Horst, P.W. van der. De Woestijnvaders. Amsterdam, 1998.
Levensverhalen van kluizenaars uit het vroege christendom
Kritiek en correctie op de vertaling van teksten door vdH.
Door Dolf Hartsuiker.
[Voor de vergelijking van HET LEVEN VAN ANTONIUS maak ik hier gebruik van de Engelse versie, Athanasius: Select Works and Letters. Volume IV of NICENE AND POST-NICENE FATHERS, Series II, Philip Schaff and Henry Wace, editors. http://www.fordham.edu/halsall/basis/vita-antony.html
Er is nog een site met identieke
tekst: http://www.newadvent.org/fathers/2811.htm
En van fragmenten voorzover
die op het internet aanwezig waren van Hunink, Vincent; Antonius, Vader van
Monniken:
http://www.let.kun.nl/V.Hunink/documents/antonius_artikel.htm
en http://www.vincenthunink.nl
En Leven, getuigenissen, brieven van de Heilige Antonius
Abt,
van Christofoor Wagenaar OCSO, Westmalle, 1981, aangegeven in roze/paars.
Voor de Bijbel citaten gebruik ik meestal de Willibrord vertaling, http://www.willibrordbijbel.nl/ aangegeven in groen.]
[21]
(1) Antonius was[, zoals u moet
weten een] Egyptenaar van geboorte. Zijn ouders waren mensen van [een] goede [familie] afkomst die een aanzienlijk vermogen [bezaten] hadden vergaard. Omdat zij christenen
waren, werd hij [in hetzelfde geloof] christelijk
opgevoed. (2) Als kind groeide hij op bij zijn ouders en behalve hen en het
huis kende hij niets en niemand anders. Maar toen hij [gegroeid
was en de jongensjaren bereikte, en] ouder werd en opgroeide tot een
jongen, [kon] weigerde hij [het niet verdragen om te leren lezen] schoolonderricht
omdat hij [niets gaf om het gezelschap van] contact
met andere [jongens] kinderen wilde
vermijden. (3) Zijn enige verlangen was om, zoals [het
over Jakobus] geschreven staat, [iets
weggelaten wat naar de Bijbel verwijst, dus dit was onduidelijk, vdH.] [als] eenvoudig [man]
in zijn huis te wonen. [Hij] Wel ging hij [gewoonlijk] met zijn ouders mee naar de kerk. Als
kind was hij [niet lui] geen losbol, [heel wat anders, vdH.] en ook toen hij iets
ouder was geworden, minachtte hij zijn ouders niet maar gehoorzaamde [zowel zijn vader als zijn
moeder] hen. Hij was oplettend bij [wat
gelezen werd] de schriftlezingen en [onthield]
bewaarde wat hij daarin aan nuttigs voor zichzelf vond in zijn
innerlijk. [bewaarde... in zijn innerlijk,
dat is toch nauwelijks Nederlands, vdH.] (4) Als kind leefde hij in redelijke [welvaart] overvloed, maar toch viel hij zijn
ouders niet lastig met vragen om allerlei luxe voedsel, want [dit was voor hem geen bron van] hij was niet op
zoek naar het genot dat daarin gelegen is. Hij was [gewoon] geheel tevreden met wat hij kreeg en
verlangde verder niets.
(1) Na de dood van zijn [vader en
moeder] ouders bleef hij alleen achter met n heel jong zusje.
Hij was zo'n achttien of misschien twintig jaar toen hij de zorg voor het
huishouden en zijn zusje op zich nam. (2) Er waren nog geen zes maanden
voorbijgegaan sinds de dood van zijn ouders toen hij eens zoals gewoonlijk naar
de kerk ging en bij zichzelf nadacht over al deze dingen: hoe de
apostelen [, hoe deze] alles achterlieten en de
Heiland volgden, [Mt 4,20[1]]
hoe anderen (in het boek Handelingen 4,35[2])
hun bezittingen verkochten en de opbrengst daarvan aan de voeten van de
apostelen legden, zodat die kon worden verdeeld onder de behoeftigen, en wat
voor groots hen in de hemel te wachten stond. [(vgl.
Kol. 1,5[3])]
(3) Terwijl hij daarover [peinsde] nadacht,
ging hij de kerk binnen, en het kwam zo uit dat daar toen uit het Evangelie
voorgelezen werd en hij hoorde hoe de Heer tot de rijke man zei: 'Als je [onverdeeld goed] volmaakt wil zijn, ga dan
heen, verkoop al je bezittingen, en geef (de opbrengst) aan de armen. Kom dan
hier en volg mij, en je zult een schat in de hemel hebben.' [Mt. 19,21[4]]
(4) Alsof God zelf hem deze [22] gedachten
aan de heiligen ingegeven had en deze [passage]
schriftlezing er juist omwille van hem [gelezen
werd] geweest was, ging Antonius onmiddellijk de kerk uit en
schonk de bezittingen van zijn voorouders (dat waren meer dan acht hectare zeer
goed en vruchtbaar bouwland) aan zijn dorpsgenoten, zodat [deze (bezittingen) voor hem] hij en zijn zus [geen blok aan het been meer zouden zijn.] door hen
in het geheel niet meer lastiggevallen zouden worden. [Dat is toch heel wat anders, vdH.] (5) De
roerende goederen die zij bezaten verkocht hij ook allemaal en [de] toen hij daarmee een aanzienlijke
hoeveelheid geld [die hij] had vergaard,
verdeelde hij dat onder de armen, maar hij hield wel wat achter ten behoeve
van zijn zusje.
(1) Toen hij weer eens de kerk binnenging, hoorde hij dat
de Heer in het Evangelie zegt: 'Maak je geen zorgen voor de dag van morgen.'
[Mt. 6,34[5]]
[, kon] Toen bracht hij het niet meer
op nog langer te blijven, [maar]
ging naar buiten, en [gaf] verdeelde ook
[die dingen aan de armen.] dat onder de
minderbedeelden. Zijn zusje vertrouwde hij toe aan [bekende en betrouwbare] enkele gelovige maagden[, en deed haar in een nonnenklooster om] die hij
kende met de bedoeling haar [daar] tot
een leven als maagd te laten opvoeden. Zelf wijdde hij zich voortaan [buitenshuis] aan de ascese in plaats van aan zijn
huis, waarbij hij [op zichzelf lettend,]
zich [met geduld trainde.] onderwierp aan
een strikte discipline. (2) Er waren toen in Egypte nog niet zo veel [kloosters] kluizenaarscellen en geen [enkele] monnik [kende het
hartje van de] wist er nog iets van de verre woestijn. [Allen] Ieder die aan zichzelf aandacht wilde[n] besteden oefende[n] zich [vlakbij
hun] niet ver van zijn eigen dorp in afzondering in de ascese. [De vraag is of deze eenzame asceten Christenen waren.
Antonius was in ieder geval dus niet de eerste asceet, misschien wel de eerste
Christen asceet, of misschien, volgens Athanasius dan, de eerste Christen
asceet in de woestijn.]
(3) Welnu, in [het volgende] een nabijgelegen dorp woonde een
oude man die zich van jongs af aan [als
kluizenaar] had [geleefd] getraind in
het leven in eenzaamheid. [Maar was deze man,
de Guru van Antonius, een Christen?] [Nadat]
Antonius [deze man gezien had] ontmoette hem
en begon [hij] met hem [in zijn vroomheid] te [imiteren]
wedijveren in het goede. (4) Aanvankelijk [hield]
trok hij zich [op] terug in [plaatsen buiten] de omgeving van zijn dorp.
Maar daarna, zodra hij hoorde dat er ergens een [goede
man] ijveraar voor het geloof was, zocht hij [hem] die man op, zoals [de verstandige] een
wijze bij [dat] doet. Hij keerde dan niet
eerder terug naar zijn eigen plek voordat hij die man gezien had en van hem [als het ware] proviand voor [zijn]
de reis [op de weg van] naar de
deugd had gekregen. [Maar waren deze Gurus
Christenen?] (5) Op die plek verbleef hij dus aanvankelijk om [sterker te worden in] zijn [voornemen]
geest in evenwicht te brengen, want hij had de bedoeling niet meer naar
de [woonplaats] eigendommen van zijn
ouders terug te keren en ook de herinnering aan zijn verwanten uit te bannen,
maar heel zijn verlangen en al zijn energie te richten op [het verbeteren van] zijn inzet voor de ascese.
(6) Hij werkte [echter] met zijn handen, want hij
had gehoord: 'Wie niet [wil werken] werkt
[zal] mag ook niet eten.' [2 Tess. 3,10[6]]
Een deel van de opbrengst besteedde [23] hij
aan brood, de rest gaf hij aan de behoeftigen. Hij bad onophoudelijk, omdat hij
[wist] had geleerd dat men in [stilte] afzondering zonder onderbreking moet
bidden. [[7]]
(7) Hij was zo oplettend bij [wat er gelezen werd]
de schriftlezing dat hij niets van de geschreven woorden ter aarde liet
vallen maar alles onthield, waardoor zijn geheugen [daarna]
de plaats van boeken innam.
(1) Omdat hij zich zo gedroeg, was Antonius bij alle
mensen geliefd. Zelf onderwierp hij zich oprecht aan de geloofsijveraars
[geloofsijveraars impliceert Christenen, terwijl
goede mannen de mogelijkheid openlaat dat het een andere sekte betreft, zoals
bijvoorbeeld de Essenen, die zo genoemd werden.] die hij bezocht, en hij
[bemerkte waar elk hem voorbijstreefde] liet
zich onderrichten in de ijver en de ascese waarin ieder
van hen uitblonk. [Heel wat anders, vdH.] Hij
zag bij de een beminnelijkheid, bij de ander [de onophoudelijkheid van] concentratie
in het gebed. Hij observeerde bij de een [de
afwezigheid van woede] het ontbreken van opvliegendheid, bij de
ander menslievendheid. Hij lette bij de een [terwijl
hij waakte] op diens nachtwaken, bij de ander [terwijl hij studeerde.] op de liefde voor de
studie (van de Bijbel). [Waarom de Bijbel? In
het Engels staat dat in ieder geval er niet bij.] Hij bewonderde de een
om diens volharding, de ander om zijn vasten en slapen op de kale grond.
Hij constateerde bij de een zachtmoedigheid, bij de ander [lankmoedigheid] grootmoedigheid. Hij [be]merkte bij allen in gelijke mate de
vroomheid jegens Christus en de liefde jegens elkaar [die
allen bezielden].
(2) Daarvan vervuld keerde hij dan terug naar zijn eigen
plek waar hij zich aan de ascese wijdde. Daarna beijverde hij zich ervoor om [de eigenschappen die] wat hij bij elk van hen
gezien had in zichzelf te verenigen en [verlangde
ernaar bij zichzelf de deugden van allen] het allemaal zichtbaar
te maken. (3) Hij was jegens zijn leeftijdsgenoten niet afgunstig, op n punt
na: hij moest niet hun mindere lijken als het ging om [de
hogere dingen] morele superioriteit. En hij [deed het zo] bracht dat op zo'n manier in de
praktijk dat hij er niemand verdriet mee deed, maar dat de anderen zich zelfs
over hem verheugden. (4) Alle mensen uit zijn dorp en de [goede mannen] liefhebbers van het goede met
wie hij [intiem omging] regelmatig contact
had, noemden hem, als ze hem zo bezig zagen [dat hij zon soort man was], [de door God
geliefde] 'Theofilus, en sommigen groetten hem als hun zoon,
anderen als hun broer.
(1) De hater van het goede, de afgunstige duivel, kon het
niet verdragen zo'n [vastberadenheid] streven
bij een jonge man aan te zien, en [alles wat] de
dingen die hij gewoonlijk [tegen anderen]
deed, trachtte hij nu ook tegen hem ten uitvoer te brengen. (2) Hij probeerde
hem allereerst van de ascese af te brengen door hem
[de herinnering aan zijn rijkdom in te
fluisteren] terug te laten denken aan zijn bezittingen, de zorg
voor zijn zus, [24] de [aanspraken van] band met zijn familie,
geldzucht, eerzucht, de [diverse] genietingen
van [het eten] gevarieerde maaltijden, [de] andere geneugten des levens, en ten slotte de [moeilijkheid van de deugd] harde weg naar de
deugdzaamheid en [de inspanning die dat kost]
de grote inspanningen die daarvoor vereist zijn. Hij gaf hem ook te
denken over de zwakheid van [het] zijn
lichaam en de lange duur van het leven. (3) En zo wierp de duivel een hele
stofwolk van gedachten op in Antonius' geest, omdat hij hem van zijn [vastberaden doel] juiste keuze wilde [beletten] afbrengen.
Maar toen de Vijand zag dat hij [te]
zwak [was voor de vastberadenheid] stond
tegenover het besluit van Antonius en dat hij eerder zelf het onderspit zou
delven vanwege diens standvastigheid, [vertrouwde]
zette hij, afgeslagen door het geloof en bezwijkend onder de aanhoudende
gebeden van Antonius, vol zelfvertrouwen al zijn kaarten [uiteindelijk] op de wapens [die in de navel van zijn buik [Job 40,11: maar niet zo duidelijk] zijn, en waar hij zich ook op beroemde.] van
de buik. [Slecht vertaald, vdH, terwijl er
ook nog een citaat in zit, en nog een stukje weggelaten.] Dat [is] zijn namelijk altijd zijn eerste [valstrik voor] hinderlagen waarin hij jonge mensen
probeert te lokken. Hij viel de jonge man aan door hem 's nachts met
lawaai te [verstoren] belagen en
overdag zo lastig te vallen [zo]dat [toeschouwers] degenen die hem zagen de strijd
opmerkten die er tussen [hen] beide partijen
plaatsvond. (4) [De een kwam met onreine] Hij
fluisterde hem vuile gedachten in, [en de ander bestreed] maar Antonius verdreef die
met zijn gebeden. [De een] Hij
probeerde hem [met begeerte in vlam te zetten] op
te winden, de ander, als iemand die leek te
blozen, beschermde zijn lichaam met] maar zodra Antonius dacht dat
hij zich zou schamen, verschanste hij zijn lichaam achter geloof[, gebeden] en vasten.
(5) [En de] De
ellendige duivel[, ongelukkig schepsel,]
bestond het zelfs op een nacht in de gestalte van een vrouw
[aan te nemen] te verschijnen en al haar
[gedragingen] manieren na te bootsen,
alleen om Antonius te verleiden. Maar hij[, zijn geest
gevuld met] dacht aan Christus en de geestelijke adel van
de ziel die [Hij inspireert,] wij aan hem
danken, en zo doofde hij de gloeiende kolen van [het
bedrog van de ander] die verleiding. (6) Nog eens hield de vijand
hem [het gemak] de zoetheid van het
genot voor, maar hij [als een man vervuld van woede en
verdriet, richtte zijn gedachten op] stelde zich tegelijkertijd boos
en verdrietig de dreiging van [het] [(helle)]vuur en [het
knagen van] de kwelling door de worm [en
door] voor ogen. Door daar deze [in
stelling te zetten] dingen tegenover [zijn
tegenstander] te stellen, doorstond hij [de
verleiding] alles ongedeerd. [Dat was
weer eens onjuist en onduidelijk, vdH.]
Dit alles strekte alleen maar tot schande van [zijn] de vijand. (7) Want hij die had gedacht gelijk
te zijn aan God [(Gen. 3,5[8])]
werd nu door een [jongeman bespot] jongen
voor gek gezet. Hij die zich erop beroemde [boven]
vlees en bloed te [staan] overwinnen
werd nu zelf door een mens van vlees en bloed [op
de vlucht gejaagd] afgeslagen. De Heer werkte namelijk [voor Antonius] mee aan zijn zijde, Hij die
voor ons vlees heeft aangenomen en daarmee het lichaam de overwinning op
de duivel heeft gegeven. Daarom kan ieder die de strijd [oprecht] zo voert, zeggen: 'Niet ik, maar de
genade van God die met mij is.' [25]
[(1 Kor 15,10][9]
(1) Ten slotte, toen de draak ook [zelfs op die manier] met
dit middel niet in staat bleek Antonius eronder te krijgen, maar veeleer
moest [toezien hoe] constateren dat
hijzelf uit diens hart werd gestoten, [knarsetandend] knarste
hij met zijn tanden (zoals het ook [geschreven] in
de Schrift staat [Ps 112,10[10]
en Marc.8,18[11]]).
Hij was [en] als het ware buiten zichzelf en
zoals hij geestelijk is, zo [verscheen hij]
manifesteerde [aan Antonius als] hij
zich nadien ook aan hem in de gedaante van een zwart [jongetje] kind [Een
Ethiopir] [, een zichtbare vorm aannemend die
overeenkwam met de kleur van zijn geest]. [Weer
slecht vertaald, vdH.] En [hij kroop zogenaamd
voor hem en] alsof hij zich onderwierp, [bestookte]
viel hij hem nu niet langer aan met gedachten[,] (want [hoe
arglistig hij ook was, hij] de boosaardige was [verslagen] uitgeworpen), maar hij [sprak tenslotte met] bediende zich nu van een
menselijke stem en zei: 'Ik heb vele[n] mensen
[misleid] op een dwaalspoor gebracht en de
meeste van hen eronder gekregen, [velen neer
geworpen,] maar nu, nu ik tegen jou en jouw inspanningen [net zo aanval] dezelfde wapens gebruik als [de] tegen anderen, blijk ik te zwak.'
(2) Toen vroeg Antonius hem: 'Wie ben jij die daar zulke dingen tegen mij zegt?'
[Hij antwoordde met] Onmiddellijk
liet hij klaaglijke [stem] klanken horen:
'Ik ben een vriend van de ontucht. Ik heb het op mij genomen om jongeren
[die kant op] in haar hinderlagen te
lokken en hen zo op te winden. Ik [wordt]
heet dan ook de []geest van de
ontucht[] [genoemd].
Hoe velen die [kuis] in zelfbeheersing
wilden leven heb ik wel niet op een dwaalspoor gebracht! Hoe velen die [sober wilden] beweerden zo te leven heb ik [wel niet misleid, hoe velen die kuis waren zijn door mij wel
niet] op andere gedachten gebracht door [mijn
aansporingen] hen op te winden! [Weer
slecht vertaald, (3) [Ik ben degene die de
profeet bedoelt met zijn verwijt aan mensen die gevallen zijn: " [De geest van ontucht
heeft hen misleid] U bent de weg kwijtgeraakt door de geest van ontucht!"
(Hos 4,12).[12]] Ik
ben degene om wie de profeet hun die zijn gevallen verwijten maakt, als hij
zegt: "Door een geest van ontucht zijn jullie van het rechte pad
geraakt!" Want het was door mijn toedoen dat ze beentje zijn gelicht.
Ik ben degene die jou zo vaak heeft lastiggevallen maar even vaak door jou is
afgeslagen.'
(4) Antonius dankte de Heer en [en
zei dapper tegen hem] stelde zich hard op jegens de demon: 'Je
bent werkelijk een heel verachtelijk wezen, want je bent zwart van geest en
zwak als een kind. [Voortaan heb ik geen last meer van jou.] Ik maak
me voortaan geen enkele zorgen meer over jou. "Want de Heer is mijn
helper[,] en ik [kan [lachen om] neerzien] zal op mijn vijanden neerzien.'" [(Psalm 117,7 staat bij Hunink, maar in feite is het
118,7[13])]
(5) Toen de zwarte dat hoorde, sloeg hij direct op de vlucht, [huiverend bij] want hij vreesde deze woorden
en [durfde niet langer] was zelfs bang
in de buurt van die man te komen.
(1) Dat was [de eerste zege die]
het eerste gevecht van Antonius [op]
met de duivel.[behaalde, of liever, dit was het werk van de Verlosser] was Het succes van Antonius
was echter te danken aan de Heiland die in hem woonde, aan
hem[,] 'Die
de zonde veroordeeld heeft in het vlees opdat de rechtvaardige eis van
de Wet zou worden vervuld in ons die niet naar het [26] vlees maar naar de Geest leven. [Rom 8,4[14]
[Niet exact: Zo moest de eis van de wet vervuld worden door ons die geen
zondig leven meer leiden, maar leven volgens de Geest.] (2) Maar toch
werd Antonius [in het vervolg] niet zorgeloos
en [minachtte hij hem niet] beeldde hij zich
niets in, [iets heel anders, vdH.] ook
al [was] leek het erop dat de [Boze] demon [gevallen]
zich onderworpen had. En ook de vijand, hoewel schijnbaar verslagen,
hield niet op hinderlagen te leggen, want hij liep weer rond als een leeuw, op
zoek naar een gelegenheid hem aan te vallen. [1
Petr. 5,8[15]] (3)
Antonius, die uit de Schrift wist dat de [listen]
methoden van de vijand talrijk zijn, [Ef.
6,11[16]]
beoefende [ijverig] geconcentreerd de
ascese en was erop bedacht dat, ook al had hij (de duivel) niet
de kracht gehad om zijn hart door middel van lichamelijk genot te misleiden,
hij zeker zou proberen om hem met een andere methode in een hinderlaag te
lokken. Want de demon [houdt van] is een
vriend van de zonde.
( 4) Meer en meer [beteugelde]
kastijdde hij zijn lichaam en [hield het
onderworpen aan strenge tucht] [1 Kor. 9,27[17]]
onderwierp het aan dienstbaarheid [dienstbaarheid?
Staat ook bij Wagenaar; uit de Staten bijbel] [voor
het geval hij bij toeval aan de ene kant gewonnen zou hebben, hij aan de andere
kant neergetrokken zou worden.] om te voorkomen dat hij na een
overwinning op het ene front een nederlaag zou lijden op een ander front.
Zo besloot hij zich een strengere levenswijze aan te wennen. (5) Velen [waren verwonderd] bewonderden hem, [wat toch heel wat anders is] maar hijzelf verdroeg
de inspanning gemakkelijk. Want [de geestdrift]
het verlangen van de ziel, [die] dat
er al zo lang [in hem huisde] geweest was, had [een] de juiste geesteshouding in hem
bewerkstelligd. Zelfs [zodat hij na slechts]
een kleine [inwijding van] aanleiding die
hem door anderen [gekregen te hebben] aangereikt
werd, was voor hem voldoende om heel zijn [hij
daarin een] grote inzet [betoonde] te
demonstreren. [Dat is toch weer heel wat
anders, vdH!]
(6) Zijn nachtwaken ging zo ver dat hij dikwijls de
gehele nacht slapeloos doorbracht. En omdat hij dat niet n keer
maar heel vaak deed, [tot de verwondering van
velen] wekte hij bewondering. Hij at maar n keer per dag,
alleen na zonsondergang, [soms n keer in de]
maar het gebeurde ook wel dat hij twee [dagen],
en dikwijls zelfs [in de] vier dagen niets
at. [Dat is toch wat anders, vdH!] [Philo[18]]
Zijn voedsel bestond uit brood en zout, zijn drank alleen uit water. (7)
Dat er van vlees en wijn geen sprake was,
hoef ik niet eens te zeggen; immers, ook bij de
andere geloofsijveraars zou men zoiets niet aantreffen. Een [biezen] mat je [diende]
voldeed voor hem om op te slapen, maar [meestal
lag] heel vaak sliep hij ook gewoon op de [kale] grond. (8) Hij wees het zich insmeren
met olie af, want het past jonge mannen beter zich met inzet aan de
ascese te wijden [en zich niet bezig te houden met]
dan te zoeken naar dingen die het lichaam [verwekelijken]
soepel houden, zei hij. [Dat is toch weer
heel wat anders, vdH!] Ze [moesten het] konden
er beter naar streven het lichaam te laten wennen aan inspanningen,
indachtig het woord van de apostel, 'Als ik zwak ben, dan ben ik sterk. [2 Kor. 12,10[19]]
(9) [Want, zei hij, de geestkracht] Hij placht te zeggen dat het
geestelijke deel van de ziel [neemt toe naarmate]
pas sterk wordt als de geneugten van het lichaam [verminderd] zwak worden. [Dat is toch weer zeer slecht vertaald, vdH! Deze en de
voorgaande 5 !]
(10) Hij [was tot de] koesterde
ook deze werkelijk wonderbaarlijke [conclusie
gekomen, dat vooruitgang in] gedachte: men moet de weg naar de
deugdzaamheid, en [de wereldverzaking voor dat doel]
ook [27] het kluizenaarsleven dat men leidt om die te
bereiken, niet af[ge]meten [moet worden in] aan de tijdsduur maar [in] aan het verlangen en de vastbeslotenheid.
(11) Zelf dacht hij [tenminste] nooit aan de
voorbije tijd, maar [dag bij] alsof hij elke
dag[, alsof hij aan het begin stond van zijn] opnieuw
aan de ascese moest beginnen, vergrootte hij zijn inspanningen om
vooruitgang te boeken, waarbij hij [vaak] voortdurend
met [de uitspraak] een woord van
Paulus [bij] tot zichzelf [herhaalde] zei: 'Vergetend wat achter mij
ligt, strek ik mij uit naar wat voor mij ligt.' [Fil.
3,13][20]
(12) Ook hield hij zich deze [woorden] uitspraak
van de profeet Elia voor: 'Zowaar de Heer leeft voor wie ik heden sta.' [1 Kon. 18,15[21]]
Hij placht op te merken dat Elia met het woord 'heden' de voorbije tijd niet
wilde meten, maar dat hij als iemand die altijd weer opnieuw begint, zich
beijverde om zich dagelijks weer zo voor God te presenteren als men voor God
verschijnen moet, namelijk rein van hart en bereid zijn wil te gehoorzamen en [alleen aan Hem] niets anders. (13) Hij hield
zichzelf [altijd] voor: de asceet moet altijd [het leven] van de levenswandel van de grote
Elia [bekijken, alsof hij zijn eigen] het
leven leren dat hijzelf steevast moet leiden, als het ware [daarin gespiegeld ziet] kijkend in een spiegel.
(1) [Aldus] Antonius
legde zichzelf [een strenger regime] zulke beperkingen op[leggend, vertrok] dat hij [naar] zich terugtrok in de
grafkamers die ver bij zijn dorp vandaan lagen. (2) Hij droeg een van zijn
vrienden op hem om de zo veel [dagen] tijd
wat brood te brengen en ging een van de [grafkamers]
graven binnen. Nadat de ander de deur achter hem gesloten had, bleef
hij alleen binnen. De vijand kon dat niet verdragen en [was zelfs bang] uit angst dat hij [binnenkort] gaandeweg van de woestijn [met] een stad van [asceten]
ascese zou [vullen] maken, [iets heel anders dus] [en
kwam] viel hij hem op een nacht aan
met een menigte demonen. Hij diende hem zo veel [zweep]slagen
toe dat hij na de marteling zonder nog iets te kunnen zeggen [van de pijn] op de grond bleef liggen. (3) Hij
verzekerde namelijk dat de [marteling] pijnen
zo [buitensporig was] erg waren geweest
dat [geen] het uitgesloten was dat die
slagen door mensen toegediend waren, want die zouden nooit [hem ooit zo hadden] zo'n marteling kunnen zijn
[pijnigen].
[Maar door] Door
Gods [beschikking] voorzienigheid
want de Heer laat degenen die hun hoop op hem vestigen nooit in de steek kwam
zijn vriend [hem] de volgende dag al [de broden] brood brengen. Hij opende de deur
en zag hem voor [dood] lijk op de
grond liggen. Hij tilde hem op en bracht hem naar de kerk [in het] van zijn dorp waar hij hem op de grond
legde. (4) Velen van zijn verwanten en de mensen uit het dorp gingen om
Antonius heen zitten als om een dode. [28]
Rond middernacht kwam Antonius bij zinnen en ging overeind zitten. Toen hij zag
dat iedereen in slaap was gevallen en alleen zijn vriend nog wakker was, wenkte
hij hem [met zijn hoofd om] naderbij te komen.
Hij vroeg zijn vriend hem weer naar de grafkamers terug te dragen zonder iemand
wakker te maken.
(1) Hij werd dus door de man [gedragen]
weer teruggebracht en[, zoals hij gewend was,]
toen de deur gesloten was als voorheen, was hij binnen weer alleen. (2)
Staan kon hij niet vanwege de slagen van de demonen, maar hij bad
liggend op de grond. En na het gebed riep hij uit: 'Hier ben ik, Antonius, ik
vlucht niet voor jullie [zweep]slagen! Want
zelfs al geven jullie me er nog meer, "niets kan mij scheiden van de
liefde van Christus".[Rom. 8,35[22]]
(3) Daarna zong hij de psalm 'Al stelt zich een leger op tegen mij, mijn hart
zal niet vrezen.' [Ps. 27,3[23]]
(4) Deze dingen dacht en zei de asceet, en de vijand,
die het goede haat, verbaasde zich erover dat hij zelfs na die slagen de
moed had om terug te keren. Toen riep hij zijn [helle]honden
bij elkaar en zei woedend tot hen: 'Jullie zien dat het ons niet gelukt is
die man te stoppen met een geest van ontucht en met slagen, integendeel, hij [daagt] wordt zelfs brutaal tegen ons [zelfs uit]! We moeten hem op een andere manier
aanpakken.'
Nu is het voor de duivel niet moeilijk kwade plannen te
bedenken [om andere
vormen aan te nemen]. [Dat is toch heel wat
anders] (5) Toen het nacht was geworden, maakten de demonen zo'n
ontzettend lawaai dat het wel leek of die hele plaats door een aardbeving werd
getroffen. De demonen leken de vier muren van zijn vertrek te doorbreken en
erdoor naar binnen te komen, waarbij ze het uiterlijk van wilde beesten en [kruipende dingen] reptielen hadden aangenomen. (6) Direct was de
hele plek vol van gestalten van leeuwen, beren, luipaarden, stieren,
slangen, adders, schorpioenen en wolven, en elk daarvan bewoog zich op zijn
eigen manier. (7) De leeuw brulde en wilde hem aanvallen, de stier leek hem op
de horens te willen nemen, de slang kroop naar hem toe maar kon niet bij hem
komen, de wolf stormde op hem af maar werd tegengehouden. De razernij van al
deze verschijningen tegelijk en het lawaai van hun geluiden was zeer
angstaanjagend.
(8) Antonius werd door hen geslagen en gestoken en
daardoor kreeg zijn lichaam nog meer pijn te verduren. Maar [onvervaard] zonder te beven, en nog
waakzamer [van] in zijn ziel,
bleef hij liggen. Hij kreunde wel vanwege de pijn [van]
aan zijn lichaam, maar [helder] nuchter
van geest en alsof hij de spot met [29] hen
dreef zei hij: (9) 'Als er enige kracht in jullie was geweest, dan was het
genoeg geweest als er maar n van jullie was gekomen. Maar omdat de Heer
jullie kracht gebroken heeft, proberen jullie me nu bang te maken door met z'n
allen te komen. Het is echter een teken van jullie zwakheid dat jullie het
uiterlijk van [wilde beesten] dieren
aannemen.' (10) Hij [sprak met kracht] vatte
opnieuw moed en zei: 'Als jullie het kunnen en [macht]
gezag over mij hebben gekregen, [macht is
wel iets ander dan gezag] aarzel dan niet maar val aan! Maar als
jullie het niet kunnen, waarom vallen jullie me dan tevergeefs lastig? Want het
geloof in onze Heer is voor ons een zegel en een muur ter bescherming.' [(vgl. Spr. 18,11[24])]
(11) Na vele pogingen knarsten zij met hun tanden tegen hem [(Hand. 7,54[25])]
want ze hadden niet hem maar zichzelf voor schut gezet.
(1) Ook op dat moment was de Heer de worsteling van
Antonius niet vergeten maar schoot hem te hulp. Want toen hij omhoog keek, zag
hij het dak als het ware opengaan en een lichtstraal
naar hem neerdalen. (2) De demonen waren plotseling verdwenen, de
pijn in zijn lichaam was onmiddellijk opgehouden en het [gebouw] huis was weer intact. Toen Antonius
deze hulp bemerkte en weer beter kon ademhalen, omdat hij van zijn pijnen
verlost was, vroeg hij aan het visioen dat
hem verscheen: 'Waar was u? Waarom bent u niet direct bij het begin
verschenen om mij het leed te besparen?' (3) Toen kwam er een stem tot hem: 'Ik was hier wel, Antonius,
maar ik wachtte om jouw worsteling te kunnen zien. Omdat je nu stand hebt
gehouden en geen nederlaag hebt geleden, zal ik voor altijd jouw helper zijn en
jou overal beroemd maken.' (4) Toen hij dat hoorde, stond hij op en bad. En hij
ontving zo veel kracht dat hij merkte dat hij in zijn lichaam meer kracht had
dan voorheen. Hij was toen ongeveer 35 jaar oud.
(1) Toen hij de volgende dag naar buiten ging, was zijn
inzet voor de toewijding aan God nog groter. Hij ging naar de al eerder
genoemde grijsaard [zijn guru] toe en vroeg
deze om samen met hem in de woestijn te gaan wonen. (2) Toen die dat
weigerde, zowel vanwege zijn leeftijd als ook omdat dat toen nog niet de
gewoonte was, [niet juist, Athanasius!]
vertrok hijzelf terstond [in zijn eentje]
naar [het gebergte] de berg.
Maar toen de vijand opnieuw zijn ijver zag
en hem [30] daarin [opnieuw]
wilde dwarsbomen, zorgde hij ervoor dat hij onderweg [het
schijnbeeld van] een grote zilveren schaal te zien kreeg. (3)
Antonius doorzag echter de list van de hater van het goede. Hij bleef staan en
ontmaskerde de duivel die hij in de schaal [zat]
zag door tot de schaal te zeggen: 'Hoe komt nu een schaal in de
woestijn? Over deze weg wordt niet gereisd en er is hier ook geen spoor van
reizigers. De schaal is zo groot dat een val niet onopgemerkt zou blijven. (4)
Ook zou degene die hem verloren is zijn teruggekeerd om hem te zoeken en hij
zou hem hebben gevonden, want deze plek is verlaten. Dus dit is een list van de
duivel. Hiermee kun je mijn [plan] enthousiasme
niet dwarsbomen, duivel! "Laat dit maar met jou naar [ten verderve] de vernietiging gaan!" [Hand. 8,20[26]]
(5) Toen Antonius dat zei, [loste] verdween
de schaal [op] als rook die [voor een] van vuur afkomt.
(1) Toen hij [verderging] daarvandaan
weggegaan was, zag hij niet slechts een [schijnbeeld]
verschijning van goud, maar echt goud op de weg liggen. Ofwel de vijand
liet hem dit zien, ofwel een hogere Macht [beproefde] trainde de atleet en [wilde] liet zo aan de duivel [laten] zien dat hij niet taalde naar echt goud
[geld]. Dit heeft hijzelf nooit verteld en wij
weten er ook niet meer van dan dat het goud was wat hij zag. (2) Antonius was
verbaasd over de hoeveelheid (goud), maar hij liep er zo snel langs alsof hij
over een vuur [liep] sprong,
en hij draaide zich niet meer om maar haastte zich verder met zo'n gezwinde
spoed dat de plek [verborgen bleef] later
vergeten werd.
(3) Meer en meer vastberaden haastte hij zich naar [het gebergte] de berg. Daar trof hij, aan de
overkant van de rivier, een verlaten [fort] legerkamp
aan dat al zo lang leegstond dat het nu vol zat met [kruipend
ongedierte] slangen. Daarheen verhuisde hij en ging hij er wonen.
(4) De [reptielen] slangen namen direct
de wijk, alsof iemand ze wegjoeg. Hij barricadeerde de ingang en sloeg
voor zes maanden brood op (zo [doet men dat in de
Thebas] doen de Thebanen dat en vaak blijven die broden een heel
jaar goed), en binnen had hij water [gevonden].
[Daarna schreed hij binnen zoals men dat in het] Alsof
hij zich had opgesloten in een heiligdom [van
een tempel doet, en] bleef
hij alleen binnen in zijn kluizenaarswoning, zonder naar buiten te gaan
of iemand van de bezoekers te zien. (5) Een lange tijd wijdde hij zich zo aan
de beoefening van ascese, waarbij hij slechts tweemaal per jaar via het dak
broden ontving. [31]
(1) Bekenden die hem kwamen opzoeken moesten vaak hele
dagen en nachten buiten doorbrengen omdat hij hen niet toestond binnen te
komen. Zij hoorden dan een geluid dat klonk als een lawaaierige mensenmenigte[n] die binnen veel herrie maakte[n] en [jammerkreten] klaaglijke geluiden liet[en] horen en schreeuwde[n]:
(2) 'Ga weg uit ons gebied! Wat heb jij met de woestijn te maken? Jij kunt onze
listen niet verdragen!' (3) De mensen buiten dachten aanvankelijk dat er mannen
met hem aan het vechten waren en dat die via ladders bij hem waren
binnengedrongen, maar toen ze door een gat naar binnen keken, zagen ze niemand
en beseften toen dat het demonen waren, en door angst bevangen riepen ze
Antonius.
(4) Die [hoorde hij wel snel,
terwijl] luisterde liever naar hen dan dat hij zich om [de demonen] die anderen [niet] bekommerde. [Niet
goed begrepen, vdH?] Hij ging [naar de deur]
dicht bij de ingang staan en drong er bij de mensen op aan terug te gaan
[en] maar niet bang te zijn. 'Op deze
manier,' zei hij, '[maken] manifesteren
de demonen [hun schijnaanvallen tegen] zich
jegens degenen die laf zijn. (5) Jullie moeten je daarom met het kruisteken
bezegelen en vol vertrouwen weggaan. Laat hen zichzelf maar voor gek zetten.'
Zij gingen toen weg, [als met
een wal omgeven] versterkt door het teken van het kruis. Hij
bleef achter en ondervond [op] geen enkele [manier] schade van de [kwade
geesten en] demonen, maar hij
liet zijn strijd tegen hen geen moment verslappen. (6) Want het toenemend
aantal visioenen [van boven] dat [hem] zijn geestesoog [te hulp kwam] ten deel viel en de zwakheid van
zijn vijanden [verlichten zijn inspanningen in hoge
mate en gaven hem nog meer ijver.] verschaften hem beide veel
verlossing van zijn pijnen en maakten zijn enthousiasme nog groter. (7)
Voortdurend kwamen zijn bekenden hem opzoeken in de verwachting hem dood te
zullen aantreffen, maar dan hoorden ze hem psalmen zingen: 'Laat God opstaan en
laat zijn vijanden uiteengeslagen worden, laten degenen die hem haten vluchten
van zijn aangezicht. Mogen zij verdwijnen zoals rook verdwijnt. Zoals was voor
vuur smelt, zo zullen de zondaars voor Gods aangezicht omkomen.' [Ps. 68,2-3[27]]
En ook het volgende: 'Alle volkeren omsingelden mij, maar in de naam van
de Heer heb ik hen teruggedreven.' [Ps. 118,12, maar
hij bedoelt 118,10[28]]
(1) Bijna twintig jaar leefde hij zo in
afzondering een leven van ascese, zonder ooit naar buiten te komen
en zonder vrijwel ooit door iemand gezien te worden. (2) Daarna echter, toen velen
het verlangen en de wil hadden gekregen zijn ascese na te volgen,
forceerden enkelen van [32] zijn bekenden de
toegangsdeur, en toen kwam Antonius naar buiten, als uit een heiligdom
waarin hij in de mysterin was ingewijd en door God
genspireerd.[[29]]
Toen [werd] kwam hij voor het eerst [gezien buiten] te voorschijn uit het [fort] legerkamp voor de ogen van [door] degenen die hem kwamen bezoeken. (3) Toen die hem
zagen, verbaasde het hen dat zijn lichaam nog in dezelfde conditie was
gebleven [als vroeger]. [Hij] Het was niet [dikker]
vet geworden door gebrek aan [beweging]
oefening, maar ook niet vermagerd door het vasten en de strijd tegen de
demonen. [Hij] Het was precies zoals
ze hem ook hadden gekend voordat hij zich terugtrok. En [bovendien was] zijn ziel [vrij
van smet] was in een staat van reinheid. (4) Want die (ziel) was
niet verkrampt door verdriet, ook niet verweekt door plezier, noch bevangen
door uitgelatenheid of neerslachtigheid. Toen hij de menigte zag, raakte hij
daarvan niet in de war, en toen zo veel mensen hem begroetten, raakte hij
daarover ook niet [uitgelaten] opgetogen.
[Integendeel, hij] Hij bleef volkomen
gelijk aan zichzelf, als iemand die door de [Logos[30]]
rede bestuurd wordt en in zijn natuurlijke staat verkeert.[[31]]
(5) [Door hem genas de] De
Heer genas door zijn handen vele[n]
zieken die gekomen waren [van lichamelijke
kwalen] en anderen [verloste]
reinigde hij van [kwade geesten] demonen.
(6) Hij gaf aan Antonius genade bij het spreken, zodat hij velen die
bedroefd waren, kon troosten. Anderen, die ruzie met elkaar hadden, verzoende
hij weer in vriendschap, en hij spoorde allen aan om niets ter wereld meer
waard te achten dan de liefde tot Christus. (7) Als hij sprak, bracht hij de
mensen het toekomstige goed in gedachten en de liefde die God voor ons mensen
heeft, 'Hij die zijn eigen zoon niet gespaard heeft maar voor ons allen heeft
overgeleverd.' [Rom. 8,32[32]]
Zo wist hij velen te overreden voor een kluizenaarsleven te kiezen. En
zo ontstonden er sindsdien ook in [het
gebergte] de bergen kluizenaarscellen en werd de woestijn
[als] een stad [bevolkt
door] van monniken die [uit] van
hun eigen [bezittingen] goederen en [volk] mensen waren weggetrokken en zich [ingeschreven] hadden laten inschrijven voor
[het] een burgerschap in de hemelen. [(vgl. Fil. 3,20[33])]
(1) Om zijn broeders te bezoeken moest Antonius eens het
kanaal van Arsino oversteken, maar dat kanaal zat vol met krokodillen. Hij
sprak [eenvoudigweg] slechts een gebed
uit en toen stapten hij en zijn metgezellen het water in en bereikten ongedeerd
de overkant. (2) Terug in zijn kluizenaarscel hernam hij zijn verheven en
actieve inspanningen. (3) Door regelmatige gesprekken versterkte hij de inzet
van hen die reeds [33] monnik waren, en bij
de meesten van de anderen wist hij een verlangen naar een ascetisch leven op te
wekken. En door de aantrekkingskracht van zijn woorden kwamen er spoedig zeer
veel kluizenaarscellen bij, en hij leidde allen als een vader.
[Redevoering tot de andere kluizenaars]
(...) [16-43: De redevoering
tot de andere kluizenaars of monniken over de duivel en demonen, laat Horst
weg. Dat is zon 30% van de totale tekst, waardoor samen met de weggelaten
dialoog met de Griekse filosofen, zon 60% onvertaald is gebleven.]
[Zie gescande tekst van Wagenaar]
(1) [Terwijl Antonius aan het
spreken was] Toen Antonius over deze dingen gesproken had,
verheugden allen zich. Bij sommigen groeide de liefde voor de deugdzaamheid,
bij anderen werd nonchalance gecorrigeerd, en [bij]
weer anderen [kwam] maakten aan hun
eigendunk een einde. Allen waren vastbesloten [om de
aanvallen van de Boze te verachten, en ze verwonderden zich] minachting
te hebben voor de listen van de demonen. Ze waren verbaasd over de
genadegave die de Heer aan Antonius had gegeven om de geesten te onderscheiden.
(2) In de bergen [lagen] leken
hun kluizenaarscellen [als] op tenten [in het rond, vol van] die gevuld waren met
goddelijke koren [heilige groepen mannen]
die psalmen zongen, de [Bijbel lazen] Schriften
bestudeerden, vastten, baden, zich verheugden in de hoop op de [de dingen die komen gingen] toekomst, werkten
om aalmoezen te kunnen geven en een leven van onderlinge liefde en harmonie
leidden. (3) Het was werkelijk of men daar een land apart kon
zien, [dat op zichzelf stond] een land van [godsverering en gerechtigheid] godvrezendheid en
rechtvaardigheid. (4) Want daar was niemand die onrecht [deed of] werd aangedaan [iets
vergeten, vdH!] en men hoorde er geen [aanmaning
van] klacht over de belastinginner. [andersom
dus, vdH!] Maar er was wel
een menigte van asceten, met als enige streven: deugdzaamheid. [Zo dat iedereen] Iedereen die de
kluizenaarscellen [weer zag] en [zulk een goede] de orde onder de monniken, [met blijde stem uit zou
roepen] zag, riep uit: 'Hoe schoon zijn uw woningen, oh Jakob, uw
tenten, oh Isral! Zij zijn als schaduwrijke valleien en als een tuin bij een
rivier, als tenten die de Heer heeft opgezet, als ceders aan het water.' [(Num. 24, 5-6[34]).]
(1) Gewoontegetrouw bleef Antonius[,zoals zijn gewoonte was, keerde weer alleen terug naar]
zelf zijn teruggetrokken leven leiden in zijn eigen kluizenaarscel, waar
hij zijn ascese intensiveerde. Dag in dag uit zuchtte hij daar wanneer
hij dacht aan de [verblijven] woningen
in de hemel waarnaar hij verlangde[, en aan] als
hij de korte duur van het mensenleven overdacht.
(2) [En hij at en sliep en]
Want wanneer hij ging eten of slapen of [deed
al de andere] een van de lichamelijke behoeften [gewoonlijk met schaamte, omdat]
doen, dan schaamde hij zich als hij dacht aan [de spirituele vermogens] het geestelijke deel
van de ziel. (3) [Vaak, wanneer] Wanneer
hij met de talrijke andere monniken zou gaan eten, dan verontschuldigde
hij zich[, denkend] dikwijls bij de gedachte
aan het geestelijke voedsel en ging een eind bij hen vandaan zitten,
omdat hij het beschamend vond als anderen hem zagen eten. (4) Hij at [gewoonlijk] dan ook alleen, en dan at hij
omdat het lichaam dat vereist[e], maar regelmatig
toch ook [vaak] met de broeders, en dan
schaamde hij zich weliswaar [erg] voor hen,
maar [toch sprak] hij [dan
vrijmoedig] was ook vol vertrouwen vanwege de nuttige woorden [ter ondersteuning] die door hem gezegd werden.
(5) Hij placht dan te zeggen dat [het
een mens past al zijn] we al onze tijd [te] moeten besteden aan [zijn] de ziel in plaats van aan [zijn] het lichaam; [hoewel toch] dat we weliswaar een klein beetje
tijd aan [de behoeften van] het lichaam [te] moeten gunnen omdat dat nu eenmaal niet
anders kan, maar [des te ijveriger al de
overgebleven] dat we in de regel onze tijd aan [de] onze ziel [te]
moeten besteden en [te] zoeken wat voor
haar van nut is[, zodat deze niet]. (6) We
moeten voorkomen dat de ziel door de geneugten van het lichaam
naar beneden wordt getrokken[, maar in tegendeel,]
en we moeten ervoor zorgen dat het lichaam [aan]
geheel in dienst van de ziel [ondergeschikt is]
staat. (7) Want dit is wat gezegd is door de [Verlosser]
Heiland: 'Maak jullie geen zorgen om je leven, wat je moet eten, noch om
jullie lichaam, wat je moet aantrekken. Jullie moeten niet zoeken naar wat je
moet eten of drinken en daar niet over in zitten. Naar al deze dingen zijn de
volkeren van de wereld op zoek. Jullie vader weet dat jullie al deze dingen
nodig hebt. Maar zoekt zijn koninkrijk en dan zullen al deze dingen jullie
geschonken worden.' [(Lc. 12,22[35]
en 29-31[36])]
XLVI
(1) Hierna kwam de kerk in de greep van de vervolging
ten tijde van Maximinus. Toen men de heilige martelaren naar Alexandri
bracht, verliet hij zijn cel en [volgde hen]
ging mee, terwijl hij zei: 'Laten we gaan om [te
strijden] het strijdperk te betreden als we daartoe geroepen
worden of om degenen die de strijd voeren gade te slaan.' (2) Hij verlangde
ernaar het martelaarschap te ondergaan, maar omdat hij zichzelf niet wilde
uitleveren, [verleende] stelde hij
[bijstand aan] zich ten dienste van de
belijders in zowel de mijnen als de gevangenissen. In de rechtszaal betoonde
hij grote inzet door degenen die werden opgeroepen voor de strijd aan te
moedigen en hen [op] te [vangen] ontvangen als ze het martelaarschap
ondergingen en hen tot aan hun vervolmaking [=
executie] te begeleiden.
(3) De rechter, die de [onbevreesdheid
van Antonius en zijn metgezellen zag,] onbevreesde inzet van hem en
de zijnen voor die zaak bemerkte, beval dan ook dat [geen] niemand van de monniken nog in de
rechtszaal mocht verschijnen, [of zich nog] ja
dat zij zich zelfs niet meer in de stad mochten ophouden. (4) Alle
anderen nu dachten er wijs aan te doen zich die dag schuil te houden, maar
Antonius [stoorde zich zo weinig aan het bevel]
nam dit zo hoog op [heel wat anders, vdH!]
dat hij juist zijn gewaad waste en de volgende dag vooraan op een verhoging
ging staan zodat hij voor de prefect duidelijk zichtbaar was. (5) Allen
verbaasden zich daarover en de prefect zag hem toen hij [met zijn gevolg] na afloop [heel wat anders, vdH!] langs hem liep, maar
Antonius bleef [onverschrokken] onverstoorbaar
staan en [toonde zo] gaf zo een demonstratie
van de vastbeslotenheid van ons, christenen. (6) Zoals ik al zei, bad
hij erom ook zelf martelaar te worden, en hij wekte inderdaad de indruk
bedroefd te zijn dat hij [niet kon getuigen.] dat
niet geworden was.
Maar de Heer beschermde hem omdat hij ons en anderen nog
zozeer van nut kon zijn[, opdat hij] door
voor velen een leraar [kon] te worden in
de ascese die hijzelf uit de Schriften geleerd had. (7) Immers, alleen al door
zijn levenswijze gade te slaan waren velen zich gaan beijveren zijn gedrag na
te volgen. Zoals gewoonlijk wijdde hij zich dus weer aan de dienst aan de
belijders, en alsof hij met hen gevangen zat, [zo
zwoegde hij in zijn] leed hij met hen mee in die dienstbaarheid.
XLVII
(1)Toen tenslotte de vervolging ten einde was en de
gelukzalige bisschop Petrus de martelaarsdood gestorven was, [vertrok] verliet
Antonius de stad en trok hij zich weer terug in zijn kluizenaarscel.
Daar was hij dagelijks een martelaar voor zijn geweten en hij streed de
strijd van het geloof. Want hij [beoefende veel en nog
strenger] legde zich toe op een strenge en nog rigoureuzere vorm van
ascese[, want hij]. (2) Hij vastte
nu altijd, en hij droeg [een] zijn kleed
[met] zo dat de haren aan de binnenkant zaten
en het vel aan de buitenkant; dat kleed [droeg]
had hij tot aan zijn dood dag en nacht aan. Hij [waste zijn lichaam nooit met water om zich van vuil te
bevrijden] ging nooit in bad en ook [noch
waste hij ooit] zijn voeten waste hij nooit; ze gewoon
[noch duldde hij het ze] in het water [te steken, tenzij door de noodzakelijkheid gedwongen.]
houden als dat niet strikt nodig was, zelfs dat deed hij niet. (3) Niemand
heeft hem zich ooit zien ontkleden, [noch] niemand
heeft [iemand] ooit het lichaam van Antonius naakt gezien, behalve toen hij na zijn
dood begraven [werd] moest worden.
XLVIII
(1) Nadat Antonius zich had teruggetrokken, en zich
had [hij zich] voorgenomen om een periode [vast te stellen waarin hij niet] door te brengen
zonder naar buiten [ging] te gaan of
iemand [zou] te ontvangen, [maar] begon een legerofficier genaamd
Martianus [kwam] hem [36] lastig te vallen. Deze had namelijk een dochter die
door een demon werd geplaagd. (2) Hij bleef lange tijd op de deur bonken en
vroeg Antonius naar buiten te komen en voor zijn kind tot God te bidden, maar
Antonius wilde hem niet [open doen, keek van boven uit het venster, en] binnenlaten.
Over de muur kijkend [een venster, geen muur,
vdH!] zei hij tot hem: 'Man, wat schreeuw je tegen me? Ik ben
maar een mens, net als jij. Maar als je [gelooft in]
vertrouwt op Christus, die ik dien, ga dan heen en bid [volgens je geloof] met heel dat vertrouwen
tot God, en dan zal het gebeuren.'
(3) Terstond [vertrok hij, en
gelovig] kreeg de man vertrouwen, riep [hij]
Christus aan, ging weg, en hij [kreeg zijn]
had weer een dochter [terug,] die
gereinigd was van de demon.
[Nog veel andere wonderen deed de]
De Heer, die zegt: 'Vraagt en het zal jullie gegeven worden,' [(Lc. 11,9[37])]
heeft door [hem] de handen van
Antonius nog vele andere wonderen verricht. (4) Omdat hij [zijn] de deur niet open deed, [sliepen veel] waren er zeer vele zieken die
gewoon de nacht vlak buiten zijn cel doorbrachten, en omdat ze
geloofden en oprecht baden, werden ze gereinigd.
XLIX
(1) Maar toen hij merkte dat hij door te veel mensen werd
gestoord en het hem gewoon niet werd toegestaan zich terug te trekken zoals hij
zich [stellig] bewust had voorgenomen,
en ook [vreesde] beducht was dat hij [zich] niet op grond van [de dingen die] wat de Heer door hem deed zich
[verheven] zou [gaan
voelen] verheffen of [dat] een
ander beter over hem zou denken dan hij in werkelijkheid was, [over]woog hij een en ander af en nam de beslissing
om naar de zuidelijke [Opper-]Thebas
te gaan, waar niemand hem kende[, en vertrok].
Hij kreeg van de broeders broden mee en hij ging [aan] bij de oever van de rivier zitten[, uitkijkend of er] in afwachting van een
boot [voorbij zou varen] die[, na aan boord te zijn gegaan] hem [stroomopwaarts] kon meenemen. [Veel vergeten hier, vdH!]
(2) [Terwijl] Toen
hij dat aan het overwegen was, kwam er een stem [van
boven] tot hem uit de hemel die zei: 'Antonius, waar ga je
heen, en waarom?' (3) [Zonder ervan te schrikken,
maar als iemand die] Hij keek daar niet van op, eraan gewend [is] als hij was om vaak op die manier
[aangesproken] geroepen te worden, maar
hij luisterde [hij ernaar] en antwoordde:
'Omdat de [toeloop van mensen me geen rust laat,]
mensenmassa's me niet toestaan in alle eenzaamheid te leven, daarom wil
ik naar de zuidelijke [Opper-]Thebas
vertrekken, [wegens de veelvuldige overlast die ik
hier ondervind] want hier word ik echt te vaak lastiggevallen en
vooral [omdat] vragen ze mij
dingen [van mij eisen] die mijn krachten te
boven gaan.' (4) Toen sprak de stem tot hem: 'Ook als je naar de Thebas gaat,
[of] en zelfs als je, zoals je van plan
bent, naar de [Boekolia afdaalt] Boukolia
gaat, dan krijg je nog meer [te verduren, ja,
zelfs dubbel zoveel inspanningen.]
en zelfs het dubbele van die ellende te verdragen. [Maar als] Als je werkelijk in [de stilte] eenzaamheid wilt leven, [trek dan nu dieper de] ga dan nu naar de
binnenste woestijn [in].' [de binnenste woestijn is een uitdrukking die vdH vaker
gebruikt, maar eigenlijk onzinnig is.] (5) [37]
Toen zei Antonius: 'Wie zal mij dan de weg wijzen? Want die ken ik niet.' De
stem wees hem toen onmiddellijk op een paar Saracenen die op het punt
stonden [die kant op te gaan] dezelfde route
te nemen. (6) Antonius ging [dus] naar hen
toe en vroeg hen of hij met hen [mee] naar
de woestijn mocht [in] meereizen. En
alsof ze een opdracht van de Voorzienigheid
hadden gekregen, [namen] verwelkomden
ze hem [bereidwillig op.] allerhartelijkst.
(7) Na drie dagen en drie nachten met hen te hebben
meegereisd, arriveerde hij bij een zeer hoge berg. Aan de voet van die berg
was een zeer heldere bron met zoet en heel koel water, en daaromheen een
vlakte met een paar verwaarloosde palmbomen. [In
plaats van woestijnvaders kunnen we ze beter oasevaders noemen]
L
(1) Alsof [het hem] hij
door God [werd ingegeven] daartoe werd
bewogen, vatte Antonius liefde op voor die plaats, want dit was de plek die
[was aangewezen] werd bedoeld door
degene die aan de oevers van de rivier tot hem had gesproken. (2)
Aanvankelijk kreeg hij broden van zijn medereizigers en verbleef hij alleen
op de berg zonder dat er iemand anders in zijn gezelschap was. [Alsof hij] Hij beschouwde die plek als zijn
eigen huis [herkend had, zo hield hij van toen af
aan die plaats vast.] en bleef er dus wonen.
(3) [Maar] Zelfs de
Saracenen namen met opzet de route langs die plek om hem vreugdevol broden te
brengen, toen ze eenmaal zijn geloofsijver bemerkt hadden. (4) [En] Ook de palmbomen aldaar schonken
hem [zo nu en dan] enige [bescheiden en sobere leeftocht.] verlichting,
zij het niet echt veel. Maar daarna, toen de broeders over die plaats hoorden,
zorgden ze er als kinderen die aan hun vader denken voor dat ze hem [iets werd toegezonden.] (brood) bezorgden.
(5) Toen Antonius echter zag dat sommigen zich vanwege dat
brengen van brood afmatten en ontberingen leden, wilde hij ook daarin de monniken
sparen. Hij [besloot] ging bij zichzelf te
rade en vroeg toen aan degenen die hem kwamen opzoeken [te vragen] om een [houweel]
spade, [heel wat anders, vdH!] een
bijl en wat [tarwe] graan mee te
brengen. (6) Nadat men hem dit alles gebracht had, doorkruiste hij het land
rond de berg, vond een klein stukje grond dat wel geschikt leek en [bewerkte het] bracht het in cultuur. Omdat hij
[overvloedig] royaal de beschikking had
over water [had om te besproeien] uit
een bron, zaaide hij er graan. [Toch
weer wat anders, vdH!] [Dit deed hij jaar na
jaar en zo had hij] Aangezien hij dat jaarlijks deed, kon hij
voortaan zijn eigen brood maken, en hij was blij dat hij daardoor
niemand meer tot last hoefde te zijn[ en dat hij
zichzelf zonder veel moeite in leven kon houden]. [Stukje vergeten, vdH?]
(7) Toen hij vervolgens bemerkte dat er toch mensen bleven
komen, begon hij ook wat groenten te verbouwen om ervoor te zorgen dat de
bezoekers [enig soelaas zou hebben] enige
versterking zouden ontvangen na de [37] [inspanning] ontberingen van [die] zo'n moeilijke reis. (8) Aanvankelijk [brachten] was het zo dat de wilde dieren in
de woestijn, op zoek naar water, [schade toe aan]
het zaaigoed en de aanplant vernielden. (9) Maar [eens] dan pakte hij zachtaardig een van die
dieren beet en zei tot hen allemaal: 'Waarom richten jullie nu toch die schade
bij mij aan terwijl ik jullie helemaal niets aandoe? Ga nu weg en, in de
naam van de Heer, kom hier niet meer in de buurt.' En sindsdien kwamen ze[, alsof ze bang waren voor zijn bevel] uit
ontzag voor zijn verbod niet meer in de buurt van die plek.
LI
(1) Zo was hij alleen [midden]
in de binnenste berg[en], waar hij
zich wijdde aan gebed en ascese. De broeders die hem [dienden]
kwamen opzoeken vroegen hem [of ze] om
toestemming om hem maandelijks dienstvaardig olijven en peulvruchten
en olie [mochten komen] te brengen. Hij
was toen namelijk al een oude man.
(2) Hoeveel worstelingen hij te doorstaan had toen
hij daar woonde, niet zozeer met vlees en bloed, zoals de Schrift zegt, maar met
de vijandige demonen, [(vgl. Ef. 6,12[38])]
dat hebben we gehoord van degenen die hem hebben opgezocht. (3) Want ook daar
hoorden ze lawaai, vele stemmen en het [gekletter]
geluid van wapens, en 's nachts zagen ze hoe de berg vol met [wilde dieren] vonken was. [Heel wat anders, vdH, vonken of wilde dieren.]
Ook zagen ze hoe hij vocht als tegen zichtbare tegenstanders en hen met
gebed bestookte.
(4) Degenen die hem kwamen bezoeken, sprak hij moed in, [en] maar zelf streed hij zijn strijd, geknield
en biddend tot God. (5) Het was werkelijk verbazingwekkend dat deze man, alleen
in zo'n woestijn, niet bang was [voor] als
de demonen [die] hem aanvielen en ook, terwijl
er daar zo veel [viervoetige beesten] wilde
dieren waren, viervoeters en kruipend ongedierte, [(Hand. 10,12[39])]
geen angst kende voor hun [woestheid] agressie.
[Klinkt wat overdreven, want hij was opgegroeid in
de woestijn min of meer, en bovendien zat hij in een zeer geciviliseerde
plaats.] Hij had werkelijk, zoals de Schrift zegt, vertrouwen in de Heer
als [in] de berg Sion. [(Ps.
125,1[40])]
[Want zijn] Hij had een geest [stond onwrikbaar en onverstoorbaar vast] die
niet door aardbevingen of vloedgolven klein te krijgen was, [toch een beetje anders, vdH.] zodat de demonen
liever [voor hem] op de vlucht sloegen en de
wilde dieren, zoals geschreven staat, vrede met hem sloten. [(vgl. Job 5,23[41])]
LIl
(1) De duivel dus (zoals David [dat]
in een psalm [zingt (Ps.
35,16[42])]
zegt) hield Antonius knarsetandend in de gaten [en knarsetandende tegen hem]. Maar Antonius werd [bijgestaan] aangemoedigd door de [Verlosser] Heiland en bleef [onaangetast] onaangedaan door [zijn sluwheid en veelsoortige trucs.] de
talrijke duivelse listen. (2) Als hij de nacht [wakend]
slapend doorbracht, [precies het tegenovergestelde,
vdH!!!] stuurde de
duivel wilde [beesten] dieren
op [39]
hem af. [en vrijwel] Vrijwel
alle hyena's van de woestijn kwamen dan uit hun holen en omsingelden hem [en hij stond in hun midden terwijl] van alle
kanten. (3) Wanneer elk van hen zijn muil opensperde en dreigde
hem te bijten, [en dan] zei Antonius (omdat
hij deze streek van de vijand wel doorhad) tot hen allen: 'Als jullie volmacht
[over mij] hebt gekregen om tegen mij op te
treden, dan ben ik bereid door jullie verslonden te worden, maar als jullie
door demonen [op mij af] zijn [gestuurd, blijf dan niet,] genstrueerd, verlies
dan geen tijd maar ga weg, want ik ben een dienaar van Christus.' [(Rom. 1,1[43];
Fil. 1,1[44];
Gal. 1,10[45])] [Toen] Als Antonius dat zei, [vluchtten] renden ze allemaal weg,
verjaagd door [dat Woord] zijn woorden
als door een zweepslag. [dat Woord, vdH, waarmee Christus bedoeld wordt!]
LIII
(1) Toen hij enkele dagen later aan het werk was (want hij
[zorgde er voor] lette erop dat hij [hard werkte] ook handenarbeid verrichtte),
kwam er iemand aan de deur en trok aan
het koord [dat hij aan het vlechten]
waarmee hij aan het werk was; hij vlocht namelijk manden en gaf die aan
zijn bezoekers in ruil voor wat zij voor hem meenamen. (2) Hij stond op en zag een
dier dat weliswaar boven de dijbenen wel op een mens leek maar verder de poten
[en hoeven] van een ezel had. [Woordje vergeten, vdH?] Antonius sloeg slechts een
kruis en zei: 'Ik ben een dienaar van Christus. Als je tegen mij bent
uitgezonden, wel, hier ben ik.' (3) Maar het dier vluchtte met zijn demonen in
zo'n grote haast dat het viel en stierf. En de dood van het dier betekende de
val van de demonen. Zo [probeerden ze van alles]
zetten ze alle mogelijke middelen in om hem uit de woestijn weg te
krijgen, maar het lukte hun niet.
[De laatste aanval van de duivel.]
LIV
(1) Eens werd hem door de monniken gevraagd om [van de berg af te dalen] naar hen terug te keren
en hen en hun woonplaatsen [na] enige tijd te
bezoeken. Hij reisde samen op met de monniken die hem waren komen halen,
terwijl een kameel [de] hun broden en
het water droeg. (2) Die woestijn is namelijk volledig zonder water. Er is
nergens enig drinkbaar water behalve in die berg waar zijn [kluizenaarscel] ascetische woning is; daar
hadden zij dat water dan ook geput. Maar onderweg raakte het water op en omdat
er een [enorme] uitzonderlijke hitte
heerste, liep iedereen nu gevaar. (3) Ze [hadden
in de omgeving rond gelopen] waren op verschillende plaatsen gaan zoeken
maar konden geen water vinden en ze waren niet in staat nog verder te lopen. Ze
gingen op de grond liggen en in hun wanhoop lieten ze de kameel maar gaan.
(4) [40] Toen de
grijsaard echter zag dat allen in gevaar verkeerden, werd hij bijzonder
bedroefd en begon hij te zuchten en te steunen. Hij liep een eindje bij hen
vandaan, knielde, strekte zijn armen en bad. En direct [liet] zorgde de Heer dat er water [opborrelen] was op de plek waar hij [had staan] stond te bidden. (5) Toen
iedereen gedronken had, leefde men weer op. Nadat ze [hun
flessen] de zakken met water gevuld hadden, gingen ze de
kameel zoeken en ze vonden het dier weer. Zijn touw had zich namelijk om een
steen vastgedraaid zodat hij niet had kunnen weglopen. Ze brachten hem terug,
gaven hem te drinken, legden de [flessen] zakken
op zijn rug en voltooiden hun reis ongedeerd.
(6) Toen Antonius bij de buitenste cellen aankwam, [groetten] omhelsden allen die hem[,] zagen hem als een vader [beschouwend]. En alsof hij met [voorraden] proviand uit het gebergte kwam
aanzetten, onthaalde hij hen op zijn woorden en [gaf]
liet hen [een deel van zijn hulp] delen
in geestelijk voordeel. (7) Opnieuw was er vreugde in de bergen, en ijver
om (geestelijke) vooruitgang te boeken, en vertroosting vanwege [hun] het wederzijds [geloof]
vertrouwen. [(vgl. Rom 1,12[46])]
[Toch weer even anders] (8) Ook hijzelf
verheugde zich toen hij [de ijver] het
enthousiasme van de monniken zag en constateerde dat zijn zuster,
die in maagdelijkheid oud was geworden, [en dat
zij] nu ook zelf aan andere maagden leiding gaf.
LV
(1) [Na een zeker aantal] Enkele
dagen later keerde hij weer terug naar de berg. Daarna [zochten velen hun toevlucht bij hem] bleven er
veel mensen tot hem komen, [en] maar ook
anderen, mensen die [leden] ziek
waren, waagden het [ernaar toe te gaan] hem
op te zoeken. (2) [Aan] Voor de
monniken die tot hem kwamen [gaf] had
hij altijd [het voorschrift] dezelfde
boodschap[Toch weer even heel wat anders, vdH!]:
[] te vertrouwen op de Heer en [heb]
Hem lief te hebben, zichzelf te behoeden [je] voor onreine gedachten en vleselijke lusten en [laat je], zoals het in het boek Spreuken geschreven
staat, 'zich niet door verzadiging van de maag te laten
meeslepen. [(Spr. 24,15[47]
LXX)] (3) Vermijdt Verder ijdelheid te mijden en [bid] voortdurend te bidden, [zing] vr het slapen gaan en na het opstaan psalmen te
zingen, [houdt] de geboden [van] in de Schriften [in
het hart, wees] uit het hoofd te leren, zich de daden van
de heiligen [indachtig] te herinneren
zodat [jullie] de ziel [in] door de herinnering [gebracht van de geboden, in harmonie komt met de] aan
hen afstemt op hun geloofsijver [van de heiligen].
[Toch weer even wat anders]
(4) Vooral raadde hij hen aan voortdurend te mediteren [op] over het woord van de apostel: 'Laat de
zon niet ondergaan over uw toorn.' [(Ef. 4,26[48])]
(5) Hij zei: 'Jullie moeten dit zo opvatten dat dit in het algemeen voor alle
geboden bedoeld is, in die zin dat de zon niet alleen over onze toorn maar ook
over geen enkele andere zonde van ons [41]
mag ondergaan. Want het is goed, ja zelfs noodzakelijk, dat de zon ons niet
veroordeelt vanwege een kwade daad overdag en de maan niet vanwege een zonde in
de nacht, al was het maar een [slechte]
gedachte. (6) Om nu die gezindheid in ons te bewaren, is het goed naar de
apostel te luisteren en zijn woord te bewaren, want hij zegt: "Onderzoekt
uzelf, beproeft uzelf. [(2 Kor. 13,5[49])]
(7) Elke dag moet iedereen zich dus rekenschap geven van
zijn daden overdag en 's nachts. Als hij heeft gezondigd, moet hij daarmee
ophouden; heeft hij niet gezondigd, dan moet hij zich niet daarop laten
voorstaan, maar in die goede toestand blijven en niet verslappen, ook moet hij
zijn naaste niet veroordelen en zichzelf vrijspreken totdat, zoals de
heilige apostel Paulus zegt, [tot de komst van]
de Heer komt die het verborgene doorzoekt [naspeurt (vgl. 1 Kor. 4,5[50]
en Rom. 2,16[51])].
(8) Want we zijn ons dikwijls [doen we onbewust dingen die wij] niet eens bewust
van onze daden. Wijzelf hebben soms iets niet in de gaten [hebben], maar de Heer merkt alles op. Laten we daarom
aan hem het oordeel overlaten en [sympathie voor]
met elkaar medelijden hebben en elkaars lasten dragen. [(Gal. 6,2[52])]
Laten we [echter] onszelf onderzoeken en ernaar
streven onze tekortkomingen aan te vullen.
(9) [En als beveiliging tegen de]
Ook hier moet men op letten om er zeker van te zijn niet in zonde [laten we het volgende in acht nemen] te vervallen:
ieder moet [zijn eigen]
de daden en [de opwellingen] bewegingen
van zijn eigen ziel [wat zijn bewegingen van de
ziel, vdH?] signaleren en opschrijven, alsof we die aan anderen [zouden] moeten mededelen. (10) En vertrouw er
dan op dat, uit louter schaamte dat het bekend wordt, we zullen ophouden met
zondigen en zelfs geen slechte gedachten meer koesteren. (11) Want wie wil er
nu gezien worden wanneer hij een zonde bedrijft? Of wie die gezondigd heeft zal
niet liever liegen omdat hij wil dat het onbekend blijft?
Zoals we dus, wanneer we elkaar zien, [geen ontucht bedrijven]
niet tot overspel zullen overgaan [toch weer
heel wat anders, vdH], zo zullen we ook, wanneer we onze gedachten
opschrijven als om ze aan elkaar mede te delen, ons [makkelijker] behoeden voor onreine gedachten, uit
schaamte dat ze bekend zouden worden. (12) Laat dus wat we opgeschreven
hebben fungeren als het oog van onze medeasceten, met de bedoeling dat we, [evenzeer als we blozen om het op te schrijven] ons
evenzeer schamend voor het opschrijven als [wanneer we ontdekt zouden] voor het gezien
worden, geen enkele slechte gedachte meer toelaten. (13) Als we
onszelf zo vormen, zullen we in staat zijn het lichaam [onderworpen te houden] tot onze slaaf te maken [1 Kor. 9,27[53]],
de Heer te behagen, en de listen van de vijand onder onze voeten te
vertrappen.'
[42] (.. .) [De hoofdstukken 56 tot
en met 88 heeft Horst weggelaten, met daarin genezingen, strijd met Arianen, en
zijn monologen met de Griekse filosofen (waaruit duidelijk wordt dat Antonius
nooit door de Grieken benvloed zijn kunnen zijn), wat wonderen (waaronder een
negatief wonder), helderziendheid, genezingen, discussie over de Arianen, en de
brieven van de keizer. Dat is zon 30% van de totale tekst, waardoor samen met
de weggelaten toespraak tot de monniken, en de demonologie, zon 60% onvertaald
is gebleven.]
[89] LXXXIX
(1) [Het is de moeite waard]
Hoe was het einde van zijn leven? Het is goed dat ik [het] dat vertel en dat u daarover[, als u dat wilt,] hoort, [hoe
zijn dood was] wat u trouwens ook wilt. Want ook [dit einde van hem] dat is iets [dat het waard is nagevolgd te worden] waarin hij
navolgenswaardig was. (2) [Zoals zijn gewoonte was]
Gewoontegetrouw bezocht hij de monniken op de buitenste berg[, en omdat hij van de Voorzienigheid gehoord had dat zijn
eigen einde nabij was, zei hij tot]. Omdat hij door de
voorzienigheid van tevoren was ingelicht over zijn levenseinde,
sprak hij de broeders als volgt toe: 'Dit is het laatste bezoek dat
ik jullie breng en het zou me verbazen als we elkaar in dit leven nog een keer
zouden zien. (3) [Ten slotte is de tijd voor mijn
vertrek aangebroken] Het is nu voor mij tijd om op te breken,
want ik ben bijna 105 jaar [oud].'
Toen ze dat hoorden, huilden ze en omhelsden en kusten de
grijsaard. (4) Maar [hij sprak verheugd] alsof
hij van een vreemde stad terugkeerde naar zijn [eigen
stad zeilde,] vaderstad, onderhield hij zich opgewekt met hen en
vermaande hen [niet lui te worden in] hun
inspanningen[, noch hun] niet te laten
verslappen en de ascese niet te versagen, maar zo te leven
alsof ze elke dag [stierven] zouden kunnen
sterven. En, zoals [hij] ik al
eerder [had] heb gezegd, [hij dus, niet ik] hij spoorde hen aan zich
ervoor in te zetten [met ijver] hun ziel te
behoeden voor onreine gedachten, [enthousiast] te
wedijveren met de heiligen [na te volgen], zich
niet in te laten met de schismatieke Meletianen ([want
jullie kennen] u kent hun kwalijke en [wereldse] perverse instelling), [noch enig] en geen contact te onderhouden
met de Arianen, want [hun] ook van
die mensen is de goddeloosheid [is] voor
iedereen overduidelijk. (5) [Noch verstoord
te worden als je ziet dat de] 'Ook al zien jullie hun rechters
hen [beschermen,] verdedigen, ligt er niet
wakker van, want er zal een einde [aan]
komen [en hun gewichtigheid] aan hun
verschijning, die is sterfelijk en van korte duur. (6) [Blijf] Houdt jullie dus [onbezoedeld door] liever rein van hen en [houdt de tradities] behoudt de overlevering
der vaderen [in ere, en als voornaamste het heilige
geloof] en met name het vrome vertrouwen in onze Heer Jezus
Christus, [wat] die jullie uit de
Schriften hebt [geleerd] leren kennen
en [waaraan jullie] die ook dikwijls
door mij [zijn
herinnerd] in jullie herinnering is gebracht.' [wat of die is een heel verschil, vdH!]
XC
(1) Toen de broeders er bij hem op aandrongen dat hij bij
hen zou blijven om daar te sterven, [liet] bracht
hij dat niet [toe] op om vele redenen
die hijzelf door zijn zwijgen [aan hen]
kenbaar maakte, maar vooral om de volgende. (2) De Egyptenaren plegen de
lichamen van [heiligen] overledenen,
en [vooral] met name die van de heilige
martelaren, met [begrafenisrituelen] een grote
geloofsijver de laatste eer te bewijzen[, en]
door hen niet onder de grond te [begraven]
stoppen maar [hun lichamen] hen
in linnen [doeken] te wikkelen, [43] op een [bank] bed
te leggen, en [in hun huizen] binnenshuis
bij zich te bewaren, menend [hiermee de
overledenen] op die manier de doden te eren. (3) Antonius had [er] al [vaak bij] meermalen
de bisschoppen [op aangedrongen de mensen over deze
kwestie een gebod te geven.] gevraagd het volk daarover nu eens te
vermanen. (4) [Op dezelfde wijze onderwees hij de
leken en berispte hij de vrouwen, zeggende dat dit niet volgens de wet was]
Leken zette hij te kijk en vrouwen schold hij uit [dit klinkt toch wel erg out of character uit de mond van Antonius, vdH!] en hij maakte
hun duidelijk dat zoiets niet geoorloofd en al helemaal niet vroom was.
Want de [lichamen] graven van de
aartsvaders en de profeten zijn tot op [heden
in graftombes] de dag van vandaag bewaard gebleven en ook het
lichaam van de Heer zelf is in een graf[tombe]
gelegd [(vgl. Joh. 19,41[54])]
en een steen die ervoor geplaatst werd [verborg het]
onttrok hem aan het gezicht totdat Hij
op de derde dag opstond. [(vgl. Mt. 27,60 [eigenlijk 27,62 e.v.[55])]
(5) [En door aldus te spreken, toonde hij aan] Door
die dingen te zeggen maakte hij duidelijk dat degene die de lichamen van de
overledenen niet begroef, [zelfs al zouden ze heilig
zijn, de wet overtrad.] ook als het om heiligen ging, een zonde
beging. Want wat is er nu groter en heiliger dan het lichaam van de Heer?
(6) Velen nu die dat hoorden, begroeven voortaan [de]
hun doden [onder de grond] en dankten de
Heer dat ze zo goed onderricht waren.
XCI
(1) [Maar hij, omdat hij op de
hoogte was van deze gewoonte, en] Omdat hij van deze dingen wist, was
hijzelf bang dat ze zo ook met zijn lichaam zouden omgaan[, haastte zich om] Nadat hij van de monniken op
de [buitenste] uiterste berg afscheid [te nemen en ging] had genomen, haastte hij zich op
weg. Toen hij bij de binnenste berg [in] was
aangekomen, waar hij [gewoonlijk verbleef. En]
meestal woonde, werd hij na enkele maanden [werd hij] ziek. Hij riep degenen die [daar waren] bij [zich]
hem waren er waren twee mensen die daar sinds vijftien jaar ook
[in de berg verbleven] woonden om de
ascese te bedrijven en die hem vanwege zijn hoge leeftijd [bij te staan] bedienden en hij zei tot hen:
(2) 'Ik ga nu zoals de Schrift het noemt de weg der vaderen [(vgl. Joz. 23,14[56])],
want ik merk dat de Heer mij roept. [Wees] Weest
jullie nu waakzaam [opdat] en laat
jullie in zo lange tijd opgebouwde ascese niet verloren [gaat] gaan, maar [beijveren
jullie je] spant jullie ervoor in, alsof jullie nu pas een begin
[maken om] maakt, jullie grote inzet te
behouden. (3) Jullie kennen [het verradelijke van]
de demonen die jullie belagen, jullie weten [,]
hoe [woest] grimmig ze zijn, maar ook [hoe weinig] dat hun kracht [ze hebben. Wees] zwak is. Weest dus niet bang
voor hen, [maar adem] ademt veeleer
altijd Christus in en [vertrouw] vertrouwt
op hem. [Leef] En leeft alsof jullie
elke dag kunt sterven, let op jullie zelf, en [blijf] blijft
denken aan de vermaningen die jullie van mij hebben gehoord. (4) Onderhoudt
geen enkel contact met de schismatici en al helemaal niet met de ketterse
Arianen. Jullie weten hoe ook ik hen uit de weg ben gegaan vanwege hun [vijandigheid naar] Christus -vijandige [en de vreemde leerstellingen van hun ketterij.] ketterse
instelling. (5) [Wees daarom des te ijveriger om
op de eerste plaats volgelingen van God te zijn en dan van] Spant ook
jullie je er veeleer voor in je altijd te verbinden [44]
in de eerste plaats met de Heer, en daarna met de heiligen, opdat zij
jullie na de dood [ook] als [welbekende] vrienden en bekenden in hun
eeuwige tenten zullen ontvangen. [(Lc. 16,9[57])]
Denkt daarover na, overweegt dat.
(6) En als jullie iets om mij [geven]
geeft en [om] aan mij [denken] denkt als [om]
aan een vader, [sta] laat dan
niet toe dat iemand mijn lichaam meeneemt naar Egypte om het in een van hun
huizen op te baren. Juist om dat te vermijden ben ik naar de berg teruggekeerd
en hier gekomen. (7) Jullie weten hoe ik altijd ben uitgevallen tegen
degenen [heb berispt] die [die gewoonte hadden] dat doen en hen heb aangemaand
[ermee] met die gewoonte op te houden. [Jullie moeten] Begraaft dus mijn
lichaam [begraven] en verstopt
het [zelf] onder de grond [stoppen], en [houden
jullie je aan mijn woorden dat] houdt jullie je aan wat ik gezegd
heb: laat buiten jullie niemand die plek te weten [mag]
komen. (8) Want bij de opstanding der doden zal ik mijn lichaam van de
Heiland in onvergankelijke staat terug ontvangen. [En
verdeel] Verdeelt mijn klederen onder elkaar en geeft
aan bisschop Athanasius mijn ene schaapsvacht en de mantel waarop ik gelegen
heb, die hijzelf mij nieuw gegeven heeft en die [met
mij oud geworden is.] ik heb versleten. (9) En [geef] geeft bisschop Serapioon mijn andere schaapsvacht, maar [houden jullie] het haren [hemd zelf] kleed mogen jullie houden.
Welnu, kinderen, het ga jullie [verder] goed, [want] Antonius [vertrekt]
gaat elders heen en is niet meer onder jullie.'
(1) Toen hij dat gezegd had, [en]
omhelsden zij hem [gekust hadden, tilde hij].
Hij tilde zijn voeten op het bed, en [terwijl]
het [leek] was alsof hij
vrienden [op zich toe] zag aankomen en
daarom bijzonder blij werd ([want terwijl]
hij [zo] lag[, zag]
namelijk en zijn gezicht [er verheugd uit]straalde
van vrolijkheid)[, stierf hij]. Toen
blies hij zijn laatste adem uit en werd [hij tot
de] met zijn vaderen [vergaderd.]
herenigd. [niet zijn, vdH! En het is een
standaarduitdrukking met vergaderd.] (2) [En daarna,
overeenkomstig zijn gebod] Overeenkomstig de bevelen die hij gegeven
had, bewezen zij hem de laatste eer, omwikkelden [ze
hem en begroeven hem,] zijn lichaam en verborgen het onder de
grond [verstoppend. En tot vandaag de dag].
Tot op heden weet niemand waar [het begraven was]
hij ligt, behalve [alleen] die twee. (3)
[Maar elk van hen] Degenen die [de] een schaapsvacht [de
niet een, vdH! Hij had er toch maar n!] en
het versleten kleed van de gelukzalige Antonius hadden gekregen [en het kledingstuk dat door hem was gedragen, bewaart dat
als een kostbare schat.] bewaren dat nu als een voorwerp van grote
waarde. Want [alleen al] als ze
ernaar [te] kijken, is [als] het [zien van] alsof ze
Antonius zien, en [degene die erin gekleed is,
lijkt] als ze het
aantrekken, is het alsof ze zijn vermaningen met vreugde [te] dragen.
(1) [Dit is] Dat was
het einde van het leven [van] dat
Antonius in [het] zijn lichaam heeft
geleid, en [het bovenstaande] zo was
het begin van [de] zijn ascese. [Een vreselijke fout hier, vdH!!! Namelijk zijn i.p.v.
de!!!] [Zelfs al is mijn verhaal klein
vergeleken met zijn verdienste, gebruik het toch ter overdenking van de
grootsheid van Antonius, de man van God.] En ook al is wat ik erover
[45] heb geschreven maar weinig in
vergelijking met zijn deugdzaamheid, bedenkt u dan toch eens op grond van mijn
geschrift wat voor iemand die Godsman Antonius is geweest, een man [Die] die vanaf zijn jeugd tot op zo'n hoge
leeftijd een onverminderde inzet voor de ascese heeft bewaard. In zijn ouderdom
werd hij niet overmand door de zucht naar kostbare spijzen, en al evenmin
bracht de zwakheid van zijn lichaam hem ertoe van kleding te veranderen of zelfs
maar zijn voeten met water te wassen. En toch [bleef]
leed hij [totaal vrij van letsel]. in
geen enkel opzicht enige schade. (2) Want zijn ogen waren [helder] nog onbeschadigd en [behoorlijk zuiver en] in goede staat: hij kon
[scherp] goed zien. En van zijn
tanden was er niet n uitgevallen; alleen waren zij tot op het tandvlees
versleten vanwege de hoge ouderdom van de grijsaard. [Hij
bleef sterk in beide handen en] Ook waren zijn voeten en
handen gezond gebleven. [En terwijl] Hij
leek blakender van gezondheid, sterker en vuriger dan alle [mensen] anderen die zich bedienen van gevarieerd
[verschillende soorten] voedsel [gebruiken], [en]
baden en afwisselende kleding[, zag hij er opgewekter en krachtiger uit].
(3) [En het feit dat zijn roem
overal verkondigd werd; dat allen hem met bewondering beschouwen, en dat]
Hij was overal beroemd en werd door iedereen bewonderd, ja zelfs degenen
die hem nooit [hebben] hadden gezien verlangden
naar hem [verlangen], en dat is toch
een [duidelijk] teken van zijn deugdzaamheid en
[de liefde van God voor] van de vriendschap
van zijn ziel met God. [Toch enigszins
anders, vdH!] (4) Want Antonius werd niet bekend door
geschriften[, noch door] of wereldse
wijsheid[, noch door] of een [van de kunsten werd
Antonius beroemd] of andere handvaardigheid, maar alleen door [zijn vroomheid tot God] godvruchtigheid. Dat [dit] dat een gave Gods [was] is, zal niemand ontkennen. (5) [Want hoe] Hoe had men trouwens over hem
kunnen horen in Spanje en Galli, in Rome en Afrika, terwijl hij in een berg
verborgen zat, als dat niet dankzij God zelf was die Zijn [eigen volgelingen] mensen overal bekendheid geeft en
dit ook al aan het begin aan Antonius beloofd had? (6) Want ook al handelen zij
in het verborgene en willen ze [in het duister]
onbekend blijven, [toch toont de Heer] God
maakt hen [als lampen om allen te verlichten]
aan allen bekend als een lichtend voorbeeld, opdat op deze manier
zij die [het] daarvan horen [aldus] beseffen dat de geboden [van God] in staat zijn [de
mensen voorspoed te brengen en ijver op het] een mens te helpen op
het juiste pad te komen en dat ze in ijver ontvlammen om dat pad van de
deugdzaamheid in te slaan.
[Vers 94 ontbreekt, waarin
alweer iets slechts over de Grieken verteld wordt, namelijk, de demonen
waarvan de Grieken denken dat het goden zijn, helemaal geen goden zijn...]
(1) Bij velen bestaat er onzekerheid over de vraag wie
van de monniken nu als eerste een leven als kluizenaar in de woestijn is
begonnen. Sommigen gaan wel erg ver terug in de tijd, wanneer ze aannemen
dat dit begin lag bij Elia en Johannes (de Doper); het lijkt mij dat Elia wel
meer dan [eerder] een monnik was, en
Johannes begon al te profeteren voordat hij geboren was! Anderen echter beweren
en dat is een vrij algemeen aanvaarde en populaire opinie -dat Antonius de
grondlegger van deze levenswijze is. Dit is maar ten dele waar, omdat hij
niet zozeer aan alle anderen voorafging als wel omdat anderen door hem werden
gestimuleerd tot die levenshouding. Twee leerlingen van Antonius, genaamd
Amathias en Macarius (van wie de eerste het lichaam van zijn meester heeft
begraven), bevestigen tot op de dag van vandaag dat een zekere Paulus uit
Thebe [Luxor] de eerste leider van deze beweging was, een mening die ik
deel.
Sommigen brengen naar believen verhalen over hem in omloop, zoals bijvoorbeeld dat hij in een onderaardse grot leefde en zulk lang [48] haar had dat het tot op zijn voeten hing, en andere ongeloofwaardigheden die hier niet herhaald hoeven te worden. Ook lijkt het mij zinloos om de pertinente leugens te weerleggen die weer anderen over hem vertellen.
[Mijn vertaling, DH] Voor veel
mensen is het een twistpunt wie nu de eerste persoon was die aan een leven als
kluizenaar in de woestijn is begonnen. Sommigen gaan wel erg ver terug in de
tijd, wanneer ze erop wijzen dat Elia en Johannes de Doper tot de eersten
behoorden; maar het lijkt mij dat Elia eerder een profeet dan een monnik was,
en wat Johannes betreft, die begon al te profeteren zelfs voordat hij geboren
was! [Lucas 1.44]
Anderen beweren echter dat
Antonius de eerste was en dat is een vrij algemeen aanvaarde mening die de
meeste mensen aanhangen. Maar dit is slechts ten dele waar, omdat hij niet
zozeer de eerste was als wel omdat hij degene was die zoveel heeft gedaan om
anderen daartoe te stimuleren. Trouwens, twee discipelen van Antonius, genaamd
Amathias en Macarius, van wie de eerste het lichaam van Antonius heeft
begraven, beweren tegenwoordig nog dat Paulus uit Thebe degene is geweest die
deze beweging begon, hoewel hij niet de eerste was die die naam droeg, en dit
is een mening die ik ook deel.
Sommigen vertellen net naar het ze uitkomt allerlei verhalen over Paulus, zoals bijvoorbeeld het verhaal dat hij alleen maar een man was met lang haar dat tot op zijn voeten hing die in een onderaardse grot leefde, en andere verzinsels die hier verder niet ter zake doen. Zulke onbeschaamde leugens zijn het nauwelijks waard tegengesproken te worden.
[Deze is wel in Monachorum,
hoewel hij daar Apollonius genoemd wordt, hoofdstuk VII. Terwijl hij in
Lausiaca Apollo genoemd wordt, hoofdstuk LII]
Toen leek hij de stem van God te horen die tot hem zei: 'Apollo, Apollo, door jou zal ik de wijsheid van de Egyptische wijzen vernietigen en ik zal de kennis van de geleerde heidenen afschaffen. En jij zult voor mij behalve hen ook de wijzen van Babylon vernietigen en jij zult alle verering van demonen wegvagen. Welnu, ga naar de bewoonde wereld, daar zul je voor rij een eigen volk verwekken, ijverig in goede werken.'
(4) Hij antwoordde: 'Heer, neem van mij weg de arrogantie, opdat ik niet door rij boven de broeders te verheffen, alle goed verspeel.' Toen sprak de goddelijke stem opnieuw tot hem: 'Leg je hand op je nek, dan zul je (de arrogantie) beetpakken en die in het zand begraven.' Hij legde snel zijn hand in zijn nek en greep daar een zwart jongetje [Eigenlijk staat er dat hij een kleine Ethiopir uit zijn keel trekt, en dat is ook logischer] en begroef het in de woestijn terwijl het schreeuwde: 'Ik ben de demon van de arrogantie!'
[Mijn bewerking] Toen hoorde hij de
stem van God die tot hem zei: 'Apollo, door jou zal ik de wijsheid van de
Egyptische wijzen verwarren en de vaardigheden van dat volk. En door mij zul jij de wijzen van Babylon verwarren
en alle verering van demonen uit hun midden verdrijven. Ga dan naar de plek
waar ze wonen en je zult voor mij een bijzonder en perfect volk stichten dat
streeft naar goede werken.'
Hij antwoordde: 'Heer, bevrijdt mij van een opschepperige trots, opdat ik niet, boven mijn broeders verheven, al Uw gerechtigheid verlies.' Toen sprak de goddelijke stem opnieuw tot hem: Steek je hand in je keel en trek er uit wat je daar vind, en begraaf dat in het zand.' Onverwijld stak hij zijn hand in zijn keel en trok daar kleine Ethiopir uit [dit moet toch wel iets anders zijn, een pad of zo, wat tengevolge van gebroddel tot jongetje is veranderd; of gemanifesteerd schuldgevoel] en begroef deze in de woestijn terwijl deze schreeuwde: 'Ik ben de geest van de trots!'
(59) Hij had zware kritiek op degenen die ijzeren boeien [die waren er dus! Worden trouwens wel vermeld in Monachorum maar niet in Lausiaca, en daar als ijzeren halskettingen.] en lang haar droegen [die waren er dus ook! Maar er staat, zowel in Monachorum als in Lausiaca: die hun haar knipten of overdreven verzorgden, en dat is dus precies het tegenovergestelde van wat Horst zegt!!! Wat enigszins blijkt uit de volgende zin, over vertoon en behagen.]. Hij zei: 'Die zijn uit op vertoon en het behagen van mensen, terwijl ze het lichaam door vasten zouden moeten kastijden en in het verborgene het goede doen. Dt doen ze niet, maar ze zetten zich wl voor iedereen te kijk.'
[mijn vertaling] Degenen die hun haar knipten of overdreven verzorgden en ijzeren halskettingen droegen, of andere dingen deden om aandacht op zichzelf te vestigen, sprak hij bestraffend toe. Het is duidelijk, zei hij, dat deze mensen er alleen op uit zijn menselijke lof te verkrijgen. Ze doen het om op te vallen, maar het gebod is dat zelfs jullie vasten in het geheim moet worden gedaan, zodat alleen God het weet die in het verborgene ziet en openlijk beloont. (Matt.6.18[58]).
[Deze tekst lijkt enigszins op mijn versie van Monachorum en
nauwelijks op die in Lausiaca. En wat nog vreemder is: vanaf p. 110 geeft hij
de versies van Macarius uit de Lausiaca. Nogal dubbelop. En hij vermeldt het
ook niet.]
(1) Velen van de woestijnvaders die daar woonden vertelden ons het levensverhaal van Macarius, de leerling van Antonius, die nog maar vrij kort geleden gestorven was. Evenals Antonius had ook hij bijzonder veel wonderen verricht, zowel genezingen als andere tekenen, zoveel dat men ze niet allemaal zou kunnen vertellen. Maar een paar van zijn grote daden willen wij toch kort vermelden.
[Deze tekst is in mijn versie
van Lausiaca en Monachorum niet te vinden]
(2) Toen hij eens bij de grote woestijnvader Antonius prachtige palmbladeren zag liggen waarmee deze aan het werken was, vroeg hij hem n bundeltje daarvan. Maar Antonius zei tot hem: 'Er staat geschreven, "Gij zult niet begeren wat van uw naaste is.'" En zodra hij dat gezegd had, verschrompelden alle palmbladeren alsof ze door vuur waren aangeraakt. Toen Antonius dat zag, zei hij tot Macarius: 'Zie, mijn geest zal op jou rusten, en jij zult voortaan de erfgenaam van mijn deugden zijn.'
[Deze tekst is in mijn versie
van Lausiaca en Monachorum niet te vinden]
(3) Daarna vond de duivel hem eens in een toestand van grote fysieke uitputting in de woestijn, en hij zei tot hem: 'Zie, je hebt nu de genadegave van Antonius ontvangen. Waarom maak je geen gebruik van dat voorrecht en vraag je God niet om voedsel en kracht voor de reis?' Toen zei hij tot hem: "'Mijn kracht en mijn lied is de Heer. En jij, jij moet de dienaar Gods niet verzoeken.'
(4) Toen schiep de duivel voor hem een drogbeeld van een met vracht beladen kameel die door [98] de woestijn dwaalde en die alle benodigde levensmiddelen bij zich had. Toen het beest Macarius zag, ging het voor hem zitten. Maar hij besefte dat het een drogbeeld was - hetgeen ook zo was - en hij begon te bidden. En onmiddellijk werd de kameel in de aarde verzwolgen.
[Deze tekst lijkt op mijn
versie van Monachorum, maar veel langer, en komt niet voor in Lausiaca. Maar in
Monachorum is geen sprake van een kopie van het paradijs, maar meer van een mooie tuin, en dus ook geen engels en
demonen, maar gewoon mensenwerk.]
(5) Een andere keer vroeg hij na lang vasten en bidden aan God hem het paradijs te laten zien dat Jannes en Jambres hadden geplant in de woestijn omdat ze een kopie van het ware paradijs wilden maken.
(6) Toen hij drie weken lang zonder eten door de woestijn had gezworven en al bewusteloos was geraakt, zette een engel hem op die plek neer. Er waren overal demonen die de ingangen van het paradijs bewaakten en hem niet binnenlieten. Het gebied was bijzonder groot en besloeg een enorme afstand.
(7) Toen hij na een gebed het toch waagde naar binnen te gaan, vond hij daar twee heilige mannen. Die waren al een hele tijd geleden op dezelfde manier binnengekomen. Na een gebed omhelsden zij elkaar en verheugden zich zeer over de ontmoeting. Zij wasten hem de voeten en zetten hem enige paradijsvruchten voor. Hij nam ervan en dankte God, verbaasd over de grootte en de kleurenrijkdom van de vruchten. En ze zeiden tot elkaar: 'Het zou mooi zijn als alle monniken hier waren.'
(8) Hij zei: 'Midden in het paradijs waren drie grote bronnen die opwelden vanuit de diepte en die het paradijs bewaterden en ook enorme bomen die heel vruchtbaar waren en allerlei soorten fruit onder de hemel voortbrachten.'
(9) Toen Macarius zeven dagen bij hen gebleven was, wilde hij weer teruggaan naar de bewoonde wereld en zijn monniken met zich meenemen. Toen zeiden de heilige mannen tot hem dat hij dat niet kon doen, omdat de woestijn erg groot en uitgestrekt was en er vele demonen overal in die woestijn waren die monniken op een dwaalspoor brachten en doodden, zodat inderdaad al vele anderen die hadden willen komen waren gedood.
(10) Maar Macarius kon het niet langer opbrengen daar te blijven en zei: 'Ik moet ze hierheen brengen opdat ze van deze weelde kunnen genieten.' Toen snelde hij naar de bewoonde wereld en nam een van de vruchten als bewijsstuk mee. Hij droeg ook een grote hoeveelheid palmtakken bij zich die hij had verzameld. Hij zette de takken nu als bakens in de woestijn neer om te voorkomen dat hij zou verdwalen als hij terug zou komen.
(11 Maar toen hij ergens in de woestijn in slaap was gevallen, ontdekte hij toen hij wakker werd [99] dat al die palmbladeren door de demonen waren verzameld en bij zijn hoofd neergelegd. Maar hij stond op en zei tot hen: 'Als het Gods wil is, zullen jullie ons niet kunnen verhinderen het paradijs binnen te gaan.'
(12) Toen hij in de bewoonde wereld aankwam, liet hij de vruchten zien aan de monniken en trachtte hen zo over te halen mee te gaan naar het paradijs. Er verzamelden zich vele woestijnvaders bij hem die zeiden: 'Dat paradijs is er toch niet voor de vernietiging van onze zielen? Want als we daarvan nu al zouden genieten, dan hebben we ons deel van het goede al op aarde gehad. Welk loon zullen we dan later nog krijgen als we bij God komen, of voor welke deugd zullen we beloond worden?' Zo overtuigden ze hem niet meer terug te gaan.
[Deze tekst lijkt enigszins op
mijn versie van Monachorum en komt in Lausiaca niet voor]
(13) Een andere keer werden hem verse druiven gezonden, en hoewel hij ernaar verlangde ze op te eten, toonde hij zijn zelfbeheersing en zond ze naar een broeder die ziek was en die erg gesteld was op druiven. Toen die ze ontving, was hij er erg blij mee, maar omdat hij zijn zelfbeheersing wilde verbergen stuurde hij ze door naar een andere broeder, en wendde voor dat hij geen trek had in eten. Toen die ander het voedsel kreeg, deed die precies hetzelfde, al had ook hij erg veel zin ze op te eten.
(14) Toen de druiven uiteindelijk vele broeders waren langs geweest zonder dat iemand er iets van had willen eten, zond de laatste die ze kreeg ze weer naar Macarius, in de veronderstelling dat hij deze een groot geschenk gaf. Toen Macarius ze herkende en een nauwkeurig onderzoek instelde naar de gang van zaken, was hij zeer verbaasd en dankte de Heer voor zo'n grote zelfbeheersing van hen. Uiteindelijk at hij er ook zelf niet van.
[Deze tekst is in mijn versie
van Lausiaca en Monachorum niet te vinden]
(15) Een andere keer, zo gaat het verhaal, zat Macarius in zijn grot in de woestijn te bidden. Een andere grot in de buurt werd bewoond door een vrouwtjeshyena. Terwijl hij zat te bidden kwam die hyena plotseling binnen en begon aan zijn voeten te likken. Het beest pakte hem zachtjes bij zijn hemd en trok hem naar haar eigen grot toe. Hij ging mee en zei: 'Wat zou dat beest toch willen doen?'
(16) Toen zij hem tot aan haar eigen grot had geleid, ging zij naar binnen en bracht toen haar eigen jongen die blind waren geboren naar hem toe. Hij bad toen en gaf de jonkies ziende en wel aan hun moeder terug. Zij bracht hem uit dankbaarheid een geschenk in de vorm van een enorme vacht van een grote ram en legde die aan zijn voeten. Hij glimlachte haar toe [100] als ware het een vriendelijk en gevoelig wezen. Hij spreidde die vacht uit als vloerkleed en die is tot op vandaag bij iemand bewaard gebleven.
[Het volgende zeer verkort bij
Horst, maar lang in Monachorum en zeer lang in Lausiaca]
(17) Men vertelt ook over hem dat, toen een of andere schurk een meisje dat kloosterlinge wilde worden door magische kunsten in een merrie had veranderd, haar ouders haar bij hem brachten en hem smeekten of hij alsjeblieft voor haar wilde bidden en haar weer in een vrouw wilde veranderen. Hij sloot haar toen zeven dagen in eenzaamheid op, terwijl haar ouders in de buurt bleven, en zelf bracht hij in een andere cel de tijd in gebed door. Op de zevende dag ging hij met haar ouders naar binnen en zalfde haar helemaal met olijfolie in. Toen boog hij zijn knien en bad samen met hen, en toen ze opstonden vonden ze haar weer in een meisje veranderd.
[dit is toch geen
woestijnvader, zelfs geen woestijnmoeder, dus misschien alleen voor het
sensationalisme eraan toegevoegd? Terwijl Horst verderop wel woestijnvaders
onvertaald, en woestijnmoeders onvermeld, laat.]
(1) De bovengenoemde gezegende Isidorus had Antonius zaliger ontmoet en vertelde mij later een voorval dat het verdient vastgelegd te worden en dat hij van hem had gehoord. Er leefde ten tijde van Maximianus de vervolger een bijzonder mooi meisje, Potamiaena genaamd, dat iemands slavin was. Haar meester had geprobeerd haar met tal van beloften te verleiden, maar zonder succes.
(2) Ten slotte werd hij zo razend dat hij haar uitleverde aan de toenmalige prefect van Alexandri. Hij gaf haar aan als een christen en als een vrouw die vanwege de vervolgingen kwaad sprak van de politieke situatie en de keizers. Hij bood de prefect geld aan met de opmerking, 'Als ze akkoord gaat met mijn wensen, zorg er dan voor dat ze ongestraft blijft.' Maar als ze zou volharden in haar rigide opstelling, zo verzocht hij, dan moest ze zodanig worden gestraft dat ze niet levend zijn zedeloosheid aan de kaak zou kunnen stellen.
(3) Ze werd voor de rechter geleid en de aanval op het bolwerk van haar overtuiging werd met diverse martelinstrumenten ingezet. Onder deze instrumenten was ook een grote ketel. De rechter beval deze te [105] vullen met pek en te verhitten. Toen het pek kookte en begon vlam te vatten, hield hij haar de keus voor: 'Je kunt nu f weggaan en je aan de wil van je meester onderwerpen f er anders van overtuigd zijn dat ik je in de ketel kopje onder zal laten gaan.' Zij antwoordde: 'Moge er nooit meer zo'n rechter zijn die iemand beveelt zich aan zedeloosheid te onderwerpen.'
(4) Hij werd razend en beval haar uit te kleden en in de ketel te gooien. Maar zij verhief haar stem en zei: 'Bij het hoofd van de keizer die jij vreest, als je besloten hebt mij zo te straffen, geef dan opdracht dat ik slechts stukje bij beetje in de ketel word neergelaten, zodat je zult weten welk een groot uithoudingsvermogen mij geschonken is door Christus, die jij niet kent.' Toen men haar beetje bij beetje over de periode van een uur in de ketel liet zakken, blies ze de laatste adem uit toen het pek haar nek had bereikt.
(. ..) [Ontbrekende Abbas: OR, PAMBO, PIOR, AMMON, BEJAMIN, APOLLONIUS, PAEESUS & ISAIAH, MACARIOUS de jongere, NATHAHAEL]
[Nog onvolledig gecorrigeerd]
(1) Ik heb wl de andere Macarius ontmoet, de Alexandrijn die priester was van de zogenaamde Kellia, waar ik zelf ook negen jaar heb gewoond. De eerste drie jaren daarvan leefde hij nog. Sommige dingen heb ik zelf meegemaakt, andere heb ik van hemzelf gehoord, weer andere van andere mensen.
[Hier ontbreekt een stuk dat
wel in mijn Lausiaca staat: over een bekeerde tribuun en over druiven die de
ronde doen.]
Zijn ascetische levenswijze was als volgt. Als hij hoorde over een of andere vorm van ascese, probeerde hij die altijd te vervolmaken. Hij vernam bijvoorbeeld dat de monniken van Tabennisi tijdens de gehele veertigdagentijd ongekookt voedsel aten, en besloot vervolgens zeven jaar lang niets meer te eten wat met vuur in contact was gekomen. Hij at alleen nog maar rauwe groenten, als hij die kon vinden, en geweekte peulvruchten.
(2) Toen hij deze deugd tot volmaaktheid had gebracht, hoorde hij over een andere kluizenaar dat die maar drie ons brood per dag at. Toen brak hij zijn biscuitrantsoen in stukjes en gooide die in een kruik. Hij besloot voortaan niet mr te eten dan wat hij met zijn hand daaruit kon krijgen. Hij vertelde schertsend: 'Ik kon heel wat stukjes pakken, maar ik kon ze niet naar buiten krijgen vanwege de nauwe opening, want net als een belastinginner liet die me niet door!' Hij beoefende deze vorm van ascese drie jaar waarbij hij maar ongeveer n ons brood at en een vergelijkbare hoeveelheid water dronk. Per jaar gebruikte hij niet meer dan een halve liter olijfolie.
(3) Hier is een ander voorbeeld van zijn ascese. Hij besloot boven slaap verheven te zijn en hij beweerde dat hij twintig dagen lang niet onder een dak was geweest om de slaap te overwinnen. Overdag werd hij door de brandende zon geblakerd en 's nachts bevroor hij van de koude. Hij zei: 'Als ik niet snel het huis was binnengegaan en slaap had [114] genoten, dan zouden mijn hersenen verdroogd zijn, zodat ik voorgoed bewusteloos zou zijn gebleven. Ik heb de slaap overwonnen voor zover het binnen mijn vermogen lag, maar voor zover het van de natuur afhangt die slaap nodig heeft, heb ik moeten wijken.'
(4) Toen hij eens [door de geest
(of demon) van het neuken werd geplaagd] 's morgens vroeg in zijn cel
zat, werd hij door een muskiet in zijn voet gestoken. Omdat hij pijn had sloeg
hij het dier dood met zijn hand, en het zat vol met zijn bloed. Hij keurde het
in zichzelf af dat hij had gehandeld uit wraak en veroordeelde [hij] zichzelf er toe om zes maanden naakt in het
moeras van Sketis te gaan zitten dat in de grote woestijn ligt. Dat is
namelijk een plek waar de muskieten [zo groot zijn als
wespen en] zelfs de huiden van wilde zwijnen verwonden, net als
wespen. Hij werd daar zo over zijn hele lichaam gestoken dat hij zulke
builen kreeg dat [je zou kunnen denken] sommigen
dachten dat hij aan elefantiasis [lepra]
leed. Toen hij na zes maanden terugkeerde naar zijn cel, kon men alleen aan
zijn stem nog merken dat hij Macarius was.
[De volgende 5-9 zijn door
vdH zeer verkort weergegeven en zeer slecht vertaald; ik heb geen zin om dat
allemaal te corrigeren.]
(5) Hij vertelde mij dat hij eens verlangde de graftuin van Jannes en Jambres binnen te gaan. Die graftuin behoorde vroeger de magirs toe die zo'n grote invloed hadden op de Farao. Omdat ze een lange tijd zo'n macht hadden gehad, hadden ze dat bouwwerk gemaakt met stenen die aan alle kanten vier voet maten. Zo bouwden zij hun eigen grafmonument en deponeerden daar veel geld in. Ze plantten er ook bomen, want het was een vochtige plek, en tussen die bomen sloegen ze een put.
(6) Omdat de heilige man de weg niet kende, volgde hij op de gok de sterren terwijl hij de woestijn doorkruiste als ware het een zee. Hij nam een bundel riethalmen en plaatste er om de mijl een in het zand als een soort mijlpaal om de weg terug weer te kunnen vinden. Na een reis van bijna negen dagen bereikte hij de plek. In de nacht dat hij bij de mijlpaal van de graftuin sliep, heeft de demon die altijd de atleten van Christus tegenwerkt, al die riethalmen verzameld en [weggegooid en juist niet] bij zijn hoofdeinde neergelegd.
(7) Toen hij opstond, vond hij de riethalmen. Misschien had God dat toegestaan om hem verder te trainen zodat hij niet zou vertrouwen op riethalmen maar op de wolkkolom die Isral veertig jaren door de woestijn had geleid.
Hij vertelde: 'Zeventig demonen kwamen mij tegemoet vanuit de graftuin, krijsend en fladderend als kraaien voor mijn gezicht, en ze zeiden: "Wat wil je, Macarius? Wat wil je, monnik? Waarom ben je naar onze plek gekomen? [115] Je kunt hier niet blijven!" En ik zei tot hen: "Ik wil alleen maar even naar binnen gaan en rondkijken en dan ga ik weer weg."
(8) Toen ik naar binnen ging, zag ik een koperen vat en een ijzeren ketting naast de put hangen, maar die waren door de tand des tijds al vergaan, en granaatappels die geen enkele vrucht in zich hadden omdat ze door de zon uitgedroogd waren.' Vervolgens keerde hij weer terug en was twintig dagen onderweg. Toen het water en het brood dat hij bij zich had opraakten, kwam hij in een problematische situatie terecht. Net toen hij op het punt stond in elkaar te zakken verscheen hem een meisje, zo vertelde hij, dat een gewaad van zuiver linnen droeg en een kruik bij zich had die overliep van water.
(9) Hij zei dat zij op een afstand van een kleine 200
meter bij hem vandaan bleef, en zo reisde ze drie dagen met hem mee. Hij zag
haar wel staan met die kruik [terwijl ze hem
uitdaagde, pestte] maar kon
haar niet bereiken. Door het vooruitzicht eruit te kunnen drinken kon hij
echter de inspanning opbrengen het vol te houden. Daarna verscheen er een kudde
antilopen [koeien] waarvan een van de vrouwtjes een jong had - er
zijn er heel veel [koeien] in die streek - en haar uier, zo zei hij,
stroomde over van melk. Hij kroop onder haar, werd gezoogd, en was verzadigd.
Terwijl de antilope [koe] hem
zoogde, ging ze helemaal tot aan zijn cel met hem mee terwijl ze haar eigen
jong afwees.
(10) Een andere keer was hij een put aan het graven vlak bij een groentetuintje toen hij door een adder werd gebeten; en dat is een dodelijk dier. Hij pakte het dier met zijn beide handen bij zijn kaken beet en scheurde het in tween, terwijl hij zei: 'Als God je niet heeft gestuurd, hoe durf je hier dan te komen?'
[Dit stuk, tot 12, staat niet
in mijn Lausiaca]
Hij had verschillende cellen in de woestijn, een in de grote woestijn van Sketis, een in Liba, een in het zogeheten Kellia, en een op de berg Nitria. Sommige daarvan hadden geen venster en men zegt dat hij daarin de veertigdagentijd zittend in duisternis doorbracht. Een ander was zoveel kleiner dat hij daarin niet eens zijn benen kon uitstrekken. Maar de laatste was ruimer en daarin ontmoette hij degenen die hem kwamen bezoeken.
(11) Hij genas een zo grote menigte van bezetenen dat het aantal niet meer te berekenen valt. Toen ik er was, werd een meisje uit de betere kringen van Thessalonica bij hem gebracht dat al vele jaren aan verlamming leed. Twintig dagen lang zalfde hij haar eigenhandig met [115] heilige olie [heilige ? olie] terwijl hij voor haar bad, en hij stuurde haar weer genezen naar haar stad terug. Na haar terugkeer stuurde zij hem vele geschenken.
(12) Toen hij hoorde dat de Tabennisioten leefden volgens een grootse leefwijze, verkleedde hij zich als een arbeider uit de wereld en reisde in vijftien dagen door de woestijn naar de Thebas. Toen hij in het klooster van Tabennisi arriveerde, vroeg hij naar hun archimandriet die Pachomius heette, een man van groot aanzien die de gave van de profetie had. De waarheid omtrent Macarius bleef hem echter verborgen. Toen hij hem ontmoette, zei hij: 'Ik smeek u, neem mij op in uw klooster zodat ik monnik kan worden.'
(13) Toen zei Pachomius tot hem: 'Maar je bent al op een
gevorderde leeftijd, dus je kunt je niet meer bekwamen in de ascese. De
broeders hier zijn al asceten en je kunt hun inspanningen niet opbrengen. Dat
red je niet en dan treed je uit en begin je kwaad over hen te spreken.' Hij
accepteerde hem dus niet, de eerste dag niet, de tweede dag niet, en dat zeven
dagen lang. Maar Macarius kon het opbrengen om al die tijd vastend te blijven
wachten, en zei daarna tot Pachomius: 'Accepteer mij toch, vader, en als ik
niet vast en werk zoals zij, geef dan bevel mij eruit te gooien.' Toen
overtuigde hij de broeders hem te accepteren. De communiteit van dat ene
klooster telt tot op vandaag [40.000] 1.400 mannen.
(14) Hij trad dus in. Na enige tijd brak de vastentijd aan en hij zag dat iedere monnik op een verschillende manier ascese bedreef. De een at alleen 's avonds, de ander om de twee dagen, een derde om de vijf dagen, en weer een ander stond de hele nacht, maar zat overdag. Macarius bevochtigde een flink aantal palmbladeren en ging daarmee in een hoek staan, en totdat de veertig dagen voorbij waren en het Pasen was geweest at hij geen brood en dronk geen water, hij boog zijn knien niet en ging niet liggen. Behalve een paar koolbladeren at hij niets, en dat alleen op zondag, om de indruk te wekken dat hij toch at.
(15) En als hij al eens weg moest om zijn behoeften te doen, keerde hij snel terug en ging daar weer staan, zonder tegen iemand iets te zeggen, want hij deed zijn mond niet open en stond er maar te zwijgen. Afgezien van het gebed in zijn hart en de palmbladeren in zijn handen ondernam hij niets. Alle asceten zagen dat en maakten ruzie met de abt, zeggende: 'Waar hebt u die man zonder lichaam vandaan gehaald? Gooi hem eruit of weet dat wij er anders allemaal vandoor gaan.' [117] Toen Pachomius over deze wijze van ascese hoorde, bad hij dat God hem zou openbaren wie deze man was.
(16) En dat werd hem geopenbaard. Toen pakte hij Macarius bij de hand en leidde hem naar de kapel waar het altaar was en zei tot hem: 'Kom hier, eerwaarde, u bent Macarius en u hebt dat voor mij verborgen gehouden. Jarenlang heb ik ernaar verlangd u te ontmoeten. Ik dank u dat u mijn kinderen een flink lesje hebt geleerd, zodat ze niet meer prat kunnen gaan op hun eigen ascetische deugden. Maar keer nu terug naar uw eigen plek, want u hebt ons voldoende gesticht, en bid voor ons.' Na dat verzoek trok hij zich terug uit het klooster.
(17) Een andere keer vertelde hij ons het volgende: 'Na erin geslaagd te zijn elke vorm van ascese waarin ik mezelf wilde bewijzen te vervolmaken, kreeg ik nog een ander verlangen: ik wilde vijf dagen lang mijn geest zonder enige afleiding op God richten. Toen ik die beslissing had genomen, sloot ik mijn cel en de hal om niemand te woord hoeven te staan, en vanaf de tweede dag hield ik mij daar onbeweeglijk. Ik gaf mijn geest een opdracht: "Daal niet af uit de hemel. Daar heb je de engelen, de aartsengelen, de krachten van omhoog, de God van het heelal. Daal niet af tot beneden de hemel."
(18) Na dit twee dagen en nachten te hebben volgehouden irriteerde ik de demon dermate dat hij zich voordeed als een vurige vlam en alles wat er in mijn cel was verbrandde. Zelfs het matje waarop ik stond ging in vlammen op en ik dacht dat ik zelf ook helemaal in brand stond. Ten slotte moest ik er op de derde dag overweldigd door angst mee ophouden omdat ik mijn geest niet meer voor afleiding kon vrijwaren, dus ik daalde weer af om de wereld te zien, om niet de indruk van arrogantie te wekken.'
(19) Toen ik zelf eens deze heilige Macarius ging opzoeken, vond ik buiten zijn cel een priester van een dorp die daar op de grond lag. Zijn hoofd was helemaal weggevreten door de ziekte die kanker heet, en je kon het bot boven op zijn hoofd zien blootliggen. Hij was gekomen om genezen te worden, maar Macarius had hem niet binnengelaten. Toen verzocht ik hem: 'Alstublieft, heb toch medelijden met hem, en geef hem antwoord.'
(20) Maar hij zei tegen mij: 'Hij verdient het niet genezen te worden. Dit is hem overkomen als een les. Als je wilt dat hij genezen wordt, overtuig hem er dan van dat hij moet ophouden de [118] mis te bedienen. Want dat doet hij terwijl hij in ontucht leeft, en daarom krijgt hij die les. Maar God geneest hem.' Toen ik dat de getroffen man meedeelde, stemde hij ermee in en zwoer nooit meer voor te gaan. Toen pas ontving Macarius hem en zei: 'Geloof je dat God bestaat?' 'Ja,' zei de man.
(21) 'Kun jij God in de maling nemen?' 'Nee,' antwoordde hij. 'Als jij je zonden inziet en ook de les begrijpt waarom God je dit heeft doen overkomen, neem je dan voor voortaan beter te leven.' Daarop beleed hij zijn schuld en beloofde nooit meer te zondigen en nooit meer de mis op te dragen, maar de lekenstand aan te nemen. Macarius legde hem de hand op en na een paar dagen was hij genezen. Hij kreeg weer haar en ging gezond naar huis.
[Hier ontbreekt een ]
(22) Met eigen ogen heb ik gezien dat een jongetje dat
bezeten was door een boze geest bij hem werd gebracht. Hij legde hem de ene
hand op het hoofd en de andere op het hart en hij bad zo lang tot hij de jongen in de lucht liet zweven. De jongen
zwol op [en werd zo groot dat hij totaal misvormd
werd] als een wijnzak en raakte zo verhit dat het leek of hij
helemaal aan wondroos leed. Plotseling schreeuwde hij het uit en begon uit
al zijn [lichaamsopeningen] zintuigen
water te laten wegstromen, en toen hij uiteindelijk leeg was, nam hij
weer zijn gewone formaat aan. Na de jongen [met zijn
eigen handen] met heilige olie gezalfd te hebben en
met water begoten te hebben, gaf hij hem terug aan zijn vader. Hij beval hem
veertig dagen lang geen vlees en wijn te nuttigen. En zo genas hij hem.
(23) Eens werd hij geteisterd door gedachten van ijdelheid die hem uit zijn cel verdreven en hem suggereerden om bij wijze van goede daad naar Rome te gaan om daar de zieken te genezen. Want de gave die hem macht gaf over boze geesten werkte krachtig in hem. Toen hij een lange tijd daaraan geen gehoor gaf maar hem het vuur wel na aan de schenen werd gelegd, viel hij neer op de drempel van zijn cel, stak zijn voeten naar buiten, en zei: 'Trek me maar, demonen, sleep me maar! Want ik ga niet op mijn eigen voeten. Als jullie kans zien me zo weg te brengen, dan ga ik mee.' En hij bezwoer hen: 'Ik blijf hier tot vanavond liggen. Als jullie me dan niet van mijn plek hebben gekregen, dan luister ik echt niet meer naar jullie.'
(24) Na er lange tijd gelegen te hebben stond hij op. Maar toen het nacht werd, vielen ze hem weer aan. Hij vulde toen een mand met twintig kilo zand, zette die op zijn schouders en zwierf ermee door de woestijn. [119] Daar kwam Theosebius Kosmetor uit Antiochi hem tegen en die zei: 'Vader, wat draagt u daar? Geef die last toch aan mij en vermoei uzelf er niet mee!' Maar hij antwoordde: 'Ik vermoei degene die mij vermoeit, want hij weet van geen ophouden en probeert mij naar het buitenland te krijgen.' Na lange tijd rondgezworven te hebben keerde hij terug naar zijn cel, en hij had zijn lichaam vermurwd.
[Dit stuk, tot 27, staat
niet in mijn Lausiaca]
(25) Deze heilige Macarius vertelde mij eens het volgende (bedenk dat hij een priester was): 'Ik merkte tijdens het uitdelen van de mysterin dat ik het offer nooit had gegeven aan de asceet Marcus, want een engel reikte hem dat aan vanaf het altaar. Ik zag alleen maar de botjes van de hand van degene die hem dat gaf.' Deze Marcus was een heel jonge man, die het Oude en het Nieuwe Testament uit zijn hoofd kende, een heel zachtmoedig iemand en bescheidener dan wie ook.
(26) Op een dag ging ik op een geschikt moment naar hem toe - hij was toen al op zeer hoge leeftijd - en ik posteerde mij voor zijn deur om te horen wat hij zou zeggen of doen. Op zijn leeftijd achtte ik hem verheven boven andere mensen. En hij was binnen, helemaal alleen, een man van tegen de honderd die al zijn tanden kwijt was, en hij vocht met zichzelf en de duivel. Hij zei: 'Wat wil je, ouwe schurk? Kijk, je hebt olie en wijn gehad. Wat wil je nog meer, grijze veelvraat?' Zo schold hij zichzelf uit. En daarna ook de duivel: 'Ben ik je nog iets schuldig? Je vindt toch niets, dus ga maar van me weg!' En alsof hij aan het spotten was, zei hij tot zichzelf: 'Kom, ouwe veelvraat, hoelang moet ik nog bij je zijn?
[De volgende zijn in mijn
Lausiaca iets uitgebreider]
(27) Zijn leerling Paphnoutius vertelde mij dat een hyena eens een blind jong van haar bij Macarius bracht. Ze klopte met haar kop op de deur en ging de hof binnen waar hij buiten zijn cel zat en wierp het jong aan zijn voeten. De heilige pakte het jong, spuugde het op zijn ogen en bad, en direct kon het dier weer zien. De moederhyena zoogde het jong, pakte het op en ging weg.
(28) De volgende dag bracht het dier de heilige de vacht van een groot schaap. De gezegende Melania vertelde mij: 'Ik kreeg die vacht van Macarius als een gastgeschenk.' Wat is er trouwens zo wonderlijk aan dat Hij die de leeuwen voor Danil tam maakte, ook de hyena's inzicht gaf? Hij placht te vertellen dat hij sinds hij gedoopt was niet meer op de grond spuugde, en het was al zestig jaar geleden dat hij gedoopt was. [120]
(29) Wat betreft zijn uiterlijk, hij was klein van stuk en had geen baard; alleen op zijn lippen en het puntje van zijn kin had hij haren. Door zijn extreme ascetisme wilden namelijk zijn gewone baardharen niet groeien. Ik ging een keer naar hem toe omdat ik leed aan verveling en lusteloosheid, en ik zei hem: 'Vader, wat moet ik doen? Ik heb deprimerende gedachten die mij zeggen: "Je voert hier niets uit, ga toch weg!'" Toen zei hij tegen mij: 'Vertel ze maar dat ik om Christus' wil de muren bewaak.' Dit zijn maar een paar verhalen over de heilige Macarius die ik heb verteld van de vele die er zijn.
[Lausiaca, hoofdstuk XXI, over
Abba Mark, ontbreekt hier]
[Is hoofdstuk XXII in mijn
Lausiaca]
(1) Er was een man genaamd Mozes, een zwarte Ethiopir, die slaaf van een overheidsbeambte was. Zijn meester ontsloeg hem wegens veelvuldig wangedrag en diefstal. Er werd zelfs gezegd dat hij moorden op zijn geweten had. Ik moet deze wandaden wel vermelden om zo de kwaliteit van zijn bekering duidelijk te kunnen maken. Men vertelde dat hij de aanvoerder van een roversbende was, en onder zijn roversactiviteiten is de volgende wel een echt wapenfeit. Hij koesterde wrok tegen een herder die hem op een nacht met zijn honden een bepaalde actie onmogelijk had gemaakt.
(2) Omdat hij hem wilde vermoorden, doorkruiste hij het gebied waar de herder zijn schapenstal had. Men had hem verteld dat dat aan de overkant van de Nijl was. Er was toen net een overstroming en de Nijl was wel anderhalve kilometer breed. Hij nam zijn zwaard tussen zijn tanden, bond zijn kleren boven op zijn hoofd en zo zwom hij de rivier over. Terwijl hij bezig was de rivier over te zwemmen, zag de herder kans zich te verstoppen, en wel door zichzelf onder het zand te begraven. Mozes doodde toen zijn vier beste rammen, bond ze aan elkaar met een touw, en zwom weer terug.
(3) Toen hij bij een klein [dorp]
poortgebouw kwam, vilde hij de dieren. Hij at het beste vlees zelf op en
verkocht de huiden in ruil voor wijn. Daarvan dronk hij wel een sate - dat is
in Romeinse termen wel zo'n negen liter - en keerde daarna terug naar zijn
bende, zo'n tachtig kilometer daarvandaan.
Pas laat kwam deze zondaar door een of ander voorval tot
bekering [121] en toen meldde hij zich aan
bij een klooster. Hij wijdde zich zo intens aan de praktijk van boetedoening
dat hij zelfs de demon die vanaf zijn jeugd zijn compagnon in het kwaad was
geweest tot erkenning van Christus bracht. Zo wordt er ook verteld dat hij
eens, toen hij in zijn cel zat, werd overvallen door rovers die niet wisten wie
hij was. Ze waren met z'n vieren.
(4) Hij bond ze gewoon aan elkaar, nam ze als een bundel
stro op zijn rug en bracht ze naar de kerk van de broeders. Daar zei hij:
'Omdat ik niemand kwaad mag doen, moeten jullie maar zeggen wat ik met die lui
moet doen.' Toen beleden zij hun zonden, en toen ze in de gaten kregen dat hij
Mozes was, die beruchte rover over wie ooit iedereen sprak, verheerlijkten zij
[de naam van Christus] God en ook zij
zeiden de wereld vaarwel onder invloed van zijn verandering. Ze dachten
namelijk: als hij, die zo'n sterke en machtige rover was, God is gaan vrezen,
waarom zouden wij onze redding dan uitstellen?
(5) Toen begonnen demonen deze Mozes [de Gezegende (want zo moeten we hem wel nomen)] aan
te vallen, en wel door te proberen hem naar [wilde
gedachten aan neuken] zijn oude gewoonte terug te drijven, namelijk
ongeremde hoererij. Hij werd zo vreselijk in verzoeking gebracht dat, zoals
hijzelf vertelde, zijn roepingvastberadenheid sterk aan het wankelen werd
gebracht. Hij ging toen naar de grote Isidorus die in de woestijn van Sketis
verbleef, en vertelde hem over de oorlog [tegen het
neuken] die hij te voeren had. Maar die zei tot hem: 'Wees niet
bedroefd, zo gaat dat in het begin, ze vallen je dan des te heftiger aan door
te proberen je oude gewoontes te doen herleven.
(6) Een hond op een vleesmarkt gaat daar niet vandaan uit gewoonte, maar pas als die markt sluit en niemand hem meer iets geeft, blijft hij daar weg. Zo is het ook in jouw geval: als jij standvastig blijft, dan zal de demon jou ontmoedigd alleen laten.'
[Mozes de dienaar van Christus]
Hij ging weer terug en vanaf dat moment wijdde hij zich met nog meer
ijver aan de ascese, vooral als het voedsel betrof. Hij nam alleen nog maar droog
brood, ongeveer drie ons, en verzette bijzonder veel werk onder het
uitspreken van vijftig gebeden per dag.
[Na enige tijd, echter] Maar
hoewel hij zijn lichaam afmatte, bleef hij toch [druk
bezig in zijn geest, vooral tijdens zijn] door vurige begeerten en
dromen gekweld worden.
(7) Hij raadpleegde toen een [bepaalde]
andere van de heiligen [monnik]
en vroeg: 'Wat moet ik doen [, Abba]? De dromen
van mijn ziel verduisteren mijn verstand met hun gebruikelijke genotzucht.' Hij
kreeg als antwoord: [121] 'Omdat jij je geest
nog niet hebt vrijgemaakt van fantasien over die dingen, heb je hiervan te
lijden. Neem je toevlucht tot nachtwaken, bidden en vasten, dan zul je snel
hiervan verlost worden.' Hij nam ook dit advies ter harte en ging heen. In zijn
cel nam hij zich voor de hele nacht niet te slapen en zijn knie niet te buigen [onder het voorwendsel van bidden, om de tirannie van de
slaap uit te bannen.].
8) Hij bleef daarop zes jaar lang [rechtop staan] in zijn cel en stond alle
nachten midden in zijn cel te bidden zonder een oog dicht te
doen. Toch kreeg hij [zijn onmatige begeerten] de
zaak niet onder controle. Daarom nam hij weer een andere levenswijze op
zich. [Deze strijder met de Duivel] Hij
ging 's nachts naar de cellen van [die monniken die
oud waren geworden door de praktijk van hunlevenswijze en die niet meer instaat
waren zonder hulp water te halen] de oude en meer gevorderde asceten,
nam hun waterkruiken en vulde ze heimelijk met water - ze moeten het water
namelijk van verre halen, sommigen drie kilometer, anderen wel acht, weer
anderen echter nog geen n.
(9) Op een nacht [besliste]
kon de demon die [in de gaten had wat
hij aan het doen was dat hij de volharding van deze atleet niet langer kon
verdragen] op hem lag te wachten zich niet meer beheersen, en
toen Mozes zich voorover boog in de put, sloeg hij hem met een knuppel op
zijn [rug] lendenen en liet
hem als dood liggen, zonder dat Mozes merkte wat hem was aangedaan en door wie.
De volgende dag werd hij gevonden [,daar levenloos
liggend] door [een monnik] iemand
die water kwam putten, en die berichtte dat aan de grote Isidorus, de priester
van Sketis. Deze [kwam met een paar anderen en]
nam hem mee en bracht hem naar de kerk, en hij bleef een heel jaar lang zo ziek
dat zijn lichaam en ziel maar met moeite hun [samenhang
konden bewaren] oude kracht herkregen.
(10) De grote Isidorus zei tot hem: 'Mozes, houd maar op
met de demonen te [vechten] twisten en [houdt maar op met de oorlog] ga maar niet meer
tegen hen tekeer, want [je moet wat gematigder
zijn in je levenswijze.] er zijn grenzen ook aan de moed die zich uit
in ascese.' Maar hij zei: 'Ik houd niet op voordat die door demonen
ingegeven [de] fantasien [van mijn dromen] ophouden!' Daarop zei Isidorus [, de priester, de dienaar van Christus]: 'In de
naam van Jezus Christus, je [smerige]
dromen zijn [vanaf nu] opgehouden! Neem nu vol
vertrouwen [en met een goed geweten] deel aan
de communie. [Maar schep hier niet over op alsof je
door je eigen inspanning je] Je bent hieraan onderworpen geweest voor
je eigen bestwil, om te voorkomen dat je er prat op zou gaan de hartstochten
de baas te zijn [bent] geworden.' [Het is God die zijn kracht in jou heeft getoond, voor jouw
nut, dus overschat jezelf niet.]
[De volgende te kort en
gebrekkig vertaald; ik geef maar twee verbeteringen]
(11) Hierna keerde hij weer terug naar zijn cel. Ongeveer
twee maanden later antwoordde hij op een vraag van Isidorus dat hij nergens
meer last van had. Hij werd de gave van macht over de demonen waardig gekeurd,
en wel in die mate dat hij nog minder bang was voor een demon dan wij voor
een mug [zo weinig last had van de aandacht van
demonen als van vliegen in de winter]. Zo was de levenswandel van Mozes
de Ethiopir. Ook hij werd gerekend tot de groten onder de vaders. [123] Hij stierf op 75-jarige leeftijd in Sketis
waar hij priester geworden was en liet [75] zeventig
leerlingen achter.
(...) [Overgeslagen 13
hoofdstukken: PAUL, Life of a VIRGIN, CRONIUS, PAUL THE SIMPLE, PACHON,
STEPHAN, VALENS, ERO, PTOLEMY, A lapsed VIRGIN, ELIAS, DOROTHEUS, Amma PIAMUN.]
(1) Tabennisi is een plaats in de Thebas waar een zekere Pachomius woonde. Hij was een man die behoorde tot degenen die een oprecht leven leiden en daarom kreeg hij ook de gave van de profetie en door engelen gezonden visioenen. Hij was iemand van een zeldzame menslievendheid en had ook een grote broederliefde. Hij zat eens in zijn grot en toen verscheen hem een engel die tot hem zei: 'Wat jezelf betreft heb je de volmaaktheid bereikt. Het heeft daarom geen zin meer in je grot te blijven zitten. Kom, ga naar buiten en roep alle jonge monniken samen en ga met hen samen wonen. En je moet aan hen regels geven naar het voorbeeld dat ik je nu ga geven.' Toen gaf hij hem een bronzen plaat waarop het volgende stond geschreven:
(2) 'Je moet iedereen toestaan te eten en te drinken in de mate die men nodig heeft. Naargelang de krachten van degenen die eten moet je hun ook taken opdragen. Verbied niemand te vasten of te eten. Draag de zwaardere taken op aan de sterkeren die eten, en de minder zware aan de zwakkeren die meer ascese bedrijven. Maak aparte cellen in de binnenhof en laat in elke cel drie monniken wonen. Maar maaltijden moeten door allen in een gemeenschappelijk vertrek genuttigd worden.
(3) Men mag niet liggend slapen, maar wel zittend op stoelen die zo gemaakt zijn dat de rugleuning achterover helt. Hierover heen zijn dan dekens gelegd. Men moet 's nachts een linnen tuniek met een ceintuur dragen. Iedereen moet ook een jas van geitenvacht hebben die hij bij het eten altijd moet dragen. Als men op zaterdag en zondag ter communie gaat, mag men de ceintuur losmaken, de jas van geitenvacht uitdoen, en alleen met de cape met capuchon naar binnen gaan.' Hij maakte die namelijk voor hen zonder haar, als voor kinderen, en daarop liet hij ook een purperen brandmerk aanbrengen in de vorm van een kruis.
(4) Hij bepaalde dat er 24 klassen monniken zouden zijn en elke klasse duidde hij aan met een letter van het Griekse alfabet: alfa, bta, gamma, delta enzovoort. Dus als bijvoorbeeld een overste aan [124] zijn secondant iets wilde vragen over of zich anderszins bezighouden met een zo grote menigte monniken, dan zei hij: 'Hoe gaat het met sectie alfa?' of 'Hoe staat zta ervoor?' of 'Doe de groeten aan rho.' Iedere letter had ook zo zijn symbolische waarde. 'Aan de wat meer eenvoudige en onbedorvenen moet je de letter iota toewijzen, maar aan de moeilijkere en gecompliceerdere typen de letter xi.'
(5) Op die manier koos hij op grond van de aard van hun neigingen, hun gewoonten en hun manier van leven een geschikte letter voor elke orde. Maar alleen de meer geestelijk ingestelden kenden de symbolische waarde ervan.
Verder stond er op de bronzen plaat: 'Een vreemde monnik van een ander klooster met een andere regel mag niet samen met hen eten of drinken of zelfs maar het klooster binnenkomen, behalve wanneer blijkt dat hij echt op reis is. Degene die echter binnenkomt om bij hen te blijven wonen, laten ze drie jaar lang niet binnen de heilige ruimten komen. Pas als hij drie jaar het zwaardere handwerk heeft verricht, mag hij binnenkomen.
(6) Wanneer ze eten, moeten ze hun hoofden bedekken met hun capuchons, want de ene broeder mag de andere niet zien kauwen. Ook mag men tijdens het eten niet praten of zijn oog van zijn bord of de tafel elders heen laten dwalen.' Verder schreef hij voor dat ze overdag twaalf gebeden moesten zeggen, ook twaalf tijdens de avonddienst, twaalf tijdens de nachtdienst, en drie op het negende uur. Een ander voorschrift was dat ze, wanneer de gemeenschap ging eten, ieder gebed door een psalm moesten laten voorafgaan.
(7) Toen Pachomius de engel tegenwierp dat er te weinig gebeden waren, zei de engel tot hem: 'Ik heb dat voorgeschreven zodat ook de 'kleinen' de regel kunnen uitvoeren zonder eronder te lijden. De volmaakten hebben helemaal geen regelgeving nodig; die hebben in hun cellen toch al hun hele leven aan contemplatie van God gewijd. Ik heb de regels gegeven voor diegenen wier geest niet tot ware kennis in staat is, zodat ook zij, als huisslaven, hun rol in het leven kunnen vervullen en in vrijmoedigheid leven.'
(8) Er is nu een groot aantal kloosters dat zich aan
die regel houdt en het aantal van hun bewoners loopt wel op tot zevenduizend.
Het eerste grote klooster is dat waarin Pachomius zelf woonde en waaruit [125] alle andere kloosters zijn voortgekomen; in
dat klooster woonden [ongeveer 1.400] 1.300 man [vanaf is het in mijn Lausiaca een apart hoofdstuk,
namelijk XXXIX, over Abba Aphthonius] onder wie ook mijn goede vriend
Aphthonius, die nu onderabt is in het klooster. Onkreukbaar als hij is, zonden
de monniken hem naar Alexandri om hun producten te verkopen en in te kopen wat
ze nodig hadden.
(9) Er zijn ook nog andere kloosters, met tweehonderd driehonderd monniken. Ik bezocht een van die kloosters toen ik in Panopolis was en trof er driehonderd mannen aan. Ze verrichten allerlei soorten arbeid, en van wat ze overhouden van de opbrengsten onderhouden ze ook de nonnenkloosters en gevangenissen.
(10) (.. .) (Heel 10 is waarschijnlijk een latere toevoeging) [Wat zou die hiermee bedoelen?]
(11) Degenen die dagdienst hebben staan vroeg op en gaan naar de keuken of naar de eetzaal. Tot aan etenstijd zijn ze bezig met het bereiden van voedsel, het op tafel zetten van broden, geconserveerde kruiden, olijven, kazen, en rauwkost. Sommigen komen al op het zesde uur binnen om te eten, anderen het zevende, achtste, negende, elfde uur, nog anderen pas 's avonds laat, en weer anderen om de twee dagen. Zo weet iedere letter zijn eigen tijd.
(12) Met hun werk is het net zo. De een werkt als boer, de ander als tuinier, weer een ander als koperslager, als bakker, als architect, als leerlooier, als wever van grote manden, als schoenmaker, als huidennaaier, als kalligraaf, of als mandjeswever. Ze kennen de hele Bijbel uit hun hoofd.
[In mijn Lausiaca staat nog
een over vrouwenkloosters die niet is vertaald door Van der Horst]
(...) [Overgeslagen zon 23 hoofdstukken: VIRGIN ten onrechte beschuldigd, POEMENIA, AMMON, BE, THEONA, ELIA. HELEN, APELLE, nog een JOHN, PAPHNUTIUS, TICINE, PROTOCOMES, MERCATOR, APOLLONIUS, PHILEMON, DIOSCUROS, monniken van NITRIA, nog een AMMON, ISIDORE, AMMON de priester, JOHN, PITYRION, en EULOGIUS.]
[enkele correcties]
(1) Er was een zekere Sarapion die men Sindonius noemde
omdat hij niets anders aanhad dan een linnen lap [een sindon]. Zijn ascese betrof vooral het radicaal afstand
doen van alle bezit. [Hij had geen enkele
ontwikkeling en daarom werd hij geacht onverschillig te zijn voor elke vorm van
lichamelijk gemak. Ook al kon hij niet lezen, leerde hij toch] Hij
was een zeer ontwikkelde man die de hele Bijbel uit zijn hoofd kende.
Met al zijn bezitloosheid en meditatie over de Schriften bracht hij het niet op
om rustig in een cel te wonen. Niet dat hij werd afgeleid door materile [begeerten] zaken, maar [hij werd aangetrokken door het leven als apostel en] hij
trok de hele bewoonde wereld door en [hing de
meest totale armoede aan en] vervolmaakte [doorzettingsvermogen]
die deugd. Dat was nu eenmaal zijn aard, [want]
en er zijn verschillen van aard, [ook al hebben
alle mensen dezelfde menselijkheid] niet van wezen.
(2) De vaders vertelden dat hij eens een asceet als compagnon nam en zichzelf aan enkele heidense acteurs in een stad verkocht voor [126] twintig muntstukken. Die munten verzegelde hij en hij bewaarde ze bij zichzelf. Hij bleef als slaaf in dienst bij de acteurs die hem hadden gekocht totdat hij hen tot christenen had gemaakt en van het theater afstand had doen nemen. Hij nam alleen water en brood en zijn mond hield niet op schriftwoorden te citeren.
(3) Het duurde geruime tijd voordat eerst de acteur tot inkeer kwam, daarna de actrice, en daarna hun hele familie. Het verhaal gaat dat zolang zij niet wisten wie hij was, hij elke keer hun beider voeten waste. Maar ten slotte lieten beiden zich dopen en zeiden het toneelspel vaarwel. Ze bekeerden zich tot een eerbiedwaardig en godvruchtig leven en hielden de man in hoog aanzien. Ze zeiden tot hem: 'Luister, broeder, we willen je vrijlaten omdat jijzelf ons van die schandelijke slavernij hebt bevrijd.' Toen antwoordde hij hun: 'Omdat God gehandeld heeft om jullie ziel te redden, wil ik jullie het geheim van mijn optreden vertellen.
(4) Ik ben een vrij man en een Egyptische asceet, maar ik kreeg medelijden met jullie ziel en daarom heb ik mij aan jullie verkocht om jullie te redden. Nu God dit gedaan heeft en jullie zielen gered zijn door middel van mijn nederige staat, verzoek ik jullie het geld weer terug te nemen zodat ik kan vertrekken en anderen gaan helpen.' Maar ze deden hem een dringend verzoek en verzekerden hem: 'We zullen je als onze vader en meester beschouwen, als je maar bij ons blijft!' Ze konden hem echter niet overhalen. Toen zeiden ze: 'Geef het geld aan de armen, want dan is het een onderpand van onze redding. Maar bezoek ons dan ten minste n keer per jaar.'
(5) Tijdens een van zijn vele reizen kwam hij ook eens in Griekenland. Hij verbleef drie dagen in Athene waar niemand zich verwaardigde hem een stuk brood te geven. Hij had helemaal niets bij zich, geen geld, geen knapzak, geen jas, niets. Toen de vierde dag aanbrak, had hij vreselijke honger - want honger kan heel erg zijn als die niet vrijwillig is en ook nog gepaard gaat met onverschilligheid van anderen. Daarom ging hij op een heuvel top staan waar de stadsbestuurders zich plachten te verzamelen, en begon luidkeels te weeklagen, en terwijl hij hard in zijn handen klapte zei hij: 'Mannen van Athene, help!'
(6) Toen kwam iedereen op hem af rennen, zowel filosofen als arbeiders, en ze zeiden: 'Wat heb je? Waar kom je vandaan? Wat is er aan de hand met je?' Toen zei hij: 'Ik ben een Egyptenaar. Maar sinds ik mijn ware [127] vaderland heb verlaten, ben ik in handen van drie geldschieters gevallen. Twee van hen laten mij nu met rust omdat ik alle schulden heb voldaan en zij niets meer op te eisen hebben, maar die derde wil mij niet met rust laten.' Toen wilden ze weten wie die schuldeisers waren, om hun nieuwsgierigheid te bevredigen, en ze vroegen hem: 'Waar zijn ze en wie zijn het? Wie is degene die je lastigvalt? Wijs hem aan, dan kunnen we je helpen.'
(7) Toen vertelde hij hun: 'Vanaf mijn jeugdjaren ben ik geplaagd door geldzucht, vraatzucht, en onkuisheid. Van twee heb ik mij bevrijd, geldzucht en onkuisheid; die vallen me niet meer lastig. Maar van die vraatzucht kan ik me maar niet bevrijden. Want ik heb nu voor de vierde dag niet gegeten en mijn maag blijft mij maar lastigvallen en eist haar gewone portie op, waar ik niet zonder kan.' Toen gaven enkele filosofen, die vermoedden dat hij een [allegorisch] stukje opvoerde, hem een munt. Hij nam die in ontvangst en ging ermee naar een bakkerswinkel waar hij een brood kocht. Daarop verliet hij onmiddellijk de stad om er nooit meer terug te keren.
(8) De filosofen zagen in dat hij werkelijk een deugdzaam mens was. Ze gaven de bakker de prijs van het brood en kregen de munt terug.
Daarna ging hij naar [een plaats
in de buurt van Lacedaemonia] Sparta en vernam daar dat een van
de vooraanstaande bewoners met zijn hele gezin manicheer was, al was het
verder een rechtschapen man. Net als in het vorige geval verkocht hij ook nu
weer zichzelf aan die man. Binnen twee jaar had hij hem van zijn ketterse
ideen afgebracht en wist hij ook diens vrouw tot de kerk te leiden. Ze kregen
hem lief en beschouwden hem niet langer als hun slaaf maar als een echte
broeder of vader, en ze verheerlijkten God.
(9) Hij scheepte zich eens in op een boot die naar Rome zou varen. De zeelui dachten dat hij f de reissom al had betaald f het bedrag in baar geld bij zich had. Ze accepteerden hem zonder meer als passagier. Elk dacht van de ander dat hij diens geld had gend. Toen ze waren afgevaren en al zo'n negentig kilometer van Alexandri verwijderd waren, begonnen tegen zonsondergang de opvarenden te eten (de matrozen hadden toen al gegeten).
(10) Men constateerde toen dat hij niets at, maar omdat het de eerste dag was, dacht men dat het vanwege het varen was. Maar zo ging het ook op de tweede, derde en vierde dag. Toen ze op de vijfde dag hem stilletjes zagen zitten terwijl [128] de anderen aan het eten waren, zeiden ze: 'Man, waarom eet je niet?' Hij zei: 'Omdat ik niks heb.' Hierna vroegen ze zich onderling af: 'Wie heeft eigenlijk zijn bagage of zijn geld ingenomen?'
(11) Toen ze ontdekten dat niemand dat gedaan had, begonnen ze ruzie met hem te maken en zeiden: 'Hoe ben jij zonder geld hier binnengekomen? Hoe denk je ons de overtocht te betalen? En waarmee denk je jezelf te voeden?' Toen zei hij: 'Ik heb helemaal niets. Neem mij maar mee terug en dump me maar waar jullie me gevonden hebben.' Nu zouden ze voor geen honderd geldstukken de reis hebben willen onderbreken, dus ze zetten hun koers voort. Zo kwam hij dus op dat schip en ze gaven hem uiteindelijk te eten tot ze in Rome kwamen.
(12) Toen hij in Rome aankwam, probeerde hij uit te zoeken
wie in die stad de grote asceten waren, hetzij mannen, hetzij vrouwen. [Vanaf hier in mijn Lausiaca hoofdstuk LXXXXIV, Het Leven
van Abba DOMNIO] Hij ontmoette daar onder anderen Domninus, een leerling
van Origenes, wiens bed na zijn dood zieken genas. [Vanaf
hier in mijn Lausiaca hoofdstuk LXXXXV, Een zwijgende MAAGD] Toen hij
hem ontmoette, hielp deze hem, want het was een man van hoog moreel en
intellectueel gehalte. Hij vernam van hem welke asceet, man of vrouw, zich daar
bevond en kwam zo het bestaan te weten van een maagd die in afzondering
leefde [opgesloten in een cel, voor vijfentwintig
jaar, die het zwijgen beoefende en nooit met iemand sprak] en nooit
iemand ontmoette.
(13) Toen hij hoorde waar ze woonde, ging hij erheen en zei tegen de oude vrouw die haar verzorgde: 'Vertel de maagd dat het nodig is dat ik haar ontmoet, want God heeft mij gestuurd.' Na twee of drie dagen wachten mocht hij haar ontmoeten en zei: 'Waarom zit je altijd?' Ze zei: 'Ik zit niet, ik reis.' Toen zei hij: 'Waarheen ben je onderweg?' En zij: 'Naar God.' Daarop vroeg hij haar: 'Leef je nog of ben je al dood?' Ze antwoordde: 'Ik geloof in naam van God dat ik al dood ben, want iemand die nog in het lichaam leeft kan zo'n reis niet maken.' Hij zei tot haar: 'Om mij te overtuigen dat je dood bent, doe wat ik doe.' Hierop zei ze: 'Draag mij iets op wat mogelijk is en ik zal het doen.'
(14) Hij antwoordde: 'Voor iemand die dood is, is alles mogelijk, behalve een goddeloze daad.' Toen zei hij: 'Ga naar buiten en laat je zien.' Maar zij antwoordde hem: 'Ik ben al vijfentwintig jaar niet naar buiten gegaan, waarom zou ik dat nu dan wel doen?' Daarop zei hij: 'Als jij gestorven bent aan de wereld en de wereld aan jou,56 dan maakt het je toch niets meer uit of je nu wel of niet naar buiten gaat? Ga daarom naar buiten.' En ze ging naar buiten. [129] Nadat ze zichzelf buiten had vertoond en naar een kerk was gegaan, zei hij daar tegen haar: 'Als je me wilt overtuigen dat je gestorven bent en niet langer leeft om mensen te behagen, doe wat ik doe, dan weet ik dat je gestorven bent.
(15) Trek net als ik al je kleren uit, leg ze op je
schouders, en loop dan [net als ik alleen
gekleed in een sindon] in deze gedaante dwars door de stad
heen met mij voorop.' Toen zei ze tot hem: 'Met zo'n onfatsoenlijke daad
zou ik velen shockeren, en dan kunnen ze zeggen, "Die is gek en door een
demon bezeten.'" Hij antwoordde haar: 'En wat kan jou dat schelen als ze
zeggen, "Die is gek en door een demon bezeten"? Want jij bent aan hen
gestorven.' Zij zei echter tot hem: 'Als je iets anders wilt, zal ik het doen.
Maar ik beroem mij er niet op dat stadium bereikt te hebben.'
(16) Ten slotte zei hij [die
groot doorzettingsvermogen had] tot haar: 'Kijk, je moet niet meer zo
groot over jezelf denken [of over jezelf opscheppen],
alsof je vromer bent dan alle anderen, [en meer]
of dood aan de wereld, want [zelfs] ik
ben meer dood dan jij. [opschepper!] Ik
zal je nu metterdaad tonen dat ik wl aan de wereld gestorven ben, want [dus] ik ga dat nu onverstoorbaar en zonder gne
doen.' Hij ging heen en liet haar vol nederigheid en met gebroken trots
achter [en gaf de richting aan waarin ze nederigheid
moest zoeken].
Er zijn nog vele andere wonderen die hij verricht heeft en
die bijdroegen aan het bereiken van beheersing van de hartstochten [deze zin is ook anders, maar niet belangrijk genoeg om te
corrigeren]. Hij stierf op zestigjarige leeftijd en werd in [de woestijn] datzelfde Rome begraven.
[veel correcties]
(1) Het zou onjuist zijn de lotgevallen van de beroemde diaken Evagrius, een man die een leven heeft geleid als dat van de apostelen, hier onvermeld te laten. Men moet deze dingen juist op schrift stellen tot stichting van de lezers en tot eer van de goedheid van onze Heiland. Het leek mij het beste in mijn uiteenzetting bij het begin te beginnen, daarna te vertellen hoe hij zijn doel bereikte, en ten slotte hoe hij na het bereiken van ascetische volmaaktheid op 54-jarige leeftijd stierf in de woestijn, zo vervullend wat er geschreven staat: 'In korte tijd heeft hij vele jaren voltooid.'
(2) Hij kwam uit de stad Ibora in Pontus en was de zoon
van een [priester] plattelands bisschop.
Hij werd tot voorlezer gewijd door de heilige Basilius, bisschop van de kerk in
Caesarea. Na de dood van [de heilige bisschop]
Basilius werd zijn begaafdheid opgemerkt door Gregorius van Nazianze [, de broer van Basilius], een bijzonder wijze en
serene bisschop [op n lijn te stellen met de Apostelen],
tevens een briljant geleerde, [130] die hem
tot diaken wijdde. Tijdens de grote synode van Constantinopel stond Gregorius
hem vervolgens af aan de gezegende bisschop Nectarius, iemand die [zijn vermogen om allerlei redeneringen over allerlei onderwerpen
samen te vatten zeer kon waarderen.] zeer bedreven was in het
weerleggen van ketterijen. In die [grootse]
stad [kreeg hij een grote reputatie voor het
publiekelijk weerleggen van] kwam hij tot bloei en in jeugdig
enthousiasme bedreef hij polemiek tegen allerlei ketterijen.
(3) Nu gebeurde het dat hij, die inmiddels in heel de stad
in hoog aanzien stond, [geobsedeerd] verstrikt
raakte [door] in begeerte voor een vrouw. Hijzelf heeft dat
later verteld toen hij eenmaal van [dergelijke]
die dwanggedachte[n] bevrijd was. De
vrouw was bovendien ook [geobsedeerd door] verliefd
op hem. Ze behoorde tot de hogere kringen. Evagrius, die God vreesde en
zijn eigen geweten respecteerde, en die de omvang van het schandaal en het
leedvermaak van de ketters al voor zich zag, bad [nederig
tot] God dat die het zou verhinderen. Terwijl [Hoewel hij van lust bezeten
was en gevangen in zijn begeerten voor die] de razend verliefde
vrouw [die zich aanbood] bij hem aandrong,
wilde hij met haar breken, maar hij kon het niet. De boeien van zijn [verraderlijke lusten] verslaafdheid aan haar
hielden hem tegen.
(4) Niet lang daarna, toen [na] zijn gebed [en voordat hij zijn
begeerten ten uitvoer had kunnen brengen] voorkomen had dat hij de
daad zou begaan, kreeg hij een door een engel gezonden visioen. Hij
zag soldaten van de gouverneur, men greep hem, leidde hem voor een rechtbank,
nam hem in hechtenis (wat de Romeinen custodia noemen) en bond zijn nek en zijn
handen vast met ijzeren kettingen en boeien. Al die tijd vertelde [Terwijl] niemand van degenen die [hem vroeger volgden, hem konden vertellen] zich
met hem bezighielden waarom dat gebeurde. Maar [zijn
geweten sprak en] hij besefte dat [hij deze
straf verdiende] hem dit overkwam vanwege haar, en hij vermoedde
dat haar man erachter zat.
(5) [Zijn geest in verwarring,
kwam hij tot die conclusie omdat hij betrokken was geweest bij soortgelijke
processen waarbij de misdaden van ander mensen waren besproken. Zijn angst en
mentale marteling waren zeer intens] Hij maakte zich er vreselijk
zorgen over. Intussen vond er een ander proces plaats en werden er mensen
gemarteld vanwege een of andere aanklacht, en zo bleef zijn angst groot.
Toen veranderde de engel die hem het visioen zond van gedaante en deed
zich aan hem voor als een echte vriend en sprak tot hem, terwijl hij daar
vastgebonden zat samen met veertig [veroordeelde]
criminelen: 'Meneer de diaken, waarom wordt u hier vastgehouden?' Hij zei: 'Ik
weet het waarachtig niet, maar ik heb een vermoeden dat iemand, [een officier van hoge rang] de voormalige
gouverneur, tegen mij ageert omdat hij door een [waanzinnig
overdreven ijver gedreven wordt.] dwaze
jaloezie bevangen is. En ik vrees dat [en]
de magistraat [heeft] is omgekocht [die] en
mij tot [de meest ernstige] straf zal
veroordelen.'
(6) Toen zei de engel [nog
steeds in zijn gedaante van vriend]: 'Luister naar je vriend. Het is
niet goed voor je als je in deze stad blijft.' Evagrius zei tegen hem: 'Als [jij] God mij uit deze ellendige situatie bevrijdt
[daar] en jij me daarna nog in
Constantinopel [bevrijdt] ziet, [zweer ik] weet dan dat ik die straf zonder
meer zal ondergaan [, wetende dat ik meer straf
verdiend heb].' [131] Toen zei de
ander: 'Ik ga het Evangelie halen en dan moet jij mij daarop zweren dat je
weggaat uit deze stad en zorg draagt voor je ziel; dan zal ik je uit deze
noodsituatie bevrijden.'
(7) Toen het Evangelie gebracht was, zwoer hij daarop:
'Behalve deze ene dag die ik nodig heb om mijn bagage naar een schip te
brengen, zal ik hier niet langer meer blijven.' Toen hij die eed had
uitgesproken, keerde hij terug uit de [droom] extase
die hem die nacht was overkomen. Hij stond op en dacht: ook al heb ik die eed
in [een droom] extase afgelegd, ik heb
hem toch gezworen. Hij bracht al zijn bezittingen naar een boot en vertrok naar
Jeruzalem.
(8) Daar werd hij begroet door die gezegende vrouw uit
Rome, Melania. Maar weer verhardde de duivel zijn hart, net als bij de
Farao. Hij was jong en in de bloei
van zijn jeugd en daarom raakte hij in dubio. In zijn tweeslachtigheid vertelde
hij niemand iets en hij [dacht erover om] wisselde
weer van [burger]kledij [aan te doen], en de [verwarring]
verdoving van de ijdele roemzucht [leidde snel
tot luiheid] bleek zelfs uit zijn spraakgebruik. Maar God zelf,
degene die de vernietiging van ons allen verhindert, dwarsboomde hem door hem een
aanval van koorts te bezorgen en daarna in een langdurige ziekte [zodat hij] van maar liefst zes maanden [uitgeschakeld was] zijn lichaam uit te laten teren
dat hem zo in de weg zat. [Hij was niet in staat
om enige kracht op te brengen]
(9) Toen de dokters geen raad wisten en geen behandeling
konden bedenken, zei de gezegende Melania tot hem: 'Mijn zoon [zoon?], die langdurige ziekte van jou bevalt me niet.
Vertel me maar wat er op je hart ligt, want het kan niet zo zijn dat die ziekte
van jou [alleen maar lichamelijk is] helemaal
niets met God te maken heeft.' Toen biechtte hij haar de hele
geschiedenis op [wat hem in Constantinopel
overkomen was]. Daarna zei ze tot hem: 'Geef mij je erewoord ten overstaan
van de Heer dat je het leven als kluizenaar als doel voor ogen houdt. En ook al
ben ik een zondares, ik zal [tot God] voor je
bidden dat je [voedsel voor je reis gegeven zal worden
en dat je een doel in het] nog tijd van leven gegund zal [vinden] worden.' Hij stemde met haar in[, zij bad] en binnen een paar dagen was hij [een
stuk beter] genezen. Toen hij opstond, [Zij kleedde hem] kreeg hij van haar
persoonlijk [in een monnikspij] nieuwe
kledij en hij [vertrok naar een ver land,] verliet
de stad om te gaan wonen op [dat wil zeggen naar]
de berg in Nitria in Egypte.
(10) Daar woonde hij twee jaar en in het derde jaar
vertrok hij naar de woestijn. Hij leefde veertien jaar in de [streek die bekend staat als] zogenaamde Kellia
en al die tijd at hij maar drie ons brood per dag en gebruikte hij maar
een halve liter olie in de drie maanden, terwijl hij een man was die gewend was
aan een leven van verfijning, weelde en gemak. [132]
Hij [componeerde zon] placht honderd [toespraken] gebeden te zeggen, en hij schreef
per jaar [als het enige dat hij zich kon veroorloven
voor zijn] niet meer dan nodig was voor het geld dat hij aan die maaltijden
besteedde; hij was namelijk [een] zeer
bedreven [en snelle schrijver] in het
schrijven van het oxyrhynchische lettertype. [Een
maand na zijn] Binnen vijftien[de]
jaar [werd hij waardig bevonden] had hij de
hoogste graad van reinheid van geest bereikt en hem werd daarom de gave[n] van kennis en wijsheid en onderscheiding der
geesten [toegekend te worden] waardig
gekeurd. Hij schreef drie heilige boeken voor monniken, Antirrhetika
geheten, [dat wil zeggen. Weerleggingen,] met
adviezen over de strijd tegen de demonen.
(11) De demon van de ontucht
kwelde hem zo ernstig, naar hij ons zelf vertelde, dat hij midden in de
winter de hele nacht naakt in een waterput bleef staan [om zijn lichaam met de kou te disciplineren.] zodat
zijn ledematen bevroren raakten. Een andere keer werd hij gekweld door de demon
van de blasfemie. Toen ging hij veertig dagen lang geen huis binnen, naar
hij ons zelf vertelde, [zodat zijn lichaam als dat van
de wilde beesten werd en met korsten overdekt werd.] en net als bij
dieren begon zijn lichaam gezwellen te ontwikkelen.
Op klaarlichte dag werd hij door [D]rie demonen met het uiterlijk van geestelijken [verschenen aan hem] aangevallen. Zij wilden
met hem debatteren over het geloof. De een [beschuldigde
hem ervan] zei dat hij een Ariaan was, de ander [dat hij] een Eunomiaan [was],
en de derde [dat hij] een Apollinariaan [was]. Maar dankzij zijn wijsheid wist hij hen met
enkele woorden te overtroeven.
(12) Op een andere dag, toen de sleutel van de kerk
was kwijtgeraakt, maakte hij het kruisteken over het slot en duwde vervolgens
met zijn hand de deur open, terwijl hij de naam van Christus aanriep. Hij werd
zo vaak gegeseld door demonen en zo dikwijls door hen verzocht dat het aantal
keren niet te tellen is. Hij vertelde een van zijn leerlingen wat hem achttien
jaar later zou overkomen, en hij profeteerde hem dat alles zoals hij het
geschouwd had. Hij placht te zeggen: 'Sinds ik de woestijn ben ingegaan, heb ik
geen sla aangeraakt, ook geen andere groenten, geen fruit, geen druiven,
geen vlees, [geen
wijn of iets dat gekookt was. Het enige dat ik at was wilde kruiden en water.]
en nooit meer een bad genomen.'
(13) Later, toen hij deze levenswijze zonder gekookt
voedsel al zestien jaar volhield, kreeg zijn lichaam vanwege een maagprobleem
toch behoefte aan op het vuur klaargemaakt voedsel. Toen nam hij [een beetje] geen brood meer, maar at [voor]
twee jaar [maar geen gekookte] lang
groenten [behalve wat] of gerst
of peulvruchten. [Op deze wijze verzwakte hij zijn
lichaam maar gaf leven aan zijn ziel door de heilige Geest] Tijdens
dat dieet stierf hij, na in [In] de kerk [heeft hij] de communie te hebben ontvangen, op het
feest van Epifanie.
Vlak voor zijn dood vertelde hij ons: 'Ik word nu al drie
jaar lang niet meer gekweld door vleselijke begeerten, [133] [dus zelfs] en dat
na zo'n lang leven [vol deugden,] vol pijn en moeite [,
niet aflatende doelgerichtheid] en ononderbroken gebed [kon de kwaadaardige demon, de vijand van alles dat goed is,
nog steeds deze onsterfelijke ziel aanvallen]!' [Als dat het geval is, wat moeten de luie mensen, door hun eihen
veronachtzaming, dan wel niet te lijden hebben van die slechte demon?]
Toen iemand hem eens het bericht van de dood van zijn vader kwam brengen, zei
hij: 'Houd op met die godslastering, want mijn Vader is onsterfelijk!'
[Niet vertaald, 36
hoofdstukken: PIOR, MOSES of Lybia, CHRONIUS, JACOB, PAPHNUTIUS CEPHALA,
SOLOMON, EPHRAEM. JULIAN, INNOCENT, ADOLIUS, ABRAMUS, ELPIDIUS, SISINNUS, GADDANA, ELIAS, PHILOROMUS,
ELEEMON, BISARION, MELANIA, RUFFINUS, MELANIA the younger, MAGNA, MAAGD die
Athanasius verborg, Amma TALIDA, Amma TAOR, MAAGD wereldverzaker, MAAGD die
boete deed, SILVANIA, OLYMPIAS, CANDIDA, GELASIA, JULIANA, een edele VROUW,
ECHTGENOTE van een senator, BROEDER die met PALLADIUS reisde, gevaren van de
pelgrimage.]
[Niet vertaald, 12
hoofdstukken: JACOBUS, JULIANUS SABAS, MARCIANUS, EUSEBIUS, PUBLIUS, SIMEON PRISCUS,
PALLADIUS, APHRAATES, PETER , THEODOSIUS, ROMANUS, ZENO.]
[veel correcties]
(1) Macedonius, ook wel de gerst-eter genoemd (aan dit voedsel had hij namelijk zijn bijnaam te danken), is bij iedereen bekend, Foenicirs, Syrirs en Cilicirs. Maar ook mensen in verderaf gelegen landen kennen hem. Sommigen hebben met eigen ogen zijn wonderen gezien, anderen hebben daarover horen roemen en vertellen. Toch weet niet iedereen alles. De een weet dit, anderen hebben dat gehoord, en natuurlijk bewonderen ze alleen datgene waarvan ze kennis hebben. Zelf ben ik beter genformeerd over dit goddelijke personage dan de andere mensen - want er waren heel wat zaken die me ertoe brachten vaak naar hem toe te gaan en hem te bezoeken - en daarom zal ik naar beste vermogen alles in detail vertellen.
[Een zin door vdH niet
vertaald]
(2) Hij had als [Akhara]
worstelarena en [paleis] renbaan de toppen
van [een] de bergen uitgekozen, waarbij
hij zich niet op n plaats vestigde, maar nu eens hier vertoefde en dan weer
daarheen verhuisde. Hij deed dat niet omdat hij met bepaalde plekken ontevreden
was, maar omdat hij de menigten van mensen die zich van alle kanten bij hem
verzamelden, wilde ontlopen. Op die manier leefde hij 45 jaar, zonder een
tent te hebben, noch een hutje, maar door van een diepe [spleet in een rots] kuil zijn verblijfplaats
te maken, wat hem bij sommigen de bijnaam Goubbas opleverde (een Syrisch woord
voor wat wij in het Grieks cisterne zouden noemen). [Betekent
dus eigenlijk grot, denk aan Hindi gupha] Toen hij na al die tijd een oude man was geworden, gaf
hij gehoor aan smeekbeden die men hem deed, en bouwde hij een hutje. Nog later
maakte hij op aandringen van [zijn volgelingen]
vrienden gebruik van kleine woningen, niet van hemzelf overigens maar
van anderen. [142] Hij bracht 25 jaar door in
het hutje en in de woninkjes, zodat de tijd van zijn [constante]
strijd in totaal wel zo'n zeventig jaar bedroeg.
(3) Als voedsel gebruikte hij geen brood en groenten,
maar alleen gestampte gerst [en hij dronk alleen
het] die in een beetje water [waarin het]
was geweekt. Van dit voedsel heeft mijn eigen moeder, die [een volgeling van] met hem bevriend was
geraakt, hem jarenlang voorzien. Ze was eens ziek en hij kwam bij haar
op bezoek. Toen hij echter hoorde dat zij weigerde het dieet te gebruiken dat
bij die ziekte het meest adequaat was - want zij had toen het ascetische leven
al omarmd - vermaande hij haar naar de dokters te luisteren en dat voedsel als
medicijn te beschouwen, want het was niet voor haar plezier maar uit noodzaak
dat ze het zou nemen.
'Ook ik,' zo zei hij, 'die nu al veertig jaar alleen op
gerst leef, zoals je weet, heb, toen ik me [onlangs]
gisteren ziek voelde, mijn huisgenoot opdracht gegeven een stuk brood te
[bakken] halen en het mij te brengen.
Als ik zou sterven, bedacht ik, zou ik voor mijn dood rekenschap moeten
afleggen bij de rechtvaardige rechter [van het
universum waarom ik], als iemand die de [het]
strijd[perk zou hebben] heeft willen
ontlopen en zich aan de [mijn werk van Hem
dienen zou hebben bedorven] inspanningen van de slavernij heeft
willen onttrekken. Want [als] terwijl ik
met een klein beetje voedsel de dood [kan] had
kunnen voorkomen en [me langer] in leven [houd] had kunnen blijven, weliswaar met alle [zodat ik meer tijd heb voor] inspanning [ter disciplinering van mijzelf, waardoor ik de
verdiensten verzamel die daarbij horen] en ellende van dien maar tevens een
rijke schat verzamelend voor het hiernamaals, had [besloot]
ik [dat het beter was] de hongerdood [te vermijden in plaats van vast te houden aan mijn strikte
leefregel] verkozen boven het leven in de filosofie. [Met enige aarzeling, sloeg ik de prikkels tegen de
verzenen van mijn gedachten en] Ik schrok van die gedachte en omdat
ik haar het zwijgen wilde opleggen, liet ik een brood halen en nam ervan
toen het me gebracht werd. Daarom verzoek ik je mij voortaan geen gerst meer te
brengen maar brood.'
[De volgende zin is ook niet helemaal correct, maar het is niet zo belangrijk] Zo hoorde ik uit die oprechte mond dat hij veertig jaar alleen gerst als voedsel had gehad. Dat is toch wel een afdoende bewijs dat deze man een ascetische instelling had en geen inspanning hem te veel was.
(4) De zuiverheid en eenvoud van zijn gewoonten zal ik nog
met andere voorbeelden illustreren. Toen de grote Flavianus was aangesteld als
herder van de grote kudde van God en over de deugdzaamheid van de man gehoord
had (want dit ging rond omdat iedereen het erover had), liet hij hem van de
bergtop halen onder het voorwendsel dat er een aanklacht tegen hem was
ingediend. Tijdens de viering van het heilige mysterie liet hij hem naar het
altaar komen en wijdde hem tot priester. Nadat de liturgie was afgelopen en
iemand hem had uitgelegd wat er gebeurd was - want dat had hij totaal niet
begrepen - begon hij [143] tekeer te gaan en
iedereen allerlei opmerkingen naar het hoofd te slingeren. Daarna pakte hij
zijn stok, waarop hij vanwege zijn hoge leeftijd gewoonlijk steunde bij het
lopen, en [beklaagde zich bij] rende daarmee
achter de aartsbisschop zelf en alle andere aanwezigen aan. Hij
dacht namelijk dat die priesterwijding hem zou beroven van zijn geliefde
levenswijze op de bergtop. [Geen van de entourage van
de bisschop kon] Slechts met moeite lukte het toen enkele vrienden
de boze man te kalmeren.
Maar toen [op de zondag]
aan het eind van die week de dag van het feest van de Heer opnieuw aanbrak,
nodigde de grote Flavianus hem opnieuw uit om met hen aan de viering deel te
nemen. Hij zei echter tot de mensen die bij hem kwamen: 'Is het jullie nog niet
genoeg wat er al gebeurd is? Willen jullie me nog een keer priester maken?'
Toen ze antwoordden dat het onmogelijk was twee keer dezelfde wijding toe te
dienen, [weigerde hij (de dienst) bij te wonen]
gaf hij toch niet toe en hij ging niet mee, totdat zijn [metgezellen] vrienden hem [vertelden dat het tijd was.] dit mettertijd vaak
genoeg hadden duidelijk gemaakt.
(5) Ik besef goed dat niet veel mensen dit nu een erg opbouwend verhaal zullen vinden, maar ik heb het toch verteld als een gedenkwaardige geschiedenis die genoegzaam bewijst hoe eenvoudig van geest en zuiver van ziel hij was. De Heer heeft aan zulke mensen het koninkrijk der hemelen beloofd toen hij zei: 'Voorwaar, ik zeg jullie, als jullie je niet bekeren en worden als deze kinderen, zullen jullie het koninkrijk van God beslist nooit binnengaan.' Nu we in een notendop zijn karakter hebben duidelijk gemaakt, laten we dan nu hetzelfde doen voor zijn vrijmoedigheid die uit zijn deugdzaamheid voortkwam.
(6) Een generaal die veel plezier beleefde aan de jacht,
was de berg opgekomen om te jagen. Hij had ook honden bij zich en soldaten en
wat er al niet voor de jacht nodig is. Toen de generaal hem van verre zag en
van zijn begeleiders hoorde wie dat was, kwam hij direct van zijn paard, ging
naar de man toe, [om met hem te praten] begroette
hem en vroeg [of er iets bij hemzelf (de generaal)
ontbrak om te doen] hoe hij daar nu zijn tijd doorbracht. Hij
antwoordde toen [met een wedervraag]: 'En
jij, om wat te doen ben jij hier naar boven gekomen?' De generaal zei: 'Om
te jagen,' en Macedonius reageerde: 'Ik ben ook op jacht, naar mijn God, ik
streef ernaar hem te pakken te krijgen, en ik verlang ernaar hem te zien. Met
die mooie jacht zal ik niet ophouden.' Toen de generaal dat hoorde [gaf hij toe dat hij dat respect verdiende] en zich
er begrijpelijk over verwonderde, ging hij weg.
(.. .) There was a certain city which a demon
inspired to run riot and deface the statues of the Emperor. As a result of
this, some of the top military commanders came to the city with orders to put
the citizens to the sword.
Macedonius
came down from the mountain and accosted the commanders in the market place.
When they learned who he was they jumped off their horses, and embraced his
hands and knees and wished him well.
"Tell
your Emperor," he said, " that I am human with the same nature as
those who have offered him injury, and although it is part of that nature to
show anger, the anger he has used in this case is quite immoderate. To revenge
what has been done to the images of himself, he proposes to kill the images of
God. Does the destruction of bronze statues merit the death of human bodies? It
is a simple and quick matter to refashion bronze statues, but can he, for all
that he is the Emperor, bring back to life any bodies he has killed?"
He
said all this in the Syrian tongue, but when they had heard an
interpreter translating it into Greek they trembled, and signified their
intention of passing the message on to the Emperor.
Now I am sure that you must all agree that these words came from the grace of the divine Spirit. How else could he have spoken in the way he did, a man of no learning, who had spent his life on the top of a mountain, completely simple in spirit, who had in no way been trained in divine eloquence? Now that I have made clear his spiritual wisdom, and how faithfully he adhered to the principles of justice (for he trusted in justice with the strength of a lion), I shall pass on to his miracles.
[144]
(9) Een vrouw van een edelman leed aan vraatzucht en sommigen zeiden dat die ziekte aan de activiteit van een demon te wijten was, terwijl anderen van mening waren dat het om een lichamelijke aandoening ging. Of het nu het een of het ander was, een feit was dat ze per dag, naar men zei, dertig kippen at zonder dat haar eetlust verzadigd werd, want ze verlangde naar nog meer. Op die manier ging heel haar vermogen verloren. Uit medelijden deden haar verwanten toen een beroep op de man Gods. Hij kwam en bad, strekte zijn hand uit over het water en stempelde het met het heilbrengende zegel, beval haar ervan te drinken en genas zo haar kwaal. Hij was er zozeer in geslaagd haar mateloze eetlust terug te brengen dat ze voortaan aan een klein stukje kip al genoeg had. Daarmee was haar behoefte aan voedsel al gestild, en dat was zijn behandeling voor die kwaal.
(10) Toen er eens een meisje [het bed moest houden omdat ze] dat nog niet het
huis uit mocht plotseling door een boze demon werd bezeten, snelde
haar vader naar de man Gods, hem biddend [en huilend]
en smekend zijn dochtertje genezing te laten ontvangen. Macedonius sprak een
gebed uit en beval de demon het meisje ter plekke te verlaten. Maar de
demon antwoordde dat hij niet vrijwillig bij haar binnen was geslopen, maar had
gehandeld onder dwang van een magische bezwering [van een machtige magir]. Hij noemde zelfs de naam
van degene die hem daartoe gedwongen had en zei dat [de
begeerte om haar te bezitten] hartstocht de oorzaak was
van die bezwering.
(11) Toen de vader dit hoorde, kreeg hij een onbedaarlijke
aanval van woede [want hij dacht dat] . Hij
wachtte zelfs niet op de genezing van zijn kind [niet genezen kon worden en], maar ging direct op zoek
naar de hoogste [rechter, de voorzitter van het panel
van rechters] gezagsdrager, de gouverneur van de provincie, om te
vertellen wat er was gebeurd en om de man aan te klagen.
Toen [de beschuldigde] die
werd voorgeleid, ontkende hij alles en noemde de aanklacht laster. De
vader had echter als getuige alleen maar de demon die in dienst van de magie
stond. Daarom smeekte hij de rechter om naar de man Gods te mogen gaan om [zijn] het getuigenis van de demon te
kunnen krijgen. De rechter zei echter dat het onwettig was en zelfs van gebrek
aan vroomheid getuigde zo'n ondervraging in een plaats gewijd aan de ascese te
laten plaatsvinden. Dientengevolge beloofde de vader van het meisje de Godsman
Macedonius naar de rechtszaal te halen. Hij rende naar hem toe, haalde hem
over, en bracht hem mee.
De rechter kwam daarop het gebouw van de magistratuur uit
en nam [145] plaats om deze keer geen rechter
maar toeschouwer te zijn. De grote Macedonius speelde namelijk nu de rol van
rechter, gebruikmakend van de macht die in hem aanwezig was. Hij gaf de
demon opdracht de gebruikelijke leugens achterwege te laten en waarheidsgetrouw
het hele tragische voorval uit de doeken te doen. De demon werd [door de grootst mogelijke superieure macht overwonnen]
op die manier onder zeer grote druk gezet en wees [en noemde] zowel de man aan die [hem]
met magische bezweringen de demon in zijn dienst had gedwongen
alsmede de slavin die het toverbrouwsel aan het meisje had toegediend. Toen
hij aanstalten maakte om ook andere dingen te vertellen die hij, daartoe
gedwongen door anderen, had gedaan - van de een het huis in brand gestoken, van
een ander het [lastdier] vee gedood, [over] bij een derde [een
vloek gebracht] weer andere schade toegebracht - legde de man
Gods hem het zwijgen op en beval hem zich [onmiddellijk
uit] voortaan verre van het meisje en de stad te [verwijderen] houden. [Hij]
Alsof hij gehoorzaamde [de goddelijke] aan
een keizerlijke wet [en zo] deed de demon
direct wat hem werd opgedragen en hij [vluchtte ver
weg] ging ervandoor.
(12) Op die manier bevrijdde de man Gods haar van [haar demonische bezetenheid] die waanzin en
sprak daarmee de arme man van de beschuldiging vrij. Hij [maakte het zo mogelijk dat] verbood de rechter
namelijk de doodstraf [niet hoefde] uit
te spreken [die hij overwogen had.] [de hierna volgende zin staat niet in mijn Theodoretus]
met als argument dat het misdadig zou zijn een moord te begaan op grond van
beschuldigingen door de demon, maar dat het juist heel goed zou zijn die man de
kans op redding door bekering te bieden.
Deze voorbeelden lijken me te volstaan om te demonstreren hoe groot de hem geschonken goddelijke macht wel was. Maar toch wil ik nog enkele andere voorbeelden vertellen.
(13) Een vrouw van een van de zeer rijke edellieden,
genaamd Astrion [Assyria], was krankzinnig
geworden. Ze herkende niemand uit haar eigen omgeving meer en wilde niet meer
eten en drinken. De meeste tijd bracht zij door in een staat van waanzin.
Men beschouwde dat als het werk van een demon, hoewel de artsen zeiden dat het een [geestes]ziekte van
de hersenen was. Toen alle wetenschappelijke methoden waren geprobeerd
zonder dat zij er ook maar iets bij gebaat was, ging haar man dat was
Ovodianus [Abrodianus], een zeer vooraanstaand
senator naar onze heilige, vertelde hem over de ziekte van zijn echtgenote,
en smeekte hem haar te behandelen. De man Gods liet zich overhalen, ging met
hem mee naar huis, en bad daar een vurig gebed tot God. [146] Na het gebed liet hij water halen,
maakte daar het [heilige] reddende
kruisteken over en [vroeg] beval
haar ervan te drinken. Toen de dokters dit afraadden omdat de kwaal door
het drinken van koud water zou kunnen verergeren, stuurde de man [het hele zootje weg] hun
hele gilde naar huis en gaf zijn vrouw te drinken. Terwijl ze nog aan het
drinken was, kwam ze al tot zichzelf en[,] werd
weer gezond van geest. Nadat ze volledig van haar kwaal was genezen,
herkende ze de man Gods, [vroeg] smeekte
hem zijn [rechter] hand te mogen vasthouden en legde die op haar ogen en bracht die naar haar lippen
[om hem met kussen te overdekken]. Sindsdien is
zij altijd gezond van geest gebleven.
(14) [Het soort] In de
tijd dat hij het leven [dat hij leidde, werd
bekend] in de bergen leidde, [en zo]
kwam er eens een herder die op zoek was naar zijn verdwaalde schapen bij de
plek waar de man Gods zich ophield. Het was midden in de nacht en er was zware
sneeuwval. De herder vertelde later dat hij een vuur om
Macedonius [omringd zag door vlammen ,met] heen
zag branden en twee in het wit geklede mannen [die] hout op het vuur [stookten] zag leggen. [Hij realiseerde
zich meteen dat de man Gods] Want omdat hij zo'n toewijding
vertoonde, genoot hij goddelijke bijstand [genoot].
(15) Hij [was niet minder
begiftigd met] bezat ook de gave van de profetie.
Toen er eens een [vooraanstaande burger] generaal
die uitblonk in vroomheid bij hem kwam - en wie kent de deugdzaamheid van
Lupicinus [Lupicianus] niet? - vertelde die dat
hij zich zorgen maakte over [goederen] de
mensen die vanuit de keizerlijke hoofdstad over zee voor hem [werden aangevoerd] levensmiddelen aanvoerden.
Hij zei dat er al vijftig dagen waren verstreken sinds ze de haven hadden
verlaten, maar dat hij sindsdien geen enkel bericht meer over hen had
ontvangen. Macedonius zei toen direct: 'Beste vriend, de ene boot is vergaan, [maar] de andere zal morgen de haven van Seleucia
bereiken.' Dat hoorde hij [Macedonius] deze
goddelijke mond zeggen, en de ervaring leerde hem dat wat hij gezegd had,
waar was.
(16) Ik laat nu de rest achterwege om nog wel een verhaal
betreffende [mijzelf] onszelf te kunnen
vertellen. Toen mijn moeder al dertien jaar met mijn vader getrouwd was, had ze
nog steeds geen kinderen, want ze was onvruchtbaar omdat de natuur haar had
beroofd van het vermogen vrucht te dragen. Het kwelde haar niet al te erg -
want opgevoed als zij was in godsvrucht, geloofde zij dat het voor haar bestwil
was - maar [hoewel ze haar verdriet om haar] hun
kinderloosheid [met veel geduld droeg] deed
mijn vader bijzonder veel verdriet en hij [vroeg
ze waar ze ook] ging overal rond om [aan]
de dienaren Gods [om voor haar] te smeken
voor hem bij God voorbede te doen in verband met [haar]
zijn wens kinderen te krijgen. Terwijl de anderen hem [Sommigen] beloofden [haar]
te zullen bidden maar hem aanraadden [haar aan] zich bij [147]
de wil van God neer te leggen, [maar Macedonius]
beloofde deze man Gods regelrecht om bij de schepper van het heelal om
n zoon te vragen en hij gaf [haar] hem
de verzekering dat [zijn gebed verhoord zou worden]
hij het gevraagde zou krijgen. Maar toen er drie jaar waren verstreken
zonder dat die belofte vervuld was, ging mijn vader [hem
aan] vragen wat er van die belofte [herinneren]
terechtkwam. Macedonius liet hem toen zijn vrouw halen, en toen mijn
moeder gekomen was, zei de man Gods dat hij om het kind zou bidden en
dat zij [een zoon] het zou
krijgen, maar dat [hij] zij het dan
moest [worden toegewijd] teruggeven aan
degene die [hem] het gegeven had.
Terwijl mijn moeder er alleen maar op uit was de redding van haar ziel en het
ontkomen aan [de pijn van de eeuwige dood] het
hellevuur te realiseren, zei hij tot haar: 'Bovendien zal Hij in zijn
vrijgevigheid jou een zoon schenken, want aan degenen die in oprechtheid iets
vragen zal hij het dubbele van het gevraagde geven.' Daarop keerde mijn moeder
naar huis terug, zijn beloftevolle zegen met zich mee dragend. In het vierde
jaar na de belofte werd ze zwanger en ze kreeg een dikke buik.
Ze [haastte zich] ging naar de man Gods
[en zegende hem overdadig] toe om hem de
opbrengst te tonen van het zaad van zijn zegen.
(17) In de vijfde maand van haar zwangerschap was er het
risico van een miskraam. Opnieuw zond ze een bericht naar [deze] haar nieuwe Elisa; [ in de engelse tekst wordt verwezen naar 2 Koningen 4.16[59]]
[haar ziekte] het risico liet niet toe
dat zijzelf naar hem toeging - en herinnerde hem eraan [hoezeer] dat zij geen moeder had willen worden [weer het totaal tegenover gestelde!!] en ze hield
hem zijn beloften voor ogen. Hij herkende van verre de boodschapper en wist
waarvoor deze kwam. Want de Heer had hem 's nachts laten zien waaraan zij
leed en hoe ze genezen kon worden. Leunend op zijn staf kwam hij bij het
huis aan en ging naar binnen. Hij bracht zoals gewoonlijk de vredegroet en zei:
'Houd moed en vrees niet, want de gever zal het geschenk niet terugnemen als u
zich aan de gemaakte afspraken houdt. U hebt beloofd het kind dat u geschonken
zal worden af te staan om het te laten wijden aan de dienst voor God.'
Toen zei mijn moeder: 'Op die voorwaarde wil ik en beloof
ik het kind ter wereld te brengen. Want [Hoewel
mijn gedachten nu meer gericht zijn op het in leven houden van deze] ik
geloof dat een onvoldragen vrucht [dan op een]
te verkiezen is boven een andere opvoeding [van
een zoon apart van God] van het kind.'
[Hij pakte water en zegende het.] 'Drink nu
van dit water,' zei de man Gods, 'en dan zul je de goddelijke bijstand
ervaren.' Ze dronk zoals hij haar opgedragen had en het gevaar van een miskraam
was geweken. Zo waren de wonderen van onze [eigen]
Elisa.
(18) Van zijn zegenrijke [en]
onderwijs heb ik dikwijls voordeel gehad, want hij zei vaak bij wijze van
aanmoediging tegen mij: [148] 'Jongen, je
bent met veel moeite geboren. Ik heb heel wat nachten doorgebracht alleen maar
dit biddend tot God dat jouw ouders dat [je de naam
waardig zou worden die ze jou bij] zouden worden wat zij na jouw
geboorte [gegeven hebben.] genoemd werden.
Leid nu een [vlijtig] levenswandel die die
moeite waardig is. [zoals het past voor iemand die
voor] Vr de bevalling ben je door geloften aan God [is] gewijd. Al wat aan God gewijd is, [staat los van de wereld en wordt door allen vereerd] is
heilig voor alle anderen en mag door de grote massa niet aangeraakt worden.
Het past nu ook jou om niet meer [om plaats te
geven aan] ontvankelijk te zijn voor de slechte [gedachten] bewegingen van de ziel maar alleen
maar die dingen te doen en te zeggen en te denken [die] waarmee God, de [bron]
wetgever van [alle] de
deugdzaamheid, [plezier doen] gediend wordt.'
Dat soort [lessen] adviezen
gaf de man Gods mij telkens weer. En ik [leerde]
herinner me zijn woorden [te herinneren en dat
ik een] en ik ben
onderwezen in het goddelijk geschenk [van God was].
[Ik zal niet alle details van wat hij mij geleerd
heeft opnoemen, maar ik bid] Maar omdat ik niet heb getoond zijn
aansporingen in daden te hebben omgezet, smeek ik dat ik door zijn gebed [voor altijd] de goddelijke [steun]
aandrang krijg om de rest van mijn leven te leiden in overeenstemming
met zijn adviezen.
(19) Deze verhalen volstaan wel om duidelijk te maken wat voor iemand hij was en met welke inspanningen hij de genade van God naar zich toe heeft getrokken.
Bij zijn [vertrek van deze wereld]
dood werd[en] hem nog in deze wereld
een [de] eer[bewijzen
gegeven] bewezen die zijn inspanningen waardig [waren] was. Want alle burgers van de stad
Antiochi, de vreemdelingen, en de hoogste regeringsfunctionarissen droegen die
heilige baar op hun schouders naar het graf van de zegevierende martelaren en
ze zetten dat heilige en godgeliefde lichaam in de nabijheid van die andere
Godsmannen, Afrates en Theodosius, bij. Zijn roem bleef onvergankelijk en de
tijd kon die niet tenietdoen. Hiermee [beindig ik]
beindigen wij het verhaal [wetende wat een
mooie inspiratie hieraan ontleend kan worden.] waarvan wij de
welriekende geur genoten hebben.
[Niet vertaald, 12 hoofdstukken:
MAESYMAS, ACEPSIMAS, MARO, ABRAAMES, EUSEBIUS, SALAMANUS, MARIS, JACOBUS,
THALASSIUS en LIMNAEUS, JOHANNES en MOSES en ANTIOCHUS en ANTONIUS,
ZEBINAS en POLYCHRONIUS, ASCLEPIUS en JACOBUS heremieten]
(1) De beroemde Simeon, het grote wereldwonder, is bekend
bij alle onderdanen van het Romeinse Rijk, maar hij is niet minder bekend bij
de Perzen, de [Indirs] Meden, en de
Ethiopirs. Zijn faam is zelfs doorgedrongen tot de Skythische nomaden [die over zijn ijver en levenswijze hebben gehoord] en
heeft hen zijn liefde voor ascese en zijn liefde tot wijsheid geleerd.
Hoewel ik dus om zo te zeggen alle mensen tot getuige heb van zijn
onbeschrijfelijke worstelingen, was ik toch bang dat mijn verhaal over hem voor
toekomstige generaties een fabeltje zonder enig waarheidsgehalte zou lijken. [149] Want wat hier gebeurd is gaat de menselijke
natuur te boven, en de mensen plegen nu eenmaal wat hun verteld wordt te meten
aan de [grenzen van de menselijke] natuur.
Zodra er iets verteld wordt wat de grenzen van de natuur overschrijdt, wordt
dat voor een leugen gehouden door mensen die niet in goddelijke [mysterin] zaken zijn ingewijd. Maar aangezien de
aarde en de zee vol zijn van [goddelijke leden van het
ware geloof] gelovigen die, omdat ze [in]
met goddelijke zaken zijn [onderwezen] opgevoed en [zich bewust zijn van de genade van] door de
Alheilige Geest in de genade zijn onderwezen, wel degelijk [en niet ongelovig zullen zijn maar juist in hun] geloof [versterkt
zullen worden] zullen hechten aan wat ik nu ga vertellen, zal ik nu
enthousiast en vol goede moed [en] mijn
verhaal [met scherpe belangstelling aannemen] op
papier zetten. [Uitgaande van deze basis] Ik
zal [ik] beginnen met het [beschrijven van hoe] moment dat hij de eer van
een roeping van boven waardig gekeurd werd.
(2) Er is een dorp genaamd [Sefa]
Sisa dat in het grensgebied tussen ons land en Cilici ligt. Daar werd hij
geboren en daar werd hem door zijn ouders allereerst bijgebracht schapen te
weiden [zodat] opdat hij in dat opzicht
[in het goede gezelschap verkeerde van] zou
lijken op grote mannen als de aartsvader Jakob, de [strenge] kuise Jozef, de wetgever Mozes, de koning en
profeet David, de profeet Micha, en [al die]
andere [goddelijke] genspireerde mensen
zoals zij. Toen er een keer veel sneeuw was gevallen en de schapen
noodgedwongen binnen moesten blijven, benutte hij deze periode van rust om met
zijn ouders naar de [kerk] tempel van God
te gaan. Dit [volgende] verhaal heb ik uit zijn
eigen heilige mond gehoord. Hij zei dat hij [de stem]
het woord van het Evangelie hoorde [,die zei:
gezegend zijn degene die] dat de wenenden en rouwenden
zaligspreekt, maar [ellendig zijn zij die spotten;
gezegend zijn degenen die puur van hart zijn.] de lachenden, beklagenswaardigen
en degenen die hun ziel rein bewaren, benijdenswaardigen noemt, en [de rest van die passage] al het andere dat dan
volgt [(Mattes 5.4 e.v.)[60]].
Toen vroeg hij een der aanwezigen wat hij moest doen om elk van deze zaken te
verkrijgen. Die suggereerde hem het solitaire leven [als
de] en schetste hem deze verheven [weg
om naar wijsheid te zoeken] filosofie.
(3) Nu hij de kiemen van het goddelijke woord ontvangen
had en ze goed in de diepe voren van zijn ziel geborgen had, rende hij - zo zei
hij - naar de nabijgelegen kapel van de heilige martelaren. Daar, met de knien
en het gezicht op de aarde, smeekte hij hem []die
alle mensen wil redden[] [(1 Timotes 2.4)[61]]
hem naar de volmaakte weg der vroomheid [en de ware
godsdienst] te leiden. [Niet lang daarna viel
hij vredig in slaap en] Toen hij daar in die houding al een hele tijd
had doorgebracht, kreeg hij een zoete droom waarin hij het volgende
visioen zag: 'Ik droomde,' zo zei hij, 'dat ik aan het graven was om
funderingen te leggen. Toen hoorde ik iemand die erbij stond te kijken zeggen
dat ik dieper moest [150] graven. Nadat ik
het gat dieper gemaakt had zoals [hij vroeg] me
was opgedragen, probeerde ik even uit te rusten, maar opnieuw droeg hij me
op verder te graven en niet op te houden met werken. Toen hij me dit nog een
derde en een vierde keer had bevolen, zei hij ten slotte dat de diepte nu
voldoende was en gaf hij mij de opdracht voortaan rustig verder te
bouwen [zonder te arbeiden] omdat nu alle [arbeid] inspanning voorbij was en het bouwen [in de toekomst zonder arbeid] moeiteloos zou
verlopen.' De [toekomstige] feiten kunnen
getuigen ten gunste van deze voorspelling, want wat er heeft plaatsgevonden [ging] gaat de [krachten
van de menselijke] natuur te boven.
(4) Toen Simeon was opgestaan en weggegaan, kreeg hij onderdak
bij een paar [monniken] asceten
die bij hem in de buurt woonden. [zijn eerste
gurus] Nadat hij twee jaar bij hen had
doorgebracht, begon hij naar een volmaaktere deugd te verlangen en hij ging
naar het dorp Teleda, dat we al eerder noemden [In
hoofdstuk IV over Eusibius, onvertaald dus hier]. In de buurt daarvan
hadden de grote en goddelijke Ammianus en Eusebius hun worstelschool voor
ascese [Exact hetzelfde begrip, Akhara, wat ook
door de sadhoes wordt gebruikt; maar in de engelse tekst staat er monastic dwelling. Zo zie je; je zou eigenlijk nog het Latijn ernaast
moeten hebben.] gesticht.
Het was echter niet deze school waar [hij] de
genspireerde Simeon naar toe ging, maar een andere die daaraan was
ontsproten. Want Eusebonas en Abibion, die rijkelijk het onderwijs van de grote
Eusebius hadden genoten, hadden deze school voor filosofie [Ook waarschijnlijk weer het woord, Akhara, want in de engelse tekst staat er training ground.] gesticht. Hun leven lang hadden zij dezelfde
gedachten en levenswijze gekoesterd, [zodat het leek
alsof ze] waarbij ze hadden laten zien dat ze als het ware slechts
n ziel in twee lichamen bezaten, en [bij hen waren]
zo hadden ze ook vele anderen [die door een]
tot liefde voor deze levenswijze [gegrepen
werden] gebracht.
Toen zij roemrijk dit leven verlaten hadden, nam de
eerbiedwaardige Heliodorus de leiding van de leefgemeenschap op zich. [Hij werd door zijn metgezellen zeer bewonderd want] Deze
zou van de 65 jaren die hij uiteindelijk leefde [had
hij] er 62 opgesloten binnen het klooster [doorgebracht] doorbrengen. Want toen hij drie jaar
door zijn ouders was [verzorgd] opgevoed,
sloot hij zich bij deze [gemeenschap] kudde
aan zonder ooit iets van de [vele] dingen die
er in de wereld gebeuren gezien te hebben. Hij placht te zeggen dat hij niet
eens het uiterlijk van varkens of kippen of soortgelijke beesten kende. Ook ik
heb dikwijls het genoegen gehad hem te zien en ik [bewonderde]
was verbaasd over de eenvoud van zijn [leven]
karakter en had [eveneens] de
grootste [waardering] bewondering
voor de [wonderbaarlijke] reinheid van zijn
ziel.
(5) Nadat Simeon bij Heliodorus was gekomen, heeft deze
voortreffelijke atleet van de [goddelijkheid]
vroomheid daar tien jaar al strijdend [tussen
hen] geleefd. Hij had daar tachtig medestrijders, maar hij overtrof hen
allen. Terwijl de anderen om de twee dagen voedsel namen, bleef hij de hele
week zonder. [151] Zijn superieuren [keurden dat af] konden dat moeilijk verdragen
en [discussieerden] maakten voortdurend
ruzie met hem [en zeiden dat hij de dagelijkse
gang van zaken verstoorde] door zijn gedrag als wanorde te
bestempelen, maar hun woorden [deden hem niet van
gedachten veranderen] hadden geen effect en konden zijn [godsdienstige] ijver niet beteugelen.
Ik heb degene die nu zelf de leider van deze [gemeenschap] kudde is horen vertellen dat Simeon
eens een touw nam dat gemaakt was van palmbladeren [maakte] en dat is zelfs alleen alom met de
handen aan te raken bijzonder [scherp en netelig
spul] ruw en dat rond zijn middel bond, en dat niet
boven maar onder zijn kleding, rechtstreeks op de huid. En hij bond dat
zo strak dat heel het stuk huid waar het touw omheen zat begon te zweren.
Toen hij [dit] meer dan tien dagen [gedragen had] op die manier had doorgebracht en de
wond pijnlijker was geworden en er bloed uit [de
zweren] druppelde, vroeg iemand die [dit]
hem zag waar dat bloed vandaan kwam. Toen hij zei dat hij niets ernstigs
had, stak zijn [metgezel met kracht] medestrijder
trefzeker zijn hand onder Simeons kleding, ontdekte de oorzaak en
rapporteerde dat aan de overste. Deze berispte en vermaande hem onmiddellijk,
[en] hij [smeekte hem
en benadrukte de verschrikkelijkheid ervan] sprak schande van de
wreedheid van Simeons activiteit, en hij kon [hem]
maar met moeite [ervan overtuigen ermee op te houden.] dat koord losmaken. Maar
ook toen kon hij hem er niet toe bewegen enig medicijn op de wond aan te
brengen. [Later,] Toen ze erachter kwamen
dat hij ook nog [nog meer van] andere
dergelijke dingen uithaalde, bevalen ze hem [het
klooster] deze oefenschool te verlaten om te voorkomen dat
[anderen] hij schade zou berokkenen aan
degenen met een zwakkere fysieke conditie [hem
zouden gaan nadoen, tot hun grote nadeel.] die anders zouden kunnen
gaan streven naar iets wat boven hun macht ging.
(6) Hij vertrok dus en ging naar de nog meer verlaten
delen van het gebergte. Daar vond hij een [zeer
diep ravijn] cisterne, zonder water[toevoer]
en niet al te diep [precies het
tegenovergestelde dus], waarin hij zich liet zakken en aan God
zijn hymnen opdroeg. Toen er vijf dagen verstreken waren, zonden de oversten
van de oefenschool, die spijt hadden gekregen, er twee [broeders] mannen op uit met de opdracht hem te zoeken en
terug te brengen. Welnu, zij liepen [over] rond
de berg en vroegen aan een paar mannen die daar hun vee weidden of ze iemand
gezien hadden die er zus uitzag en zo gekleed was. Toen de herders hen [het ravijn] de cisterne hadden gewezen, [en zij het zagen] riepen ze direct luid [in verbijstering] naar beneden de put in.
Daarna [moesten] lieten ze een touw [halen om] zakken en wisten ze hem met veel
moeite omhoog te hijsen; want de [plek was makkelijk
in dan uit te komen.] weg omhoog is lang niet zo gemakkelijk als de
weg omlaag.
(7) Na [nog wat meer] enige
tijd bij hen te hebben doorgebracht [152]
begaf hij zich naar [Tellanessus] Telanissos, [vlak bij Antochi, waar hij] een dorp dat ligt aan
de voet van de bergtop [in bezit nam] waar
[hij] Simeon nu nog steeds [leeft] staat. Toen hij daar een klein
[huisje] woonvertrek had gevonden, bleef
hij er drie jaar [compleet afgesloten]
in afzondering wonen.
[In een poging] Omdat
hij er altijd naar streefde zijn al [verzamelde]
zo rijke deugdzaamheid te vergroten, [besloot]
verlangde hij ernaar net zoals de goddelijke Mozes en Elia veertig
dagen zonder voedsel door te brengen. Daarom probeerde hij de
eerbiedwaardige Bassus, die toen [het beheer had over
veel gemeenschappen in zijn capaciteit] langs vele dorpen trok
als [leider in de rangen] bezoeker van
de dorpspriesters[chap], ervan te
overtuigen niets bij hem in huis achter te laten en de [ingang] deur met klei dicht te smeren.
Toen de ander hem de moeilijkheid van deze onderneming onder ogen bracht en
hem vermaande zich te realiseren dat zelfmoord geen deugd is - want het
is [juist] de grootste en ergste misdaad - zei
hij: 'Goed dan, vader, zet u dan hier tien broden en een kruik water neer, en
als ik merk dat mijn lichaam behoefte aan voedsel heeft, zal ik daarvan nemen.'
Het gebeurde zoals hij het had gevraagd: het voedsel werd
neergezet en de [ingang] deur werd met
klei verzegeld. Na afloop van de veertig dagen kwam Bassus, die eerbiedwaardige
man Gods, terug, haalde de klei [weg] van de
deuropening, ging naar binnen en vond daar hetzelfde aantal broden en de
kruik nog vol met water. Maar Simeon lag bewusteloos op de
grond, [nauwelijks ademend,] niet in staat te spreken of zich te
bewegen. Bassus [vond] zocht naar een
spons, bevochtigde en spoelde daarmee zijn mond, en [bediende]
bracht hem [met] de [elementen] symbolen van [het] de goddelijke [Avondmaal]
mysterin. Daardoor gesterkt [kwam hij weer tot
leven] richtte hij zich op en nam een klein beetje voedsel, [wat] wilde sla, [en
waterkers] andijvie en dergelijke dingen, die hij tot kleine
stukjes kauwde alvorens hij ze inslikte.
(8) Buiten zichzelf van verbazing ging Bassus terug naar
zijn eigen kudde en vertelde hun over dit grote wonder. Hij had een groep van
meer dan tweehonderd confraters die [geen] hij
niet toestond een [last]dier of een
molensteen [mochten] te bezitten of [van wie dan ook goud]
geld te accepteren wanneer hun dat werd aangeboden. Ook mocht
geen van hen de deur uitgaan, hetzij om [noodzakelijkheden]
levensmiddelen te kopen, hetzij om een kennis op te zoeken. Men
moest binnen blijven en [tevreden zijn met]
alleen het door Gods genade gezonden voedsel accepteren. De confraters
houden zich tot op de dag van vandaag aan deze [regel]
wet en [hoezeer] hoewel hun
aantal [ook] is toegenomen hebben ze de hun
gegeven geboden niet overtreden.
(9) Maar nu keer ik weer terug naar de grote Simeon.
Sindsdien en tot op de dag van vandaag - en er zijn nu 28 jaar voorbij gegaan
[153] brengt hij de veertigdagentijd
zonder voedsel door. De tijd en de gewenning hebben het grootste
deel van de pijn weggenomen. [Het] Want
het was zijn gewoonte gedurende de eerste dagen te staan en hymnen
tot God te zingen. Daarna echter, [door hier mee door
te gaan en naarmate de tijd verstreek heeft hij die arbeid moeten aanpassen
omdat hij door de zwakte van] als zijn lichaam vanwege het
vasten het niet meer kon opbrengen te blijven staan, verrichte hij de
goddelijke liturgie verder zittend, om ten slotte de laatste dagen languit op
de grond te liggen. Omdat zijn kracht gaandeweg was uitgeblust, was hij
gedwongen om halfdood te blijven liggen. Maar later, toen hij op de pilaar
stond, weigerde hij naar beneden te komen en bedacht hij iets anders om overeind
te blijven [staan]. Hij bond een balk vast
aan de zuil en bevestigde zichzelf met touwen weer aan die balk. Zo voltooide
hij de veertig dagen. [De Engelse tekst is: Vanaf die tijd tolereerden zijn superieuren wat hij deed en
accepteerden ze het feit dat hij geen hulp meer nodig had; maar in dit geval lijkt de Nederlandse eigenlijk
logischer.] In latere jaren, toen hem de genade van boven in grotere
mate deelachtig werd, had hij zelfs dat hulpmiddel niet meer nodig. Hij
bleef de volle veertig dagen staan zonder voedsel tot zich te nemen, maar
hij putte kracht [voor zijn ziel] uit zijn
eigen geloofsijver en de goddelijke genade.
(10) Zoals ik al zei, hij bleef drie jaar in dat huisje,
maar daarna [ging hij naar die sindsdien zo beroemd geworden] nam hij die veelbesproken bergtop in bezit.
Op zijn bevel werd een muur rondom deze bergtop opgetrokken. Hij [nam] liet een ijzeren
ketting van twintig el maken, waarvan hij het ene eind aan een
zeer grote rots liet vastklinken en het andere aan zijn [enkel] rechter been. Zelfs al zou hij
het willen, dan nog zou hij niet meer [buiten die
grens die hij zo gesteld had] van dat terrein kunnen weggaan.
Hij bleef dus [daar] binnen de
omheining, waarbij hij [het visoen van de
hemel zocht] voortdurend God voor ogen hield en [en kracht ontleende aan de] zichzelf dwong tot
contemplatie van [die dingen die boven] de hoogste
hemelen [zijn]. De ijzeren boei kon immers niet
de vlucht van zijn gedachten verhinderen.
De bewonderenswaardige Meletius kreeg toen de rol van
bisschop over heel de regio rond Antiochi [en de stad
zelf]. Hij was een verstandig mens[, beroemd om
zijn voorzichtigheid] met een helder inzicht en begiftigd met [een buitengewone] scherpzinnigheid. Deze zei tegen
hem dat [de ketting] het ijzer overbodig
was omdat de geest voldoende was om het lichaam geestelijke [beperkingen op] boeien aan te leggen [zoals die van de ketting]. Daarop gaf Simeon toe; hij
nam de vermaning gehoorzaam ter harte, liet een smid roepen, en beval hem de
ketting los te maken. Nu had hij een stuk leer [bij]
aan zijn [scheen]been [om de ketting genaaid] bevestigd om te
voorkomen dat het ijzer zijn lichaam [te beschermen]
zou verwonden, en omdat de twee uiteinden aan elkaar genaaid zaten, moest
ook dat [wat] losgerukt worden. Men vertelt
dat er toen meer dan twintig zeer grote [insecten]
luizen te zien waren die zich in [de
plooien daarvan] dat leer genesteld
[154] hadden. Ook de bewonderenswaardige
Meletius heeft dat naar eigen zeggen gezien. Ik vermeld dit om wederom de grote
[geestkracht] duldzaamheid van deze man
te demonstreren. Immers, hij had gemakkelijk met zijn vingers in het
leer kunnen [openbuigen] knijpen om zo
al die [insecten] luizen te doden, maar
hij verdroeg liever hun [felle] vervelende
beten [en naar de grotere dingen te streven door de
kleinere te verdragen.] aangezien hij deze kleine worstelingen
begroette als oefeningen voor de grotere.
(11) Omdat zijn faam zich nu naar alle kanten verspreidde,
kwam[en] er een grote toeloop van allerlei
mensen, niet alleen van degenen die uit de omgeving kwamen maar
ook van [grote] hen die op een afstand van
vele dagen reizen woonden. Sommigen brachten [mensen
met verlamming] fysiek verzwakten tot hem, anderen vroegen om [genezing voor hun eigen ziekten] gezondheid voor
zieken [wat dom gesteld, zelfs als het
origineel Nederlands zou zijn geweest], weer anderen smeekten hem [monnik] vader [wat
dom vertaald] te mogen worden en zo via hem [met
plezier] te ontvangen wat [ze van hun eigen]
de natuur [slechts met moeite konden accepteren]
hun niet gaf. [Een wat cryptische zin warmee
bedoeld wordt dat ze eruit zichzelf moeilijk toe konden komen monnik te worden en
dat ze daarvoor de steun van Simeon nodig hadden; door vdH dus weer zeer slecht
vertaald] Wanneer [ze gekregen hadden waar ze
om gevraagd hadden] hun gebed dan was verhoord, [gingen] kwamen ze opgetogen [weg] terug en door overal de weldaden te
verkondigen die ze ontvangen hadden, zorgden ze ervoor dat een veelvoud van
mensen met dezelfde [wensen] beden naar
hem toe kwamen. Zo stroomden er allerlei mensen [van overal] uit alle windrichtingen toe, en [als rivieren langs] alle wegen leken wel rivieren.
[En zij verzamelden zich] Men kon op die
plek namelijk als het ware een zee van mensen zien ontstaan
[gevuld door de stromen] omdat daar de
rivieren die van alle kanten aanstroomden zich samenvoegden. Want
het [was een vloed van] zijn niet alleen
[lokale] de mensen die ons deel van
de wereld bewonen die hier samenkomen, maar ook Ismalieten, Perzen en
aan hen onderworpen Armenirs, Iberirs, Homerieten en [anderen] volken die nog [verder weg] dieper in het binnenland wonen dan
zij. Er kwamen [zelfs] ook veel mensen
[uit] die in het verre westen wonen,
Spanjaarden, Britten, en [Gallirs] Kelten
[toch wel even wat anders!] die tussen
hen in wonen. [Dat ze ook uit] Want over
Itali [kwamen] hoef ik niet eens te [noemen] spreken. Men zegt dat in de grote stad
Rome de man zo [in preken wordt geprezen] beroemd
is geworden dat [het volk] men [in al hun portieken en] bij de ingangen van
alle winkels en werkplaatsen kleine beeldjes van hem heeft [geplaatst] opgericht om zich [door zijn bescherming] op die manier een zekere
bewaking en veiligheid te verschaffen.
(12) Ontelbaren kwamen naar hem toe en allen probeerden
hem aan te raken en zo een zegen te ontvangen door middel van contact met zijn beroemde
kleed van dierenhuid. Aanvankelijk vond hij die overmaat aan eerbetoon slechts
[belachelijk en onnodig] ongepast, maar
gaandeweg [bemerkte] begon hij [dat hij] zich steeds ongelukkiger te voelen
over het vermoeiende van die hele situatie [steeds
slechter kon verdragen], en [daarom
zorgde hij ervoor dat er] zo kwam hij ertoe op een zuil [kwam om op] te gaan staan. Eerst [gaf hij opdracht voor] liet hij er een van
zes el houwen, daarna een van twaalf, vervolgens een van 22,
en nu [155] heeft hij er een van 36 el.
Want het is [onderdeel van] zijn streven om
naar de hemel te vliegen en van dit aardse [zaken]
verblijf bevrijd te worden.
Zelf geloof ik niet dat [het
bouwen van] zijn staan op de zuil [tegen de] zonder goddelijke beschikking tot
stand is gekomen. Het is dan ook om die reden dat ik [erop aandring dat degenen die er plezier in hebben dit te
bespotten] de critici verzoek hun tong in bedwang te
houden, [en] maar eens in ogenschouw te
nemen hoe dikwijls de [Heer] Meester dit
soort dingen heeft [gearrangeerd] bedacht
ten bate van de al te gemakzuchtigen. Zo heeft Hij bijvoorbeeld Jesaja de
opdracht gegeven naakt en ongeschoeid rond te
lopen [(Jesaja
20.2)[62]].
Hij heeft Jeremia opgedragen een [lendendoek]
gordel om zijn heupen te doen en zo zijn profetie aan de
ongehoorzamen te brengen [(Jeremia 13.1)[63]]
en bij een latere gelegenheid om houten en ijzeren jukken om zijn nek te
dragen[(Jeremia 27.2)[64]].
Hij droeg Hosea op een hoer tot [hoerige]
vrouw te nemen, en [zijn hoererende] ook
om een slechte en overspelige vrouw lief te hebben [(Hosea
1.2[65])].
En Ezechil droeg hij op veertig dagen op zijn rechterzij te gaan liggen en [driehondernegentig] honderdvijftig op zijn
linkerzij [(Ezechil 4.5-6)[66]];
verder om een muur door te breken [(Ezechil 12.7)[67]] en daardoorheen te vluchten [als een] om op die manier in eigen persoon [die in] de ballingschap [gaat] uit te beelden [(Ezechil
12.4[68])];
en weer een andere keer om een [scherp scheermes] punt aan een zwaard te [nemen] slijpen en daarmee zijn haar af te
snijden, het in vieren te verdelen en links en rechts uit te delen [zodat niemand in staat zou zijn deze in hun geheel te tellen]
[(Ezechil 5.1[69])
Een wat raadselachtige opdracht; maar ja, het is de Bijbel Hoewel ook hier
blijkt dat vdH, de theoloog!!, de Bijbel niet zo goed kent, door punt aan een
zwaard slijpen te schrijven waar het een scherp mes, een scheermes moet
zijn].
Maar laat ik nu maar niet alles opsommen. [Deze zin is er niet in de Engelse versie]
De heerser van het heelal schreef telkens weer al
die daden voor om door een [buitengewoon] vreemd
schouwspel al diegenen [te overtuigen] bijeen
te brengen die niet willen luisteren naar [Zijn
woord en dat van de profeten] woorden en weigeren het oor te lenen
aan profetie, [en hen weer bij zinnen te doen
komen] en hen er zo toe te bewegen naar de goddelijke
orakels te [gehoorzamen] luisteren.
Immers, wie zou er niet perplex staan als hij een man Gods naakt zou zien rondlopen? Wie zou niet de
oorzaak van zo'n voorval willen weten? Wie zou niet [willen
weten] gevraagd hebben hoe [een] de
profeet het kon [toestaan dat] opbrengen samen
te leven met een hoer[erende vrouw bij hem woonde]?
Zoals nu de God van het heelal al deze dingen heeft
bevolen omdat hij in zijn voorzienigheid dacht aan het welzijn van degenen die
er maar op los leven [of lui zijn], zo heeft
hij ook dit nieuwe en wonderbaarlijke schouwspel [van
Simeon op zijn pilaar] [verschaft, om] verordineerd.
Door [het absoluut nieuwe en bijzondere] de
vreemde aard ervan kon hij alle mensen [aan
te trekken om] ertoe brengen het te komen bekijken. Op die manier
kon hij aan de daarin geboden vermaning voor de bezoekers overtuigingskracht
verlenen. Want het nieuwe van het schouwspel is een aanzienlijke garantie voor de
kwaliteit van het [ware] onderricht, en
degene die [kwamen] komt kijken [vertrokken weer na iets van de ware aard van God geleerd te
hebben] is dan ook onderwezen in goddelijke zaken als hij weer naar
huis terugkeert. [Deze zin zou zelfs in
origineel Nederlands zeer krom klinken] [Net
als] Zij die het koningschap over
mensen [156] [die]
uitoefenen plegen na een zeker verloop van tijd de afbeeldingen op hun
munten te veranderen, door [op sommige] er
nu eens de beeltenis van [een] leeuwen te
plaatsen, [op een andere] dan weer van
sterren of [op weer een andere] engelen op
af te beelden, [een tautologie als beeltenis
af te beelden zou zelfs in origineel Nederlands krom klinken] in
een poging om door die nieuwe [erop geslagen]
beeltenis de waarde van het [goud] geld
te verhogen. [,] Precies zo
handelt ook de koning van het heelal, [door].
Door aan de [goddelijkheid van de ware religie
allerlei nieuwe levenswijzen toe te voegen, alsof Hij] vroomheid als
het ware allerlei nieuwe beeltenissen [en zegels drukt om] te geven
brengt hij niet alleen [ten behoeve van] de
tongen van degenen die [vast] in het geloof
zijn opgevoed [maar om hen] tot
lofprijzing [van God aan te moedigen], maar
ook die van hen die nog lijden aan [de ziekte van]
het ongeloof.
(13) [Zij werden niet alleen
overtuigd door] Het getuigenis dat deze dingen een realiteit zijn is
niet een kwestie van alleen maar woorden, het [was ook het zien van de pilaar zelf, dat op zich boekdelen
sprak] zijn ook de feiten die het uitschreeuwen. De Ismalieten bijvoorbeeld,
die met hun vele tienduizenden de slaven van de duisternis der
goddeloosheid waren, zijn door [het simpele feit van]
zijn staan op de zuil [met ontelbare duizenden]
tot het licht gekomen. Want als [een zeer
heldere kaars] het ware op een kandelaar geplaatst, heeft
[hij] deze zeer helder schijnende lamp
zijn stralen als de zon alle kanten heengezonden. Zoals ik al gezegd heb, [zag hij de] men kan hier zien hoe Iberirs,
Armenen en Perzen arriveren om de [goddelijke] heilige
doop te ontvangen. De Ismalieten, die [ook] in
groepen [kwamen] van twee- of driehonderd
tegelijk komen, maar soms ook wel met duizend, zweren onder luid
geschreeuw hun voorvaderlijke dwalingen af. De door hen aanbeden afgodsbeelden
[wezen] breken ze voor de ogen van deze
grote lichtdrager [totaal af] aan stukken
en ze zweren de [orgien] geheime
riten van [Venus] Afrodite af
want [ze aanvaardden dat dit een aanbidding] het
was de cultus van deze demon[en was, zoals
Simeon van hoog daarboven maar bleef herhalen] die ze oorspronkelijk
hadden aangenomen. Ze krijgen deel aan de goddelijke mysterin [Sacramenten], aanvaarden wetten uit deze gewijde
mond, zeggen de gewoonten van hun voorvaderen vaarwel, [gingen akkoord met de riten van de vaders] [dat is toch wel iets totaal anders!!!] en [zworen de
barbaarse cultus van] willen geen vlees van wilde ezels en
kamelen [af] meer eten. [Ook dat is toch wel iets totaal anders!!! Het verschil
zou grappig zijn, als het niet zo schandelijk was, zulke fouten van een
hoogleraar in de theologie.]
(14) Ik heb ook zelf gezien en gehoord dat die mensen hun
voorvaderlijke goddeloosheid hebben [veroordeelden]
afgezworen en [de leer] met het
onderricht van het evangelie [aanvaardden] instemden.
Ik ben zelfs een keer in een hoogst gevaarlijke situatie
terechtgekomen. Hijzelf had hun namelijk [aangeraden
naar mij] bevolen naderbij te komen en
van mij de priesterlijke zegen in ontvangst te nemen, waarbij hij zei dat zij
daarvan het allergrootste profijt zouden hebben. Toen stormden ze als echte
barbaren allemaal tegelijk op mij af en begonnen aan mij te trekken, sommigen [naar voren] aan de voorkant, anderen [naar achteren] aan de achterkant, weer anderen
[naar opzij] aan de zijkanten, terwijl
degenen die [aan de buitenkant van de menigte] verderaf stonden [naar binnen drongen] over de anderen heenliepen
en hun handen uitstrekten, hetzij om aan mijn baard te trekken hetzij om mijn
kleren [te grijpen] aan te raken. [157]
Ik zou onder hun al te [gewelddadige] warmbloedige
toeloop gestikt zijn als Simeon niet met een luide schreeuw hen allen had
verspreid. Zo groot is de [was de macht, bespot door de kwaadaardigen,] weldaad
die uit deze door spotters graag bespotte pilaar is voortgekomen[vloeide], [terwijl Simeon
het licht] en zo sterk is de straal van godskennis [uitstraalde] die hij tot in de harten der
barbaren heeft neer gezonden. [vdH gebruikt
verleden tijd en tegenwoordige tijd op verwarrende manier door elkaar; hier
maar ook elders.]
(15) Ik heb nog een ander [dergelijk]
geval [zien gebeuren] van zulk gedrag door
deze mensen meegemaakt. Een bepaalde stam [van
mensen die daar aanwezig was] smeekte de man Gods om een gebed en een
zegen voor hun stamhoofd uit te spreken. Maar een andere stam, die daar toen
ook aanwezig was, verzette zich daartegen en vond dat de zegen niet voor [het hoofd van die andere stam] hem, maar juist
voor hun eigen leider moest worden uitgesproken, want de eerste was [een tiran] buitengewoon onrechtvaardig,
terwijl [die van henzelf] de ander in
het geheel geen onrechtvaardigheid kende. Er ontstond een [enorme en barbaarse twist] lang debat en een ruzie
die typerend is voor deze barbaren, en het eind van het liedje was dat men
zich op elkaar stortte. Ik [kwam tussenbeide met een
langdurig beroep] gebruikte al mijn welsprekendheid om hen tot
rust te manen, aangezien de man Gods voldoende macht had om zowel de een als de
ander in de zegen te laten delen. Maar de ene partij bleef [klagen] zeggen dat die ander[en] die zegen niet moest[en] krijgen, terwijl de andere partij
probeerde [te voorkomen dat hun tegenstanders] haar rivaal van de zegen [zouden krijgen] te beroven. Toen begon [Simeon] hij hun [van daarboven te berispen en vergeleek hen met] vanaf
de pilaar dreigementen toe te slingeren en hen voor [jankende] honden
uit te schelden, en pas op die manier [nam] wist hij met veel moeite hun ruzie
[af] onder controle te krijgen. Ik heb
dit overigens alleen maar verteld omdat ik wilde aantonen [hoe sterk hun] welk geloof [was dat] er in hun harten [gekomen
was] [een essentieel verschil! Want
bewerkstelligt door Simeon] leefde, want ze zouden nooit [ruzie gemaakt hebben] als gekken tegen elkaar
tekeer zijn gegaan als ze niet hadden geloofd dat de zegen van deze man
Gods een zeer grote kracht had.
(16) Ik heb bij een andere gelegenheid nog een [ander] beroemd [wonder]
en wonderbaarlijk voorval meegemaakt. [Het]
Er kwam iemand - hij was het hoofd van een [van
de] Saraceense stam[men] - die de
heilige persoon smeekte [kwam vragen] een
man te helpen wiens ledematen onderweg verlamd waren geraakt.
Hij zei dat deze aanval hem getroffen had bij [Callinicus]
Kallinikon - dat is een heel grote citadel. Toen men [de
verlamde naar voren bracht] hem in het midden had geplaatst, beval
[vroeg] Simeon hem [of
hij de goddeloosheid van zijn volk] het ongeloof van zijn
voorouders af [wilde] te
zweren. Graag stemde hij daarmee in en deed wat hem was opgedragen. Toen
vroeg Simeon hem of hij geloofde in de Vader en de eniggeboren Zoon en de
Heilige Geest. Toen hij beleed dat hij daarin geloofde, zei Simeon tot hem: '[Bij je geloof] Omdat je in deze namen gelooft,
sta op!' Toen de man was opgestaan, [158] [bood hij
onmiddellijk aan] [de ex-verlamde dus; weer
heel wat anders dan de versie van vdH] droeg Simeon hem op het
stamhoofd op zijn schouders naar zijn tent te dragen[.
Het] - en dat stamhoofd [vond dat goed]
had een bijzonder fors lichaam! - maar hij pakte hem direct op en [ze] ging[en] er [meteen] met hem vandoor, terwijl de omstanders
in liederen tot lof van God uitbarstten.
(17) Simeon [deed dit] gaf
hem deze opdracht in navolging van de [Heer]
Meester, die ook de verlamde het bevel gaf zijn bed te dragen. [Mattheus 9.6[70]]
Maar laat niemand deze navolging aanmatiging noemen, want van Hemzelf is het
woord: 'Wie in mij gelooft zal de werken die ik verricht ook zelf verrichten,
en hij zal zelfs nog grotere verrichten dan deze.' [Johannes
14.12[71]]
En van die belofte hebben wij de vervulling gezien. Want terwijl de schaduw van
de Heer nooit ergens een wonder heeft verricht, heeft [alleen
al] de schaduw van [de grote] Petrus de
[macht van de] dood [gebroken]
tenietgedaan, [zieken genezen] ziekten
verdreven en demonen [uitgedreven] op de
vlucht gejaagd. [Handelingen 5.15[72]]
Maar het was de [Heer] Meester die ook
deze wonderen verrichtte via zijn [discipelen] dienaren,
en door diens [goddelijke] naam aan te roepen,
verricht[te] op dezelfde wijze ook nu de
goddelijke Simeon [veel] ontelbare
wonderen.
[Heel 18 ontbreekt in veel manuscripten; w.s. een latere invoeging]
(18) Er gebeurde ook nog een ander wonder [dat hij deed, niet minder miraculeus dan] dat
geenszins onderdoet voor het vorige. Onder degenen die in de heilbrengende
naam van Christus onze Meester [waren gaan geloven]
geloofden was ook een niet onaanzienlijke Ismaliet [uit een vrij bekende plaats] die een [gelofte] gebed tot God richtte met Simeon als
getuige en die ook een gelofte deed. De gelofte was dat hij zich
voorgoed zou onthouden van [de] elke
consumptie van vlees [van elk levend wezen]. Hoe het nu kwam weet ik
niet precies, maar op zekere dag brak hij [om een
of andere reden] deze gelofte [en probeerde
iets] door een vogel te doden en die op te eten [dat gedood was]. Maar God wilde hem [berispen en] tot inkeer brengen door hem aan de
kaak te stellen en tegelijk zijn eigen dienaar [de]
die getuige van de verbroken gelofte[,
die nu verbroken] was eren. Daarom [veranderde
Hij] werd het vlees van de [kip]
vogel veranderd in steen zodat hij hem verder niet kon opeten, zelfs
al had hij dat gewild. Want hoe zou het nu mogelijk zijn te eten van [het vlees dat] iets wat in steen was
veranderd, hoewel [hij het had willen] het
bedoeld was om op te eten? Helemaal perplex door dit [verbazingwekkende en ongelooflijke] uitzonderlijke
schouwspel begaf de barbaar zich met gezwinde spoed naar de heilige. Hij [bracht zo] biechtte zijn [verborgen] geheime zonde [aan het licht,] op, verkondigde [biechtte in het bijzijn van] aan iedereen zijn
overtreding [op] en vroeg God om vergeving voor
zijn misstap. Hij riep de heilige te hulp opdat deze door zijn almachtige
gebeden hem van de boeien van de zonde zou bevrijden. Velen zijn ooggetuigen
geweest van dit wonder en hebben [gezien hoe in de
aanwezigheid van deze persoon] eigenhandig gevoeld dat het
gedeelte[s] van de [kippenbotten]
vogel bij de borst uit bot en [in] steen
[veranderden] bestond. [159]
(19) Ik ben niet alleen van deze wonderen
ooggetuige geweest, maar ik heb ook met eigen oren zijn voorspellingen
van de toekomst gehoord. Want [een] de
droogte die over ons kwam en de [daaruit
voortvloeiende] grote misoogst van dat jaar
en de daaropvolgende hongersnood [en epidemie]
die ook met pest [daarmee]
gepaard ging[en], dit alles had hij al twee
jaar tevoren [voorspeld] aangekondigd.
Hij zei dat hij een [grote] staf had gezien die
[tegen de mensheid
werd opgeheven, met zwepen eraan om hen te straffen.] de mensen
bedreigde en die al van tevoren de slagen bekend maakte die hij zou toebrengen.
Een andere keer kondigde hij van tevoren [een
sprinkhanenplaag] de aanval van de zogenaamde kamp aan, en hij zei erbij dat die niet veel schade zou
aanrichten, want Gods [genade zou in antwoord op de
gebeden geschonken worden.] mensenliefde gaat hand in hand met zijn
straf. [Dat is toch weer eens totaal anders!]
Dertig dagen later [daalde] vloog er een
zo enorme zwerm daarvan [op ons neer] over,
dat de stralen van de zon door hen werden onderschept zodat ze ons in schaduw
hulden; dat hebben wij allemaal heel duidelijk gezien. Maar het bracht alleen
maar schade toe aan het [gras] voer voor
de dieren, niet aan het voedsel van de mensen.
Toen ikzelf eens het doelwit van iemands vijandig
gedrag was, voorspelde hij [dat de ruzie zou eindigen voordat] twee weken [om waren] van tevoren de dood van mijn vijand,
en de ervaring leerde mij dat zijn voorspelling juist was. [Toch wel een stuk minder dramatisch]
(Er verschenen hem [Hij
zag] ook eens twee staven die uit de hemel [neer
kwamen] vielen, de een [viel in het
Oosten] naar het oostelijk en de ander [viel
in het Westen] naar het westelijk gedeelte van de aarde. De man
Gods duidde dat visioen als een opstand van het Perzische en het
Skythische volk tegen de Romeinse heerschappij. Hij legde het visioen aan
de omstanders uit en door zijn overvloedige tranen en ononderbroken smeekbeden
wist hij de[ze] plagen die de wereld bedreigden
tot stilstand te brengen. Tenminste, de Perzen die al gewapend klaarstonden om
de Romeinen aan te vallen, werden door een goddelijke tegenbeweging [vanaf het begin] afgehouden van hun voorgenomen
aanval want interne problemen [zetten hen tegen elkaar
op.] namen hen geheel in beslag.)
(20) Ik ken nog vele andere voorvallen van dien aard, maar
ik laat ze verder achterwege om te voorkomen dat [ik
beschuldigd wordt van wijdlopigheid] het verhaal al te lang wordt.
[Wat ik jullie verteld heb, is] Het
voorafgaande is, mij dunkt, wel voldoende om het spirituele inzicht
duidelijk te maken dat zijn geest bezat.
Zelfs bij de Perzische koning genoot hij [zon] grote faam [dat hij]
. Zoals de gezanten [stuurde, omdat hij] die hem kwamen bezoeken vertelden,
wilde hij immers precies weten hoe de levenswijze van de man was en wat
voor wonderen hij verrichtte. Men zegt [ook]
dat de [koningin van Perzi hem vroeg wat] echtgenote van de koning zelfs
olie [voor haar te zegenen] probeerde te
bemachtigen die waardig gekeurd was zijn zegen [160]
te ontvangen, en dat ze die ook [accepteerde]
kreeg als een bijzonder kostbaar geschenk. Alle leden van het koninklijk
hof [waren zeer opgewonden toen ze hierover hoorden,
ook al kenden ze], enerzijds onder de indruk van zijn faam en
anderzijds ook bekend met de lasterpraatjes [van] die de Perzische [geleerde
tovenaars] [of
misschien, magi?] priesters tegen hem in het geweer brachten, [Zij] lieten zich precies informeren [en] . Maar toen ze eenmaal op de hoogte waren,
[maakten ze de naam van die] noemden ze hem
een goddelijke man [zelfs nog in wijdere kring
bekend]. [Een grote] De rest van de
menigte ging naar de muildierdrijvers, de dienaren en de soldaten toe, bood hun
geld aan en smeekte hen [om] een deel van de [ge]zegen[de] te
ontvangen die in de olie aanwezig was. [In
de versie van vdH klinkt het toch weer als onzin.]
(21) De koningin van de Ismalieten was onvruchtbaar, maar
wilde graag kinderen hebben. Eerst zond ze [iemand van
gezag en aanzien] enkelen van haar hoogste beambten om hem te [vragen] smeken dat zij moeder zou worden. [Hij deed zijn verzoek] Daarna, toen haar gebed
verhoord was en zij [baarde] een kind had
gebaard zoals zij gewenst had, [en de] nam
zij de pasgeboren koning [dus juist niet de
koningin!] [bracht hem] en haastte
zich ermee naar de heilige grijsaard. Maar omdat het vrouwen
verboden was daar binnen te komen, liet ze de baby naar hem toe brengen met
de bede hem [en die vroeg of dit gebeurd was door]
zijn zegen deelachtig te laten worden. [Maar
deze] Want ze zei: [Neen, het was uw
eigen handeling die het deed.] 'Deze schoof is van u. Want ik heb
weliswaar met mijn tranen het zaad [van het gebed
uitgestort] gebracht, maar gij hebt het [was uw] zaad [dat in oogst
resulteerde] tot een schoof gemaakt, omdat gij [toen u] door uw gebed daarover de regen van
Gods genade hebt gebracht!' [Toch weer eens totaal
anders.]
Maar hoelang nog zal ik proberen de diepte van de Atlantische Oceaan te peilen? Want zoals die onmetelijk is voor de mensen, zo gaat alles wat er dagelijks door zijn toedoen geschiedt elke beschrijving te boven.
(22) Zelf bewonder ik zijn volharding meer dan al dit andere. [Deze zin staat niet in de Engelse versie.]
Want dag en nacht [stond]
houdt hij zich staande voor het oog van allen. Hij [had] heeft namelijk de [geen] deuren [en kon van
alle kanten benaderd worden,] laten weghalen en een heel groot deel
van de omheining laten afbreken, en zo [verschafte]
staat hij aan allen blootgesteld als een nieuw en wonderbaarlijk
schouwspel, nu eens lange tijd staande, dan weer veelvuldig buigend om God
aanbidding te brengen. Velen van de omstanders tellen zelfs die aanbiddingen.
Eens telde een van mijn begeleiders er [1254]
1244, maar toen raakte hij de tel kwijt doordat [hij
een fout maakte] zijn aandacht verslapte. [Omdat] Als hij [zo
vaak] neerboog [kon] raakte hij altijd met zijn voorhoofd
[bijna] zijn tenen aan[raken],
want omdat zijn maag maar eenmaal per week voedsel ontving, en ook dan
nog maar heel weinig, [net zo veel als bij het delen
in de heilige Sacramenten,] liet zijn rug zich heel gemakkelijk buigen.
[vdH laat geregeld stukken weg, zoals hier.]
(23) Men zegt dat er zich ten gevolge van het lange
staan [op n been] bij hem [161] aan zijn linkervoet een [zweer] wond van Cheiron ontwikkelde waaruit zich
voortdurend een grote hoeveelheid etter afscheidde. Toch heeft geen van deze
beproevingen zijn [levenswijze] filosofie
aan het wankelen gebracht, want hij draagt zowel de vrijwillige als de
onvrijwillige beproevingen met een [dappere en]
nobele geest en komt beide te boven dankzij zijn geloofsijver.
Hij werd eens gedwongen [zijn
zweer] die wond aan iemand te laten zien. De reden daarvan zal ik
nu vertellen. Er was iemand gekomen uit [Arabena]
Rabaine, een deugdzaam man die geerd was met de waardigheid van diaken van
Christus.
[Hij] Toen deze op de
bergtop gearriveerd was, zei hij: 'Zeg mij eens, in naam van
de waarheid [, wat voor een mens is hij die zijn leven
zo verandert als u hebt gedaan?] die het menselijk geslacht tot
zichzelf bekeerd heeft, bent u [echt] een
mens of een onlichamelijk[e geest] wezen?'
Toen de omstanders zich ergerden aan die vraag, [en hem] maande Simeon hen allen tot stilte [maanden] en zei [Simeon]
tot hem: 'Waarom heb je mij die [onder]vraag
[je me zo] gesteld?' [Twee maal weer totaal anders.]
Daarop zei de ander: 'Ik hoor alle mensen erover praten dat u niet eet en niet slaapt, terwijl dat toch dingen zijn die mensen eigen zijn. Want niemand die een menselijke natuur heeft kan in leven blijven zonder voedsel en slaap.'
Toen [zei] beval
Simeon[: pak] dat er een ladder tegen
de pilaar aan moest worden gezet en [kom] dat
hij naar boven[.] moest komen.
[Zodra zijn hand boven de
bovenkant van de ladder verscheen, tilde hij de zoom van zijn lange mantel op
en begeleidde de hand] Eerst moest hij zijn handen onderzoeken,
daarna moest hij zijn hand in zijn dierenhuiden kleed stoppen, en tot
slot moest hij niet alleen naar zijn voeten[, waar
de man niet alleen Simeons voeten zag] kijken maar ook [die] naar de vreselijke [zweer] wond. Toen de man de enorme
omvang van de wond met verbazing had bekeken en van Simeon had gehoord [hoe] dat hij [gevoed
werd] wel voedsel nam, daalde hij weer af, kwam naar mij toe en
vertelde mij alles.
(24) Tijdens de publieke feesten vertoont hij nog een
andere vorm van volharding. Want dan [stond] strekt
hij van [de] zonsondergang [van de zon] tot [de
tijd dat deze weer de westerse horizon nadert] zonsopgang [dus in feite 24 uur, en niet 12 uur wat vdH impliceert]
[met] zijn handen [omhoog gestrekt in gebed] uit naar de hemel
waarbij hij de gehele nacht blijft staan zonder door slaap [en met weinig inspanning] of door inspanning
overmand te worden.
(25) [Bij] Ondanks
al deze inspanningen en [ondanks] deze
veelheid aan goede daden [die hij uitvoerde] en
deze menigte van wonderen [was hij begiftigd met
een bescheidenheid en zelfcontrole die hem de waardigste] blijft hij
toch bescheiden alsof hij de minste van alle mensen [maakte] in waardigheid is. [weer andersom vertaald] Naast deze bescheidenheid
is hij zeer toegankelijk en aangenaam [vriendelijk]
en charmant [wat een woord voor een
heilige!], en hij [gaf] reageert ook
op iedereen die hem aanspreekt [gelijke aandacht],
of het nu een handwerker of een bedelaar of een boer is. Hij heeft van de
[Hem werd door de genereuze
en overvloedige Heer] Meester, de grote gever van gaven, ook de
gave van het onderricht[wijzen gegeven] ontvangen.
Tweemaal per dag, [162] wanneer hij [tot] zijn publiek [preekte]
vermaant, [goot hij het levenswater in] overspoelt
[wat een onzin hier van vdH] hij de oren van
zijn toehoorders terwijl hij hen [heel mooi]
met veel charme toespreekt en hen zo de lessen [de discipline] van de goddelijke Geest [toont] onderwijst. Hij [dringt er bij] draagt hun op [aan] het hoofd naar de hemel te wenden en [hun vleugels te ontvouwen] zich daarheen te
verheffen, zich los te maken van de aarde, zich het langverwachte
koninkrijk voor te stellen, de [straf] dreiging
van de hel te vrezen, aardse dingen te verachten, en [uit]
te [zien naar de wereld] wachten op de
dingen die komen [gaat] gaan.
(26) Men kan hem ook als rechter zien optreden en juiste
en rechtvaardige oordelen zien uitspreken. Maar deze en dergelijke activiteiten
verricht hij pas na het negende uur. Want de hele nacht en ook de dag tot aan
het negende uur brengt hij door in [voortdurend]
gebed. Na het negende uur geeft hij eerst zijn goddelijke onderricht aan de
aanwezigen, daarna [luisterde] neemt hij
[naar] ieders verzoeken in ontvangst en
verricht enkele genezingen, en dan [gaf hij zijn
oordelen tegenover] lost hij de conflicten tussen de strijdende
partijen op. Tegen zonsondergang herneemt hij dan zijn gesprek met God.
(27) Maar terwijl hij daarmee bezig is [met] en al die activiteiten onderneemt,
verwaarloost hij toch niet de zorg voor de heilige kerken, door nu eens tegen
de goddeloosheid van de heidenen te strijden, dan weer de onbeschaamdheid van
de joden te [weerleggen] ondermijnen, en
soms ook de benden der ketters te [overwinnen en]
verdrijven. [Bovendien] De ene keer
schrijft hij de keizer daarover brieven, [en ook
aan] een ander maal tracht hij de [leiders van gemeenschappen en magistraten] machthebbers
[om hen] op te wekken tot ijver voor Gods zaak,
en soms [ook aan] vermaant hij ook de
herders der kerken zelf [hen vermanend] meer
zorg te dragen voor hun kudden.
(28) Bij het [voor jullie be]schrijven van dit verhaal heb ik geprobeerd om
uitgaande van een [deze paar] regendruppel[s] [hoop ik de lezers enig
idee van een levensverwekkende] de regen[bui
te hebben gegeven] zelf te laten zien en de lezers van mijn geschrift
van de top van mijn vinger de zoetheid van [of hoe
het is] de [zoetste] honing te [proeven] laten smaken. [Maar er zijn veel meer] De dingen die door
alle mensen bezongen [en gevierd kunnen]
worden vormen namelijk een veelvoud van wat men hier vindt, maar ik [had tenslotte] heb dan ook niet beloofd ze
allemaal te zullen opschrijven, maar aan de hand van slechts enkele voorbeelden
de aard van [zijn] ieders levenswijze [en karakter] te laten zien. [Hoezo
nu ieders? Dat is toch weer heel wat anders, en dat past toch absoluut niet
in de context.] [Laten] Naar te
verwachten is, zullen ook anderen [maar] nog
veel meer [over hem schrijven, als ze dat willen]
voorbeelden daarvan op schrift stellen.
[De volgende paragraaf is niet in mijn Engelse versie]
En als hij blijft leven, zullen ze er zonder twijfel nog grotere wonderen aan toevoegen. Persoonlijk verlang ik ernaar en smeek God erom dat hij (Simeon), geholpen door zijn eigen gebeden, mag volharden in deze goede werken, want hij is een gemeenschappelijk sieraad en een ornament van vroomheid. [163] Ook bid ik dat mijn eigen leven harmonie mag krijgen in die zin dat het in overeenstemming wordt gebracht met de evangelische wijze van leven.
(Men veronderstelt dat het onderstaande stuk aan Het Leven van Simeon is toegevoegd door iemand anders dan Theodoretus na de dood van Simeon.)
[Hij leefde nog een [lange]
tijd verder, terwijl hij vele wonderen en andere werken verrichtte. Als enige
onder alle[n die er ooit waren] mensen die
ooit geleefd hebben [waarschijnlijk wordt met
allen alle asceten bedoeld en niet
alle mensen.] werd hij niet overwonnen door de vlammende hitte
van de zon, de ijzige kou van de winter, de hevige aanvallen van de wind, en de
zwakheid van [zijn] de menselijke natuur[, totdat het hem tenslotte was toegestaan]. Omdat
hij voortaan bij Christus [te] moest
zijn en de krans [mocht] moest ontvangen
voor zijn ontelbare worstelingen, bevestigde hij [met]
door zijn dood voor [ongelovigen] degenen
die dat niet konden geloven [toch weer even
heel wat anders] dat hij [slechts] inderdaad
een mens was. Ook na zijn dood bleef hij onwrikbaar: zijn ziel had dan wel de
hemel bereikt, maar zijn lichaam [werd] kon
het ook toen niet [toegestaan] opbrengen
te vallen, en het bleef rechtop staan op [zijn
slagveld,] de plaats van zijn worstelingen als een
onoverwinnelijke atleet die er een eer in stelt met geen enkel deel van
zijn ledematen [die] de grond aan [wilde] te raken[,].
Zo blijft de overwinning [verkondigend voor]
bij de strijders [van] voor
Christus ook [in zijn dood] als ze gestorven
zijn.
In ieder geval [worden]
doen er zich tot op de dag van vandaag [zijn]
genezingen van allerlei kwalen, [zijn] wonderen
en [de kracht van zijn] machtige
goddelijke [werken] manifestaties voor,
net [zo gevierd als destijds] zoals toen hij
nog leefde, en dat niet alleen bij het graf met [verscheidene] zijn heilige [relikwien] overblijfselen maar [vooral] ook [met] bij
[dat] het monument [voor] van zijn [grote
deugd] dapperheid en zijn [dagelijkse]
langdurige strijd - ik bedoel de grote en beroemde zuil [die de rechtvaardigheid en lof] van deze
rechtvaardige en veelbezongen Simeon [verkondigt].
[Ik hoop] Wij bidden
dat [ik in] wij door zijn heilige
voorbeden [mag delen en mag volhouden met mijn heilige
werken en ik bid tot God die voor ons allen zorgt, die de pracht van devotie en]
ook zelf gered mogen worden en mogen steunen op het ware geloof [is, mijn leven te regeren en mij te kneden in de vorm van
het evangelie.], en dat elke stad en elke streek waarover de naam van
onze Heer Jezus Christus is uitgeroepen bewaard mogen blijven voor elke
ervaring van kwaad en schade van de kant van de hemel of van vijanden. Hem zij
de eer tot in de eeuwen der eeuwen.]
[Niet vertaald, 4
hoofdstukken: BARADATUS, THALELAEUS, MARANA en CYRA, DOMNINA.]
[De oorspronkelijke teksten van Euthymius en Sabbas heb ik
niet gescand en op correctheid gecontroleerd. Het wordt me wat te veel en deze
teksten voegen ook niet echt iets nieuws toe. Het ware beter geweest als vdH
hier de Levens van een paar woestijnmoeders had weergegeven, i.p.v. alleen die
van Maria van Egypte.]
De echte Sophronius [in mijn Engelse versie wordt deze auteur Saphronius genoemd] leefde van circa 550-638 en werd, na zestig jaar lang een streng ascetisch monnikenleven geleid te hebben, op hoge leeftijd in de laatste jaren van zijn leven nog bisschop van Jeruzalem. Op zijn naam staat het beroemde levensverhaal van Maria de Egyptische, maar het is wel zeker dat hij de echte auteur niet was. In feite weten we niet wie de hier vertaalde tekst heeft geschreven, behalve dan dat het een in Byzantijns Palestina levende auteur was van het begin van de zevende eeuw.
Het verhaal over de Egyptische hoer Maria [Zij was geen hoer want ze deed het niet voor geld, maar alleen voor lust, dus nogal sensationalistisch van Horst om deze term te gebruiken. Ook verderop in de vertaalde tekst, gebruikt hij te onpas het woord hoer zoals in hoerenliedjes of hoererij terwijl dat dus niet de meest juiste vertaling is, en correcter zou worden weergegeven met losbandige liedjes en ontucht. En terwijl hij in zijn Inleiding aankondigt dat er ook woestijnmoeders zijn, is deze in feite de enige die hij bespreekt, en is deze losbandige vrouw eigenlijk niet het beste voorbeeld, want de meesten waren maagden.]
[212]
[]
De overgeleverde Griekse tekst is in de loop der eeuwen nogal in het ongerede geraakt; bovendien bestaat er geen goede kritische tekstuitgave van. [Bij V2 wordt er van een Latijnse vertaling, door bisschop Paulus, van het oorspronkelijke Grieks gesproken; zou vdH die niet gebruikt hebben? En hoe kan hij zich dan zo vergissen?] De vertaler moest daarom op een heel aantal plaatsen een min of meer beredeneerde gissing doen naar wat er precies bedoeld zou kunnen zijn. [Wel, vdH zat er zeer vaak totaal naast met zijn beredeneerde gissing!] Dit betreft echter meestal slechts details en er staat voldoende van de tekst vast om het verhaal goed te kunnen volgen.
[Het is eigenlijk veel meer
het verhaal van Zosimas, waarin het verhaal van Maria als een raamvertelling
ingevoegd is. Het verhaal van Maria is misschien wel spectaculair, maar haar
leven is in ieder geval niet typerend voor een woestijnmoeder. De meesten zijn
toch maagden, geen vrouwen van losse zeden.]
[Voor de vergelijking van
teksten maak ik hier gebruik van twee Engelse versies, t.w. Versie Een: http://www.fatheralexander.org/booklets/english/mary_egypt_ext.htm; The Life of our Holy Mother
Mary of Egypt; en Versie Twee: http://www.vitae-patrum.org.uk/page47.html; The Life of St
Mary of Egypt by Sophronius. De tekst
van vdH komt het meest overeen met Versie
Twee, dus die zal ik als voornaamste
referentie gebruiken.]
(..)[Not translated by VdH, Version One]
"It
is good to hide the secret of a king, but it is glorious to reveal and preach
the works of God" (Tobit 12:7) So said the Archangel Raphael to Tobit when
he performed the wonderful healing of his blindness. Actually, not to keep the
secret of a king is perilous and a terrible risk, but to be silent about the
works of God is a great loss for the soul. And I (says St. Saphronius),
in writing the life of St. Mary of Egypt, am afraid to hide the works of God by
silence. Remembering the misfortune threatened to the servant who hid his
God-given talent in the earth (Mat. 25:18-25), I am bound to pass on the holy
account that has reached me. And let no one think (continues St. Saphronius)
that I have had the audacity to write untruth or doubt this great marvel may
I never lie about holy things! If there do happen to be people who, after
reading this record, do not believe it, may the Lord have mercy on them
because, reflecting on the weakness of human nature, they consider impossible
these wonderful things accomplished by holy people. But now we must begin to
tell this most amazing story, which has taken place in our generation.
(2) In een van de kloosters van Palestina woonde een [zekere ouderling, een priester van het heilige leven, een]
man die bekend stond om zijn levenshouding en [theologie]
zijn gave van het woord, en die al vanaf zijn kinderjaren was
grootgebracht in de monastieke gewoonten en leefwijze. Die [ouderling] oude man heette Zosimas [de volgende tussenzin komt niet voor in Versie 1]
(laat nu niemand vanwege deze naam [hem verwarren
met] denken dat ik die Zosimas bedoel die destijds
vanwege [het onderwijzen van de] zijn
leringen [van een andere sekte] als
ketter is veroordeeld, want ook al hebben ze dezelfde naam, [er zou geen groter verschil tussen beiden kunnen zijn]
het gaat om twee verschillende mensen die verder weinig gemeen hebben).
Onze orthodoxe Zosimas nu, die vanaf het begin [zijn
hele leven] in een van de kloosters [in] van Palestina woonde, streefde [had] elke vorm van ascese na[gestreefd]
en [was zeer ervaren] bekwaamde zich in
allerlei [aspecten] soorten van
[de] onthouding. Want hij hield zich [met perfecte monastische discipline] geheel
aan [elk voorschrift van] de leefregel die [hem] was overgeleverd door [zijn leraren was gegeven, die
er zelf van kindsheid af aan mee opgevoed waren] degenen die zich
voor die wedstrijd getraind hadden, en hij voegde daaraan vanuit zichzelf
nog [meer] veel zaken toe [dan de regels vereisten], omdat hij [zo vurig] het vlees wilde [213] onderwerpen aan de geest. En hij miste zijn doel niet, want de oude man was zo
beroemd vanwege zijn geestelijke [leven] gaven
dat dikwijls vele monniken uit de omliggende en soms zelfs ook uit
verafgelegen kloosters naar hem toe kwamen om [van
zijn voorbeeld en] zich
door zijn onderricht [te leren hoe zijn]
in de kunst van de
onthouding [na] te [bootsen
en zich beter in de hand te houden dan daarvoor] laten vormen.
Ook al was de oude man [met al
deze dingen] zo druk bezig met het praktische aspect van het
monnikenleven, toch verwaarloosde hij nooit [zijn]
de meditatie over de goddelijke [op de
heilige Schrift] woorden, of hij
nu op zijn bed lag of opstond of [met zijn handen werkte]
zijn handwerk in zijn handen had waarmee hij in zijn levensonderhoud
voorzag. Als je wilt weten wat voor [of]
voedsel hij at [wanneer dat nodig was]
[De volgende tussenzin staat niet in versie 2] [ als je die paar kruimels die hij knabbelde nog voedsel
kon noemen ], weet dat hij slechts n [doel]
bezigheid had [dat] die nooit
ophield, het [stil reciteren van psalmen] ononderbroken
psalmzingen en het altijd [onderwijzen van]
mediteren over de heilige [Schrift] woorden.
[in versie 2: ...
en het mediteren op hun heilige wijsheid.]
[De volgende twee zinnen staan niet in versie 1]
Men [zei vaak over hem] zegt
dat [hij] de oude man ook dikwijls een goddelijk
visioen[en van God] waardig
gekeurd werd [en dat is niet echt opmerkelijk of
ongelooflijk, want] zodat hij van Godswege verlichting ontving,
zoals de Heer zegt: 'Zalig zijn de reinen van hart, want zij zullen God zien.'
[Mattheus 5.8] Zij die hun lichaam hebben [gezuiverd] gereinigd en altijd
nuchter zijn, [en wiens] zullen met het
wakkere oog van hun ziel[en altijd waakzaam
zijn, zullen dan wel helemaal] visioenen van [zegeningen
die hun in het toekomstige leven] goddelijke verlichting zien en
krijgen daarmee een voorproefje van het goede dat hun nog te wachten [staan] staat.
(3) Zosimas placht te
vertellen dat hij als het ware al vanaf de moederschoot aan dat klooster was
afgestaan en dat hij [het kloosterleven] de ascetische [training] wedloop
daar [tot de leeftijd van] 53 jaren
lang had [gedaan] gelopen.
[53 jaar of tot je 53e, dat is toch weer
heel wat anders] [Maar toen] Daarna
echter, zo vertelde hij, begon hij gekweld te worden door gedachten als zou
hij reeds in alle opzichten volmaakt zijn geworden en van niemand anders meer
enig onderricht nodig hebben. Hij begon tegen zichzelf te zeggen: 'Is er nog
een monnik op aarde die mij iets nieuws of iets nuttigs kan leren, een vorm van
ascese die ik nog niet [vaardig ben] ken
of nog nooit beoefend heb? Bevindt zich onder de filosofen in de
woestijn iemand die mij overtreft [heeft] in
daden of gedachten?'
Toen de [ouderling] grijsaard
zulke gedachten koesterde, kwam er [verscheen
hem een engel] iemand
bij hem staan [iemand (V.2) of een engel (V.1)] die tot hem zei:
'Zosimas, je hebt zo [heldhaftig] goed
als een mens maar kan gestreden, en je hebt de ascetische [weg heldhaftig] wedloop goed afgelegd.
Maar [er is] onder de mensen is er niemand
die [kan beweren dat hij] de volmaaktheid heeft
bereikt. En voor je [liggen krachtsinspanningen]
ligt een strijd die [zwaarder zijn dan degene
die je al voleindigd hebt] groter is dan de voorbije, en daarvan
hebben jullie geen weet. Om nu ook zelf te weten te komen hoeveel andere
wegen er nog zijn die tot [de Verlossing] het
heil leiden, moet je nu het land van je geboorte en het huis van je
vader verlaten, zoals ook die eerbiedwaardige aartsvader Abraham heeft
gedaan, [Genesis 12.1] [214] en naar dat klooster gaan dat vlak bij de
rivier de Jordaan gelegen is.'
(4) [Zosimas] De oude
man gaf [hieraan] direct gehoor aan het
bevel en verliet het klooster waar hij van jongs af aan had gewoond. Hij [ging naar] bereikte de heilig[st]e [van
alle] rivier[en] de Jordaan
[in versie 2 de heiligste rivier; in versie 1 een gewone rivier] en [bereikte eindelijk de gemeenschap, waar de engel die met hem gesproken had hem naar toe
leidde en] degene die het hem had bevolen geleidde hem naar het
klooster waarvan God wilde dat hij ernaar toe ging. Hij klopte met zijn
hand op de poort [van het klooster] en
[vertelde de monnik die] kwam daar eerst de poortwachter [was, wie hij was en deze vertelde het aan] tegen
die hem naar de abt bracht. Die ontving hem en observeerde zijn uiterlijk
en gedragingen - Zosimas [maakte een diepe buiging]
had zich namelijk ter aarde geworpen zoals bij monniken gebruikelijk is
en [deed zijn gebed] de abt gevraagd voor
hem te bidden [waaruit de abt kon opmaken dat hij
een monnik was] [In versie 2 staat: De abt ontving hem en zag aan zijn kleding dat hij een
godsdienstig man was en, zoals de gewoonte is in kloosters, boog op een knie en
zei een gebed alvorens het gesprek te beginnen] en toen vroeg hij hem:
'Waar kom je vandaan, broeder, en waarom ben je naar [ons]
deze [nederige monniken] oude
mannen gekomen?'
Zosimas antwoordde: 'Waar ik vandaan kom hoef ik niet te
vertellen. Ik ben gekomen voor het geestelijke voordeel, vader, want ik heb
schitterende en prijzenswaardige dingen over
jullie [kennis] gehoord [en dat jullie mijn] die een mensenziel
[dichter bij] dicht bij Christus onze
God [kunnen] kunnen brengen.'
Toen zei de abt tot hem: 'Broeder, alleen God heelt de [zwakte van de ziel] menselijke ziekte [wat voor onzin is dat nou, menselijke ziekte?!] en
[moge] hij zal jou en ons zijn
goddelijke [geboden] wil leren en ons
[leiden] de weg tonen om het juiste te doen.
[De volgende zin staat niet in
versie 1] Een mens kan een [andere]
mens [geen verlichting brengen] niet van
nut zijn, tenzij elk van hen [zorgzaam is voor
de ander] voortdurend in volkomen nuchterheid zichzelf in acht neemt
en doet wat [hij kan] gedaan moet worden
en daarbij [vertrouwd op de hulp van] God als
helper heeft.
Maar omdat nu, zoals je zegt,
de liefde voor [Christus] God je ertoe
heeft bewogen ons, nederige [monniken] grijsaards,
op te zoeken, moet je maar bij ons blijven, als dat tenminste je bedoeling is,
en de Goede Herder zal [ons met] door de
genade van de [Heilige] Geest [vervullen] voor ons zorgen, hij die zijn leven
voor [onze redding] ons als losgeld
heeft gegeven en zijn eigen schapen bij name roept.'
[Johannes 10, 11-15]
Toen de abt dat tot Zosimas gezegd had, [boog] wierp deze zich opnieuw voor
hem neer, vroeg hem om zijn gebed[en en zegen],
zei 'Amen' en trok in het klooster in. [Versie 2: Dat gezegd
hebbende, bogen ze de knie weer en baden, en Zosimas zei Amen, en bleef bij hen
in het klooster.]
(5) Hij [zag] ontmoette
daar [ouderlingen] grijsaards die [vaardig waren] [die
er niet alleen prachtig uitzagen maar dat ook konden waarmaken] glorieerden
in daden [en beschouwingen van God, vurig van geest en
werkend voor] en gedachten en slaven van de Heer waren. [ Dus geen slaven, maar dienaren (V.2)] Zij zongen
ononderbroken de psalmen, waarbij ze [en
stonden] de hele nacht [in gebed]
stonden. Altijd hadden zij iets om te werken in hun handen en een [goddelijke] psalm op hun lippen. Er viel geen
ijdel woord en [zij wisten niets van het verwerven van]
gedachten over wereldse [goederen of de]
zaken bestonden daar niet. Over inkomsten en uitgaven door het jaar heen
dachten ze niet, zorgen over het levensonderhoud kenden ze niet, zelfs
niet bij naam. [Versie 2: ... en zij dachten niet aan zilver of goud of aan andere
wereldse goederen. Zij brachten al hun tijd door met het mediteren op de
beperkingen van dit tijdelijke bestaan vol met verdriet. Deen enkel persoon
stak boven de anderen uit, maar allen hadden n doel, ...] Er was
maar n enkel [verlangen] iets wat
door allen werd nagestreefd: [doel; voordat ze zouden geboren zouden kunnen worden in het
kloosterleven, zou] dat ieder van hen [moeten
sterven uit] dood zou zijn voor zijn lichaam, sterven zou aan
[voor] de wereld en [voor allen die] alles wat daar [215] in [zijn]
is, en daarvoor niet meer zou bestaan. [Elk
van hen streefde naar het versterven van de behoeften van het lichaam.]
Zeker, zij hadden [het constante] rijkelijk voedsel, [van het] namelijk
de genspireerde woorden [van God] (van
de Bijbel), maar hun lichamen [onderhielden]
voedden zij alleen met het hoognodige, water en brood, [zoveel als hun] want elk van hen brandde van
liefde tot God [het mogelijk maakte]. [Versie 2: ... om zich
des te beter over te leveren aan de genade van God.]
Toen Zosimas dat alles zag, zo vertelde hij, werd
hij zeer gesticht en hij [bereidde zich voor op de
strijd die] strekte zich uit naar wat vr hem lag, zich
voortspoedend in zijn eigen renbaan [wat voor
onzin is dat nou, renbaan?!], want hij [was
in het gezelschap van] had mede-arbeiders gevonden die [werkten aan het herscheppen van] voortreffelijke
werkers in het goddelijke paradijs waren.
(6) Na enige dagen naderde de periode waarin [alle] de christenen het [traditionele] heilige vasten plegen
te houden en zich zo reinigen met het oog op de aanbidding van het goddelijke
lijden en de opstanding van Christus. Nu is het zo dat de poort van het
klooster gewoonlijk nooit werd geopend maar altijd gesloten bleef om zo de
monniken het ongestoord [uitoefenen van hun taken]
beoefenen van de ascese mogelijk te maken. [De]
Het was alleen mogelijk de poort [werd alleen
geopend] te laten openen als er daartoe een dringende noodzaak
was voor een monnik [voor noodzakelijke zaken
arriveerde][als een monnik er voor een
boodschap op uit getuurd werd]. De plek was volkomen verlaten [in de woestijn] en [mensen
uit de] niet alleen onbereikbaar voor de meeste monniken in de
omgeving [uit de wereld] [bezochten het niet alleen weinig], maar [kenden het] zelfs [niet]
onbekend. Er werd een regel in dat klooster nageleefd die volgens mij de
reden was waarom God Zosimas naar juist dat klooster had geleid.
Wat die regel is en hoe die werd nageleefd, ga ik nu
vertellen. Op de [eerste] zondag [van de
Vasten] waarnaar de eerste vastenweek is genoemd, werd[en] als gewoonlijk de goddelijke [Sacramenten] mystagogie gevierd en iedereen
nam deel aan [het] deze onbevlekte en
leven schenkende [lichaam en bloed van onze Heer
Jezus Christus] mysterin. [Na de
liturgie gingen ze naar de refter om] Het was ook de gewoonte dan
een klein beetje [Vasten]voedsel tot zich te
nemen. Daarna kwamen allen samen [in de kerk]
voor het gebed en na een lang gebed [op de knien
groetten zij] met veel knielen omhelsden de grijsaards elkaar en
[dan knielde elk voor] de abt, [omhelsde hem] men wierp zich voor elkaar op de
grond en vroeg om [de bijstand van zijn] gebed[en]
en om medestrijderschap en steun in de komende strijd [van het Vasten].
(7) Als dat achter de rug was, werd de poort van het
klooster geopend en onder het [gezamenlijk] eenstemmig
zingen van de psalm 'De Heer is mijn licht en mijn heil, wie zal ik vrezen?
De Heer is de beschermer van mijn leven, voor wie zal ik bang zijn?' en de rest van de psalm, [psalm 27; 26.1] verlieten alle monniken het klooster. [gingen alle monniken de woestijn in en staken de rivier de
Jordaan over] Vaak werden er een of twee broeders als bewakers
achtergelaten - niet om de binnen liggende bezittingen te bewaken, want ze
hadden nu eenmaal niets wat dieven kon aanlokken - maar om de kapel niet zonder
eredienst te laten.
Iedereen nam [216]
zo veel voedsel mee als hij kon en wilde. De een nam zo veel brood mee
als nodig was voor zijn lichaam, een ander vijgen, weer een ander dadels, of in
water gekookt graan [in
water geweekte linzen]; soms nam iemand niets mee, behalve zijn
eigen lichaam en de vodden die
daaromheen hingen [de kleren die ze aan hadden],
en die voedde zich dan zo nodig met [planten die] [kruiden die]
wat er in de woestijn groeide.
[Want de] Maar er
was bij hen n regel en die was wet en werd door niemand
overtreden: [dat ieder dat voor zichzelf moest
beslissen, en dat niemand zich zou bemoeien met de onthouding van of de
handelingen van zijn medemonnik] niet van elkaar te weten hoe de
ander vastte of leefde. Want direct na het oversteken van de Jordaan
ging[en ze verschillende kanten op, ieder geheel op
zichzelf, de] men ver bij elkaar uit de buurt de grote woestijn [zelf als zijn eigen
stad [leefplek?]
beschouwend.] in en niemand kwam in elkaars nabijheid. Zelfs als
iemand in de verte een ander van de groep zag aankomen, dan nam hij
direct een andere route naar een ander gedeelte van de woestijn, want
ieder leefde [alleen met] voor zichzelf en voor God, onder [veelvuldig] voortdurend psalmzingen en [naar eigen regel] slechts datgene etend wat
zijn hand vond.
(8) Wanneer ze alle vastendagen op deze manier hadden
doorgebracht, keerden ze terug naar het klooster [een
week voor het feest van] op de
zondag vr de levenbrengende opstanding uit de doden van de [onze Heer en] Heiland [Jezus
Christus], de [zon]feestdag
die de kerk [viert] besloten heeft te
vieren met palmtakken vr het grote feest. Ieder keerde terug met de
vruchten van zijn eigen introspectie, zijn eigen geweten [als getuige van hoe hij zijn tijd besteed],
wetende hoe hij gewerkt had en [wat de vruchten
waren van] de zaden van welke inspanningen [die] hij gezaaid had. [En]
Helemaal niemand vroeg aan de ander [naar de
resultaten van zijn inspanning en] hoe of op welke manier hij de
strijd gestreden had.
[Deze is meer volgens Versie
1] Dit was de regel van het klooster en zo strikt werd die nageleefd.
Want in de woestijn streed ieder de strijd op zichzelf, alleen voor het
oog van de [Rechter] aanvoerder van
de wedstrijd, God, [nogal een verschil!] [niet met
de bedoeling] om op die manier geen mensen te behagen door [voor de ogen van iedereen te vasten] demonstratief
zelfbeheersing te betrachten. Wat namelijk ter wille van mensen wordt
gedaan, om [lofprijzing en eer te verwerven]
die te behagen, is niet alleen van geen nut voor de dader maar kan [soms] zelfs de oorzaak van grote [straf zijn] schade voor hem worden.
(9) [Gehoorzaam aan de
gebruikelijke regel] Naar de gewoonte van het klooster stak dus
ook Zosimas de Jordaan over, met slechts weinig proviand voor onderweg
bij zich, net genoeg voor de behoefte van het lichaam, en met het versleten
kledingstuk dat hij droeg. Hij hield zich [met
vreugde] aan de regel, doorkruiste de woestijn, en gunde zichzelf alleen
tijd om te eten als de natuur dat eiste. Hij sliep 's nachts op de grond,
altijd op de plek waar hij toevallig was als de avond aanbrak, [om een beetje te rusten en een beetje te slapen.] maar
hij bleef dan maar kort liggen en genoot weinig slaap. [Met] Al voor zonsopgang liep hij weer, met
een niet aflatende [217] drang verder [de woestijn in] te gaan. Zoals hijzelf zei, had
hij een verlangen diep in de woestijn door te dringen in de hoop daar [iemand] een vader te vinden die [een belangrijk voorbeeld, zoals we al gezegd hebben, voor
hem kon zijn.] zijn verlangen kon bevredigen. [In V.1 staat ...honger en
dorst bevredigen. Ik neem aan dat dit
spirituele honger en dorst is] Ingespannen zette hij zijn reis voort,
alsof hij zich spoedde naar een [bepaald persoon]
bekende herberg. [herberg? Heel wat anders
dan persoon (V.2) of plaats (V.1)]
Na [reeds] twintig
dagen zo te hebben [gelopen, stopte]
gereisd, onderbrak hij zijn tocht even toen het zesde uur
aanbrak[,om te rusten en] om naar het oosten
gericht zijn gebruikelijke gebed te doen. Het was namelijk zijn gewoonte om op
vaste tijden van de dag [zijn tocht] het
ingespannen reizen te onderbreken, zich even rust
te gunnen, staande psalmen te zingen en geknield te bidden.
(10) Terwijl hij zo aan het psalmzingen was met zijn ogen
strak op de hemel gericht, zag hij rechts van de plek waar hij stond te bidden
[In versie 2: ...uit
zijn ooghoeken..] [iets wat op de
verschijning van] de schim van wat een menselijk
lichaam leek. Aanvankelijk schrok hij omdat hij [dacht]
vermoedde dat hij de verschijning van een demon[ische geest] zag, en hij begon te trillen.
Maar na een kruis te hebben geslagen en zo de angst te hebben verjaagd
(zijn gebed was inmiddels beindigd), wendde hij zijn blik [in die richting] en zag inderdaad [dat het werkelijk] iemand tijdens het middaguur
[wat een vreemde invoeging] [of iets was dat op hem af kwam] lopen. [Het] Wat hij zag was naakt, met een zwart
lichaam, als door [de hitte van] de zon
geblakerd, en met slechts weinig haar, zo wit als wol, dat afhing tot in de
nek. [Dit is in V.1, waar het nog even een vorm
blijft. In V.2 is het vanaf nu al herkend als een vrouw: Het was in feite een vrouw waar hij naar keek, haar huid
zwart verbrand door de hitte van de zon. Het weinig haar dat ze had was zo wit
als wol, en viel tot op haar schouders.]
[De volgende 3 beslaan in V.1 slechts twee regels]
Toen Zosimas dat zag, [voelde
hij een sprankje vreugde in zijn hart opkomen]
werd hij door een goddelijk genoegen gegrepen, en [zich afvragende of hetgeen hij nu voor zich zag nu dat was
waar hij naar verlangde] zeer verheugd over dit wonderlijke
schouwspel [hoezo, wonderlijk schouwspel?]
begon hij te rennen in [die] de
richting waarin ook de verschijning zich spoedde. Hij was
onuitsprekelijk verheugd, want hij had in al die [twintig]
dagen geen menselijke [wezen] verschijning
gezien, zelfs geen dier of [vogel of beest] ook
maar een schim daarvan. Hij wilde nu weten [wat
voor wezen het was dat hij daar zag] wie
degene was die hij gezien had, hopende dat [het
iemand was die groter was dan hijzelf] hij in een groot geheim
ingewijd zou worden. [Bij vdH wordt het niet
duidelijk waarom hij nou zo blij is om iemand tegen te komen, omdat het een
paar geleden al niet goed vertaald was, en ook in deze niet duidelijk
gemaakt wordt dat deze verwachting van een groter iemand gerelateerd is aan
de verwachtingen die hij had toen hij zijn eerste klooster verliet en naar dit
klooster ging.]
(11) Maar toen [zij] hij
[het zou juister zijn geweest als vdH hier het zou hebben
geschreven] Zosimas van verre zag aankomen, zette de verschijning het
op een lopen, verder [vluchtte ze] de
woestijn in. Zosimas vergat toen als het ware zijn hoge leeftijd en [het maakte hem niet uit hoe hard hij moest lopen] dacht
niet meer aan hoe moeilijk het pad was,
[wat slecht vertaald toch weer] maar spande zich tot het uiterste in [om haar] de vluchtende in te halen [in zijn verlangen haar eens goed te zien]. [Hij bleef rennen, maar zij ook.] De een
achtervolgde, de ander werd achtervolgd. Zosimas [bleek
sneller te zijn] rende iets harder en geleidelijk aan [haalde hij haar in.] kwam hij dichter bij de
vluchtende. Toen hij binnen gehoorsafstand was gekomen, riep Zosimas in
tranen het volgende [hoezo tranen?]:
'Waarom vlucht u weg van mij, een [afgeleefde] oude man en zondaar? Dienaar van God, wacht op mij,
wie u ook bent, [ter wille van] in de
naam van God [in wiens naam] voor wie
u in deze woestijn [gekomen bent] woont! [hoezo,
woont?] [Luister naar] Wacht op mij, zwak en onwaardig als ik
ben, [ter wille] in naam van de hoop
die u hebt als beloning[en die u hoopt te
verdienen met] voor al die [218] inspanningen die u zich getroost. Stop
en [bid voor] laat deze oude man delen
in uw gebed en zegen [hem], in de naam
van God die niemand [afwijst die een beroep op Hem
doet] veracht!'
[Al deze dringende verzoeken
deed] Dat zei Zosimas in tranen, en intussen waren zij beiden
al rennend op een plek gekomen die de vorm had van een droge [rivier]bedding [was,
maar waarvan Zosimas dacht dat er nog wel water in stroomde. Toevallig vond
daar net een luchtspiegeling plaats, als zo vaak gebeurd in dat land.] van
een bergstroom. (Ik denk trouwens niet dat er ooit een bergstroom geweest is,
want waar zou die op deze plek vandaan moeten komen? Maar in ieder geval had
die plek zo'n vorm van nature.)
(12) [De] Toen ze
dan bij voornoemde plek waren aangekomen, rende de vluchtende [ging] naar beneden [de
rivierbedding in] en klom aan de overzijde weer omhoog, maar Zosimas [schreeuwde van schrik en durfde] kon van
uitputting niet [verder] meer lopen.
Hij [dacht naast een woeste stroom te] bleef
aan deze kant van de bedding staan en liet zijn tranen en weeklachten de
vrije loop[, steeds luider en luider, zodat].
Hij was nu zo dichtbij dat zijn gejammer [het
geluid van de denkbeeldige stroom zou overstemmen.] door de ander
gehoord kon worden.
[Hier lijkt de tekst het meest een samenvoeging van V.1 en V.2 te zijn.]
Toen zei de vluchtende gestalte het volgende [helderziende]:
'Vader Zosimas, vergeef mij in de naam van de Heer, maar
ik kan mij niet omdraaien en [om] zo
door u [aan te kijken] gezien worden,
[precies andersom dus weer eens] want ik
ben een vrouw, en ook nog naakt, zoals u ziet, met [zelfs] de schaamte[volle
delen] van mijn lichaam onbedekt. Maar als u echt de wens van [samen
met] een zondige vrouw wilt [bidden] vervullen, werp dan het kleed dat u aanhebt
naar mij toe, zodat ik mijn vrouwelijke zwakheid kan bedekken en me naar
u omdraaien om uw zegen te ontvangen.' [Volgens vdH
wist Zosimas dus toen pas dat het een vrouw was. Toch sterk dat hij dat niet
eerder gezien zou hebben.]
Daarop werd Zosimas door angst en verbijstering
bevangen [en zijn geest sprong bijna uit zijn
lichaam], want hij hoorde dat zij hem met zijn eigen naam,
Zosimas, had aangesproken. Maar [zeer
ervaren] schrander en wijs [op het
gebied van] in goddelijke [gaven]
zaken als hij was, [goddelijke zaken klinkt
toch wat stom.] [wist] begreep
hij [iemand] dat zij hem, die [hem] zij nooit had gezien en van wie ze
nooit [van hem] had gehoord, [hem] niet met zijn naam had kunnen aanspreken [tenzij dat onthuld was] als zij niet verlicht
was door de [klaarblijkelijke]
genadegave van de helderziendheid.
(13) Hij deed snel wat hem was opgedragen. Hij [deed] nam zijn [oude
en versleten] [mantel uit en] kleed,
wierp [die] dat haar toe [terwijl hij zich af]wendde zich af. Zij pakte
het [op] kleed en bedekte er die delen
van haar lichaam mee die het meer dan andere lichaamsdelen nodig hebben
bedekt [behoren] te worden.
Daarna wendde ze zich tot Zosimas en zei:
'Waarom [zou] wilt
u [deze] een zondige vrouw [willen zien] ontmoeten, vader Zosimas? Wat
[denkt] wilt u [in] van mij [te]
zo graag leren of zien [waar u iets van zou
kunnen leren], dat u [die nooit
teruggedeinsd bent voor] niet geaarzeld hebt u een zware
inspanning[en] te getroosten?' [iets heel anders dus]
Daarop [strekte hij zich uit
op de grond] viel hij op zijn knien en vroeg haar hem de gebruikelijke
zegen te geven [op de gebruikelijke manier].
Maar ook zij [boog voor hem] knielde neer,
en zo [lagen] zaten zij
beiden [uitgestrekt] geknield op de
grond en vroegen elkaar om [de] een
zegen. [een zegen? Wat is dat voor rare
formulering?] Ze zeiden [beiden slechts n
woord] niets anders tegen elkaar dan: 'Zegen mij!'
Na geruime tijd zei de vrouw echter tot [219] Zosimas:
'Vader Zosimas, het is passend dat u de zegen geeft en [het] een gebed uitspreekt, want u bent
bekleed met priesterlijke waardigheid en hebt vele jaren lang aan het heilige
altaar gestaan, [de geheimen van de gaven van
Christus goddelijkheid navorsend.] om dikwijls de mystagoog van de
goddelijke geschenken te zijn.'
Hierdoor werd Zosimas nog banger en angstiger en de
oude man [hij] begon [nog meer trillen en] te beven en [erg] te zweten en te hijgen en hij kon niet
meer uit zijn woorden komen. [Bijna zonder
kracht] Met horten en stoten en moeizaam ademend [in tranen] zei hij tot haar: 'Oh geestelijke moeder,
het is duidelijk uit heel uw [visioen]
optreden [visioen (V.2) is toch wel iets
heel anders dan optreden of levenswijze (V.1)] dat u [dicht] bij God [bent]
hebt vertoefd en dat u vrijwel aan de wereld bent gestorven. [Meer dan iets anders] Nog duidelijker is
het [duidelijk] dat u een genadegave
geschonken is, want u hebt me bij mijn naam aangesproken en gezegd dat ik een priester ben terwijl u me nog
nooit had ontmoet. Maar [zoals u weet wordt]
omdat genade niet [aan mensen gegeven
volgens hun status] blijkt uit ambten maar [volgens de capaciteit van hun zielen om die te ontvangen]
uit geestelijke gaven, [dus] moet
u [de zegen] mij in Godsnaam [geven] zegenen en voor mij bidden [in overeenkomst met uw staat van vervolmaking],
want ik heb uw hulp nodig.' [Toch wel weer iets
heel anders.]
(14) De vrouw gaf toe aan de [standvastigheid]
aandrang van de oude man en zei: '[Gezegend]
Geprezen zij [de Heer] God die zorgt voor het heil van mensen en zielen.'
Zosimas zei 'Amen' en beiden stonden op [van de grond] uit hun geknielde houding.
[Hier lijkt de tekst het meest op V.1.]
Toen [vroeg] zei de vrouw
[aan de ouderling] tot de grijsaard:
'Waarom bent u[, een man van God] naar mij, een
zondares, toegekomen? Waarom wilde u een vrouw zien die [naakt (van) en zonder enige deugd is] geen enkele
deugdzaamheid bezit? Misschien heeft de genade van de Heilige Geest u helemaal
hierheen gebracht om [mij op tijd (in verband met mijn lichamelijke zwakte)] u
een of andere dienst te [doen] laten
verrichten die bij dit moment past. Vertel mij eens, hoe gaat het
tegenwoordig met de christenheid? Hoe zijn de keizers?
Hoe wordt de kudde van de kerk geweid?'
Zosimas antwoordde haar kort: 'Dankzij uw gebeden,
moeder, heeft Christus aan allen een stabiele vrede geschonken. Maar [vervul] luister naar het [onwaardige] verzoek van een onwaardige oude
man, en bid voor de hele wereld en voor mij, een zondaar, dat mijn zwerftocht
door deze woestijn niet vruchteloos voor mij zal blijken te
zijn.' Daarop antwoordde zij hem: 'Vader Zosimas, u zou juist voor mij en alle
anderen moeten bidden, want u hebt het priesterambt, zoals ik al zei, en juist
dat hoort bij uw [roeping] taak. Maar
omdat ons bevolen is gehoorzaamheid te betrachten, zal ik graag doen wat u mij hebt [gevraagd]
opgedragen.'
[Hier lijkt de tekst het meest op V.1.]
(15) [Met deze woorden] Nadat
ze dat gezegd had, wendde ze zich naar het oosten [waarom naar het oosten?],
ze hief haar ogen op naar de hemel en strekte haar handen uit, en ze begon zacht
fluisterend te bidden. Haar stemgeluid was [zeer
zacht] niet gearticuleerd, zodat Zosimas [de woorden] niets van haar gebed [niet] kon verstaan. Maar hij stond [220] daar, bevend en wel, en staarde naar de grond
zonder iets te zeggen. [Waarom stond hij toen al te
beven?], En hij zwoer later, God
als getuige aanroepend, dat toen hij merkte dat ze maar bleef bidden, hij even
opkeek van de grond en zag dat zij wel een halve meter boven de aarde [opgetild was] zweefde en gewoon
in de lucht [stond] hing terwijl ze bad. [Hoezo gewoon in de lucht?] [Door dit schouwspel] Daardoor werd hij door
een nog grotere vrees bevangen [en hij wierp zich
ter aarde] [ontbreekt bij vdH, maar zowel in
V.1 als V.2 genoemd] [, badend in het zweet
en in paniek, huilend]; hij was zo bang dat hij helemaal niets meer durfde zeggen.
Alleen bij zichzelf herhaalde hij telkens: 'Heer, [heb genade met mij] ontferm u!'
Terwijl hij [uitgestrekt] op
de grond lag, werd [hij] de oude man ineens
gekweld door de gedachte dat zij misschien een boze geest
was en het gebed [misschien schijnheilig vertoon] maar uit een spel bestond. Maar de
vrouw draaide zich om, hielp hem overeind en zei: 'Vader, waarom laat u zich in
de war brengen door zulke [achterdochtige] kwellende
gedachten over mij, dat ik een boze geest zou zijn en mijn gebed [gehuicheld] maar een spel? Weest u ervan
overtuigd dat ik een zondige vrouw ben, [hoewel]
maar beschermd door de heilige doop. En ik ben geen geest, maar [stof] aarde en as en [alleen]
helemaal van vlees, [en geen spirituele verbeelding
heeft mijn geest ooit bezeten] [ontbreekt in
V.1] zonder geestelijke gedachten.' Op het moment dat ze dat zei,
[beschermde ze zichzelf met] maakte ze
het kruisteken op haar voorhoofd, haar ogen, haar lippen, en haar borst, en zei
vervolgens: 'Vader Zosimas, moge God ons bevrijden van de boze en zijn
hinderlagen, want zijn [kwaadaardigheid naar]
macht over ons is groot.'
[Hier lijkt de tekst het meest op V.1.]
(16) Toen de grijsaard dit alles gehoord en gezien had,
wierp hij zich ter aarde, pakte haar voeten beet en riep in tranen uit: 'Ik [smeek] bezweer u in de naam van Christus onze
God, die uit een maagd geboren is, ter wille van wie u zich [van kleren ontdaan hebt] met deze naaktheid
bekleed hebt [met naaktheid bekleed? Wat een
onzin] en uw [vlees] lichaam zo
uitgeteerd hebt, verberg toch niet voor uw dienaar wie u bent, vanwaar u komt,
[en hoe en waarom]
wanneer u in deze woestijn [gekomen]
bent komen wonen en hoe u dat doet? Verberg voor mij toch niets
aangaande uzelf, maar vertel alles, zodat de grote daden van God [bekend gemaakt kunnen] manifest
worden. "Want verborgen wijsheid en een onzichtbare schat, wat voor nut
heeft men daarvan?", zo staat er geschreven. (Ecclesiasticus 20.30) Vertel mij
alles ter wille van de Heer. Want u zult dat niet doen om op te scheppen of
ermee te pronken, maar om mij, een onwaardige zondaar, [met het vertellen van de waarheid] tevreden te stellen. Ik geloof
namelijk dat God, [in] voor wie u
leeft [in (V.2) of voor (V.1), een belangrijk verschil] en [voor wie u] werkt, mij hiervoor naar deze woestijn
heeft geleid, namelijk om mij te openbaren wat hij voor u gedaan heeft. Het
ligt niet in onze macht ons te verzetten tegen Gods [plannen]
beslissingen. Want als het niet de wil van Christus
onze God was geweest dat u en uw [strevingen]
strijd bekend zouden worden, dan had hij [mij]
nooit toegestaan [221] [u te zien]
dat iemand u zag en had hij mij niet
de kracht gegeven [deze] zo'n lange reis
te maken, ik die mijn cel nooit [durfde] wilde
of kon verlaten.'
[Hier lijkt de tekst het meest
op V.1. Ik zal toch nog vader door Abba vervangen; dat heeft toch een iets
andere gevoelswaarde.]
(17) Toen [Abba] vader
Zosimas dit en nog veel meer gezegd had, hielp de vrouw hem overeind en zei tot
hem: 'Ik schaam me, [Abba] vader, te
spreken over de schandelijkheid van mijn daden, vergeef mij ter wille van de
Heer. Maar nu u toch al mijn naakte lichaam gezien hebt, zal ik nu
voor u [net zo] ook mijn daden
onthullen, zodat u weet van hoeveel schande en schaamte[volle begeerten] [en obsceniteiten]
mijn ziel vervuld is. Want het is niet zo, zoals u dacht, dat ik uit [ijdelheid wegrende] angst voor opschepperij niets
over mijzelf wilde vertellen. (Trouwens, [want]
wat heb ik om [trots op te zijn] over op te
scheppen, ik die een uitverkoren instrument van de duivel was?) Maar
ik weet dat, als ik met mijn verhaal over mijzelf begin, u van mij zult
wegrennen, zoals men bij een slang vandaan rent, want uw oren zullen [de walglijkheid van mijn daden] het niet [kunnen] verdragen naar mijn schanddaden te
luisteren. Toch zal ik het u vertellen zonder iets te [verbergen] verzwijgen, maar ik smeek u eerst [dat u] ononderbroken voor mij [zult] te bidden [op]dat
ik genade mag vinden [op de dag] ten tijde
van het laatste oordeel.'
Terwijl de grijsaard onbedaarlijk zat te huilen,
begon de vrouw met haar levensverhaal. Dat ging als volgt:
(18) '[Heilige vader] Broeder,
[Hoezo ineens broeder?] [ik] mijn vaderland was [in] Egypte [geboren].
Toen mijn ouders nog leefden en ik nog maar twaalf jaar oud was, [verwierp ik hun liefde] zette ik mijn genegenheid
voor hen overboord en vertrok [ik in een
rebelse opwelling] naar Alexandri. Ik schaam me [om me] te [herinneren hoe]
bedenken dat ik daar [om te beginnen] direct
al mijn maagdelijkheid [verwoestte] verloor
en mij [daarna] ongeremd en onverzadigbaar
overgaf aan [een leven van oneindige]
seksuele hartstocht. Het is [passender om dit kort te
noemen] bijna te erg om nu te vertellen, maar laat ik heel kort dit
zeggen, zodat u iets van mijn hartstochtelijke genotzucht [en ontucht afweet] begrijpt:
ruim zeventien jaar lang heb ik publiekelijk een leven van vurige
bandeloosheid geleid (vergeef me dat ik het zeg), [maar]
en ik deed dat echt niet om daarmee iets te verdienen, [ en hier spreek ik de pure waarheid ] want [vaak wilden ze] als mensen me er iets
voor [betalen] wilden geven, [maar weigerde] nam
ik het [geld] heel dikwijls niet eens aan.
[Het was eenvoudig weg omdat ik aangevuurd werd
door een brandend verlangen naar seks dat het makkelijker was om aan mijn
gerief te komen als ik] Ik was eropuit om
van zoveel mogelijk mannen [te versieren]
de aandacht te trekken en [gratis deed wat mij
plezier gaf.] mijn gerief was mijn beloning. Denk niet dat ik
niets [om betaling vroeg] aannam
omdat ik welgesteld was, want ik moest rondkomen door te bedelen [of] en vaak ook door vlastouw te
spinnen. Nee, ik had gewoon een onverzadigbare begeerte en een ontembare
lust om mij in de modder te wentelen. Dt was voor mij het [echte] leven, [als ik
er maar oneindig mee door kon gaan mijn eigen natuur geweld aan te doen.]
en ik vond het heel natuurlijk altijd elke denkbare schanddaad uit te
voeren.
(19) Toen ik zo op die manier mijn leven leidde, zag ik [op een] 's zomers een [222] keer een grote groep Libysche [Lybische] en Egyptische mannen [zich bij de haven verzamelen] naar de zee rennen. [Het
is tenslotte in Alexandri] Ik vroeg aan [een
voorbijganger] de eerste de beste die ik kon aanhouden waar die
mannen zo haastig naar op weg waren. Hij zei: "Ze gaan allemaal naar
Jeruzalem voor het feest van de [Exaltatie] verhoging
van het [Heilige Kruis] kostbare kruis
dat daar over enkele dagen gevierd gaat worden." [verhoging
van het kostbare kruis is wel een erg krakkemikkige vertaling, die wederom
vdHs gebrekkige kennis van de (christelijke) geschiedenis verraadt.] [Dit feest werd gehouden ter herdenking aan de
inwijding in 335 door Keizer Constantijn van een basiliek op de plek van het
Heilige Graf.]
Toen zei ik tot hem: "Als ik mee zou willen, denk je
dat ze me dan zullen meenemen?" En hij zei tegen mij: "Als je
reisgeld en iets te eten hebt, zal niemand je tegenhouden."
"Broeder," zei ik, "[om je de waarheid
te zeggen,] reisgeld en eten heb ik echt niet, maar toch ga ik
mee [aan boord]. Ik ga op een van die
gehuurde schepen en ze zullen me voeden ook als ze het niet willen, want ik
heb een lichaam en dat [zullen] kunnen
ze [wel willen nemen in plaats van] krijgen
als reisgeld." [Eigenlijk] In feite
wilde ik [vooral] namelijk mee (vergeef
mij, vader!) om op die manier een [zo] groot [mogelijk] aantal minnaars binnen handbereik te hebben
ter [bevrediging] wille van mijn
wellust. Ik [waarschuwde] zei u al, [Abba] vader Zosimas, [me
niet te dwingen] word niet boos dat ik u [te] vertel[len] over mijn
schaamteloosheid. [God is mijn getuige] De
Heer weet dat ik [bang ben om] huiver
bij de gedachte u en de lucht te bezoedelen met mijn woorden.'
(20) Zosimas, [terwijl hij]
die al die tijd met zijn tranen [op de]
de grond [drupten] bevochtigde, zei
tot haar: 'In Godsnaam, moeder, houd niet op met spreken, onderbreek dit zo
heilzame verhaal niet!'
Hierop [vervolgde] hernam
zij [haar verhaal] het woord en ging [door] als volgt verder: 'Die jonge man die
mijn schandelijke opmerkingen had gehoord ging er lachend vandoor. Ik gooide de
spintol die ik bij me had weg (die had ik namelijk al die tijd bij me gedragen
[om wat te spinnen]) en rende naar de [kade] zee
in de richting waarin ik [iedereen] ook
de anderen zag [gaan] rennen. Ik zag
daar een aantal jonge mannen bij het strand staan, tien of zelfs meer, [vol levenskracht] sterk van lichaam en [alert] mooi van beweging, en ze leken me wel
afdoende voor wat ik wilde. [Sommigen] Ze
leken nog op sommige mede-opvarenden te wachten, [terwijl anderen aan wal waren gegaan] maar anderen
waren al voor hen uit de boten ingegaan. [Precies
andersom, weer eens] Schaamteloos, zoals mijn gewoonte was, [begaf] sprong ik [me
onder hen] in hun midden en zei: "Neem ook mij mee waar
jullie ook heen gaan. Het zal blijken dat ik niet zonder nut voor jullie ben!"
Ik maakte ook nog andere schandelijke opmerkingen en ze moesten er allemaal om
lachen. Zodra ze merkten dat ik tot elke schaamteloosheid bereid was,
namen ze me [graag] mee [aan boord] naar een van de schepen die klaarlagen.
[Degenen die ze verwachtten kwamen ook en we gingen meteen onder zeil] Ook zij waren nu in
een toestand gekomen waarin ik altijd al was. Daarop vingen we de zeereis aan.
(21) [O man van God,]
Wat er toen gebeurde, hoe moet ik u dat vertellen, beste man? [beste man in plaats van man of God! Hoe is het in
godsnaam mogelijk?!] [223] Welke tong
kan verhalen, welk oor [zou willen] kan
aanhoren [al dat] wat er tijdens die
reis op dat schip is voorgevallen! Zelfs arme [jongelingen]
stakkers die het helemaal niet wilden dwong ik mee te doen! Er is
geen vorm van bandeloosheid te bedenken, onuitsprekelijk of niet, die ik [hen] die stakkers niet geleerd heb. [Abba] Vader, ik ben nog verbijsterd dat de zee
mijn wellust heeft verdragen. Waarom heeft de aarde haar mond niet geopend en [waarom heeft de hel] mij, die zo veel zielen in haar
strikken gevangen had, [niet] levend en wel [opgeslokt] naar de onderwereld afgevoerd? Maar
ik denk dat God mijn bekering zocht, want hij wil de dood van de zondaar niet,
maar hij volhardt in Zijn lankmoedigheid,
wachtend [Hij tot de zondaar naar Hem
terugkeert] op de ommekeer. [Tenslotte
arriveerden we in] Zo gingen wij dan gretig op naar Jeruzalem. [De] En alle dagen die ik voorafgaand aan het [festival] feest in de stad doorbracht gedroeg
ik mij evenzo, of [misschien] liever gezegd,
nog erger. Want ik had niet meer genoeg aan alleen die jongemannen die ik op
zee had gehad en die mij [hadden geholpen naar
Jeruzalem te komen] onderweg ten dienste stonden, ik [verleidde] misbruikte nu ook vele anderen[,] en verzamelde daartoe [verzamelde is toch wel een vreemd begrip in dit
verband, en het staat ook niet in V.1.] niet alleen inwoners van de stad
maar ook pelgrims. [In V.2 staat: ... en betrok veel andere pelgrims en burgers bij mijn
slechte daden.]
(22) Toen [de heilige dag]
het heilige feest van de [Exaltatie] verhoging
van het [Kruis] kruis aanbrak, [was] bleef ik [nog
steeds rond aan het fladderen,] als voorheen rondgaan op jacht
naar zielen van jongemannen[, hun zielen
bezoedelend]. [Juist niet op jacht naar hun
zielen, maar hun lijven natuurlijk.] Ik zag [bij
zonsopgang] toen dat vroeg in de ochtend allen [zich naar] bij
de kerk [haastten] samenstroomden en ook
ik [rende] ging erheen samen met de
anderen. Met hen betrad ik de voorhof van het gebouw, en toen het [tijdstip] uur van de [Exaltatie van het Heilige Kruis] goddelijke
verhoging aangebroken was, duwde ik [voorwaarts]
en werd ik [van achteren voorwaarts] geduwd
[maar op de een of andere manier maakte ik niet
veel voortgang terwijl ik] en ik deed mijn best om krachtdadig
samen met de menigte de [kerk probeerde in te
komen.] ingang te bereiken. Zo kwam ik, beklagenswaardig wezen,
met veel pijn en moeite tot aan de ingang [van de
tempel] waardoor men binnenkwam in het heiligdom [van]waar [de] het
levenschenkende [Boom van het Kruis aan de mensen] hout werd getoond. Zodra ik [op] de drempel [stapte]
van de poort betrad waardoor[over]
alle anderen ongehinderd naar binnen gingen, werd ik echter tegengehouden
door een goddelijke kracht die mij niet
toeliet naar binnen te gaan. Ik werd [eruit
gegooid,] achteruit geduwd en ik constateerde dat ik als enige
nog in de voorhof stond. Omdat ik eerst dacht dat dat alleen maar kwam omdat ik
als vrouw niet zo sterk ben, mengde ik me onder een andere groep en probeerde opnieuw
om mijzelf naar binnen te duwen door zo hard mogelijk met mijn ellebogen te
werken. Maar al mijn inspanningen waren
tevergeefs.
Want zodra mijn armzalige voet de drempel [aanraakte] betrad, [en] ontving het heiligdom opnieuw de anderen zonder [hinder de kerk ingingen] dat iemand [Hoezo iemand? Eerder, iets, dacht ik zo.] hen tegenhield, [wilde de kerk mij] alleen mijn rampzalige
persoontje [224] wilde het niet
ontvangen. Het was alsof er een legermacht speciaal stond opgesteld om mij de
toegang te verhinderen. [Weer werd ik door] Een
[dezelfde machtige] massieve
kracht [buitengesloten] hield me tegen en daar stond
ik weer in de voorhof.
(23) [Ik probeerde het nog]
Dit overkwam me drie of vier keer, [maar toen
was ik uitgeput] en toen gaf ik het op, want ik had geen kracht
meer om te duwen en teruggeduwd te worden; van de inspanning was mijn
lichaam namelijk erg moe geworden. Ik trok me terug en ging in een hoek van
de voorhof van het heiligdom staan [mijn
verstand nauwelijks in staat te begrijpen]. Op dat moment pas begon
het mij langzaam te dagen wat de oorzaak was die verhinderde dat ik het
levenschenkende [Kruis] hout te zien zou
krijgen[, toen plotseling]. Want een
heilzaam inzicht raakte de ogen van mijn hart [zachtjes]
aan[raakte] en liet mij [onthulde] zien dat het de vuiligheid van mijn daden was die de toegang voor
mij afsloot. Ik begon te huilen en te weeklagen en op mijn borst te slaan,
terwijl ik zuchten slaakte die uit de diepte van mijn hart kwamen. Terwijl ik [zo stond te huilen] huilde, zag ik boven [me] de plek waar ik stond een [icoon] beeld van de heilige moeder Gods staan,
[in V.2 staat, image] en [me tot haar wendend en] haar [met mijn lichamelijke en geestelijke] diep in de
ogen [op haar gericht] kijkend zei ik:
"Maagd en meesteres, die het goddelijke Woord
[van God in] naar
het vlees hebt [geboren doen worden] voortgebracht,
ik weet, ja ik weet [heel goed] dat het [voor u geen eer en lof] niet passend en
verantwoord is [als iemand die zo vuil en zedeloos
is als] dat ik in zo'n vuile en zedeloze staat een [opkijkt naar een beeltenis] beeld zie van u
die altijd maagd bent, u de onbevlekte, u die uw lichaam en ziel altijd rein en onbevlekt
hebt gehouden. Het zou juist zijn als u in uw reinheid mij in mijn
bandeloosheid haat en veracht. Maar omdat ik heb gehoord dat de God die u
gebaard hebt mens is geworden [met het doel] om
zondaren tot bekering te roepen, vraag ik u: help mij toch, want ik [sta alleen] ben eenzaam en ik heb niemand
om mij te helpen! Beveel toch dat ook [voor]
mij [de] toegang tot de kerk [geopend] gegund wordt. [Sta me toe] Misgun mij toch niet het [eerbiedwaardige] hout te zien waarop [Degene] de God die [uit]
u [geboren is] gebaard hebt, [in den vleze geleden heeft en waarop hij] vastgespijkerd zijn [heilige]
eigen bloed voor [de Verlossing van zondaren en
voor] mij[, onwaardig als ik ben,] als
een losprijs heeft gegeven. [Ik smeek u]
Geef toch bevel, meesteres, dat de deur [te
openen] ook voor mij wordt geopend zodat ik [bij] het kruis [van de
Heer] kan [komen] aanbidden.
Dan [zweer] neem ik [een plechtige eed aan] tegenover de uit u [die waardig was Christus te baren] geboren God
uzelf als betrouwbare borg [Wat een kromme en
onbegrijpelijke zin heeft vdH ervan gemaakt, met zijn betrouwbare borg.] dat ik mij nooit meer [mijn]
aan dit vlees [in de smeerboel van de
promiscuteit zal laten zinken] zal bezondigen [Wat betekent aan dit vlees?] door wat voor
seksuele schanddaad dan ook. [Zodra] Wanneer
ik het kruishout van uw Zoon [ge]zie[n heb], zal ik direct de wereld en alles wat in
de wereld is [verzaken] vaarwel
zeggen en zal ik[, ter vervulling van mijn
gelofte,] terstond daarheen gaan waarheen [u]
uzelf, de borg van mijn behoud, mij beveelt en leidt."
(24) [Terwijl ik] Nadat
ik dat [zei, kreeg ik een warm gevoel en]
gezegd had, was het alsof ik als een soort [hoop op] bevestiging een [vast] vurig geloof [kreeg] ontving, en [een vertrouwen in] bemoedigd door de
barmhartigheid [225] van de moeder Gods[. Ik] verliet ik de plek waar ik [had staan bidden en] mijn bede had gedaan.
Opnieuw mengde ik mij onder de mensen die [de
kerk in] naar binnen gingen en [deze
keer] er was [er niets] niemand
meer [dat] die me [terug] wegduwde, [niets
dat] niemand meer die me verhinderde
bij de deur [naar de kerk] te komen waardoor
men het heiligdom binnenging. [Hoezo niemand?
Eerder, niets, dacht ik zo.] [Ik werd
overweldigd door een extatische trilling die
alle botten in mijn lijf deed] Angst en extase bevingen me en ik
begon helemaal te beven en te trillen. Toen ik de deur, die [ik]
eerst [niet door had kunnen gaan] onbereikbaar
voor mij was geweest, bereikt had, was het alsof heel die[zelfde] macht die mij eerst had tegengehouden, mij
nu de [weg voor mij vrijmaakte] ingang
binnenleidde, [en me naar binnen trok,]
zo moeiteloos kwam ik binnen.
Zo [bevond] trad
ik [mij in] het [heiligste
der] heilige gebouw binnen en ik werd [waardig
bevonden om het mysterie van het dierbare en] de aanschouwing van het
levenschenkende [hout van het] kruis [te
bewonderen] waardig gekeurd. Ik [begreep toen]
zag [ook] de [beloften
en Mysterin] geheimenissen van
God en [wat] begreep hoe gaarne hij [had gedaan om de acceptatie van zondaren mogelijk te
maken.] bereid is hen die zich bekeren te ontvangen. Ik, ongelukkige,
wierp me ter aarde en [vereerde en] kuste [die] de heilige grond. Daarna [ging] rende ik naar buiten en haastte mij naar
haar die mijn borg was geweest. [Op dezelfde]
Ik ging naar de plek waar ik [mijn eed
gezworen] het document met mijn gelofte ondertekend [wat voor document bedoelt vdH nou? En hoe zou ze dat
met een gelofte kunnen ondertekenen?] had, knielde [ik] daar neer voor [het gezicht van de heilige Maagd,] de moeder Gods die altijd
maagd is, en [bad] zei tot haar het
volgende:
(25) "O, [liefhebbende]
meesteres die het goede mint, u hebt uw [grote
liefde voor alle mensen] menslievendheid jegens mij
getoond, [juist niet jegens mij!] u hebt [mijn] de smeekbede van deze onwaardige [gebeden] vrouw niet geminacht. Ik heb nu [een] de heerlijkheid gezien die [zondaren] de bandelozen terecht niet [verdienen] te zien krijgen.[, de glorie van
de almachtige] Eer zij aan God die dankzij u de [boetedoening en het
berouw] bekering van zondaars accepteert. [boetedoening (V.2) en berouw (V.1) is toch weer heel wat
anders dan bekering.] Wat kan ik, een zondares, nog meer [te berde brengen] denken of zeggen? Nu is het de
tijd [voor mij], oh meesteres, om de gelofte
waarvoor u [getuige was] borg hebt gestaan
verder in te lossen. [Vertel] Breng
mij nu waarheen [ik moet gaan] u wilt,
wees mijn [reddende gids] lerares in het
heil, en leid mij aan de hand naar de weg die tot [boetedoening
en berouw] bekering leidt."
Toen ik dat gezegd had, hoorde ik [een stem van boven] van
verre iemand roepen:
"Als je de Jordaan oversteekt, zul je een [antwoord op je gebed] goede
rustplaats vinden." [goede
rustplaats is weer zon absurde vertaling; in V.1 zou het als glorievolle
rust opgevat kunnen worden.]
[Toen] Zodra ik die
stem hoorde, geloofde ik dat die [speciaal]
er ter wille van mij geweest was en ik barstte in tranen uit en riep tot [de beeltenis van] de moeder Gods: "Meesteres,
meesteres, laat mij niet [in de steek] alleen!"
[Met] Na die [woorden]
hartenkreet verliet ik de voorhof van het heiligdom en haastte mij
ervandaan.
(26) Terwijl ik wegliep, gaf iemand die mij zag mij drie
muntstukken met de opmerking: "Neem die van mij aan, [zuster] moeder." Ik nam [het geld] de gift aan en kocht er drie
broden van die ik als [een] gezegende [gift] leeftocht voor onderweg meenam. [gift is toch weer wat anders dan leeftocht]
Ik vroeg aan de man [die het brood] bij wie
ik de broden [ver]kocht: "Meneer,
waar [is] loopt de weg die naar
de Jordaan leidt?" [Hij wees me de weg
naar de] Zodra ik hoorde welke stadspoort [die] in die richting leidde, [en ik rende de poort door] ging ik daar snel de stad uit [226] en begon ik [nog
steeds] huilend aan mijn reis.
[Aan voorbijgangers] Ik
vroeg [ik] overal de weg en de rest van de dag [liep] reisde ik [verder];
het was geloof ik [negen] het derde uur [dat]
toen ik het [Heilige Kruis] kruis [had gezien] zag en het was tegen
zonsondergang dat ik [eindelijk] de kerk van
[de heilige] Johannes de Doper [op de oever van] vlak bij de Jordaan
bereikte. Eerst ging ik in de kerk bidden, direct daarna daalde ik af naar de
Jordaan en waste daar mijn gezicht en handen met het heilige water. Ik
nam deel aan de [heilige] onbevlekte en levenschenkende Mysterin [van Christus
de Heer] in de kerk van de Voorloper, en daarna at ik de helft van een
van de broden en dronk ik [water] uit de
Jordaan. Daar bleef ik die nacht op de grond slapen. De volgende morgen trof ik
daar een klein bootje aan en daarmee ging ik naar de overkant. Opnieuw vroeg ik
mijn leidsvrouw mij te leiden waarheen zij maar wilde. Zo kwam ik in deze
woestijn aan en vanaf dat moment tot op de dag van vandaag ben ik [vervreemd van alles, uit de buurt van mensen blijvend, en
van iedereen weglopend] blijven lopen en verblijf ik hier [me vasthoudend aan] wachtend op mijn God, die
[allen] diegenen redt die zich vanuit
hun kleinmoedigheid [en turbulentie] tot hem
wenden.' [Enige discrepantie hier tussen V.1 en V.2
(waar in V.2 een stuk ontbreekt), maar toch in de storm is wel erg vreemd
vertaald.]
(27) Zosimas zei toen tot haar: 'Hoeveel jaren zijn
er verstreken, [moeder] mijn meesteres,
sinds u in deze woestijn [leeft] komen wonen?'
[wonen kan je het toch niet echt noemen, en dat
staat er ook niet.] De vrouw antwoordde: 'Ik [denk]
geloof dat het 47 jaar geleden is dat ik de heilige stad
verliet.' Daarop zei Zosimas: 'Wat voor voedsel heeft u hier dan kunnen vinden,
mijn meesteres?' De vrouw zei: 'Toen ik de Jordaan overstak, had ik nog tweenhalf
brood bij me; die [waren spoedig uitgedroogd en
werden zo hard als steen] zijn langzamerhand door uitdroging
versteend en [een aantal] al die
jaren ben ik daarvan kleine stukjes blijven eten.' [een
aantal is toch een stuk minder dan al die = 47 jaar, dus het wonder wordt
daardoor minder overdreven zoals bij vdH.] Toen zei Zosimas: 'Maar [hoe heeft] bent u al die vele jaren dan
[kunnen leven] zonder [ziek
te worden] moeite doorgekomen, [toch
weer even iets heel anders] zonder dat [u onder
die totale] die plotselinge
verandering [geleden heeft] u in de
problemen heeft gebracht?' [toch weer even heel
anders] Daarop antwoordde de vrouw: '[U doet me
aan dingen denken] Daar vraagt u me wat, vader Zosimas, [waarover] en ik huiver om erover te
spreken. Want als ik nu de herinnering[en] zou
ophalen aan al die gevaren [die ik overwonnen] waaraan
ik blootgestaan heb en de [gewelddadige]
gedachten die me [verward] zo vreselijk
gekweld hebben, ben ik bang dat ik opnieuw daarvan te lijden krijg.' Maar
Zosimas zei: '[Moeder] Meesteres,
houd alstublieft niets achter [en] van wat u
mij kunt vertellen [mij alles]!
Want ik heb u dit met maar n doel gevraagd: dat u mij in n keer alles onderwijst zonder iets over te slaan.' [Deze laatste zin staat niet in V.1, maar in V.2 staat:] [ [Nu dat ik u heb ontmoet, bent u in de openbaarheid gebracht, en het zou alleen maar juist voor u zijn om ons voor te lichten zonder iets achter te houden.]
(28) Ze zei toen: 'Geloof mij, [Abba]
vader, zeventien jaar heb ik door [in]
deze woestijn [doorgebracht] rondgetrokken
in voortdurend gevecht met de wilde dieren van mijn redeloze begeerten [en hartstochten]. [Het is
vreemd dat in de vorige passage over 47 jaar wordt gesproken, maar nu en in
alle volgende passages over 17 jaar.] Zodra ik [een beetje at] begon te eten, [dacht ik met spijt aan] begeerde ik het
vlees en de vissen [die ik altijd in]
die Egypte [at] mij te bieden had;
ook [betreurde] begeerde ik [het geen] wijn [227]
te [hebben] drinken waarvan ik zo
[van hield] veel genoegen had gehad,
want ik dronk veel wijn toen ik nog in de wereld leefde. Maar hier had ik [nauwelijks] zelfs geen
water om te drinken terwijl ik [brandde van
de dorst] verging van de hitte en [bijna
bezweek door gebrek daaraan.] die behoefte ondraaglijk was. Ook [kwam er] kreeg ik een [waanzinnige] vreemde begeerte naar de [losbandige] hoerenliedjes [daar heb je vdH weer met zijn hoeren.] [in mij op, die mij] waardoor
ik erg [verwarde] in de war raakte
en [die mij er toe aanzette] bijna
overgehaald werd weer [al] die [duivelse liedjes] demonische liederen te gaan
zingen die ik vroeger geleerd had. [Als deze begeerte
in mij opkwam, ] Huilend sloeg ik [mezelf]
mij dan op de borst en herinnerde mezelf aan de [eed] afspraak die ik [gezworen]
gemaakt had toen ik wegtrok naar de woestijn [introk]. Ik ging dan in gedachten [weer] staan voor [de
beeltenis] het beeld van de moeder Gods die mij [met haar vertrouwen moed gegeven] aangenomen
had en ik bad huilend tot haar dat ze die gedachten zou verjagen die [waaraan] maar in mijn arme ziel [ten onder ging.] ronddraaiden. [dat is toch heel wat erger.] Als ik dan [heel lang] voldoende gehuild had [voldoende is weer zon onvoldoende vertaling]
en zo hard als ik kon op mijn borst had geslagen, dan zag ik [uiteindelijk] een licht dat mij van alle
kanten [op mij] omstraalde,
en [na de woeste storm daalde een kalmte neer] vanaf
dat moment veranderden de wilde golven in mij in een kalme windstilte.
(29) Maar de [al die]
gedachten [aan ontucht] die me weer
[nenauwden] terug wilden duwen
in de hoererij, [daar heb je vdH weer met zijn
hoeren.] [Abba] vader, hoe kan
ik u [daarover] die nu vertellen? Er brandde
een [fel] vuur in mijn arme hart dat mij
geheel en al in vlam zette en mijn begeerte naar [seks]
genot aanwakkerde. Wanneer zulke gedachten opkwamen, wierp ik mij
onmiddellijk [languit] op de grond en maakte
[die] de bodem nat met mijn tranen, [een bodem is toch wat anders] [terwijl het leek alsof] denkend
dat zij die [mijn getuige was] borg voor
mij stond [voor] mij [was verschenen] zou bijstaan [heel letterlijk dus en niet van een afstandje bijstaan]
[in mijn ongehoorzaamheid] en mij [met] als
overtreedster de straffen voor die overtreding [dreigde] zou voorhouden. Ik stond dan niet
eerder op van de grond - en soms moest ik een hele dag en een nacht zo blijven
liggen! - voordat dat [rustige en]
zoete licht [op] mij [neerdaalde en me verlichtte] omstraalde en
mijn kwellende gedachten verjoeg. Ik [hield dan]
trachtte altijd mijn geestesoog onafgebroken op haar, mijn [Beschermster] borg, gericht te houden
en [vroeg] haar [om
haar] hulp [uit] te [strekken tot iemand] vragen voor mij die in de
[golven] zee van de woestijn [snel ten onder ging.] aan zo veel gevaren
blootstond. [In V.2, misschien wel duidelijker:
...mij in mijn eenzaamheid en boetedoening
te helpen.] En ik kreeg haar
bijstand, en zij [was er altijd om mij te helpen
en mijn berouw te aanvaarden.] hielp mij bij mijn bekering. [Wederom, bekering is niet hetzelfde als berouw.] Zo
[heb] ben ik die eerste zeventien
jaren [geleefd] doorgekomen, levend met
[temidden van constante] ontelbare
gevaren, maar sindsdien tot op de dag van vandaag[, is
de Moeder van God] heeft mijn [constante]
helpster [geweest en heeft ze] mij in
alles bijgestaan en mij door alles heen geleid.'
(30) Zosimas zei tot haar: 'Had u dan geen voedsel en
kleding nodig?' Zij antwoordde: 'Zoals ik al zei, toen die broden[, waarover ik al sprak,] opgeraakt waren, heb ik [me] zeventien jaar lang mij gevoed met
planten en andere dingen die ik in de woestijn vond. [Omdat er in de meeste passages over 17 jaar in de
woestijn wordt gesproken, lijkt V.1 het meest plausibel. In V.2 staat namelijk:
Ik heb met die broden 17 jaar gedaan, zoals ik u al zei, waarna ik ...]
[De kleren die] Het kledingstuk dat
ik droeg toen ik de Jordaan overstak, [raakten
gescheurd en versleten] versleet natuurlijk en raakte op. Ik heb
dan ook veel [228] geleden van de koude en de
[extreme] hitte. Ik werd beurtelings
verbrand[de] door de zon [in de zomer] en [rilde
en] verstijfd[e in de tijden van de vreselijke] door de
vorst [en kou], zodat ik vaak alleen nog
maar bijna ademloos en bewegingloos op de grond bleef liggen trillen.
Ja, ik heb met veel ellende en niet aflatende verzoekingen te maken gehad. Maar
tot op heden heeft de kracht van God mijn zondige ziel en mijn vege lijf op
allerlei wijzen bewaard. Als ik alleen al bedenk voor wat voor kwaden hij mij heeft
behoed, dan [weet] heb ik [dat ik gevoed wordt met het] een onvergankelijk
voedsel [dat blijft (Johannes 6.27)[73]], [vdH citeert deze
bijbeltekst niet geheel correct.] de hoop op [verlossing
die ik bezit is een feestdis die geheel bevredigt.] mijn heil. [Ik] Want ik [wordt ge]voed mij en [ge]kleed mij met het [almachtige] woord van God [in wie] alles [bestaat]
regeert. Immers, een mens zal niet van brood alleen leven, [(Deuteronomium 8.3[74]
& Matteus 4.4[75])] [maar degenen die zelfs geen gat in de grond hebben om
zich in te verbergen, (Job 24, volgens de Septuagint)] en als men niets heeft om zich mee te
bedekken, degenen die het zondige omhulsel hebben afgelegd[, zijn omringd door de bescherming van de Heer.] worden
met een steen bekleed.' [Terwijl er door Zosimas
in de volgende op wordt gewezen, herkent
vdH ook dit weer niet als een bijbeltekst, en komt hij aan met het
onbegrijpelijke met een steen bekleed!] [V.1 verwijst naar Hebreen 11.38[76]]
(31) Zosimas [verbaasde zich]
constateerde dat ze zelfs bijbelpassages citeerde, uit [de boeken] Mozes, uit Job, en uit het
boek van de Psalmen. Daarom zei hij tot haar: '[Moeder]
Mijn meesteres, heeft u de Psalmen en andere bijbelboeken gelezen?' Ze moest
glimlachen[te een beetje] toen ze dat
hoorde en zei tot de oude[re] man: 'Geloof me, beste
man, [daar is vdH weer met zijn denigrerende
beste man! En het staat niet in V.1 of V.2, zelfs niet als Man van God.]
sinds ik de Jordaan ben overgestoken heb ik geen mens meer gezien,
behalve dan vandaag uw persoon. Zelfs geen dier of enig ander levend wezen heb
ik gezien sinds ik in deze woestijn verkeer. [Op
geen enkele moment in mijn leven heb ik leren lezen.] [In V.1 staat: Ik heb
nooit iets uit boeken geleerd.] [Maar deze
zin is er bij vdH niet.] Ik heb dus ook [zelfs]
nooit iemand horen psalmzingen of uit de Schrift horen voorlezen. Maar het
Woord van God, [is] dat levend
en [krachtig] werkzaam
is, en [dringt door tot het raakpunt van ziel en
geest (Hebreen 4.12).[77]] onderwijst
de mens zelf kennis. [vdH herkent dit weer
niet als een bijbeltekst!] Wel, dit is het einde van [mijn] het verhaal over mijzelf. Maar wat ik [in] aan het begin [vroeg]
van mijn verhaal gedaan heb, [zo verzoek]
doe ik [u] nu weer: ik bezweer u bij
[ter wille van het vlees geworden Woord van God]
de vleeswording van Gods Woord dat u voor mij, [zondaar]
zedeloze, [tot] bij de Heer [te blijven] blijft bidden.' [Kan je bij de
Heer bidden? Is dat Nederlands of metafysisch mogelijk?]
Toen ze dat gezegd had en haar [verhaal] betoog zo geindigd had, wierp hij
zich [languit] neer aan haar voeten om
haar om een zegen te vragen. In tranen riep de oude man: 'Geprezen zij [de Heer] God die [als
enige] zulke grote [wonderen doet], [(Psalmen
72.18)[78]]
[ zou vdH dit
weer niet als een bijbeltekst herkent hebben?!] wonderlijke, [glorieuze] heerlijke en indrukwekkende
dingen doet zonder tal. Geprezen [bent u]
zij [Heer] God die mij getoond heeft
hoeveel hij schenkt aan degenen die hem vrezen. [(Psalmen
31.19)[In mijn bijbel is dat 31.20[79]]
U hebt [u] werkelijk [niet verborgen voor] hen die u zoeken niet in
de steek gelaten, Heer!
(32) Ze [strekte haar hand uit
naar] pakte de [oudere man] grijsaard
beet omdat ze niet [wilde] toestond
dat hij zo voor haar [ging liggen] knielde
en ze zei tot hem: 'Ik bezweer je, [heilige
vader] beste man, [daar is vdH weer
met zijn denigrerende beste man! ] bij onze God en Heiland [Jezus] Christus dat [u]
je al deze dingen die [u] je nu gehoord hebt tegen niemand
vertelt totdat God me van de[ze] aarde heeft [verlost] weggenomen. [229]
Voor dit moment, ga heen in vrede, en volgend jaar zullen wij elkaar weer zien
als God ons in zijn genade bewaart. En doe in Gods naam wat ik u nu [vraag] opdraag: in de heilige vastentijd van
volgend jaar moet u niet de Jordaan oversteken zoals [jullie
gewoonte is] in dat klooster gebruikelijk is.'
Zosimas was perplex te horen dat ze zelfs de
regel[s] van [het]
dat klooster kende, [en het enige dat hij
kon zeggen was] maar hij zei niets, behalve 'Ere zij God
die grote [giften] dingen schenkt aan
degenen die hem liefhebben.'
[En] Maar zij ging
verder: 'Blijf in [het] dat klooster, [Abba] vader, zoals ik [gevraagd] gezegd heb. Zelfs als u naar buiten zou
willen [vertrekken] gaan, zou [u] dat niet lukken. Maar op de heilige avond van [het Laatste Avondmaal] de mystieke maaltijd moet
u voor mij iets van het levengevende lichaam en bloed van Christus nemen
en in een heilige [kelk] beker
die [geschikt is voor] zulke
mysterin waard is [doen en deze] meebrengen, en blijf daarmee [op mij
wachten] aan de bewoonde oever van de Jordaan [die grenst aan het bewoonde gebied]. Als ik dan kom,
kan ik [deelhebben in] die levenschenkende
gaven ontvangen. Want sinds ik die in de kerk van de Voorloper [de Communie] heb ontvangen, vlak voordat ik de
Jordaan overstak, heb ik die heilige [Communie]
gave nooit meer gekregen. En nu [dorst] verlang
ik ernaar met een [onbedwingbare liefde en] onblusbaar
verlangen. [vdH: verlang met een verlangen, wat
een Nederlands!] Daarom [vraag] bid en smeek ik u ook mijn
verzoek niet te weigeren, maar mij toch vooral die levenschenkende
goddelijke mysterin te brengen op het [precieze
tijdstip] uur dat de Heer zijn leerlingen de goddelijke maaltijd
deelachtig deed worden. Tot vader Johannes, de abt van het klooster waarin u
woont, moet u het volgende zeggen: "Let op uzelf en uw kudde, want er gebeuren daar [veel] dingen die correctie behoeven." [Helderziend] Maar ik wil niet dat u nu al met hem
daarover spreekt, maar pas wanneer de Heer u dat zal opdragen.' Na nog eens
'Bid voor mij!' tegen de oude man gezegd te hebben, rende ze de diepte van de
woestijn weer in.
Zosimas knielde en kuste de grond waarop haar [voeten hadden gestaan] voetafdrukken nog te zien
waren. Hij prees en dankte God en keerde opgetogen van ziel en lichaam weer
terug, Christus onze God verheerlijkend en lofprijzend. Hij [bleef de overgebleven tijd in] trok weer de
woestijn door en [ging terug naar] kwam
aan in het klooster op de dag dat [alle] de daar woonachtige
monniken daar plegen terug[keerden] te
keren.
(33) Dat hele jaar zweeg hij, want hij durfde niemand iets
te zeggen van wat hij [gezien] meegemaakt had. In stilte bad
hij [steeds] tot God hem [toe te staan] dat [haar]
gezicht weer te laten zien waarnaar hij [zo]
verlangde. [Hij zuchtte over hoe langzaam het] Het
ontstemde hem en maakte hem mismoedig als hij bedacht hoe lang een jaar [leek te verstrijken] wel niet duurt en hij had
wel gewild dat het mogelijk was dat een jaar maar n dag duurde.
Toen de [eerste] zondag
aan het begin van de heilige vastentijd [230]
aanbrak, gingen alle anderen [op de] na
het gebruikelijke [manier] gebed
direct naar buiten onder psalmgezang, maar hij [leed aan] werd tegengehouden door een [lichte] koorts [waardoor
hij in het klooster moest achter]die hem dwong binnen te
blijven. Toen herinnerde Zosimas zich [hoe die]
dat de heilige vrouw gezegd had: 'Zelfs al zou u het klooster
willen [weggaan] verlaten, [dan] zou [u]
dat niet lukken.' Na verloop van enige dagen herstelde hij van zijn ziekte,
maar hij bleef in het klooster.
(34) Toen de monniken weer teruggekeerd waren en de [dag] avond van [het
Laatste Avondmaal] de mystieke maaltijd aanbrak, deed hij wat hem
opgedragen was. Hij deed in een kleine [kelk]
beker iets van het onbezoedelde lichaam en het kostbare bloed van [onze Heer Jezus] Christus onze God en hij
deed [een paar] vijgen en dadels en wat
geweekte linzen in een mandje. Laat in de avond vertrok hij en ging zitten aan
de oever van de Jordaan, wachtend op de komst van de heilige vrouw. [Hoewel] Toen de heilige vrouw [lang] op zich liet wachten, viel Zosimas niet in
slaap, maar bleef strak naar de woestijn [in]
kijken, [weer wat dom geformuleerd naar de
woestijn kijken] [verlangend haar] afwachtend
of hij zou zien wat hij begeerde te zien. [Hij
vroeg zich af: ] De oude man zat daar en zei tot zichzelf: 'Misschien
heeft mijn onwaardigheid haar verhinderd te komen. Of misschien is ze al
geweest en omdat ze mij niet aantrof weer teruggekeerd.' [Hij] Bij die gedachte barstte hij in
tranen uit en huilend en zuchtend hief hij zijn ogen naar de
hemel en [bad tot] smeekte God aldus:
'Heer, verhinder mij niet [haar] weer te
zien [wie] wat u mij eens toestond te
zien! [Laat mij] Ik wil niet [onbeloond] onverrichter zake teruggaan[, als straf voor] en mijn zonden die
mij aanklagen met mij meenemen.' [onverrichter
zake is wel erg zakelijk en veronderstelt ook verrichtingen van de kant van
Zosimas.]
Terwijl hij dat onder tranen bad, viel hem nog een andere
gedachte in: wat gaat er gebeuren als ze wl komt? Er is hier namelijk
geen [veer]bootje! [Hoe kan ze de Jordaan oversteken en naar mij toe komen?]
[Stakker die ik ben! Ach, ik ongelukkige! Ach, wie
kan haar verhinderd hebben voor mij te verschijnen?] Wee mijn
onwaardigheid, wee mijn armzaligheid! Wie heeft mij van zo'n groot goed beroofd,
en terecht!?
(35) Maar zie, terwijl [hij]
de oude man dit soort gedachten had, kwam de heilige vrouw opdagen
en [bleef] ging aan [de andere] die kant van de rivier staan vanwaar
ze gekomen was. Zosimas stond blij op en verheugd [dankte]
prees hij God. Maar opnieuw [dacht hij er
aan] beklemde de gedachte hem dat zij de Jordaan niet kon
oversteken. Toen zag hij haar echter het kruisteken over de [wateren van de] Jordaan maken (want het was een
nacht met volle maan) en direct daarna zag hij haar [op] het water [stappen]
bestijgen en over de [oppervlakte lopend]
golven heen naar hem toekomen [alsof het
droog land was]. [het water
bestijgen?, vdH! En hoezo golven?] [Vervuld
van ontzag maakte] Zodra hij aanstalten [zich
op de grond uit te strekken] maakte
voor haar te knielen, [maar] verhinderde
zij [riep hem toe, ] al lopend op het water hem toe te roepen:
'Wat doet u daar [nou], [Abba] vader, u die een priester bent en de
heilige mysterin draagt?[!]' [Dit is geen vraag, vdH!]
[231] [Hij gehoorzaamde haar meteen en nadat] Nadat
hij gehoor had gegeven aan wat zij zei en zij [op
de oever] het water af was gekomen, zei ze tot de oude man:
'Zegen mij, vader, zegen mij!'
En hij antwoordde haar bevend (want verbijstering had hem
bevangen bij het [zien van zon glorieus wonder]
wonderlijke schouwspel): 'Werkelijk, God liegt niet als hij belooft dat
degenen die zich hebben gereinigd zoveel mogelijk aan hem gelijk zullen worden.
Eer zij u, Christus onze God, die mijn gebed niet hebt afgewezen en uw
mededogen niet verre van uw dienaar hebt gehouden. [Deze zin komt in V.1 en V.2 niet voor.] Eer zij u, Christus
onze God, die mij door deze dienares van u getoond hebt hoever ik van de
volmaaktheid verwijderd ben.' Toen hij dit zei, vroeg de vrouw hem [het Credo uit te spreken] de heilige
geloofsbelijdenis op te zeggen en het Onze Vader te bidden. Toen het gebed
beindigd was, gaf zij de oude man de [destijds]
gebruikelijke vredeskus op de mond. Daarna [nam]
kreeg zij de levenschenkende mysterin [tot
zich] en met haar armen ten hemel geheven zuchtte ze en riep in tranen:
'Heer, laat nu naar uw woord uw dienares in vrede gaan, want mijn ogen hebben
uw heil gezien.'
(36) Daarop zei ze tegen de oude man: 'Vergeef mij, [Abba] vader, [dat ik
t u vraag,] maar vervul ook nog een andere wens van mij. Ga nu terug
naar het klooster, [beschermd in] bewaard
door Gods genade, maar kom het volgende jaar weer [aan
de andere kant van de rivier en reis] naar die [plaats]
rivierbedding waar ik u voor het eerst heb ontmoet. Kom alstublieft in
Gods naam, dan zult u mij weer zien, zoals de Heer wil.' Hij antwoordde haar:
'Ik wou dat het mogelijk was voortaan met u mee te [volgen] gaan en [het
genoegen te smaken] uw [heilige gezicht]
kostbare gestalte altijd te zien. Maar vervul in ieder geval n wens
van een oude man en neem iets van het weinige voedsel dat ik heb meegebracht.'
[En hij] Terwijl hij dat zei, liet hij
haar zien wat hij in het mandje [zien] had.
Ze raakte met haar vingertoppen de linzen aan, nam er drie [korrels en at ze]
en deed die in haar mond en zei dat de genade van de Geest genoeg is om het
wezen van de ziel [in leven te houden] onbevlekt
te bewaren. Daarna zei ze weer tot [hem]
de grijsaard: 'Bid in Gods naam voor mij, en gedenk [een arme stakker] mijn armzaligheid.'
Hij [raakte] pakte
de voeten van de heilige vrouw [even aan] beet
[beetpakken!; het is wel te zien dat vdH niet op
de hoogte is van Oosterse gebruiken] en vroeg haar te bidden voor de
kerk, voor [de keizer] het koninkrijk, en voor hemzelf. In tranen
liet hij haar gaan en steunend en kreunend ging hij weg, want hij [kon haar niet langer ophouden ook al had hij dat gewild.]
durfde deze onaanraakbare niet langer aan te raken. [Wat zou vdH nou gedacht hebben toen hij haar een
onaanraakbare noemde??? Wat een ongelooflijk slechte vertaling. Zosimas had
haar net nog aangeraakt, dus is het onlogisch, terwijl er in V.1 en V.2 iets
heel anders staat. In V.1: ...want hij kon er
niet op hopen het onverslaanbare te overwinnen.]
Zij sloeg weer een kruis over de Jordaan, [stapte op] besteeg het water en
wandelde er weer overheen, net als daarvoor. De oude man keerde terug, door
zowel blijdschap als grote vrees bevangen. Hij verweet zichzelf dat hij deze
heilige [232] vrouw niet naar haar naam had
gevraagd, maar hij hoopte dat het volgende jaar nog te kunnen doen.
(37) Toen dat jaar voorbij was, ging hij weer naar de
woestijn, waarbij hij alles [ging zoals
gewoonlijk] deed naar zijn gewoonte, [en]
maar hij haastte zich naar [de plaats waar
hij voor het eerst dat] het wonderbaarlijke schouwspel [had gezien]. [Een
stukje vergeten, vdH, wat het niet begrip niet bevordert.] Hij [liep] legde de afstand door de woestijn af
[maar kon geen] en hij trof enkele
tekenen [vinden] aan die erop duidden
[hoe] dat hij de [gewenste] gezochte plek [kon vinden] gevonden had. [Precies het tegenovergestelde, vdH, wat het niet begrip
zeker niet bevordert.] Hij keek links en rechts en wendde zijn blik alle
kanten op[, de omgeving onderzoekend] alsof
hij als een [snelle] ervaren jager
was die [speurt naar een gunstige prooi] een
zeer begeerd stuk jachtbuit probeerde te verschalken. [Toch weer even anders, vdH.] Maar toen hij nergens
ook maar iets zag bewegen, liet hij zijn tranen de vrije loop. Hij richtte zijn
blik omhoog en bad: 'Heer, toon mij toch uw ongeschonden schat die u in deze
woestijn verborgen hebt! Toon mij toch die [vleesgeworden]
engel in een lichaam, die [geen vergelijk
heeft in heel] de wereld niet waardig is.'
Nadat hij dit gebeden had, kwam hij [meteen] bij de plek die [leek
op een woeste rivier] de vorm had
van een bergstroom en [toen hij naar de
overkant keek] hij zag [hij een
schijnend licht en het lichaam van] op de oostelijke helling
de heilige vrouw dood liggen met haar handen [op
de juiste manier] gevouwen en haar [gezicht]
lichaam naar het oosten gericht. [Toch
weer even heel anders, vdH.: oostelijke
helling of gezicht naar het oosten.] Hij rende naar haar toe en [baadde] waste de voeten van deze
gelukzalige vrouw [in] met zijn
tranen af. [Toch weer even heel anders, vdH.:
afwassen of baden.] [... en kuste ze.] Hij durfde namelijk geen ander
deel van haar lichaam aan te raken.
(38) Hij huilde geruime tijd, zong toen de bij deze
gelegenheid passende psalmen, en sprak het gebed voor de doden uit. Daarna
dacht hij: is het wel juist het stoffelijk overschot van deze heilige vrouw
hier te begraven? Zou dat wel zijn wat zij gewild zou hebben? [Toen] Terwijl hij dat dacht, zag hij naast
haar hoofd in het zand geschreven staan: '[Abba]
Vader Zosimas, begraaf op deze plek het [lichaam]
stoffelijk overschot van de nederige Maria, geef stof terug aan
stof, en bid voortdurend voor mij tot de Heer. Ik stierf in de maand
Farmoethi, [volgens de Egyptenaren, en April
volgens de Romeinen, op de negende dag, dat is vijf dagen voor de ides van April] in dezelfde nacht als die van [de Passie] het lijden van de [Heer] Heiland, na de [communie van het] goddelijke en [heilige] mystieke [Avond]maaltijd ontvangen te hebben.'
Toen de oude man die geschreven woorden zag, [vroeg hij zich eerst af wie die geschreven kon hebben,
want ze had gezegd dat ze nooit had leren lezen] [staat niet in V.1!, maar is inderdaad een goeie vraag.
Het is vdH ontgaan blijkbaar dat zijn versie niet logisch was] was hij [tegelijkertijd] blij dat hij nu de naam van de heilige
vrouw kende. Hij begreep dat zij direct na het ontvangen van [de Communie] het goddelijke mysterie bij de
Jordaan [naar] op de plek was [verplaatst] aangekomen waar zij was gestorven.
[Zoals vdH het vertaalt, wordt het niet duidelijk
dat het hier het wonder van teleporteren betreft.] Een reis die Zosimas met pijn en
moeite in twintig dagen had gedaan, had Maria [klaarblijkelijk]
in [minder dan] n uur gedaan,
en ze was regelrecht naar God vertrokken.
(39) Hij verheerlijkte God en [baadde]
bevochtigde haar lichaam met zijn tranen. Daarop zei hij: 'Het is tijd,
Zosimas, [haar wens] uit te voeren wat je is
op [233] gedragen. Maar hoe wil je
een gat graven, mijn arme, als je [alleen
maar je] helemaal niets in handen hebt?' [Dat was geen mooi Nederlands, vdH] Op dat moment zag hij [vlakbij] op geringe afstand een klein stuk
hout [door een reiziger] in de woestijn [achtergelaten] liggen. Dat pakte hij op en hij
begon ermee te graven. De grond was echter [hard en]
erg droog en gaf niet [toe aan] mee
onder de inspanningen van de oude man, [en de
taak was er ook niet gemakkelijker
op geworden door zijn zwakte na het vasten, om nog maar te zwijgen van de
vermoeidheid van de lange reis,] [staat niet
in V.] maar hij bleef [doorwerken, zwaar
zuchtend] het toch proberen terwijl het zweet van hem afdroop en
hij [kreunde] zuchtte uit het diepst
van zijn [hart] geest. [zuchten uit je geest, dat
is toch geen Nederlands, vdH!] [Plotseling] Toen hij
opkeek, zag hij een grote leeuw bij het lichaam]
overschot van de heilige vrouw staan die haar voeten likte. Zodra hij
dat dier zag, begon hij te trillen van angst, vooral omdat hij zich herinnerde
dat Maria had gezegd dat ze hier nooit een dier gezien had. Maar hij sloeg een
kruis en vertrouwde erop dat de kracht van degene die daar lag hem zou
beschermen. De leeuw [kwam dichterbij hem en
maakte] begon tegen de grijsaard te kwispelen, niet alleen om hem te
groeten maar ook om door die bewegingen [waarmee
hij] zijn [genegenheid toonde.] goede
bedoelingen kenbaar te maken. Zosimas zei tot de leeuw: 'Dier, omdat
deze grote vrouw mij heeft opgedragen haar [lichaam]
lichamelijk overschot te begraven maar ik een oude man ben die niet goed
kan graven, [zou] doe jij [dat werk] die plicht nu met je [klauwen] nagels [willen
doen], want ik heb niets om mee te graven en ik heb de kracht ook niet [en het zou te lang duren] om dat hele eind terug te
gaan om een geschikt werktuig te halen. Zo kunnen wij dan de [sterfelijke tempel] aardse woning van de
heilige vrouw weer aan de aarde [toevertrouwen]
teruggeven.'
[Terwijl hij nog praatte,]
Onmiddellijk begon het dier met zijn voorpoten
een gat te graven dat groot genoeg was om het lichaam te begraven.
(40) Opnieuw [baadde] bevochtigde
de oude man de voeten van de heilige vrouw met zijn tranen. Hij smeekte haar vurig
voor allen te bidden en waar de leeuw bij stond, bedekte hij het lichaam met
aarde, het lichaam dat naakt was als in het begin en geen andere bedekking
had dan het gescheurde kleed dat Zosimas haar had toegeworpen en waarmee
Maria met haar rug naar hem toe enkele delen van haar lichaam [gedeeltelijk] had [kunnen
bedekken] bedekt. Daarop gingen beiden weg. De leeuw trok zich zo
[vriendelijk] als een [lam] terug [midden]in
het binnenste van de woestijn. [Een
vriendelijk lam klinkt toch beter, en is ook correcter, dan een mak schaap] Zosimas keerde terug naar het klooster, Christus
onze [Heer] God lovend en prijzend.
Zodra hij weer in het klooster was, vertelde hij alles aan de monniken en hij
hield niets achter van wat hij gehoord en gezien had. Vanaf het begin vertelde
hij hun alles tot in details, zodat allen die deze grote daden Gods hoorden
perplex stonden en in eerbied en liefde de herinnering aan deze heilige vrouw
koesterden.
Johannes de abt[, zoals de
heilige Maria eerder aan Abba Zosimas had verteld,] vond inderdaad in
het klooster [een aantal dingen verkeerd en met Gods hulp kon hij die
oplossen.] enkelen die correctie nodig hadden, zodat ook in dat opzicht het
woord van de heilige vrouw niet loos of onbegrijpelijk bleek te zijn.
Zosimas [bleef] stierf in dat
klooster [en vertrok in vrede naar de Heer] op
ongeveer honderdjarige leeftijd.
[Er is nog een soort PS van Sophronius in V.1 en nog wat gebeden in V.2]
[235]
[Deze zijn voor mij niet van zoveel belang omdat ik meer in de praktijken genteresseerd ben. Maar ik vermoed dat ze even slecht vertaald zullen zijn als bovenstaande teksten. Het zou ook weer erg veel werk zijn die allemaal na te lopen.]
G.J.M. Bartelink, De bloeiende woestijn. De wereld van het vroege monachisme, Baarn 1993
[1] 4,20 Meteen lieten ze hun netten achter en volgden Hem.
[2] 4, 34 Er was immers niemand onder hen die gebrek leed, want allen die grond of huizen bezaten verkochten hun bezit, gingen met de opbrengst naar de apostelen, 35 en legden die aan hun voeten. Daarvan werd uitgedeeld aan een ieder, al naar gelang hij nodig had.
[3] (W) Kol. 1,4 Wij hebben immers gehoord van uw geloof in Christus Jezus en van de liefde die u alle heiligen toedraagt, 5 omwille van de hoop die voor u is weggelegd in de hemel. U hebt daarvan gehoord toen het evangelie, het woord van de waarheid, 6 tot u kwam. In heel de wereld is het bezig vrucht te dragen en te groeien, evenals bij u, sinds de dag dat u gehoord hebt van Gods genade en haar hebt leren kennen in haar waarheid.
[4] 19,21 Jezus zei: `Als u onverdeeld goed wilt zijn, ga dan uw bezit verkopen en geef het aan de armen, en u zult een schat hebben in de hemel. Kom dan terug om Mij te volgen.'
[5] 6,34 Maak je dus niet bezorgd over de dag van morgen, want de dag van morgen zal zich wel bezorgd maken over zichzelf. Iedere dag heeft genoeg aan zijn eigen kwaad.
[6] 3,10 Ook toen wij bij u waren, hielden wij u telkens deze regel voor: iemand die niet wil werken, zal ook niet eten.
[7] De befaamde monnikentekst, 1 Tess. 5,17, luidt slechts: bidt onafgebroken. Het woord afzonderlijk zinspeelt op Mt. 6,6.
[8] (W) Gen. 3,5 God weet dat je ogen open zullen gaan als je van die boom eet, en dat je dan gelijk zult worden aan God, door de kennis van goed en kwaad.'
[9] 1 Kor 15,10 Maar door de genade van God ben ik wat ik ben, en zijn genade voor mij is niet vruchteloos geweest. Ik heb harder gewerkt dan alle anderen; dat wil zeggen, niet ik, maar de genade van God met mij.
[10] 112,10 Dat ziet de boze vol jaloezie aan, knarst zijn tanden en bezwijkt; het plan van de boze moet mislukken.
[11] (W) Marc. 8,18 Wanneer hij hem aangrijpt, knijpt hij hem de keel dicht, en dan staat het schuim hem op de mond, knarst hij met de tanden en wordt hij helemaal stijf. Ik vroeg uw leerlingen hem uit te drijven, maar ze waren er niet toe in staat.'
[12] Hos 4,12 Het volk raadpleegt zijn stuk hout, en zijn stok heeft het voor het zeggen. De geest van ontucht heeft hen misleid, door hun ontucht lopen zij weg van hun God.
[13] Ps 118,7 De HEER staat bij mij, de HEER is mijn helper: ik kan lachen om mijn vijanden.
[14] Rom 8,4 Zo moest de eis van de wet vervuld worden door ons die geen zondig leven meer leiden, maar leven volgens de Geest.
[15] 1 Petr, 5,8 Wees nuchter en waakzaam. Uw vijand, de duivel, zwerft rond als een brullende leeuw, op zoek naar een prooi om die te verslinden.
[16] Ef. 6,11 Trek de wapenrusting van God aan om te kunnen standhouden tegen de listen van de duivel. 12 Want onze strijd is niet gericht tegen vlees en bloed, maar tegen de heerschappijen, tegen de machten, tegen de wereldbeheersers van deze duisternis en tegen de geesten van het kwaad in de hemelse regionen.
[17] 27 Ik hard mijzelf en houd mij onder strikte tucht om niet, na voor anderen gepredikt te hebben, zelf verworpen te worden.
[18] Eerst eten na zonsondergang was ook regel bij de
Therapeuten, de zoekers van de wijsheid door Philo beschreven. Want, zeiden
zij, "de geigende tijd voor het mediteren is het licht, die voor de
lichaamsbehoeften het donker" (PHILO,
De vita cordemplativa, nr. 34). De
Essenirs daarentegen aten op het vijfde uur (= elf uur 's morgens?).
[19] 10 Ter wille van Christus zal ik daarom graag zwak zijn: in smaad, nood, vervolging en benauwdheid. Want als ik zwak ben, dan ben ik sterk.
[20] (Willibrord) Filipenzen 3,12 Niet dat ik dat alles al bereikt heb of al volmaakt ben! Maar ik streef er vurig naar het te grijpen, gegrepen als ik ben door Christus Jezus. 13 Nee, broeders en zusters, ik beeld mij niet in dat ik het al in mijn bezit heb. Alleen dit: vergetend wat achter me ligt en me richtend op wat voor me ligt, 14 streef ik naar het doel: de prijs van de hemelse roeping, die God in Christus Jezus tot mij richt. (Staten bijbel) 3,14 Maar een ding [doe] [ik], vergetende, hetgeen achter is, en strekkende mij tot hetgeen voor is, jaag ik naar het wit, tot den prijs der roeping Gods, die van boven is in Christus Jezus.
[21] (Staten bijbel) 1 Kon. 18,15 En Elia zeide: [Zo] [waarachtig] [als] de HEERE der heirscharen leeft, voor Wiens aangezicht ik sta, ik zal voorzeker mij heden aan hem vertonen! (Willibrord) 18,15 Maar Elia verzekerde: `Zowaar de HEER van de machten leeft, in wiens dienst ik sta: ik verschijn vandaag nog voor Achab.'
[22] 8,35 Wie zal ons scheiden van de liefde van Christus? Verdrukking wellicht of nood, of vervolging, of honger, of naaktheid, of levensgevaar, of het zwaard?
[23] Ps. 27,3 Al slaat een leger het beleg rond mij, mijn hart zal niet vrezen; al woedt een oorlog tegen mij, ik behoud mijn vertrouwen.
[24] (W) Spr. 18,11 Het bezit van de rijke is een machtige stad voor hem, als een veilige muur in zijn verbeelding.
[25] (W) Hand. 7,54 Toen ze dit hoorden, waren ze diep gekwetst, en ze narsetandden van woede tegen hem.
[26] (Staten bijbel) 8,20 Maar Petrus zeide tot hem: Uw geld zij met u ten verderve, omdat gij gemeend hebt, dat de gave Gods door geld verkregen wordt!
[27] Ps. 68,2 Als God zich verheft, stuift de vijand uiteen, vluchten zijn haters voor zijn aangezicht. 3 Als rook verwaaiend op de wind, was versmeltend in het vuur, zo kwijnen de bozen voor zijn aangezicht weg.
[28] 118,10 Stammen en volken drongen op rondom mij - ik heb hen afgeweerd met de naam van de HEER; (Staten bijbel) 118,10 Alle heidenen hadden mij omringd; het is in den Naam des HEEREN, dat ik ze verhouwen heb.
[29] Dus als het ware in extatische toestand. Athanasius heeft geschriften van Pythagoras voor ogen gehad, zoals blijkt uit verschillende zinswendingen die daar eveneens voorkomen.
[30] De vertaling "Logos" past geheel in de christologische opzet van Athanasius. Logos betekent zowel woord als rede. Hier is zeker niet de menselijke rede bedoeld, zoals blijkt uit de volgende zin. Zonder het woord te noemen zegt Athanasius dat Antonius gekomen is tot de apatheia, voorwaarde voor de hoogste beschouwing.
[31] De natuur bij de schrijvers uit deze tijd betekent altijd de ongerepte, niet door de zonde verlaagde natuur, de natuur zoals zij bij de schepping uit Gods hand is gekomen, want alles wat God schept is goed. Hoewel uitwendig gelijk gebleven, was Antonius inwendig geheel veranderd, herschapen, had hij de oorspronkelijke gaafheid herwonnen. Hier is sprake van een echte transfiguratie, een geestelijke gedaanteverandering. Een passage in de Vita van sublieme schoonheid! Nu Antonius in de oorspronkelijke gaafheid hersteld is, bezit hij, evenals de eerste mens voor de zondeval, heerschappij ovver de schepping. Athanasius bewijst dit door onmiddellijk enkele wonderen te vermelden door Antonius verricht. Daarbij stelt hij echter uitdrukkelijk dat dit alles een genade was die Antonius dankte aan Christus.
[32] (W) Rom. 8,32 Hij heeft zelfs zijn eigen Zoon niet gespaard; voor ons allen heeft Hij Hem overgeleverd. En zou Hij ons na zo'n gave ook niet al het andere schenken? (Staten bijbel) 8,32 Die ook Zijn eigen Zoon niet gespaard heeft, maar heeft Hem voor ons allen overgegeven, hoe zal Hij ons ook met Hem niet alle dingen schenken?
[33] (W) Fil. 3,20 Maar ns vaderland is in de hemel, vanwaar wij ook onze redder verwachten, de Heer Jezus Christus.
[34] (W) Num. 24,5 Hoe mooi zijn uw tenten, Jakob, uw woningen, Isral: 6 als dalen liggen zij verspreid, als tuinen langs een rivier, als alobomen geplant door de HEER, als ceders aan de waterkant.
[35] (W) Lc. 12,22 Hij zei tegen zijn leerlingen: `Daarom zeg Ik jullie: maak je niet bezorgd over wat je zult eten om in leven te blijven, of over de kleding voor je lichaam.
[36] (W) Lc. 12,29 Houd toch eens op te zoeken naar wat je zult eten en wat je zult drinken. Maak je niet langer ongerust. 30 Want naar zulke dingen zijn alle volken van de wereld op zoek, maar jullie Vader weet dat je dat nodig hebt. 31 Nee, zoek zijn koninkrijk, dan krijg je die dingen erbij.
[37] (W) Lc. 11,9 Ik zeg jullie: vraag en jullie zal gegeven worden, zoek en je zult vinden, klop en er zal voor je worden opengedaan. 10 Want ieder die vraagt, krijgt; wie zoekt, vindt; en voor wie klopt, zal worden opengedaan. 11 Welke vader onder jullie zal zijn kind, als het om een vis vraagt, in plaats daarvan een slang geven? 12 Of een schorpioen, als het om een ei vraagt? 13 Als jullie dus, slecht als je bent, het goede weten te geven aan je kinderen, hoeveel te meer zal dan de hemelse Vader de heilige Geest geven aan degenen die Hem erom vragen.'
[38] (W) Ef. 6,12 Want onze strijd is niet gericht tegen vlees en bloed, maar tegen de heerschappijen, tegen de machten, tegen de wereldbeheersers van deze duisternis en tegen de geesten van het kwaad in de hemelse regionen.
[39] (W) Hand. 10,12 Hierin bevonden zich alle viervoetige en kruipende dieren van de aarde en de vogels van de hemel.
[40] (W) Ps. 125,1 Een bedevaartslied. Wie op de HEER vertrouwt, staat als de Sion, onwankelbaar vast als die berg; hij staat daar voor altijd.
[41] (W) Job 5,23 Want je hebt een verbond met de stenen van het veld, vrede met de dieren.
[42] (W) Ps. 35,16 die kring van goddelozen spot met mij, knarsetandt tegen mij.
[43] (W) Rom. 1,1 Van Paulus, dienstknecht van Christus Jezus, door God geroepen tot apostel en bestemd voor de dienst van het evangelie ...
[44] (W) Fil 1,1 Van Paulus en Timotes, dienstknechten van Christus Jezus, aan alle heiligen in Christus Jezus te Filippi, met hun leiders en diakens.
[45] (W) Gal 1,10 Tracht ik nu de mensen te winnen of God? Zoek ik soms de gunst van de mensen? Als ik die zocht, zou ik geen dienaar van Christus zijn.
[46] (W) Rom. 1,11 Want ik verlang er vurig naar u te leren kennen, in de hoop u een of andere geestelijke gave te kunnen meedelen om u te sterken, 12 of eigenlijk, om bij u en met u de vertroosting te genieten van ons gemeenschappelijk geloof, het uwe zowel als het mijne.
[47] Niet gevonden. Maar wel, wat er een beetje op lijkt, bij (W) Spr. 13,25 De rechtvaardige eet en verzadigt zich, maar de maag van de zondaars komt tekort.
[48] (W) Ef. 4,26 Wordt u boos, zondig dan niet. De zon mag over uw boosheid niet ondergaan; 27 geef de duivel geen kans.
[49] (W) 2 Kor. 13,5 Onderzoek en toets uzelf: staat u in het geloof? U kunt toch van uzelf getuigen dat Jezus Christus in u is? Zo niet, dan hebt u de proef niet doorstaan.
[50] (W) 1 Kor. 4,5 Oordeel dus niet voorbarig, voordat de Heer gekomen is. Hij zal wat in het duister verborgen is aan het licht brengen, en openbaar maken wat er in de harten omgaat. Dan zal ieder de lof die hem toekomt, ontvangen van God.
[51] (W) Rom. 2,15 Zij tonen dat wat de wet vereist, in hun hart geschreven staat. Hun geweten getuigt daarvan, en hun gedachten, die hen over en weer beschuldigen of ook wel vrijspreken 16 op de dag dat God volgens mijn evangelie over de verborgen daden van de mens zal oordelen, door Christus Jezus.
[52] (W) Gal. 6,2 Help elkaars lasten te dragen; op die manier zult u de wet van Christus vervullen.
[53] (W) 1 Kor. 9,27 Ik hard mijzelf en houd mij onder strikte tucht om niet, na voor anderen gepredikt te hebben, zelf verworpen te worden.
[54] (W) Joh. 19,41 Op de plaats waar Hij gekruisigd was lag een tuin, en in die tuin lag een nieuw graf, waarin nog nooit iemand was bijgezet. 42 Omdat het de Joodse voorbereidingsdag was en het graf dichtbij lag, legden ze Jezus daarin neer.
[55] (W) Mt. 27,6 2 De volgende dag, dat wil zeggen na de voorbereidingsdag, gingen de hogepriesters en de farizeen samen naar Pilatus 63 en zeiden: `Heer, wij moesten eraan denken dat die misleider tijdens zijn leven gezegd heeft: "Na drie dagen zal Ik tot leven gewekt worden.'' 64 Geef dus het bevel om het graf te beveiligen tot de derde dag. Want anders komen zijn leerlingen Hem stelen en zeggen ze tegen het volk: "Hij is opgewekt uit de doden.'' Die laatste misleiding zou erger zijn dan de eerste.'
[56] (W) Joz. 23,14 Ik ga nu de weg van al het aardse. U weet heel goed dat van alle heerlijke beloften die de HEER uw God u gedaan heeft, er niet n onvervuld is gebleven. Alles is voor u verwerkelijkt en niet n woord ervan is onvervuld gebleven.
[57] (W) Lc. 16,9 Ook Ik zeg jullie: maak je vrienden met behulp van de geldduivel; als die je dan ontvalt, zullen ze je ontvangen in de eeuwige tenten.
[58] (W) Matt.6.16 Wanneer je vast, zet dan geen somber gezicht zoals de schijnheiligen, want zij vertrekken hun gezicht om met hun vasten op te vallen bij de mensen. Ik verzeker jullie, ze hebben hun loon al. 17 Maar als jij vast, zalf dan je hoofd en was je gezicht, 18 opdat het bij de mensen niet opvalt dat je vast, maar wel bij je Vader, die in het verborgene is; en je Vader, die in het verborgene ziet, zal het je lonen.
[59] 2 Kon 4,16 En Elisa zei: `Volgend jaar om deze tijd zult u een zoon aan uw hart drukken.' Zij antwoordde: `Och nee, mijn heer, man van God, u moet uw dienares niets voorspiegelen.' 17 Maar de vrouw werd zwanger en baarde het jaar daarop rond dezelfde tijd een zoon, zoals Elisa voorspeld had.
[60] Toespraak op de berg 3 `Gelukkig die arm van geest zijn, want hun behoort het koninkrijk der hemelen. 4 Gelukkig die verdriet hebben, want zij zullen getroost worden. 5 Gelukkig die zachtmoedig zijn, want zij zullen het land erven. 6 Gelukkig die hongeren en dorsten naar de gerechtigheid, want zij zullen verzadigd worden. 7 Gelukkig die barmhartig zijn, want zij zullen barmhartigheid ondervinden. 8 Gelukkig die zuiver van hart zijn, want zij zullen God zien. 9 Gelukkig die vrede brengen, want zij zullen kinderen van God genoemd worden. 10 Gelukkig die vervolgd worden vanwege de gerechtigheid, want hun behoort het koninkrijk der hemelen. 11 Gelukkig zijn jullie, als ze jullie uitschelden en vervolgen en je van allerlei kwaad betichten vanwege Mij.
[61] 1 Tim 2,3 Dit is goed en welgevallig in de ogen van God, onze redder, 4 die wil dat alle mensen gered worden en tot de kennis van de waarheid komen. Christus Jezus.
[62] 20,2 sprak de HEER bij monde van Jesaja, de zoon van Amos. Hij had hem bevolen: `Doe het haren kleed om uw lendenen uit en trek uw sandalen uit.' De profeet had dit gedaan en liep naakt en blootsvoets rond. 3 Toen verklaarde de HEER: `Mijn dienaar Jesaja heeft drie jaar naakt en blootsvoets rondgelopen, als teken en zinnebeeld van wat de Egyptenaren en de Kusieten te wachten staat: 4 de koning van Assur zal hen allemaal, jong en oud, als krijgsgevangenen en ballingen wegvoeren, naakt en blootsvoets en met ontbloot achterste, tot schande van Egypte!
[63] 13,1 Zo spreekt de HEER tegen mij: `Ga een linnen lendendoek kopen, sla die om uw middel en zorg dat hij niet nat wordt.' 2 Ik kocht dus een lendendoek, zoals de HEER gevraagd had, en sloeg die om mijn middel. 3 Weer kwam het woord van de HEER tot mij: 4 `Ga naar de Eufraat met de lendendoek die u gekocht hebt, draag die om uw middel en verberg hem daar in een rotsspleet.' 5 Ik ging naar de Eufraat en verborg hem daar, zoals de HEER bevolen had. 6 Geruime tijd later zei de HEER tegen mij: `Ga naar de Eufraat en haal de lendendoek op die u daar op mijn bevel hebt verborgen.' 7 Ik ging naar de Eufraat, zocht de plek op waar ik de lendendoek had verborgen en haalde hem weer tevoorschijn. Maar de lendendoek was vergaan, hij deugde nergens meer voor.
[64] 27,2 `Zo spreekt de HEER tegen mij: U moet een juk maken met riemen en dat op uw schouders nemen.
[65] 1,2 Hier beginnen de woorden van de HEER tot Hosea. De HEER sprak tot Hosea: `U moet een hoerige vrouw trouwen en hoerenkinderen bij haar verwekken, want werkelijk, het land loopt door zijn overspel van de HEER weg.'
[66] 4,4 Ga dan op uw linkerzijde liggen om de schuld van het volk van Isral te dragen. Het aantal dagen dat u zo zult liggen, zult u hun schuld dragen. 5 Want Ik reken het aantal jaren van hun schuld in dagen om: driehonderdnegentig dagen moet u de schuld van het volk van Isral dragen. 6 Als die dagen om zijn, moet u opnieuw gaan liggen, nu op uw rechterzijde, en de schuld van het volk van Juda dragen, veertig dagen lang. Voor elk jaar leg Ik u een dag op. 7 Ontbloot uw arm, richt uw blik op Jeruzalem en profeteer tegen de belegerde stad. 8 Ik zal u met touwen knevelen, zodat u zich niet van de ene zijde op de andere kunt keren totdat de dagen van de belegering voorbij zijn. 9 Neem tarwe, gerst, bonen, linzen, gierst en spelt; doe alles in een pot en maak er brood van; al de driehonderdnegentig dagen dat u op uw zijde ligt, moet u dat eten.
[67] 12,7 Ik deed zoals mij bevolen was; ik bracht de bagage die ik als balling nodig had overdag naar buiten, en tegen de avond maakte ik met mijn hand een gat in de muur; in het donker laadde ik voor hun ogen de bagage op mijn schouder en vertrok.
[68] 12,4 Breng de bagage voor uw ballingschap overdag voor hun ogen naar buiten en vertrek voor hun ogen tegen het vallen van de avond als een balling. 5 Maak voor hun ogen in de muur een gat en stap daar doorheen. 6 Uw bagage moet u voor hun ogen op uw schouders laden en u moet in het donker vertrekken; u moet uw gezicht bedekken, zodat u de grond niet kunt zien; want Ik maak u tot een teken voor het volk van Isral'.
[69] 5,1 Mensenkind, neem een scherp mes, een scheermes, en laat het over uw hoofd en uw baard gaan. Neem dan een weegschaal en verdeel de haren. 2 Een derde deel moet u in de stad verbranden, wanneer de dagen van de belegering ten einde zijn; een derde deel moet u in het omliggende gebied met een zwaard klein hakken; het laatste deel moet u in de wind strooien en Ik zal het met het zwaard achtervolgen. 3 Maar een beetje haar moet u in een slip van uw kleed opbergen. 4 Toch moet u daarvan nog iets afnemen, het in het vuur werpen en daarin laten verbranden. Uit dat vuur zal een vlam overslaan naar het huis van Isral.'
[70] 9,6 Maar opdat u weet dat de Mensenzoon bevoegd is om op aarde zonden te vergeven' - toen zei Hij tegen de verlamde: `Sta op, pak uw bed op en ga naar huis.' 7 En hij stond op en ging naar huis. 8 Toen de menigte dit zag, kregen ze ontzag, en ze verheerlijkten God, die deze bevoegdheid aan mensen geeft.
[71] 14,2 Waarachtig, Ik verzeker jullie: wie in Mij gelooft, zal de daden die Ik verricht, ook zelf verrichten; ja nog grotere zal Hij verrichten, want zelf ga Ik naar de Vader, 13 maar wat jullie zullen vragen in mijn naam, zal Ik doen, zodat de Vader verheerlijkt wordt in de Zoon. 14 Als jullie Mij iets zullen vragen in mijn naam, dan zal Ik het doen.
[72] 5,15 zelfs droeg men de zieken de straat op en legde hen daar neer op een bed of een matras, in de hoop dat wanneer Petrus voorbijkwam in ieder geval zijn schaduw op een van hen zou vallen. 16 Ook de bevolking uit de steden rondom Jeruzalem stroomde in groten getale toe; ze brachten zieken mee en mensen die te lijden hadden van onreine geesten, en allen werden genezen.
[73] 6.27 U moet niet zoveel werk maken van vergankelijk voedsel, maar liever van het voedsel dat blijft, het voedsel van het eeuwige leven, dat de Mensenzoon u zal geven; want op Hem heeft de Vader, God zelf, zijn zegel gedrukt.'
[74] 8.3 Hij heeft u vernederd en u honger laten lijden, maar u ook het manna te eten gegeven dat u noch uw vaderen ooit hadden gezien. Hij wilde u daardoor laten beseffen dat de mens niet leeft van brood alleen, maar van alles wat uit de mond van de HEER komt.
[75] 4.4 Hij antwoordde: `Er staat geschreven: De mens zal niet leven van brood alleen, maar van ieder woord dat uit de mond van God komt.'
[76] 11.38 Zij waren te goed voor deze wereld. Ze hielden zich op in woestijnen en in de bergen, in spelonken en in de krochten van de aarde.
[77] 4.12 Want het woord van God is levend en krachtig. Het is scherper dan een tweesnijdend zwaard en dringt door tot het raakpunt van ziel en geest, van merg en beenderen. Het ontleedt de bedoelingen en gedachten van het hart.
[78] 72.18 Gezegend is de HEER God, de God van Isral, die wonderen verricht, Hij alleen.
[79] 31.20 Hoe talrijk zijn de weldaden, HEER, die U bereid houdt voor degenen die U vrezen, voor degenen die hun heil zoeken bij U, ieder die wil, kan het zien.