vaak ademloos en bewegingloos op de grond bleef liggen.
Omdat er in de meeste passages over ‘17 jaar in de woestijn' wordt gesproken, lijkt V.1 het meest plausibel en is hier dan ook weergegeven. In V.2 staat namelijk: 'Ik heb met die broden 17 jaar gedaan, zoals ik u al zei, waarna ik ..'.
Ik streed tegen veel kwellingen en afschuwelijke verzoekingen. Maar door alles heen heeft de kracht van God mijn zondige ziel en nederig lijf op allerlei wijzen bewaard.
Hij heeft u vernederd en u honger laten lijden, maar u ook het manna te eten gegeven dat u noch uw vaderen ooit hadden gezien. Hij wilde u daardoor laten beseffen dat de mens niet leeft van brood alleen, maar van alles wat uit de mond van de HEER komt. Als ik alleen al bedenk van wat voor kwaden hij mij heeft bevrijd, dan weet ik dat ik gevoed wordt met het voedsel dat blijft (Joh. 6,27 ), want de hoop op verlossing die ik bezit is een feestdis die geheel bevredigt. Ik wordt gevoed en gekleed met het almachtige Woord van God in Wie alles bestaat. Immers, een mens zal niet van brood alleen leven, (Deut. 8,3 & Mat. 4,4 ) Hij antwoordde: 'Er staat geschreven: De mens zal niet leven van brood alleen, maar van ieder woord dat uit de mond van God komt.'
maar degenen die zelfs geen gat in de grond hebben om zich in te verbergen, en die het zondige omhulsel hebben afgelegd, zijn omringd door de bescherming van de Heer. (Hebreeën 11,38 )
20 Zosimas verbaasde zich over de manier waarop ze bijbelpassages citeerde uit de boeken Mozes, Job, en de Psalmen.
‘Dus u heeft de Psalmen gelezen, Moeder,’ vroeg hij, ‘en andere bijbelboeken?'
Ze lachte daar een beetje om en zei tot de oudere man: 'Geloof me, sinds ik de Jordaan ben overgestoken heb ik tot op de dag van vandaag geen enkel ander mens gezien, of enig wild beest of wat voor soort dier dan ook sinds ik in deze wildernis kwam leven.
Op geen enkele moment in mijn leven heb ik leren lezen, of iemand psalmen horen zingen of de heilige Schrift voorlezen. Maar het Woord van God, is levend en krachtig, en dringt door tot de diepte van de menselijke geest. (Hebr. 4,12 ) Want het woord van God is levend en krachtig. Het is scherper dan een tweesnijdend zwaard en dringt door tot het raakpunt van ziel en geest, van merg en beenderen. Het ontleedt de bedoelingen en gedachten van het hart.
Wel, dit is het einde van mijn het verhaal. Maar wat ik in het begin vroeg, zo verzoek ik u nu weer: ter wille van het vlees geworden Woord van God voor mij, zondaar, tot de Heer te blijven bidden.'
Toen ze haar verhaal zo geëindigd had, wierp hij zich languit neer aan haar voeten. In tranen riep de oude man: 'Geprezen zij de Heer God die als enige zulke grote wonderen doet, (Psalmen 72.18 ) glorieuze en indrukwekkende dingen zonder tal. Geprezen bent U Heer God Die mij getoond heeft hoeveel Hij schenkt aan degenen die Hem vrezen. (Psalmen 31.20 ) U hebt U werkelijk niet verborgen voor hen die u zoeken!’
Maar ze strekte haar hand uit naar de oudere man omdat ze niet wilde dat hij zo voor haar ging liggen en zei tot hem: 'Ik bezweer je, heilige vader, bij onze God en Heiland Jezus Christus dat u wat u nu gehoord hebt tegen niemand vertelt, totdat God me van deze aarde heeft verlost. Ga nu heen in vrede, en volgend jaar zult u mij weer zien, als God ons in zijn genade bewaart. En doe in Gods naam wat ik u nu vraag: volgend jaar in de heilige vastentijd steek dan niet de Jordaan over, zoals jullie gewoonte is in het klooster.'
Zosimas was verbijsterd te horen dat ze de regels van het klooster kende, en kon alleen maar zeggen, 'Ere zij God Die grote giften schenkt aan degenen die Hem liefhebben.'
En zij ging verder: 'Blijf in het klooster, Abba, zoals ik gevraagd heb. Zelfs als u zou willen vertrekken, zou u dat niet lukken.
Maar op de heilige avond van het Laatste Avondmaal moet u iets van het levengevende lichaam en bloed van Christus nemen en in een heilige kelk die geschikt is voor zulke mysteriën doen en deze meebrengen, en daarmee op mij wachten aan de oever van de Jordaan die grenst aan het bewoonde gebied.
Als ik dan kom, kan ik deelhebben in die levenschenkende gaven. Want sinds ik in de kerk van de Voorloper de Communie heb ontvangen, vlak voordat ik de Jordaan overstak, heb ik die heilige Communie nooit meer gekregen. En nu dorst ik ernaar met een onbedwingbare liefde en verlangen. Daarom vraag en smeek ik u mijn verzoek niet te weigeren, maar mij die levenschenkende goddelijke mysteriën te brengen op het precieze tijdstip dat de Heer zijn leerlingen de goddelijke maaltijd deelachtig deed worden. Tot vader Johannes, de abt van het klooster waarin u woont, moet u het volgende zeggen: "Let op uzelf en uw kudde, want er is veel dingen dat correctie behoeft." Maar zeg dat niet nu al, maar pas wanneer God u daarvoor aanwijzingen geeft.' Na dit gezegd te hebben, vroeg ze om een gebed van de oude man, en verdween in de diepte van de woestijn.
21. Zosimas strekte zich uit op de grond en kuste de plek waar haar voeten hadden gestaan, en God prijzend en dankend keerde hij om, en prees en zegende Christus onze Heer. Hij bleef de overgebleven tijd in de woestijn en ging terug naar het klooster op de dag dat alle monniken terugkeerden.
Dat hele jaar zweeg hij, want hij durfde niemand iets te zeggen van wat hij gezien had, maar hij verlangde er erg naar haar dierbare gezicht weer te zien en bad in stilte steeds tot God hem dat nog eens toe te staan. Hij zuchtte over hoe langzaam het jaar leek te verstrijken.
Toen de eerste zondag van de heilige vastentijd aanbrak, gingen alle anderen naar buiten onder het gebruikelijke psalmgezang, maar hij leed aan een lichte koorts waardoor hij in het klooster moest achterblijven. En Zosimas herinnerde zich hoe die heilige vrouw gezegd had: 'Zelfs al zou u willen weggaan, dan zou u dat niet lukken.' Na verloop van enige dagen herstelde hij van zijn ziekte, maar hij bleef in het klooster.
Toen alle broeders teruggekeerd waren en de dag van het Laatste Avondmaal aanbrak, deed hij wat hem opgedragen was. In een kleine kelk deed hij een portie van het onbezoedelde lichaam en het kostbare bloed van onze Heer Jezus Christus, en hij vulde een mandje met wat vijgen en dadels en wat geweekte linzen. Laat in de avond ging hij naar de oever van de Jordaan en ging daar zitten wachten op de komst van de heilige vrouw. Hoewel de heilige vrouw lang op zich liet wachten, viel Zosimas niet in slaap, maar bleef strak de woestijn in kijken, verlangend haar te zien.
‘Misschien is ze al geweest en omdat ze mij niet aantrof weer teruggekeerd,' dacht hij, en barstte in tranen uit en hief zijn ogen naar de hemel en bad tot God: 'Heer, U stond mij eens haar toe te zien. Verhinder mij nu niet haar weer te zien! Laat mij niet onbeloond teruggaan, vervloekt als straf voor mijn zonden.'
Maria krijgt de Sacramenten van Zosimas
22. Terwijl hij zo in tranen zat te bidden, vielen hem andere gedachten in: stel dat ze komt, wat zal ze dan doen? Hoe kan ze de Jordaan oversteken, want er is hier geen veerboot! Ze zal niet in staat zijn naar mij toe te komen, arme stakker die ik ben! Ach, wat ben ik een ongelukkige! Helaas, wie kan haar verhinderd hebben voor mij te verschijnen?’
Maar terwijl hij dit zo zat te overdenken, zie, daar verscheen de heilige vrouw! Daar was ze, staande aan de andere kant van de rivier. Zosimas kwam overeind, en blij en verheugd dankte hij God. Maar opnieuw dacht hij er aan dat zij de Jordaan niet kon oversteken.
Toen zag hij echter dat zij het kruisteken over de wateren van de Jordaan maakte — het was een heldere nacht verlicht door de volle maan, zoals hij later vertelde — en meteen stapte ze op het water en liep over de oppervlakte, alsof het droog land was, naar hem toe. Vol ontzag maakte hij aanstalten zich languit op de grond uit te strekken, maar zij riep hem toe, al lopend op het water: 'Wat doet u daar nou, Abba, u die een priester bent en de heilige mysteriën draagt!'
Hij gehoorzaamde haar meteen, en nadat zij de oever had bereikt, zei ze tot de oude man: 'Zegen mij, vader, zegen mij!'
Hij haastte zich dat verzoek in te willigen, hoewel hij bijna sprakeloos was geworden door het zien van zo'n glorieus wonder: 'Werkelijk, God liegt niet als Hij belooft dat degenen die zich hebben gereinigd aan Hem gelijk zullen worden. Eer zij U, Christus onze God, die mij door Uw dienares getoond hebt hoever ik van de volmaaktheid verwijderd ben.'
Op dat moment vroeg de vrouw hem het Credo en het Onze Vader te bidden. Toen het gebed beëindigd was, gaf zij de oude man de destijds gebruikelijke vredeskus op de mond, en zij kreeg toen de levenschenkende mysteriën.
De Laatste Communie van St. Maria van Egypte (1680)
Marcantonio Franceschini.
Met haar armen ten hemel geheven zuchtte ze en riep in tranen: 'O Heer, laat nu, naar Uw woord, Uw dienares in vrede gaan, want mijn ogen hebben Uw heil gezien.'
Daarop zei ze tegen de oude man: 'Vergeef mij, Abba, dat ik ‘t u vraag, maar vervul ook nog een andere wens van mij. Ga nu terug naar het klooster, in de bescherming van Gods genade, maar kom het volgende jaar weer naar de andere kant van de rivier en reis naar de plaats waar u voor het eerst met mij sprak. Kom alstublieft, in Gods naam, dan zult u mij weer zien, want dat is de wil van de Heer.'
Hij riep uit: 'Ik wou dat het mogelijk was u voortaan te volgen en altijd het genoegen te smaken uw heilige gezicht te zien. Maar vervul nu, moeder, in ieder geval één kleine wens van een oude man en neem iets van voedsel dat ik heb meegebracht.'
En hij liet haar het mandje zien. Ze nam met haar vingertoppen drie korrels linzen en at ze, terwijl ze zei dat de genade van de Geest voldoende was om de ziel in leven te houden. Daarna zei ze tot hem: 'Bid voor mij, in de naam van de Heer, en gedenk een arme stakker.'
Hij raakte de voeten van de heilige vrouw even aan, en vroeg haar te bidden voor de Kerk, en de Keizer, en hemzelf. In tranen liet hij haar zo gaan, en zuchtend en verdrietig ging hij weg, want hij durfde niet te proberen haar nog langer op te houden, want hij wist dat hij daartoe niet in staat was, zelfs al had hij dat gewild.
23. Ondertussen sloeg zij weer een kruis over de Jordaan, stapte op het water en liep er terug overheen, net zoals ze was gekomen. De oude man keerde terug, overvol van een mengeling van blijdschap en vrees.
En spijtig verweet hij zichzelf dat hij deze heilige vrouw niet naar haar naam had gevraagd, maar hij hoopte dat het volgende jaar te kunnen doen als zij elkaar weer zouden ontmoeten.
24. Toen weer een jaar voorbij gegaan was, werd alles zoals gewoonlijk gedaan, en ging hij weer die uitgestrekte woestijn in, zich haastend naar de plaats waar hij voor het eerst dat glorierijke schouwspel had gezien. Maar terwijl hij door de woestijn liep kon hij maar geen tekenen vinden die aangaven hoe hij de gewenste plek kon vinden. Hij keek links en rechts en wendde zijn blik alle kanten op, de omgeving onderzoekend alsof hij als een snelle jager was, die speurt naar een gunstige prooi. Maar hij kon nergens ook maar een teken van beweging zien, en zijn tranen begonnen op te wellen.
'O Heer,’ zei hij, zijn ogen omhoog richtend, ‘toon mij toch Uw pure schat die U in deze woestijn verborgen hebt! Toon mij toch die vleesgeworden engel, die geen vergelijk heeft in heel de wereld.'
25. Na dat gebed kwam hij meteen bij de plek die leek op een woeste rivier en toen hij naar de overkant keek zag hij een schijnend licht, en het lichaam van de heilige vrouw, die daar dood lag met haar gezicht naar het oosten gericht en haar handen op de juiste manier gevouwen. Hij rende naar haar toe en baadde de voeten van deze gelukzalige vrouw in zijn tranen, en kuste ze. Hij durfde namelijk geen ander deel van haar lichaam aan te raken.
Lange tijd huilde hij, en zong toen de psalmen die bij zo'n gelegenheid passend zijn, en sprak de gebeden voor de doden uit. Toen vroeg hij zich af, ‘moet ik het lichaam van een heilige begraven? Of zou dat in strijd zijn wat met haar wensen?’ En toen zag hij naast haar hoofd woorden die in het zand waren getrokken:
'Abba Zosimas, begraaf op deze plek het lichaam van de nederige Maria, geef stof terug aan stof, en bid tot de Heer voor mij die stierf in de maand Farmoethi van Egypte, die door de Romeinen April genoemd wordt, op de eerste dag, in precies dezelfde nacht als die van de Passie van de Heer, na de communie van het goddelijke en heilige Avondmaal ontvangen te hebben.'
Zosimas vindt Maria dood op de grond.
26. Toen de oude man die woorden las, was zijn eerste gedachte wie die geschreven kon hebben, want ze had gezegd dat ze nooit had leren lezen. Maar tegelijkertijd was hij dolblij dat hij haar heilige naam nu vernomen had. Hij begreep dat zij onmiddellijk na het ontvangen van de Communie bij de Jordaan naar de plek was verplaatst waar zij was gestorven. De reis die Zosimas twintig inspannende dagen had gekost, had Maria klaarblijkelijk in minder dan één uur gedaan, voordat ze was regelrecht naar God was vertrokken.
Hij verheerlijkte God en baadde haar lichaam met zijn tranen. Daarop zei hij: 'Het is tijd, Zosimas, haar wens uit te voeren. Maar hoe wil je een gat graven, als je alleen maar je blote handen hebt?' Op dat moment zag hij vlakbij een klein stuk hout dat door een reiziger in de woestijn was achtergelaten. Dat pakte hij op en hij begon ermee te graven. De grond was echter hard en droog en gaf niet toe aan de inspanningen van de oude man, en de taak was er ook niet gemakkelijker op geworden door zijn zwakte na het vasten, om nog maar te zwijgen van de vermoeidheid van de lange reis, maar hij bleef doorwerken, zwaar zuchtend, terwijl het zweet van hem afdroop en hij kreunde uit het diepst van zijn hart.
Plotseling zag hij een grote leeuw bij het lichaam van de heilige vrouw staan die haar voeten likte. Bij het zien van dat enorme beest, begon hij te beven van angst, vooral omdat hij zich herinnerde dat Maria gezegd had dat ze hier nooit wilde beesten gezien had.
Maar hij vatte moed, en terwijl hij over zichzelf een kruisteken maakte, bedacht hij dat de kracht van degene die daar lag hem tegen het kwaad zou kunnen beschermen. De leeuw kwam ondertussen dichter naar hem toe en toonde zijn genegenheid in al zijn bewegingen.
Zosimas zei tot de leeuw: ‘Deze dienares van God heeft mij opgedragen haar lichaam te begraven. Maar ik ben oud, en heb niet de kracht om haar graf te delven, want ik heb geen schop en het zou te lang duren om er een te halen. Dus zou jij dat werk met je klauwen willen doen? Dan kunnen wij de sterfelijke tempel van deze heilige aan de aarde toevertrouwen.'
De leeuw graaft het graf.
27. Terwijl hij nog praatte, begon de leeuw met zijn voorpoten een gat te graven dat diep genoeg was om het kleine lichaam van de heilige te begraven.
Opnieuw baadde de oude man de voeten van de heilige vrouw met zijn tranen. Hij smeekte haar voor allen te bidden, en waar de leeuw bij stond, bedekte hij het lichaam met aarde, haar lichaam dat zo naakt was als op de dag toen hij haar voor het eerst ontmoette en met geen andere bedekking dan het gescheurde kleed dat Zosimas haar had toegeworpen, en waarmee Maria met haar rug naar hem toe gekeerd haar lichaam gedeeltelijk had kunnen bedekken.
Daarop gingen beiden weg, de leeuw zo vriendelijk als een lam naar het midden van de woestijn, en Zosimas, Christus onze Heer lovend en prijzend, terug naar het klooster, waar hij het hele verhaal vanaf het begin aan alle monniken vertelde. Hij hield niets achter van wat hij gehoord en gezien had, opdat allen die van deze grote daden Gods hoorden, met verwondering en vrees en liefde vervuld zouden worden, en met een groot geloof het verscheiden van deze allerheiligste vrouw naar God zouden kunnen vieren.
Johannes de abt, zoals de heilige Maria eerder aan Abba Zosimas had verteld, vond in het klooster inderdaad een aantal dingen verkeerd en met Gods hulp kon hij die oplossen. Zosimas bleef in dat zelfde klooster en vertrok in vrede naar de Heer op ongeveer honderdjarige leeftijd.
De monniken onthielden dit verhaal zonder het op te schrijven en gaven het mondeling aan elkaar door.
Maar ik schreef het op (zo voegt Sophronius eraan toe), zodra ik het hoorde. Misschien dat iemand anders, wellicht beter geïnformeerd, het leven van de Heilige al beschreven heeft, maar voor zover ik het kon doen, heb ik alles genoteerd, de waarheid boven alles stellend. Moge God, Die verbazingwekkende wonderen bewerkstelligt en gul giften toekent aan degenen die zich met vertrouwen tot Hem wenden, hen belonen die voor zichzelf verlichting zoeken in dit verhaal, die het horen, het lezen en het ijverig [over]schrijven, en moge Hij hen het lot van de gezegende Maria toebedelen tezamen met allen die op verschillende tijden God behaagd hebben met hun vrome gedachten en werken.

En laten we ook God prijzen, de eeuwige Koning, opdat hij ons Zijn genade moge geven op de dag des oordeels, ter wille van Jezus Christus onze Heer, aan Wie alle glorie, eer, heerschappij, en aanbidding van de Eeuwige Vader en de Heiligste en Levensgevende Geest behoort, nu en altijd, en door alle tijden.

Amen.
Reliekhouder met de onvergane tong van St. Maria van Egypte,
deel van de Collectie van Sacrale Kunst in de kerk van St. Biagio.

Maria van Egypte in Kunst, Kultuur & Cultus
Cultus
Maria is de patrones voor boetelingen en berouwvolle zondaressen, en in Italië was ze patrones van de Romeinse hoeren.
En zij is patrones tegen koorts
Haar jaardag is op 2 april. Een aantal kerken hieronder. Er zullen er nog wel meer zijn.

Nederland
In Amsterdam is er een Parochie van de H. Maria van Egypte,
in de Muiderstraat 10.

Italië

In Napels bij het Piazza Garibaldi is de kerk van S. Maria Egiziaca. Gebouwd in 1342 herbouwd in de 16e eeuw; er zijn schilderijen van Luca Giordano, en andere artiesten.

In Rome staat de Tempel van Portunus, die gewijd is aan Portunus, de god van de rivierhaven, die daar eerder lag en het is het best bewaard gebleven tempeltje van het oude Rome. Men weet alleen niet precies uit welk jaar de tempel dateert. Waarschijnlijk stamt de huidige versie uit de tweede helft van de 2e eeuw v.Chr., met restauraties uit de 1ste eeuw v.Chr.
De oudste bouwfase is uit de 4e of 3e eeuw v.Chr. De tempel wordt ook wel eens (foutief) de tempel van Fortuna Virilis genoemd, naar de maagdelijke godin van het geluk. Jonge meisjes die verloofd waren droegen hun zogenaamde maagdenjurk aan haar op. Maar deze tempel lag een eindje verder ter hoogte van het Forum Olitorium.
In 872 werd de tempel verbouwd tot kerk, gewijd aan de Heilige Maria van Egypte. Het tempeltje staat sinds 1930 weer vrij. Er was lange tijd aan de linkerkant een klooster tegenaan gebouwd. Het tempeltje werd naar traditioneel Romeins model ontworpen en heeft half in de muur verzonken Ionische zuilen.
Kreta

Het nationale natuurpark Samaria op de Lefka Ori. De Samariakloof. Het bijna geheel verlaten dorp Samaria. De dorpelingen moesten hier vandaan toen dit gebied in 1962 tot nationaal park werd verklaard. Net buiten het dorp staat het Byzantijnse kerkje van de heilige Maria van Egypte. Aan deze Santa Maria zou dit dorp zijn naam te danken hebben.

USA

Roswell
Saint Mary of Egypt Orthodox Church.

Kunst
Goethe’s Faust
Maria van Egypte speelt ook een kleine rol Goethe’s Faust (±1800).
In de laatste minuut van de slotakte treedt ze op tezamen met twee andere — Bijbelse — zondaressen, te weten Mulier Samaritana, de Samaritaanse, die vijf mannen gehad heeft en samenhokt met weer een andere, en die Christus water geeft uit de Jakobsbron, (Joh.4) en Magna Peccatrix, de grote zondares die aan Christus’ voeten valt, zijn voeten kust en met balsem zalft, en tegen wie hij zegt: “Uw zonden zijn vergeven”, (Luc. 7,36 e.v.) en die later met Maria Magdalena vereenzelvigd zou worden.
MARIA AEGYPTIACA
Bei dem hochgeweihten Orte,
Wo den Herrn man niederließ,
Bei dem Arm, der von der Pforte
Warnend mich zurücke stieß;
Bei der vierzigjährigen Buße,
Der ich treu in Wüsten blieb,
Bei dem seligen Scheidegruße,
Den im Sand ich niederschrieb —

ZU DREI
Die du großen Sünderinnen
Deine Nähe nicht verweigerst
Und ein büßendes Gewinnen
In die Ewigkeiten steigerst,
Gönn auch dieser guten Seele,
Die sich einmal nur vergessen,
Die nicht ahnte, daß sie fehle,
Dein Verzeihen angemessen!
MARIA AEGYPTIACA
Bij de allerheiligste plek,
Waar men onze Heer neerlegde,
Bij de arm, die van de ingang
Me waarschuwend terugstootte,
Bij de veertigjarige boetedoening,
Die ik trouw in de woestijn verbleef,
Bij de zalige afscheidsgroet,
Die ik in het zand neerschreef —

ALLE DRIE
Gij die grote zondaressen
Uw nabijheid niet weigert
En de beloning van de boetedoening
In de eeuwigheid vermenigvuldigt,
Gun ook deze goede ziel,
Die zich eenmaal maar vergiste,
Die niet vermoedde, dat ze dwaalde,
Uw haar toekomende vergiffenis!
Goethe veroorlooft zich wat dichterlijke vrijheden, zoals de ‘arm’ die Maria terugstootte, en de ‘veertigjarige’ boetedoening.
Mahler’s 8ste symfonie
Mahler gebruikte de slotscène van Goethe’s Faust in het tweede deel van zijn 8ste symfonie (1910), en zo horen we Maria Aegyptiaca ook deze strofen zingen.
Meerdere Maria's
De bijbelse zondaressen die tezamen met de buitenbijbelse zondares Maria van Egypte in Goethe's Faust afzonderlijk ten tonele worden gevoerd, zullen in de kerkelijke traditie samensmelten tot een complexe voorstelling, letterlijk een samengesteld portret: het beeld van Maria Magdalena.
Zoals links en rechts duidelijk te zien is, overheerst bij de kunstenaars het uiterlijk van Maria van Egypte, zoals dat al eerder had gestalte gekregen.
(Links) Maria Magdalena, ook bekend als La belle Allemande, de 'Duitse schone'. Gregor Erhart, ca. 1500; Augsburg.
(Rechts) Maria Magdalena omringd door engelen. Tilman Riemenschneider, 1490-92; Bayerisches Nationalmuseum, München.
Dat de twee Maria's met een 'mantel van haar' worden afgebeeld, net ook als de Indiase heilige hieronder, kan natuurlijk symbolisch geïnterpreteerd worden, als een straf bijvoorbeeld — om aldus zichzelf lelijk te maken — die Maria van Egypte zichzelf gaf vanwege haar eerder losbandig gedrag. Maar in de puriteinse omgeving en tijd, waarin deze beelden vervaardigd werden, kon de 'mantel van haar' ook een eenvoudige kunstgreep van de kunstenaar zijn om op een acceptabele manier een vrouw geheel naakt uit te beelden.
Een naakte Indiase vrouwelijke heilige, Mahadevi Akka Yakka

De Indiase vrouwelijke heilige Mahadevi Akka Yakka.
De 'mantel van haar' waarin Akka Yakka gehuld is, komt erg overeen met die waarin Maria van Egypte ook wel afgebeeld wordt, zoals bijvoorbeeld op het schilderij van Raphaël (16e eeuw; zie hierboven) en het plaatje in het Getijdenboek (15e eeuw, zie rechts), en vervolgens dus ook Maria Magdalena.
In India kwam het lang geleden wel vaker voor dat vrouwelijke asceten naakt rondliepen, hoewel het veel minder gebruikelijk was dan de naaktheid van de mannelijke asceten (denk aan de gymnosofisten). En waarom dat zo was, is natuurlijk nauwelijks een vraag: de vrouwen werden lastig gevallen.
De beroemde vrouwelijke heilige — en dichteres — Mahadevi ('Grote Godin') genoemd, of Akka ('Oudere Zuster'), die in de 12de eeuw leefde, zwierf rond slechts gekleed in haar lange haarlokken.
Op de leeftijd van tien jaar, werd zij ingewijd in de verering van Shiva, die zij de 'Heer Wit als Jasmijn' noemde. In haar poëzie gaf zij uiting aan haar 'verliefdheid op Shiva.' Zij zwierf door het land, een god-bedwelmde wilde-vrouw, zoekend naar haar goddelijke minnaar.
Bronnen
Er zijn meerder versies van dit verhaal in het Engels. Een wat kortere, die ik Versie 1 (V.1) noem, en een in het algemeen iets bloemrijkere, die ik Versie 2 (V.2) noem. Maar wat de essenties betreft ontlopen ze elkaar weinig. Beide versies heb ik gebruikt om tot bovenstaande tekst te komen.

Versie 1, The Life of our Holy Mother Mary of Egypt (From The Great Canon, the work of Saint Andrew of Crete) is hier te vinden.
Versie 2, The Life of St Mary of Egypt by Sophronius, translated into Latin from the Greek by Paul, deacon of the church of Naples, is hier te vinden.
En er is nog een Mary of Egypt Orthodox Church site.

Goethe’s Faust, Kippenberg, A. Frankfurt a.M.1988. p.514.
Mahler’s 8ste symfonie, Concertgebouw Orkest o.l.v. Riccardo Chailly. Maria Aegyptiaca gezongen door Anna Larson. Januari 2000.

Reliekhouder van St. Maria van Egypte, 17e eeuw.

Contact: Dolf Hartsuiker